CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:630

Het College legt de startersregeling, in overeenstemming met de toelichting (Stb. 217, 521, paragraaf 4.3), strikt uit: de startersregeling is uitsluitend bedoeld voor nieuw gestarte bedrijven en het gaat daarbij niet om voortzetting of doorstart van een bestaand melkveebedrijf onder bijvoorbeeld een andere naam of met een andere eigendomsstructuur. Appellant exploiteert geen nieuw gestart bedrijf. Hij heeft immers een melkveehouderij gekocht en maakt voor de exploitatie gebruik van de voor de bedrijfslocatie in het verleden verleende vergunningen. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante is er niet in geslaagd het bewijs te leveren dat het fosfaatrechtstelsel haar buitensporig treft. De uitgangspunten in het rapport voor de scenario’s verschillen zonder duidelijke verklaring en vertroebelen het bedrijfseconomische zicht op deze scenario’s. Wetsbepaling: artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken