CBb 5 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:260

Aanvraag van producentenorganisatie voor subsidie vanuit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) voor de voorbereiding en uitvoering van haar productie- en afzetprogramma 2014. Prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 66, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 508/2014 en artikel 65, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Het College stelt het HvJEU de volgende vragen: 1a. Verzet artikel 66, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 508/2014, waarin is bepaald dat uit het EFMZV subsidie “wordt” verleend voor de voorbereiding en uitvoering van productie- en afzetprogramma’s als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 zich ertegen dat een lidstaat aan een producentenorganisatie die een aanvraag tot verlening van zodanige subsidie heeft ingediend, tegenwerpt dat deze lidstaat de mogelijkheid tot het doen van een dergelijke aanvraag ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een bepaalde categorie van uitgaven of voor een bepaald tijdvak niet had opengesteld in haar door de Europese Commissie goedgekeurde operationele programma, noch in de nationale voorschriften ter bepaling van de subsidiabiliteit van uitgaven? 1b. Is voor het antwoord op vraag 1a van belang dat de producentenorganisatie op grond van artikel 28 van Verordening 1379/2013 verplicht is tot het opstellen van een productie- en afzetprogramma en, na goedkeuring van het productie- en afzetprogramma door de lidstaat, tot het uitvoeren van dat productie- en afzetprogramma? 2. Indien vraag 1a aldus wordt beantwoord dat artikel 66, eerste lid, van Verordening 508/2014 zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een producentenorganisatie die een aanvraag tot verlening van subsidie voor de voorbereiding en uitvoering van productie- en afzetprogramma’s heeft ingediend, tegenwerpt dat deze lidstaat de mogelijkheid tot het doen van een dergelijke aanvraag ten tijde van de indiening van de aanvraag niet had opengesteld, kan de betrokken subsidieaanvrager dan aan artikel 66, eerste lid, van Verordening 508/2014 rechtstreeks de rechtsgrondslag ontlenen voor een aanspraak jegens zijn lidstaat op het verlenen van de desbetreffende subsidie? 3. Indien vraag 2 aldus wordt beantwoord dat de betrokken subsidieaanvrager aan artikel 66, eerste lid, van Verordening 508/2014 in het in vraag 2 bedoelde geval rechtstreeks de rechtsgrondslag kan ontlenen voor een aanspraak jegens zijn lidstaat op het verlenen van de desbetreffende subsidie, verzet artikel 65, zesde lid, van Verordening 1303/2013 zich dan ertegen dat subsidie wordt verleend voor de voorbereiding en uitvoering van een productie- en afzetprogramma in de situatie dat de subsidieaanvraag wordt ingediend, nadat het productie- en afzetprogramma is voorbereid en uitgevoerd?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen