CBb 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:314

*Artikel 33, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Msw in samenhang met Bijlage C bij de Uitvoeringsregeling *Artikel 23, zesde lid, van de Msw. Zoals volgt uit de uitspraken van het College van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:210 en ECLI:NL:CBB:2019:211 onder 5.4 en 5.5) maakt de omstandigheid dat appellant de vraag of hij gebruik wil maken van de hogere fosfaatgebruiksnorm voor fosfaatarm/-fixerende gronden in de Gecombineerde opgave 2015 ontkennend heeft beantwoord, niet reeds dat daarmee niet is voldaan aan door de wet gestelde eisen. De werkelijke fosfaattoestand van de bodem op de peildatum moet tot uitgangspunt worden genomen. Vaststaat dat appellant de grond heeft bemonsterd volgens de methode “W-patroon met minimaal 40 steken”. Uit artikel 33, eerste lid, Uitvoeringsregeling in combinatie met bijlage C bij de Uitvoeringsregeling volgt dat de bemonstering van fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden dient te geschieden aan de hand van de gestratificeerde aselecte steekproefmethode. Nu appellant een andere dan de voorgeschreven bemonsteringsmethode heeft gebruikt, is onvoldoende vast komen te staan dat de werkelijke fosfaattoestand van de genoemde vijf percelen grond niet “laag” maar “arm” was. Uit de jurisprudentie van het College (uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) en 1 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) volgt dat verweerder geen rekening hoeft te houden met de omstandigheid dat appellant vanwege zijn ziekte de beoogde groei in de melkproductie niet heeft kunnen realiseren voor de peildatum. De melkproductie in 2017 kan niet betrokken worden bij de berekening van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken