CBb 23 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:336
Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Fosfaatrecht. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgronden aangevuld. Nog daargelaten dat dit op gespannen voet staat met de goede procesorde, is de stellingname van appellante niet eenduidig. Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat sprake is van incidentele pacht en zij daarom op dezelfde wijze behandeld dient te worden als de appellanten in de door haar aangehaalde zaken (eventueel los van een beroep op artikel 1 van het EP), oordeelt het College als volgt. Appellante heeft op de zitting toegelicht dat zij jaarlijks bekijkt of een perceel verpacht wordt aan Oijevaar en dat dit niet elk jaar hetzelfde perceel(oppervlakte) is. Dat het gaat om een pacht die bij herhaling wordt uitgevoerd, maakt al dat van incidentele pacht zoals aan de orde in de door appellante aangehaalde uitspraken van het College (eenmalige en tijdelijk verpachting), geen sprake is. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Voor een nadere beoordeling van het standpunt van appellante op grond van artikel 38 of 38a van de Msw dan wel artikel 1 van het EP is geen aanleiding omdat onderbouwing van het verzoek tot ontheffing dan wel de individuele en buitensporige last ontbreekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl