CBb 14 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:32
Vooropgesteld wordt dat verweerder heeft erkend dat ten onrechte niet al het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was is meegenomen bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten. Reeds hierom is het beroep gegrond. Appellante stelt verder dat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten ten onrechte geen rekening is gehouden met de aankoop van 21 ha grond op 9 april 2015. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat toepassing van de generieke korting heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de fosfaatruimte 2015 onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Niet is gebleken dat appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had. Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond van appellante dat de toegepaste generieke korting voor haar een individuele en buitensporige last vormt, heeft het College reeds eerder geoordeeld dat het toepassen van de generieke korting op zichzelf niet maakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Verweerder wordt veroordeeld voor een deel van de door appellante in beroep en bezwaar gemaakte proceskosten, waaronder gemaakte deskundigenkosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Meststw
- Artikel 8 Meststw
- Artikel 23 Meststw
- Artikel 7:12 Awb
- Artikel 8:36 Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 1 BPB
- Artikel 2 BPB
- Artikel 6 Besluit tarieven in strafzaken 2003
- Artikel 72b Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden