Gerecht EU 10 juni 2026, T-13/25, ECLI:EU:T:2026:378

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

10 juni 2026 ( *1 )

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Artikel 2, onder c), RAP – Beëindiging van de overeenkomst – Artikel 47, onder c), i), RAP – Verbreking van de vertrouwensband – Onjuiste rechtsopvatting – Aansprakelijkheid – Immateriële schade”

In zaak T‑13/25,

HC, vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verzoekster,

tegen

Hof van Justitie van de Europese Unie, vertegenwoordigd door Á. Almendros Manzano en G. Bittoni als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: G. De Baere, president, R. Meyer (rapporteur) en D. Jočienė, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 januari 2026,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoekster, HC, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van verweerder van 2 juli 2024 om haar overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd te beëindigen (hierna: „bestreden besluit”) op grond van artikel 47 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) en, ten tweede, vergoeding van de immateriële schade die zij stelt door dat besluit te hebben geleden.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is op 4 september 2001 door verweerder in dienst genomen. Met ingang van juni 2016 is zij op grond van artikel 2, onder c), RAP in het kader van een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangesteld als tijdelijk functionaris bij het kabinet van een rechter bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: „lid”).

3 Op 6 september 2022 is tussen het lid en verzoekster een geschil gerezen over de door haar opgenomen verlofdagen en de goedkeuring daarvan.

4 Op 9 september 2022 is verzoekster met ziekteverlof gestuurd.

5 Bij e-mail van 15 september 2022, gericht aan het secretariaat van het directoraat Personeelszaken en Personeelsadministratie van verweerder (hierna: „directoraat Personeelszaken”), heeft verzoekster meegedeeld dat haar werksituatie „onmogelijk” was geworden en verzocht zij om te worden gehoord teneinde melding te maken van feiten van psychisch geweld die het lid jegens haar zou hebben gepleegd. Zij gaf aan dat zij overwoog een verzoek om bijstand in te dienen. Diezelfde dag heeft het directoraat Personeelszaken verzoekster geantwoord en haar de interne regels van de instelling inzake intimidatie meegedeeld, en haar tevens verzocht begin oktober 2022 opnieuw contact op te nemen met het oog op een gesprek.

6 Op 4 oktober 2022 vond in het kantoor van het lid een bijeenkomst plaats tussen de directeur-generaal van de administratie en het lid.

7 Bij brief van haar vertegenwoordiger van 26 oktober 2022 heeft verzoekster bij de president van het Gerecht een verzoek om een gesprek ingediend teneinde „constructieve oplossingen” te zoeken voor de moeilijkheden die zij met het lid had ondervonden, waarbij zij verduidelijkte dat dit verzoek geen deel uitmaakte van een formele procedure. Vervolgens heeft op 16 november 2022 een onderhoud plaatsgevonden tussen verzoekster en haar vertegenwoordiger, de president van het Gerecht en de juridisch adviseur voor administratieve zaken van verweerder.

8 Bij memorandum van 16 december 2022 (hierna: „memorandum van 16 december 2022”) heeft het lid verzoekster in kennis gesteld van zijn voornemen om hun arbeidsverhouding te beëindigen wegens verbreking van de vertrouwensband, gelet op het gedrag dat zij in de uitoefening van haar functie binnen zijn kabinet zou hebben vertoond in de maanden vóór 9 september 2022. Het lid heeft verzoekster met name een toenemend gebrek aan beschikbaarheid verweten, dat volgens hem getuigde van een gebrek aan beroepsethiek. Volgens hem ging dit bovendien gepaard met een toenemend gebrek aan productiviteit, proactiviteit en motivatie, alsook een gebrek aan autonomie en monitoring bij de uitvoering van bepaalde taken. Het lid heeft verzoekster verzocht eventuele opmerkingen kenbaar te maken, hetgeen zij bij brief van 5 januari 2023 heeft gedaan.

9 Bij memorandum van 1 februari 2023 (hierna: „memorandum van 1 februari 2023”) heeft het lid de griffier van het Gerecht verzocht de nodige administratieve stappen te ondernemen om verzoeksters overeenkomst van tijdelijk functionaris te beëindigen. Het lid heeft verwezen naar zijn memorandum van 16 december 2022, dat hij als bijlage bij dat memorandum heeft gevoegd en waarin verzoekster in kennis was gesteld van zijn voornemen om de overeenkomst te beëindigen en van de overwegingen die hem tot dat besluit hadden gebracht.

10 Op 15 februari 2023 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut (hierna: „verzoek om bijstand”) ingediend. Ter ondersteuning van dit verzoek heeft zij op omstandige wijze een reeks gedragingen aangevoerd die volgens haar tot haar ziekteverlof hebben geleid. Zij heeft ten eerste verzocht dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag (hierna: „TAOBG”) een administratief onderzoek instelt teneinde de feiten vast te stellen en daaraan de passende gevolgen te verbinden, en ten tweede dat elke procedure tot beëindiging van de arbeidsverhouding wordt opgeschort.

11 Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de commissie van het Gerecht die bevoegd is voor de uitvoering van de bijstandsplicht (hierna: „bijstandscommissie”) verzoeksters verzoek om bijstand afgewezen. Op 17 augustus 2023 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen dat besluit.

12 Bij brief van 6 september 2023 heeft het directoraat Personeelszaken verzoekster, die sinds 9 september 2022 met ziekteverlof was, ervan in kennis gesteld dat overeenkomstig artikel 59, lid 4, van het Statuut een beroep was gedaan op de invaliditeitscommissie om te bepalen of haar gezondheidstoestand haar in staat stelde haar functie bij verweerder verder uit te oefenen.

13 Bij besluit van 8 september 2023 heeft het TAOBG de procedure tot beëindiging van verzoeksters overeenkomst van tijdelijk functionaris in het belang van het goede verloop van de procedure voor de invaliditeitscommissie geschorst totdat die commissie een beslissing had genomen.

14 Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de commissie van het Gerecht die bevoegd is om zich uit te spreken over klachten (hierna: „klachtencommissie”) het besluit van de bijstandscommissie van 25 mei 2023 ingetrokken. Zij was in essentie van oordeel dat de bijstandscommissie de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut onjuist had beoordeeld en dat zij zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat het verzoek om bijstand louter was gebaseerd op beweringen zonder een begin van bewijs.

15 Op 6 december 2023 is de invaliditeitscommissie tot de slotsom gekomen dat verzoekster niet leed aan een blijvende volledige invaliditeit die haar belette de werkzaamheden te verrichten die bij een functie in haar functiegroep horen, en dat zij derhalve haar werkzaamheden diende voort te zetten.

16 Bij besluit van 14 december 2023 heeft het TAOBG, dat in het licht van de conclusies van de invaliditeitscommissie van mening was dat verzoekster arbeidsgeschikt was en dat zij vanaf 8 januari 2024 haar werk diende te hervatten, bij wijze van voorlopige en bewarende maatregel besloten haar een functie toe te wijzen bij een dienst van verweerder met behoud van haar rang en salaristrap.

17 Bij besluit van 20 februari 2024 (hierna: „besluit van 20 februari 2024”) heeft de bijstandscommissie besloten dat de maatregel om verzoekster een functie toe te wijzen bij een dienst van verweerder een passende maatregel vormde om het verzoek om bijstand in te willigen. Zij heeft dit verzoek voor het overige afgewezen. Aangezien tegen dat besluit geen klacht is ingediend krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut, is het op 20 mei 2024 definitief geworden.

18 Bij brief van 6 juni 2024 heeft het directoraat Personeelszaken aan verzoekster meegedeeld dat het TAOBG de maatregel tot schorsing van de procedure tot beëindiging van haar overeenkomst van tijdelijk functionaris had opgeheven, aangezien het besluit van 20 februari 2024 van de bijstandscommissie definitief was geworden. Het directoraat heeft verzoekster tevens op de hoogte gesteld van het voornemen van het TAOBG om haar overeenkomst op grond van artikel 47, onder c), i), RAP te beëindigen wegens verbreking van de vertrouwensband. In dit verband heeft het directoraat Personeelszaken in die brief gewezen op een „moeilijke of zelfs conflictueuze relatie” tussen verzoekster en het lid, zoals werd bevestigd bij het besluit van 20 februari 2024 van de bijstandscommissie. Het directoraat Personeelszaken heeft verzoekster meegedeeld dat zij vóór 20 juni 2024 opmerkingen kon indienen over het voornemen van het TAOBG om haar overeenkomst van tijdelijk functionaris te beëindigen.

19 Verzoekster heeft op 20 juni 2024 haar opmerkingen ingediend. Zij heeft met name betoogd dat de vermeende verbreking van de vertrouwensband op andere elementen berustte dan die welke het lid in het memorandum van 1 februari 2023 naar voren had gebracht, en dat het TAOBG niet bevoegd was om andere gronden in de plaats te stellen van die welke dat lid had aangevoerd om de verbreking van de vertrouwensband aan te tonen.

20 Bij het bestreden besluit van 2 juli 2024 heeft het TAOBG verzoeksters overeenkomst van tijdelijk functionaris ingevolge artikel 47, onder c), i), RAP beëindigd met een opzeggingstermijn van tien maanden. In het bestreden besluit heeft het TAOBG met name vastgesteld dat de „moeilijke of zelfs conflictueuze relatie” tussen verzoekster en het lid bij wie zij haar functie uitoefende krachtens een op artikel 2, onder c), RAP gebaseerde overeenkomst, aantoonde dat er tussen hen geen vertrouwensband meer bestond.

21 Op 17 augustus 2024 heeft verzoekster uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit.

22 Bij besluit R-8/24 van 1 oktober 2024 heeft de klachtencommissie de klacht van verzoekster afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).

23 Aangezien de in het bestreden besluit vastgestelde opzeggingstermijn was verlengd wegens verzoeksters ziekteverlof, werd haar overeenkomst van tijdelijk functionaris met ingang van begin augustus 2025 beëindigd, minder dan een maand vóór haar pensionering.

Conclusies van partijen

24 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – verweerder te veroordelen haar een vergoeding van 50000 EUR te betalen voor de schade die zij zou hebben geleden; – verweerder te verwijzen in de kosten.

25 Verweerder verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren en deels niet-ontvankelijk te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Vordering tot nietigverklaring

Strekking van de vordering tot nietigverklaring

26 Vooraf moet worden vastgesteld dat uit de vordering tot nietigverklaring blijkt dat verzoekster het Gerecht verzoekt om niet alleen het bestreden besluit, maar ook – voor zover nodig – het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren.

27 Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen een besluit tot afwijzing van een klacht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend wanneer de vordering als zodanig geen autonome inhoud heeft (zie arrest van 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Aangezien het besluit tot afwijzing van de klacht in casu slechts het bestreden besluit bevestigt en de gronden ervan specificeert, moet worden vastgesteld dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige betekenis heeft en dat daarover dus niet specifiek hoeft te worden beslist. Bij de toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet evenwel rekening worden gehouden met de in het besluit tot afwijzing van de klacht opgenomen motivering omdat die motivering wordt geacht samen te vallen met die van het bestreden besluit (zie in die zin arrest van 30 april 2019, Wattiau/Parlement, T‑737/17, EU:T:2019:273, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Ten gronde

29 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Met het eerste middel, dat uit drie onderdelen bestaat, wordt aangevoerd dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting in de motivering van de beëindiging van haar overeenkomst van tijdelijk functionaris, schending van artikel 47 RAP en artikel 24 van het Statuut, en niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht en de zorgplicht. Het tweede middel berust op een kennelijke beoordelingsfout in de motivering van de hervatting van de opzeggingsprocedure, „onrechtmatige toepassing” van artikel 47, onder c), RAP en misbruik van bevoegdheid. Met haar derde middel stelt verzoekster dat het recht om te worden gehoord is geschonden en dat de motiveringsplicht niet werd nagekomen. Het vierde middel is gebaseerd op schending van de artikelen 12 bis en 22 bis van het Statuut.

30 Meer in het bijzonder voert verzoekster met het eerste onderdeel van het eerste middel aan dat het TAOBG bij een op een verbreking van de vertrouwensband gebaseerd verzoek om beëindiging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris zijn beoordelingsbevoegdheid heeft geschonden, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de bij artikel 47, onder c), RAP aan het TAOBG verleende bevoegdheden heeft overschreden. Volgens verzoekster heeft het TAOBG ten eerste niet gecontroleerd of de door het lid in het verzoek om beëindiging aangevoerde feiten en verwijten juist waren vastgesteld, en ten tweede zijn eigen gronden in de plaats gesteld van die van het lid om de verbreking van de vertrouwensband te rechtvaardigen.

31 Verweerder betwist de door verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten en betoogt dat geen enkele bepaling het TAOBG verplicht om bij de beoordeling van een verzoek tot beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris wegens verbreking van de vertrouwensband, wanneer deze zijn functie uitoefent krachtens een op artikel 2, onder c), RAP gebaseerde overeenkomst, uitsluitend rekening te houden met de elementen die zijn aangevoerd door de hiërarchieke meerdere bij wie die functionaris zijn functie uitoefent. Verweerder betoogt dat het TAOBG, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het ter zake beschikt, rekening moet kunnen houden met alle relevante omstandigheden.

32 Volgens verweerder legt verzoekster de toepasselijke rechtspraak verkeerd uit en stelt zij dat het verbod voor het TAOBG om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de hiërarchieke meerdere bij wie de betrokken functionaris werkzaam is, uitsluitend betrekking heeft op de vraag of de vertrouwensband daadwerkelijk is verbroken, en niet op de beoordeling van de gronden die deze verbreking kunnen rechtvaardigen. Voorts betoogt verweerder dat het blijkens de rechtspraak weliswaar aan de betrokken hiërarchieke meerdere staat om een verzoek tot beëindiging in te dienen, maar dat het uitsluitend aan het TAOBG is om die beëindiging uit te spreken en de gronden ervan vast te stellen, zodat het in voorkomend geval zijn besluit kan baseren op andere elementen dan die welke ter ondersteuning van het oorspronkelijke verzoek zijn aangevoerd.

33 Verweerder voegt hieraan toe dat het in strijd zou zijn met het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure indien het TAOBG de beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris niet zou kunnen baseren op andere gronden dan die welke zijn aangevoerd door het lid bij wie die functionaris zijn functie uitoefent.

34 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 2, onder c), RAP voorziet in de mogelijkheid om tijdelijk functionarissen aan te stellen om een functie uit te oefenen bij een persoon die een hem krachtens het VEU of VWEU opgedragen ambt bekleedt, zoals met name de leden van het Gerecht. Overeenkomstig artikel 8, derde alinea, RAP beschikken tijdelijk functionarissen die hun functie uitoefenen bij een lid van het Gerecht en die op die grondslag worden aangesteld, over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die evenwel niet langer kan duren dan het ambt van het betrokken lid.

35 Volgens artikel 47, onder c), i), RAP eindigt de aanstelling van de tijdelijk functionaris met een overeenkomst voor onbepaalde tijd na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn, die ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedraagt, met een minimum van drie en een maximum van tien maanden.

36 Met betrekking tot de gronden die kunnen worden aangevoerd ter onderbouwing van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd van een tijdelijk functionaris die is aangeworven op grond van artikel 2, onder c), RAP, blijkt uit de rechtspraak dat een dergelijke overeenkomst kan worden beëindigd wegens de verbreking van de vertrouwensband, aangezien wederzijds vertrouwen het wezenlijke element vormt van deze arbeidsovereenkomst intuitu personae (zie in die zin arresten van 5 juli 2023, SE/Commissie, T‑223/21, EU:T:2023:375, punt 138 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 februari 2010, P/Parlement, F‑89/08, EU:F:2010:11, punt 32).

37 In dit verband vereist de rechtspraak dat het TAOBG de feitelijke omstandigheden toelicht die een verbreking van de vertrouwensband aantonen of rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 7 november 2019, WN/Parlement, T‑431/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:781, punt 31).

38 Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat het niet aan het TAOBG staat om zijn beoordeling of er daadwerkelijk sprake is van een verbreking van de vertrouwensband in de plaats te stellen van die van de hiërarchieke meerdere van de verzoekende partij. Het TAOBG dient niettemin een onderzoek in drie stappen uit te voeren. Het moet eerst onderzoeken of daadwerkelijk is aangevoerd dat het vertrouwen ontbreekt of verloren is gegaan, vervolgens nagaan of de feiten juist zijn vastgesteld, en ten slotte zich ervan vergewissen dat het verzoek tot beëindiging van de overeenkomst – rekening houdend met de aangevoerde reden – de grondrechten niet schendt of geen misbruik van bevoegdheid oplevert (zie arrest van 8 mei 2024, UF/Commissie, T‑24/23, EU:T:2024:293, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of het TAOBG – zoals verzoekster betoogt – na een verzoek van het lid tot beëindiging van haar overeenkomst verplicht was na te gaan of de door het lid aangevoerde feiten juist waren vastgesteld en zich vervolgens diende te beperken tot de door het lid aangevoerde gronden om de verbreking van de vertrouwensband te rechtvaardigen, en dus zijn eigen gronden niet in de plaats kon stellen van die van het lid.

40 Wat in de eerste plaats de in het bestreden besluit aangevoerde redenen voor de beëindiging van verzoeksters overeenkomst betreft, heeft het TAOBG met name vastgesteld dat er tussen verzoekster en het lid een „moeilijke of zelfs conflictueuze relatie” bestond, zoals bevestigd door het besluit van 20 februari 2024 van de bijstandscommissie, en dat uit die relatie „op zich [bleek] dat er sprake was van een verbreking van de vertrouwensband” tussen verzoekster en het lid.

41 Evenzo heeft de klachtencommissie in het besluit tot afwijzing van de klacht met name aangegeven dat er volgens het besluit van de bijstandscommissie van 20 februari 2024 een „moeilijke of zelfs conflictueuze relatie” bestond tussen het lid en verzoekster, en dat „niet ernstig kan worden betwist dat de vertrouwensband in dergelijke omstandigheden als verbroken moet worden beschouwd”.

42 In zijn memorandum van 16 december 2022, dat als bijlage bij zijn memorandum van 1 februari 2023 was gevoegd, heeft het lid ter onderbouwing van de verbreking van de vertrouwensband verzoekster een toenemend gebrek aan beschikbaarheid verweten, wat volgens hem getuigde van een gebrek aan beroepsethiek. Volgens hem ging dit bovendien gepaard met een toenemend gebrek aan productiviteit, proactiviteit en motivatie, alsook een gebrek aan autonomie en monitoring bij de uitvoering van bepaalde taken. Het lid heeft in dat memorandum geen melding gemaakt van een „moeilijke of zelfs conflictueuze relatie”.

43 In dit verband moet worden opgemerkt dat het TAOBG – wil het geen afbreuk doen aan de regeling van artikel 2, onder c), RAP – zich niet mag mengen in het intuitu-personaekarakter van de arbeidsverhouding tussen de hiërarchieke meerdere en de tijdelijk functionaris, dat wil zeggen in het element van persoonlijke waardering dat die verhouding overeenkomstig de in punt 36 hierboven aangehaalde rechtspraak beheerst. Dit zou echter wel het geval zijn indien het TAOBG in de plaats van een hiërarchieke meerdere zou bepalen wat tot de verbreking van de vertrouwensband heeft geleid.

44 De verbreking van de vertrouwensband tussen de hiërarchieke meerdere en de tijdelijk functionaris, welke band betrekking heeft op het behoud van het intuitu-personaekarakter dat hun arbeidsverhouding geacht wordt te kenmerken, kan immers niet worden gerechtvaardigd door feitelijke gegevens die door de hiërarchieke meerdere zelf niet zijn aangegeven, omdat men hem anders bezwaren zou toeschrijven die hij zelf niet heeft geuit en zich uiteindelijk in zijn plaats zou stellen bij de beoordeling van de redenen die hem ertoe hebben gebracht zijn vertrouwen te stellen in de medewerker.

45 Door het bestreden besluit te baseren op gronden die niet door het lid waren aangevoerd, heeft het TAOBG dus artikel 2, onder c), RAP geschonden en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

46 In de tweede plaats blijkt uit de in punt 38 hierboven aangehaalde rechtspraak dat de aan het TAOBG opgelegde controle van het vaststaan van de feiten betrekking heeft op de feiten die ten laste worden gelegd door de hiërarchieke meerdere die verzoekt om beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een tijdelijk functionaris wegens verbreking van de vertrouwensband.

47 In casu blijkt uit het bestreden besluit dat het TAOBG louter heeft verklaard dat het „rekening diende te houden met alle relevante elementen, waaronder niet alleen de elementen die in de bovengenoemde memoranda [van het lid van 16 december 2022 en 1 februari 2023] naar voren zijn gebracht, maar ook die welke zijn genoemd in het besluit [van de bijstandscommissie] van 20 februari 2024, dat inmiddels definitief is geworden”. Geen van de elementen die door het lid „in de bovengenoemde memoranda naar voren zijn gebracht” is echter onderzocht, beoordeeld of zelfs maar genoemd in het bestreden besluit.

48 Uit het besluit tot afwijzing van de klacht blijkt ook dat de klachtencommissie zich evenmin heeft uitgesproken over de feiten die het lid verzoekster ten laste legde om de verbreking van de vertrouwensband te rechtvaardigen. De klachtencommissie was enkel van mening dat „het TAOBG op grond van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid rekening [moest] kunnen houden met alle omstandigheden, waaronder in casu de uitkomst van de bijstandsprocedure die door [verzoekster] zelf was ingeleid”.

49 Hieruit volgt dat noch het TAOBG, noch de klachtencommissie heeft onderzocht of gecontroleerd of de feiten die het lid verzoekster in de memoranda van 16 december 2022 en 1 februari 2023 heeft verweten, vaststonden.

50 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het TAOBG, door geen controle te verrichten van de feiten die het lid verzoekster ten laste legde, niet heeft voldaan aan de vereisten die krachtens de in punt 38 hierboven aangehaalde rechtspraak op het TAOBG rusten en daardoor blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

51 De andere argumenten van verweerder laten de in de punten 45 en 50 hierboven geformuleerde vaststellingen onverlet.

52 Wat verweerders argument betreft dat uit het arrest van 7 november 2019, WN/Parlement (T‑431/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:781, punten 33‑36 en 53), volgt dat het weliswaar aan de betrokken hiërarchieke meerdere staat om een verzoek tot beëindiging in te dienen, maar dat uitsluitend het TAOBG bevoegd is om die beëindiging uit te spreken en de gronden van dat besluit vast te stellen, zodat het zijn besluit kan baseren op andere gronden dan die welke in dat verzoek zijn aangevoerd, moet worden vastgesteld dat dat arrest in casu niet relevant is.

53 Het arrest van 7 november 2019, WN/Parlement (T‑431/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:781), had namelijk betrekking op een besluit tot beëindiging van een overeenkomst dat door het TAOBG was vastgesteld en beweerdelijk onvoldoende gemotiveerd was omdat het slechts enkele van de gronden overnam die de hiërarchieke meerdere in zijn verzoek om beëindiging van de overeenkomst had aangedragen. In dit verband is geoordeeld dat die omstandigheid geen schending vormde van de op het TAOBG rustende motiveringsplicht, aangezien uitsluitend het TAOBG bevoegd is om die beëindiging uit te spreken en de gronden van het beëindigingsbesluit vast te stellen. Dat arrest had dus geen betrekking op de gegrondheid van het betreffende beëindigingsbesluit, zoals in de onderhavige zaak, maar op de ontoereikende motivering en de schending van de rechten van de verdediging, zodat verweerder zich daar niet met succes op kan beroepen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de benadering die het TAOBG heeft gevolgd in de zaak die heeft geleid tot het aangevoerde arrest, in overeenstemming is met de rol van het TAOBG, zoals die blijkt uit de in punt 38 hierboven aangehaalde rechtspraak. Het TAOBG moet immers nagaan of de aangevoerde feiten vaststaan. Deze controle kan ertoe leiden dat het sommige van deze feiten buiten beschouwing laat indien deze de verbreking van de vertrouwensband niet op aannemelijke wijze lijken te staven. In de onderhavige zaak heeft het TAOBG in het bestreden besluit evenwel geen van de door het lid aangevoerde elementen overgenomen en ervoor gekozen andere gronden aan te voeren, wat verweerder overigens in zijn schriftelijke opmerkingen erkent.

54 Ook het door verweerder aangevoerde arrest van 14 juli 2021, BG/Parlement (T‑253/19, EU:T:2021:459, punten 54‑56), is in casu niet relevant, aangezien de punten waarnaar verweerder verwijst eveneens betrekking hebben op de ontoereikende motivering van het betrokken besluit en niet op de gegrondheid ervan. Dit arrest ziet hoe dan ook op een situatie waarin het door het TAOBG vastgestelde beëindigingsbesluit ter discussie werd gesteld op grond dat de door de hiërarchieke meerdere aangevoerde gronden ter rechtvaardiging van de beëindiging waren gewijzigd in de loop van de administratieve procedure. In casu gaat het echter niet om de vraag of het lid de gronden ter onderbouwing van de verbreking van de vertrouwensband tijdens de administratieve procedure mocht wijzigen, maar om de vraag of het TAOBG zich kon baseren op andere gronden dan die welke het lid ter ondersteuning van zijn verzoek tot beëindiging van verzoeksters overeenkomst had aangevoerd.

55 Bovendien kan verweerders stelling dat het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure in het gedrang zou komen indien het TAOBG de beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris niet kan baseren op andere gronden dan die welke zijn aangevoerd door de hiërarchieke meerdere bij wie die functionaris zijn functie uitoefent, niet afdoen aan de vaststellingen in de punten 45 en 50 hierboven.

56 In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat de precontentieuze procedure – gelet op de doelstelling ervan, die erin bestaat om de administratie de mogelijkheid te bieden haar besluiten te herzien – evolutief van aard is, zodat de administratie in het stelsel van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut vastgestelde rechtswegen, ofschoon zij de klacht afwijst, toch ertoe kan worden gebracht om de motivering op basis waarvan zij de bestreden handeling had vastgesteld, te wijzigen. De klachtprocedure heeft immers tot doel om het mogelijk te maken dat het TAOBG de bestreden handeling heronderzoekt in het licht van de in de klacht aangevoerde grieven en zo nodig de aan het dictum van de handeling ten grondslag liggende motivering wijzigt (zie arrest van 26 juni 2024, Paraskevaidis/Raad en Commissie, T‑698/21, EU:T:2024:425, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 Dat het TAOBG zijn eigen gronden niet in de plaats kan stellen van die van de hiërarchieke meerdere, hetgeen inderdaad een beperking van het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure inhoudt, is echter het gevolg van de bijzondere aard van de in artikel 2, onder c), RAP bedoelde overeenkomst en van het intuitu-personaekarakter ervan. Het TAOBG kan immers in geen geval zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van de betrokken hiërarchieke meerdere door andere gronden aan te voeren dan die welke deze heeft aangevoerd, noch in het stadium van het oorspronkelijke besluit, noch in het stadium van het antwoord op de klacht. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het TAOBG om, na te hebben gecontroleerd of de door de hiërarchieke meerdere ten laste gelegde feiten vaststaan, in het stadium van het antwoord op de klacht slechts enkele van die gronden aan te voeren terwijl het zich in het stadium van de bestreden handeling op alle gronden had gebaseerd (zie in die zin arrest van 7 november 2019, WN/Parlement, T‑431/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:781, punten 33‑36).

58 Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel slaagt en dat het bestreden besluit bijgevolg nietig moet worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere door verzoekster aangevoerde middelen of over de ontvankelijkheid van de door haar op 2 juli 2025 overgelegde aanvullende bewijsstukken, die betrekking hebben op feiten die ter ondersteuning van het vierde middel zijn aangevoerd.

Schadevordering

59 Verzoekster vordert schadevergoeding en voert ter ondersteuning daarvan aan dat de dienstfouten die de administratie tijdens de procedure tot beëindiging van haar overeenkomst van tijdelijk functionaris heeft begaan, haar immateriële schade hebben berokkend die niet door de nietigverklaring van het bestreden besluit kan worden vergoed. De omstandigheden waarin het bestreden besluit is vastgesteld, doen volgens haar immers ernstig afbreuk aan haar waardigheid en haar gezondheid. Zij voegt daaraan toe dat verweerder haar door deze beëindiging heeft verhinderd haar loopbaan bij de instelling op eervolle wijze af te sluiten, „waardoor zij werd genoodzaakt een procedure in te leiden” en de daarmee gepaard gaande moeilijkheden te ondergaan. Zij begroot haar schade ex aequo et bono op 50000 EUR.

60 Verweerder betwist verzoeksters argumenten en betoogt dat de schadevordering nauw verband houdt met de vordering tot nietigverklaring, die moet worden afgewezen. Volgens verweerder moet de schadevordering derhalve ongegrond worden verklaard. Hoe dan ook voert verzoekster geen enkel element aan dat het bestaan en de omvang van de door haar gestelde immateriële schade kan aantonen.

61 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat de nietigverklaring van een onrechtmatig besluit op zich een passend en in beginsel toereikend herstel kan vormen van elke immateriële schade die het besluit kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die door die nietigverklaring niet volledig kan worden vergoed [zie in die zin beschikking van 3 september 2019, FV/Raad, C‑188/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:690, punt 4 (standpuntbepaling van advocaat-generaal Kokott, punt 26), en arrest van 28 april 2021, Correia/EESC, T‑843/19, EU:T:2021:221, punt 86].

62 Zo is ten eerste geoordeeld dat de nietigverklaring van een handeling, indien die geen enkel nuttig effect heeft, op zich geen adequate en toereikende vergoeding kan vormen voor de immateriële schade die door de nietig verklaarde handeling is veroorzaakt (zie arresten van 29 januari 2020, Aquino e.a./Parlement, T‑402/18, EU:T:2020:13, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 december 2022, SU/Eiopa, T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Ten tweede heeft het Gerecht erkend dat de immateriële schade van een ambtenaar of functionaris mogelijk niet volledig wordt vergoed door de nietigverklaring van de betrokken handeling wanneer de verzoekende partij zich in een toestand van onzekerheid over haar professionele toekomst bevond (zie in die zin arresten van 5 juni 2019, Siragusa/Raad, T‑616/17 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2019:372, punt 83, en 25 juni 2020, XH/Commissie, T‑511/18, EU:T:2020:291, punt 181) of wanneer zij een gevoel van onrechtvaardigheid en moeilijkheden ondervond als gevolg van het feit dat zij een precontentieuze en vervolgens contentieuze procedure moest voeren om erkenning van haar rechten te krijgen (zie in die zin arrest van 11 september 2024, TU/Parlement, T‑793/22, EU:T:2024:614, punt 237 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Wat de taak van de rechter ter zake betreft, zij er ook aan herinnerd dat uit artikel 91, lid 1, tweede zin, van het Statuut volgt dat het Gerecht in geschillen van geldelijke aard over volledige rechtsmacht beschikt. Als „geschillen van geldelijke aard” in de zin van deze bepaling gelden met name aansprakelijkheidsvorderingen van personeelsleden tegen een instelling (zie arrest van 10 september 2015, Heroverweging Missir Mamachi di Lusignano/Commissie, C‑417/14 RX-II, EU:C:2015:588, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Op grond van de volledige rechtsmacht dient het Gerecht de bij deze rechterlijke instantie aanhangige gedingen volledig te beslechten (zie arrest van 20 mei 2010, Gogos/Commissie, C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze volledige rechtsmacht beoogt met name het Gerecht in staat te stellen om het praktisch nut te verzekeren van de arresten die het in ambtenarenzaken wijst, zodat de Unierechter zelfs ambtshalve een vergoeding kan toekennen aan een persoon indien de nietigverklaring van het onrechtmatige bezwarende besluit voor de verzoekende partij niet volstaat om haar rechten te doen gelden of haar belangen op doeltreffende wijze veilig te stellen. In een dergelijk geval staat het aan het Gerecht om, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de door de betrokkene geleden schade ex aequo et bono vast te stellen (zie in die zin arresten van 10 september 2015, Heroverweging Missir Mamachi di Lusignano/Commissie, C‑417/14 RX-II, EU:C:2015:588, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, EU:T:2011:347, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 december 2022, SU/Eiopa, T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 79).

66 In casu zij eraan herinnerd dat verzoeksters overeenkomst op onrechtmatige wijze is beëindigd.

67 Ten eerste heeft de nietigverklaring van het bestreden besluit slechts een beperkt nuttig effect, aangezien de beëindiging van verzoeksters overeenkomst minder dan een maand vóór haar pensionering in werking is getreden. De nietigverklaring van het bestreden besluit vormt op zich dus geen toereikend herstel.

68 Ten tweede is de overeenkomst beëindigd na een buitensporig lange en contentieuze procedure. Deze procedure is immers begonnen op 16 december 2022 en werd pas op 2 juli 2024 afgesloten met het bestreden besluit, waarbij de beëindiging van de overeenkomst in augustus 2025 van kracht is geworden. Gedurende deze periode van bijna drie jaar bevond verzoekster zich in een kwetsbare situatie, op een leeftijd waarop werknemers na een ontslag bijzonder veel moeilijkheden ondervinden om terug te keren naar de arbeidsmarkt. Hoewel deze duur niet volledig aan verweerder kan worden toegeschreven en verzoekster tot enkele weken vóór haar pensionering bij verweerder in dienst heeft kunnen blijven, heeft zij als gevolg van deze onregelmatige beëindigingsprocedure gedurende een lange periode verkeerd in een toestand van ongerustheid en onzekerheid over haar professionele toekomst als bedoeld in de in punt 63 hierboven aangehaalde rechtspraak.

69 Ten derde hebben de omstandigheden rond de beëindigingsprocedure van verzoeksters overeenkomst haar niet in staat gesteld haar loopbaan bij een instelling waar zij meer dan twintig jaar heeft gewerkt, op eervolle wijze af te sluiten.

70 Als gevolg van verweerders gedrag heeft verzoekster dus immateriële schade geleden die niet volledig kan worden vergoed door de enkele nietigverklaring van het bestreden besluit.

71 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat de geleden immateriële schade juist wordt beoordeeld door verzoekster ex aequo et bono een bedrag van 10000 EUR toe te kennen.

Kosten

72 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

73 Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van verzoekster.

HET GERECHT (Vierde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het besluit van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 2024 tot beëindiging van de overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd van HC wordt nietig verklaard.

2) Het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt veroordeeld tot betaling van 10000 EUR aan HC ter vergoeding van haar immateriële schade.

3) Het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.

De Baere Meyer Jočienė Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken