CBb 1 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:592

Meststoffenwet: artikel 23, derde lid + artikel 33 Aa Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Geen inbreuk op artikel 1 EP aangenomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel op haar een individuele en buitensporige last legt. Het uitgangspunt is dat appellante zelf de risico’s draagt die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen. Zij kan de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken. Het College acht niet aannemelijk dat de gezondheidssituatie van de moeder en schoondochter bij de beslissing tot omschakeling van varkenshouderij naar melkveehouderij in 2009 een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Deze omschakeling lijkt veeleer te zijn ingegeven door bedrijfseconomische motieven. Appellante kan aan artikel 33Aa van de Msw niet rechtstreeks het recht ontlenen op omzetting van varkensrechten naar fosfaatrechten. Weliswaar biedt dit artikel de mogelijkheid om bij amvb regels te stellen over het omzetten van een productierecht, maar daaraan heeft de wetgever (vooralsnog) geen invulling gegeven (zie onder meer ook de uitspraken van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:5) en 16 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:288)). Appellante kan haar varkensrechten wel verkopen en van de opbrengst daarvan fosfaatrechten kopen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken