Gerecht EU 25 juni 2020, T-511/18, ECLI:EU:T:2020:291
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
25 juni 2020 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2017 – Weigering van bevordering – Duidelijkheid en nauwkeurigheid van een middel van het verzoekschrift – Regel van overeenstemming – Opnieuw ter discussie stellen van definitieve handelingen – Ontvankelijkheid – Artikel 45 van het Statuut – Voorlopig rapport over de proeftijd – Rapport aan het einde van de proeftijd – Beoordelingsrapport – Elementen die bij de vergelijking van de verdiensten in aanmerking zijn genomen – Regelmatigheid van de procedure – Aansprakelijkheid – Immateriële schade”
In zaak T‑511/18,
XH, vertegenwoordigd door E. Auleytner, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Radu Bouyon en L. Vernier als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, ten eerste tot nietigverklaring van het in Mededelingen van de administratie nr. 25‑2017 van 13 november 2017 bekendgemaakte besluit om verzoeksters naam niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2017 zijn bevorderd en van besluit R/96/18 van 7 juni 2018 tot afwijzing van haar klacht van 10 februari 2018, en ten tweede tot vergoeding van de schade die zij door die besluiten zou hebben geleden,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: R. da Silva Passos (rapporteur), president, L. Truchot en M. Sampol Pucurull, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 december 2019,
het navolgende
Arrest ( 1 )
I. Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, XH, is ambtenaar van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Zij is aangesteld na te zijn geslaagd voor vergelijkend onderzoek EPSO/2009/169 (rechten) en met ingang van 1 juli 2014 in de rang AD 5 aangeworven in een eerste eenheid van het OLAF. Voor haar aanwerving gold een proeftijd, die is afgelopen op 31 maart 2015 (hierna: „proeftijd”).
2 Op 22 oktober 2014 is verzoekster in het kader van een medisch onderzoek onderzocht door dokter A, psychiater van de medische dienst van de Europese Commissie (hierna: „medische dienst”). Dit onderzoek was georganiseerd naar aanleiding van interne problemen die verzoekster had ondervonden met andere leden van de eerste eenheid van het OLAF waarin zij was tewerkgesteld.
3 Met ingang van 1 november 2014 is verzoekster overgeplaatst naar een tweede eenheid van het OLAF.
4 Op 5 december 2014 heeft verzoekster een voorlopig rapport over de proeftijd ontvangen (hierna: „voorlopig rapport over de proeftijd”). Bij e‑mail van 15 december 2014 heeft verzoekster aangegeven het niet eens te zijn met de toelichtingen in dat rapport.
5 In januari 2015 heeft verzoekster de medische dienst om toegang tot haar medisch dossier gevraagd. Op 3 februari 2015 heeft de medische dienst verzoekster meegedeeld dat haar medisch dossier alleen kon worden geraadpleegd door een externe arts. Op 1 maart 2015 en 4 april 2016 heeft verzoekster daartoe achtereenvolgens dokter B en dokter C aangewezen.
6 Op 20 maart 2015 is verzoekster met ingang van 1 april 2015 in vaste dienst aangesteld.
7 Op 26 maart 2015 heeft verzoekster het rapport aan het einde van de proeftijd ontvangen. Dit rapport was als beoordelaar ondertekend door het hoofd van de tweede eenheid waarin zij was tewerkgesteld en als tweede beoordelaar medeondertekend door de directeur ad interim van de directie B van het OLAF.
8 In het kader van de procedure van het verzoek tot toegang tot haar medisch dossier was verzoekster op de hoogte gesteld van het bestaan van een medisch rapport van dokter A van 31 maart 2015 (hierna: „rapport van dokter A”). Dit rapport was opgesteld na het in punt 2 hierboven vermelde medisch onderzoek van 22 oktober 2014. Op 2 oktober 2015 heeft dokter B uittreksels van het rapport van dokter A aan verzoekster doen toekomen. In april 2016 heeft de Commissie dokter C gevraagd om naar de medische dienst te komen zodat hij het hele rapport van dokter A kon raadplegen. Deze raadpleging heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016.
9 Op 11 april 2015 heeft verzoekster bij het bevoegde tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) een eerste verzoek om bijstand ingediend tegen het hoofd van de eerste eenheid waarin zij was tewerkgesteld. Op 6 juli 2015 heeft verzoekster bij het bevoegde TABG een tweede verzoek om bijstand ingediend tegen haar mentor in diezelfde eenheid. In die verzoeken stelde zij in wezen dat de lasterlijke inhoud van het in punt 4 hierboven genoemde voorlopig rapport over de proeftijd een bewijs vormde van psychisch geweld van haar hiërarchieke meerderen jegens haar. Bij besluit D/306/15 van 24 juli 2015 en besluit D/512/15 van 19 oktober 2015 heeft het bevoegde TABG die twee verzoeken om bijstand afgewezen. Op 23 oktober 2015 en 19 januari 2016 heeft verzoekster klachten ingediend tegen de besluiten D/306/15 en D/512/15. In het kader van de eerste klacht heeft zij met name gevraagd om het voorlopig rapport over de proeftijd te verwijderen uit haar persoonsdossier. Bij besluit R/730/15 van 9 februari 2016 en besluit R/43/16 van 27 april 2016 heeft het bevoegde TABG deze twee klachten afgewezen.
10 Op 21 juli 2016 heeft verzoekster verzocht om vergoeding van de schade, inclusief advocaatkosten, die veroorzaakt zou zijn door de procedure van het verzoek om toegang tot haar medisch dossier. Op 30 augustus 2016 heeft de medische dienst dit verzoek afgewezen.
11 Op 30 september 2016 heeft verzoekster verzocht om het medisch advies van professor D, een extern psycholoog die zij in augustus 2016 had geraadpleegd, op te nemen in haar medisch dossier.
12 Op 10 oktober 2016 heeft verzoekster een klacht ingediend bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS). Die klacht betrof ten eerste de duur van de procedure voor de behandeling van haar verzoek om toegang tot haar medisch dossier en ten tweede het niet-opnemen van het advies van professor D in haar medisch dossier.
13 Op 27 november 2016 heeft verzoekster een klacht ingediend tegen het in punt 10 hierboven vermelde besluit van de medische dienst tot afwijzing van haar verzoek om schadevergoeding en van de kosten die zij had gemaakt als gevolg van de procedure van het verzoek om toegang tot haar medisch dossier. Bij besluit R/579/16 van 9 maart 2017 heeft het bevoegde TABG die klacht afgewezen.
14 In de loop van diezelfde periode zijn in januari 2016 en april 2017 verzoeksters jaarlijkse beoordelingsrapporten (hierna: „beoordelingsrapporten”) over de jaren 2015 en 2016 opgesteld.
15 Op 3 april 2017 heeft de Commissie middels een bekendmaking in Mededelingen van de administratie nr. 13‑2017 de start van de bevorderingsprocedure 2017 meegedeeld (hierna: „bevorderingsprocedure 2017”). Die mededeling is op 19 juni 2017 gevolgd door de bekendmaking van de lijst van ambtenaren die door de directeur-generaal van het OLAF werden voorgedragen voor bevordering. Verzoeksters naam kwam niet voor op die lijst.
16 Op 11 april 2017 heeft verzoekster haar verzoek van 30 september 2016 herhaald om het advies van professor D op te nemen in haar medisch dossier (zie punt 11 hierboven).
17 In juni 2017 heeft verzoekster bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over de opneming van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier.
18 Op 26 juni 2017 heeft verzoekster bij het paritair bevorderingscomité (hierna: „CPP”) een klacht ingediend tegen het besluit van de directeur-generaal van het OLAF om haar niet op te nemen op de lijst van voor bevordering voorgedragen ambtenaren.
19 Op 25 augustus 2017 heeft verzoekster verzocht om het rapport van dokter A te verwijderen uit haar medisch dossier. Op 28 augustus 2017 heeft de medisch dienst haar laten weten dat dit rapport niet was opgenomen in haar medisch dossier.
20 Op 27 augustus 2017 heeft een lid van het CPP het voorlopig rapport over de proeftijd van verzoekster geraadpleegd.
21 Op 21 september 2017 heeft een intermediaire paritaire groep (hierna: „GPI”) een ontwerpadvies uitgebracht met de aanbeveling om verzoekster niet voor te dragen voor bevordering. Dit ontwerpadvies is gevolgd door een advies van het CPP van 27 oktober 2017 waarin met 26 stemmen voor en 4 onthoudingen werd voorgesteld om verzoekster bij het bevoegde TABG niet voor te dragen voor bevordering.
22 Op 13 november 2017 heeft de Commissie een mededeling in Mededelingen van de administratie nr. 25‑2017 bekendgemaakt. Deze mededeling bevatte de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2017 waren bevorderd. Verzoeksters naam kwam niet voor op die lijst (hierna: „weigering van bevordering”).
23 Op 14 december 2017 heeft de EDPS zich uitgesproken over de in punt 12 hierboven genoemde klacht van verzoekster van 10 oktober 2016. In dat besluit heeft de EDPS verzoeksters eerste grief, ontleend aan de duur van de procedure voor de behandeling van haar verzoek om toegang tot haar medisch dossier, afgewezen. Ten aanzien van de tweede grief, ontleend aan de niet-opneming van het rapport van professor D in verzoeksters medisch dossier, heeft de EDPS echter vastgesteld dat het feit dat de Commissie niet onverwijld had voldaan aan haar verzoek om rectificatie van haar medisch dossier, een schending opleverde van de regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Voorts wees de EDPS erop dat de informatie die hem in het kader van die klachtprocedure was verstrekt, erop wees dat het rapport van dokter A uit verzoeksters medisch dossier was verwijderd.
24 Op 18 december 2017 heeft verzoekster de directeur-generaal van het OLAF verzocht om het voorlopig rapport over haar proeftijd uit haar persoonsdossier te verwijderen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft zij zich beroepen op het in punt 23 hierboven genoemde besluit van de EDPS.
25 Bij e‑mail van 18 januari 2018 heeft het directoraat-generaal Personele middelen en veiligheid van de Commissie verzoekster meegedeeld dat het voorlopig rapport over de proeftijd en haar toelichtingen daarop uit haar persoonsdossier waren verwijderd.
26 Op 10 februari 2018 heeft verzoekster een klacht ingediend tegen de op 13 november 2017 bekendgemaakte weigering van bevordering. Bij besluit R/96/18 van 7 juni 2018 heeft het bevoegde TABG die klacht afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”). Op 17 juni 2018 heeft verzoekster de ontvangst bevestigd van het besluit tot afwijzing van haar klacht.
27 Op 13 november 2018 is verzoekster in het kader van de bevorderingsronde 2018 met ingang van 1 januari 2018 bevorderd naar de rang AD 6.
II. Procedure en conclusies van partijen
[omissis]
34 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de Commissie te gelasten de beoordelingsrapporten over te leggen van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2017 van de rang AD 5 naar de rang AD 6 zijn bevorderd alsmede de lijst van voor bevordering voorgedragen ambtenaren; – de Commissie te gelasten het bewijs en de uitkomst van de vergelijking van de verdiensten en kopieën van de dossiers van de GPI en het CPP alsmede de meest recente statistieken over de gemiddelde frequentie van bevordering en de overeenkomstige salarisverhoging van ambtenaren over te leggen; – de relevante betrokkenen bij de goedkeurings‑ en de bevorderingsprocedures als getuigen te horen, evenals de personen die kennis hebben genomen van het voorlopig rapport over de proeftijd, na overlegging van de relevante, in het tweede punt hierboven bedoelde stukken; – de weigering van bevordering nietig te verklaren; – het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade en de geleden verliezen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
35 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
36 Met haar vierde en vijfde vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring van de weigering van bevordering en van het besluit tot afwijzing van de klacht.
37 Volgens vaste rechtspraak heeft de vordering gericht tegen de afwijzing van een klacht tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend en heeft die vordering als zodanig geen zelfstandige betekenis (arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 20 november 2007, Ianniello/Commissie, T‑205/04, EU:T:2007:346, punt 27). Er moet daarom van worden uitgegaan dat de vordering tot nietigverklaring die is gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht tegen de weigering van bevordering, alleen een verzoek tot nietigverklaring van de weigering van bevordering inhoudt (zie in die zin arrest van 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, EU:T:2006:110, punt 43).
38 Ook al vormt het besluit tot afwijzing van de klacht een bevestiging van de weigering van bevordering en moet er dus niet specifiek uitspraak worden gedaan over de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht, uit de motivering van laatstgenoemd besluit blijken de gronden voor de weigering van bevordering. Gelet op het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure, moet deze motivering dus in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de rechtmatigheid van de weigering van bevordering, daar deze motivering wordt geacht samen te vallen met laatstgenoemde handeling (zie in die zin arrest van 21 mei 2014, Mocová/Commissie, T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punten 31 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens in die zin arrest van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punt 59).
39 Met haar zesde vordering vraagt verzoekster om vergoeding door de Commissie van de schade die zij zou hebben geleden.
40 Allereerst moet de vordering tot nietigverklaring en vervolgens de vordering tot schadevergoeding worden onderzocht.
A. Vordering tot nietigverklaring
41 Verzoekster voert twee middelen aan ter onderbouwing van haar verzoek. Het eerste middel is ontleend aan onregelmatigheid van de bevorderingsprocedure 2017, het tweede aan een kennelijke beoordelingsfout van het bevoegde TABG bij de vergelijking van de verdiensten.
42 De Commissie werpt meerdere middelen van niet-ontvankelijkheid op.
1. Ontvankelijkheid
c) Middel van niet-ontvankelijkheid ontleend aan het feit dat verzoekster handelingen die definitief zijn geworden, opnieuw ter discussie stelt
[omissis]
84 Uit het voorgaande volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid ontleend aan het gebrek aan duidelijkheid en nauwkeurigheid van het eerste middel en dat ontleend aan schending van de regel van overeenstemming, moeten worden afgewezen. Verzoeksters betoog gericht tegen de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier in de zin van artikel 26 van het Statuut en tegen de beoordelingsrapporten over 2015 en 2016, is daarentegen niet-ontvankelijk.
2. Ten gronde
85 Met haar eerste middel stelt verzoekster in wezen dat de bevorderingsprocedure 2017 onregelmatig was, aangezien deze in strijd was met artikel 45 van het Statuut en met besluit C(2013) 8968 final van de Commissie van 16 december 2013 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut, zoals bekendgemaakt in Mededelingen van de administratie nr. 55‑2013 van 19 december 2013 (hierna: „AUB”). In dit verband betoogt verzoekster met name dat de onregelmatigheid van de bevorderingsprocedure 2017 verband houdt met de invloed van, ten eerste, het verslag van dokter A en, ten tweede, het voorlopig rapport over de proeftijd en het rapport aan het einde van de proeftijd. Zij voegt hieraan toe dat de door haar aan de orde gestelde procedurele onregelmatigheden een invloed kunnen hebben gehad op de uitkomst van de bevorderingsprocedure 2017, namelijk de weigering van bevordering. [omissis]
b) Vermeende invloed van het voorlopig rapport over de proeftijd en het rapport aan het einde van de proeftijd op de bevorderingsprocedure 2017
108 Verzoekster stelt met name dat haar persoonsdossier, dat tijdens de bevorderingsprocedure 2017 is onderzocht, elementen bevatte die daarin niet mochten voorkomen en waarmee geen rekening moest worden gehouden bij de vergelijking van haar verdiensten met die van anderen. In het bijzonder stelt zij dat de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier onregelmatig was.
109 Verzoekster maakt tevens bezwaar tegen de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar „bevorderingsdossier”, dat wil zeggen het feit dat dit rapport in de bevorderingsronde 2017 in aanmerking is genomen en invloed daarop heeft gehad. In dit verband heeft verzoekster in het verzoekschrift en ter terechtzitting benadrukt dat het rapport aan het einde van de proeftijd een rechtstreekse verwijzing naar het voorlopig rapport over de proeftijd bevatte en melding maakte van de problemen die zij aan het begin van haar proeftijd had ondervonden, namelijk persoonlijke problemen en problemen in verband met het werken in teamverband.
110 Verzoekster is van mening dat de vermeldingen in het voorlopig rapport over de proeftijd duidelijk van invloed zijn geweest op de inhoud van het rapport aan het einde van de proeftijd en op haar beoordelingsrapporten over 2015 en 2016, zijnde documenten die in aanmerking zijn genomen bij de vergelijking van de verdiensten in het kader van de bevorderingsronde 2017. Bovendien heeft een lid van het CPP tijdens de bevorderingsprocedure 2017 rechtstreeks het voorlopig rapport over de proeftijd geraadpleegd. Voorts heeft verzoekster ter terechtzitting gesteld dat het bevoegde TABG in het kader van de bevorderingsronde 2017 geen rekening had hoeven houden met dat rapport.
111 Ten slotte stelt verzoekster in het deel van het verzoekschrift dat aan de vergelijking van de verdiensten is gewijd, dat de vermeldingen in het rapport aan het einde van de proeftijd en het voorlopig rapport over de proeftijd duidelijk van invloed zijn geweest op haar beoordeling en het feit dat zij niet is voorgedragen voor bevordering.
112 In wezen beroept zij zich dus op een onregelmatigheid verband houdende met de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier in de zin van artikel 26 van het Statuut. Tevens beroept zij zich op schending van artikel 45 van het Statuut op grond dat het voorlopig rapport over de proeftijd en het rapport aan het einde van de proeftijd in aanmerking zijn genomen in de bevorderingsprocedure 2017.
113 De Commissie betwist de door verzoekster aangevoerde argumenten.
114 In de eerste plaats stelt de Commissie dat de verwijdering van het voorlopig rapport over de proeftijd uit verzoeksters persoonsdossier niet het rechtstreekse gevolg is van verplichtingen die op haar rustten krachtens het besluit van de EDPS (zie de punten 23-25 hierboven). In dat besluit heeft de EDPS zich immers niet op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van dat rapport in het persoonsdossier onregelmatig was.
115 In de tweede plaats betoogt de Commissie in haar memories dat het op grond van artikel 45 van het Statuut en artikel 4, lid 1, onder a), van de AUB niet onregelmatig was om in het kader van de bevorderingsronde 2017 rekening te houden met het voorlopig rapport over de proeftijd en dat het bevoegde TABG juist verplicht was om daarmee rekening te houden. Voorts is de toegang van leden van het CPP tot het persoonsdossier van ambtenaren door middel van het computersysteem voor het personeelsbeheer (hierna: „Sysper 2”) in casu een procedureel vereiste dat voortvloeit uit de noodzaak om die rapporten te onderwerpen aan het in artikel 45 van het Statuut voorziene onderzoek. Die toegang vormt dus geen onregelmatigheid.
116 Toen zij ter terechtzitting daarnaar werd gevraagd, heeft de Commissie – anders dan zij in het verweerschrift had aangegeven – beklemtoond dat het TABG op geen enkele wijze verplicht was om rekening te houden met het voorlopig rapport over de proeftijd. Voorts heeft zij gepreciseerd dat een rapport over de proeftijd niet tot doel heeft de verdiensten van een ambtenaar met het oog op bevordering te beoordelen en dat een dergelijk rapport enkel wordt opgesteld voor de vaste aanstelling. Dit betekent haars inziens dat bij de vergelijking van de verdiensten in het kader van een bevorderingsprocedure in beginsel alleen rekening wordt gehouden met de beoordelingsrapporten. De beoordelaars hebben de facto echter altijd de mogelijkheid om rekening te houden met de in Sysper 2 beschikbare documenten.
117 In de derde plaats heeft de Commissie in het verweerschrift en ter terechtzitting betwist dat het voorlopig rapport over de proeftijd van invloed is geweest op de bevorderingsprocedure 2017 en met name dat dit document gevolgen heeft gehad voor de rapporten die in het kader van die bevorderingsronde in aanmerking zijn genomen.
118 Om te beginnen merkt zij op dat de inhoud van het voorlopig rapport over de proeftijd niet heeft verhinderd dat verzoekster aan het einde van de proeftijd in vaste dienst is aangesteld. Ter terechtzitting heeft zij benadrukt dat het de hiërarchieke meerderen is toegestaan om negatieve beoordelingen in een voorlopig rapport over de proeftijd en in een rapport aan het einde van de proeftijd op te nemen. In het betrokken rapport aan het einde van de proeftijd werd inderdaad vermeld dat verzoekster aan het begin van de proeftijd problemen had gehad. Dat rapport bevatte echter beoordelingen die de negatieve beoordelingen in het voorlopig rapport over de proeftijd bewust bagatelliseerden.
119 Vervolgens stelt de Commissie dat verzoekster geen belang heeft bij de betwisting van de conclusie „voldoende” in de beoordelingsrapporten over de jaren 2015 en 2016. Ter terechtzitting heeft zij betoogd dat de zogenoemde negatieve invloed van de beoordelingen in het voorlopig rapport over de proeftijd was geneutraliseerd door de positieve beoordelingen in het rapport aan het einde van de proeftijd en in de beoordelingsrapporten over de jaren 2015 en 2016.
120 Ten slotte heeft de Commissie ter terechtzitting gesteld dat het besluit tot afwijzing van de klacht niet verwees naar het voorlopig rapport over de proeftijd. Tijdens de bevorderingsprocedure heeft het bevoegde TABG uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikgemaakt van de beoordelingsrapporten over de jaren 2015 en 2016.
121 Verzoekster heeft dus de invloed van het voorlopig rapport over de proeftijd op de bevorderingsprocedure 2017 overschat en geen rekening gehouden met het belang van andere op haar betrekking hebbende rapporten die in haar persoonsdossier waren opgenomen.
122 In casu zij eraan herinnerd dat verzoekster niet kan opkomen tegen de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier in de zin van artikel 26 van het Statuut (zie punt 84 hierboven).
123 Derhalve moeten alleen de door haar aangevoerde argumenten worden onderzocht die zijn ontleend aan het feit dat, in strijd met artikel 45 van het Statuut, tijdens de bevorderingsprocedure 2017 rekening is gehouden met het voorlopig rapport over de proeftijd en met het rapport aan het einde van de proeftijd.
1) Opmerkingen vooraf
124 Artikel 45, lid 1, van het Statuut bepaalt dat het TABG voor de vergelijking van de verdiensten in het bijzonder rekening houdt met de over de ambtenaren opgestelde beoordelingsrapporten. Voorts bepaalt artikel 4, lid 1, onder a), AUB onder meer dat het TABG bij de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren in het bijzonder rekening houdt met „de rapporten die sinds hun laatste bevordering of, bij gebreke daarvan, sinds hun aanwerving over de ambtenaren zijn opgesteld en met name met de beoordelingsrapporten die zijn opgesteld overeenkomstig de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut”.
125 In de eerste plaats moet worden beklemtoond dat de in artikel 45 van het Statuut genoemde rapporten, die zijn welke in artikel 43 van dat Statuut worden genoemd, namelijk de beoordelingsrapporten (zie in die zin arrest van 5 oktober 2000, Rappe/Commissie, T‑202/99, EU:T:2000:227, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
126 Het beoordelingsrapport vormt een onontbeerlijke beoordelingsfactor telkens wanneer de loopbaan van een ambtenaar in aanmerking wordt genomen met het oog op de vaststelling van een besluit betreffende zijn bevordering (zie arresten van 8 maart 2006, Lantzoni/Hof van Justitie, T‑289/04, EU:T:2006:70, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 maart 2009, R/Commissie, T‑156/08 P, EU:T:2009:69, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een besluit om een ambtenaar niet te bevorderen, is dus onregelmatig wanneer het TABG niet een vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren heeft kunnen verrichten omdat één of meerdere beoordelingsrapporten niet beschikbaar waren als gevolg van een fout van de administratie (arrest van 28 juni 2016, Kotula/Commissie, F‑118/15, EU:F:2016:138, punt 38; zie eveneens in die zin arresten van 3 maart 1993, Vela Palacios/ESC, T‑25/92, EU:T:1993:17, punt 43, en 11 juli 2007, Konidaris/Commissie, T‑93/03, EU:T:2007:209, punt 88).
127 In de tweede plaats heeft het TABG weliswaar de mogelijkheid om rekening te houden met andere informatie over de administratieve en persoonlijke toestand van de kandidaten voor bevordering, doch de mogelijkheid om naar die elementen te verwijzen, veronderstelt het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden (zie in die zin arrest van 5 oktober 2000, Rappe/Commissie, T‑202/99, EU:T:2000:227, punten 40 en 54). Dit is met name het geval indien het beoordelingsrapport ontbreekt (zie in die zin arrest van 13 juli 1995, Rasmussen/Commissie, T‑557/93, EU:T:1995:138, punt 32).
128 Overigens kunnen informatieve gegevens het ontbreken van een beoordelingsrapport alleen compenseren indien zij voldoen aan bepaalde voorwaarden, waarvan de verwerende instelling het bewijs moet leveren. Ten eerste moeten zij voldoende objectief zijn om een rechterlijke controle mogelijk te maken, ten tweede moeten zij een beoordeling bevatten van de verdiensten van de ambtenaar die afkomstig is van de personen die verantwoordelijk zijn voor de opstelling van zijn beoordelingsrapport, ten derde moeten zij de ambtenaar op zodanige wijze zijn meegedeeld dat de rechten van verdediging zijn geëerbiedigd, en ten vierde moeten zij bij het bevorderingscomité bekend zijn op het moment dat dit comité de verdiensten van alle kandidaten vergelijkt. Dit betekent dat informatieve gegevens die een vervanging kunnen vormen voor het ontbreken van het beoordelingsrapport, in grote mate moeten overeenstemmen met dat rapport voor wat betreft de herkomst, de opstellingsprocedure en het doel ervan (arrest van 5 oktober 2000, Rappe/Commissie, T‑202/99, EU:T:2000:227, punten 56 en 57).
129 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat het beoordelingsrapport volgens vaste rechtspraak primair ertoe strekt, de administratie zo volledig mogelijke periodieke informatie te verstrekken over de wijze waarop haar ambtenaren hun dienst vervullen (arresten van 15 mei 1996, Dimitriadis/Rekenkamer, T‑326/94, EU:T:1996:62, punt 84; 10 september 2003, McAuley/Raad, T‑165/01, EU:T:2003:225, punt 51, en 16 april 2008, Doktor/Raad, F‑73/07, EU:F:2008:42, punt 86). Een rapport aan het einde van de proeftijd is daarentegen voornamelijk bedoeld om te beoordelen of de ambtenaar geschikt is om de bij zijn functie behorende taken te vervullen en om in vaste dienst te worden aangesteld (zie in die zin arrest van 24 februari 2000, Jacobs/Commissie, T‑82/98, EU:T:2000:53, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
130 Voorts kan geen automatische en absolute vergelijking worden gemaakt tussen een beoordelingsrapport en een rapport aan het einde van de proeftijd van een ambtenaar, aangezien die twee soorten rapporten verschillende beoordelingsrubrieken en verschillende cijfersystemen bevatten (zie in die zin arrest van 15 mei 1996, Dimitriadis/Rekenkamer, T‑326/94, EU:T:1996:62, punten 83 en 85).
131 Voorts moet, uit het oogpunt van de ontwikkeling van de loopbaan van een ambtenaar, het belang worden onderstreept van de bepaling, aan het begin van het jaar, van vooraf door de hiërarchieke meerdere vastgestelde doelstellingen. De jaarlijkse beoordeling heeft met name betrekking op de wijze waarop de ambtenaar die doelstellingen heeft bereikt. In het licht van die doelstellingen worden de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van de ambtenaar beoordeeld. Die doelstellingen zijn evenwel niet dezelfde als die welke in de proeftijd van een ambtenaar op proef met het oog op zijn vaste aanstelling worden verwacht. Gelet op hun bijzondere, op de prestatie gerichte aard onderscheiden de beoordelingen in een beoordelingsrapport zich van die in een rapport aan het einde van de proeftijd.
132 In dit verband is geoordeeld dat de beoordeling van een verzoeker gedurende de eerste zes maanden van zijn overeenkomst, die is opgenomen in een rapport over de proeftijd, niet kan worden gelijkgesteld met de beoordeling in het kader van zijn jaarlijkse beoordelingsrapport en dus evenmin deze kan vervangen of dat rapport kan compenseren. Het beoordelingsrapport is erop gericht, te beoordelen of de verzoeker, gelet op de in overleg met hem vastgestelde doelstellingen, aan de verwachtingen heeft voldaan en aldus het niveau van zijn prestaties vast te stellen (zie in die zin arrest van 13 december 2018, Wahlström/Frontex, T‑591/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:938, punt 65).
133 Ten slotte vormen beoordelingsrapporten, aangezien zij elementen zijn die gedurende de hele loopbaan van een ambtenaar van invloed kunnen zijn, bezwarende handelingen. De rechtspraak dat beoordelingsrapporten voor een beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen vormen, beantwoordt aan het belang van een behoorlijk administratief beheer, aangezien de betrokkene, indien dat niet het geval was, alleen in het kader van een beroep tegen een handeling voor de vaststelling waarvan het betrokken rapport een rol heeft gespeeld, de eventuele gebreken van dat rapport aan de orde zou kunnen stellen. Een dergelijke situatie zou echter de vaststelling van belangrijke besluiten voor ambtenaren kunnen vertragen (arrest van 16 maart 2009, R/Commissie, T‑156/08 P, EU:T:2009:69, punten 53 en 54).
134 Een dergelijke door de rechtspraak gegeven oplossing voor beoordelingsrapporten kan niet worden uitgebreid tot documenten die alleen dienen ter voorbereiding van een gericht besluit van de administratie, waarmee zij nauw verband houden. Dit is het geval bij rapporten over de proeftijd, die dienen ter voorbereiding van het besluit van de administratie over de vaste aanstelling van de betrokkene na afloop van zijn proeftijd of zijn ontslag (arrest van 16 maart 2009, R/Commissie, T‑156/08 P, EU:T:2009:69, punt 55).
135 Dit geldt ook voor op grond van artikel 34 van het Statuut vastgestelde maatregelen betreffende het verloop van de proeftijd van een ambtenaar, waaronder het besluit om hem voor de voortzetting van de proeftijd over te plaatsen naar een andere dienst en voor het besluit om de proeftijd met zes maanden te verlengen. Die maatregelen hebben duidelijk tot doel om een betere beoordeling van de kwaliteiten van de ambtenaar op proef door de administratie mogelijk te maken en het besluit voor te bereiden om de betrokkene in vaste dienst aan te stellen of te ontslaan, welk besluit aan het einde van de proeftijd moet worden vastgesteld. Die maatregelen kunnen dus niet autonoom middels een beroep tot nietigverklaring worden betwist (arrest van 16 maart 2009, R/Commissie, T‑156/08 P, EU:T:2009:69, punt 56).
136 Overigens kan een in het persoonsdossier van een ambtenaar opgenomen rapport over de proeftijd in beginsel geen gevolgen sorteren na het besluit tot aanstelling in vaste dienst dat aan het einde van de proeftijd is genomen, en met het oog waarop het is opgesteld en dat het alleen beoogt voor te bereiden (zie in die zin beschikking van 19 februari 2008, R/Commissie, F‑49/07, EU:F:2008:18, punt 56).
137 Beoordelingsrapporten en rapporten die in de loop van de proeftijd worden opgesteld, hebben dus een onderscheiden doel en functie. Voor die rapporten gelden ook verschillende regels. Zo kan een rapport aan het einde van de proeftijd, zelfs al bevat het een zeker aantal opmerkingen over de bekwaamheden van de ambtenaar of functionaris, in beginsel niet in aanmerking worden genomen door een bevorderingscomité.
138 In het licht van deze overwegingen moeten verzoeksters argumenten worden onderzocht over het feit dat in de bevorderingsronde 2017 rekening is gehouden met de rapporten over haar proeftijd.
2) Inaanmerkingneming van de rapporten over verzoeksters proeftijd
139 In de eerste plaats heeft het bevoegde TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht gesteld dat de regelmatigheid van de vergelijking van de verdiensten in de zin van artikel 45 van het Statuut vereiste dat rekening werd gehouden met zowel het rapport aan het einde van de proeftijd als verzoeksters beoordelingsrapporten over de jaren 2015 en 2016. Het bevoegde TABG heeft gepreciseerd dat op grond van geen enkel element van het dossier kon worden aangenomen dat er tijdens de bevorderingsronde 2017 in dat opzicht een onregelmatigheid had plaatsgevonden. Op grond van het feit dat het voorlopig rapport over de proeftijd door een lid van het CPP was ingezien, kon niet zonder meer worden vastgesteld dat de vergelijking van de verdiensten niet had plaatsgevonden op basis van de relevante rapporten, dat wil zeggen het rapport aan het einde van de proeftijd en de beoordelingsrapporten over de jaren 2015 en 2016.
140 In dit verband moet ten eerste worden beklemtoond dat verzoeksters voorlopig rapport over de proeftijd, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, als bijlage bij haar rapport aan het einde van de proeftijd was opgenomen in Sysper 2.
141 Voorts moet worden opgemerkt dat het bestaan en de inhoud van het voorlopig rapport over de proeftijd worden genoemd in het laatste gedeelte van het rapport aan het einde van de proeftijd. In laatstgenoemd rapport zet de tweede beoordelaar immers uiteen dat hij „enigszins bezorgd was dat de eerste periode in [de eerste eenheid waarin verzoekster was tewerkgesteld] niet zo goed was verlopen, hetgeen bleek uit het voorlopig rapport over de proeftijd [...], waarin melding werd gemaakt van intermenselijke problemen en kwesties betreffende het werk in teamverband”. Hij voegde daaraan toe dat die beoordelingen verband hielden met een combinatie van de bijzondere omstandigheden in de eerste eenheid. Die vermeldingen werkten dus de raadpleging van zowel het rapport aan het einde van de proeftijd als het voorlopig rapport over de proeftijd in de hand. Voorts blijkt uit de door verzoekster aan het Gerecht overgelegde stukken dat een lid van het CPP vóór de vaststelling van de weigering van bevordering in Sysper 2 rechtstreeks het voorlopig rapport over de proeftijd had geraadpleegd dat als bijlage was opgenomen bij verzoeksters rapport aan het einde van de proeftijd.
142 Vastgesteld moet dus worden dat bij de vergelijking van de verdiensten rekening is gehouden met verzoeksters rapport aan het einde van de proeftijd. Voorts is bij de vergelijking rechtstreeks of indirect ook rekening gehouden met het voorlopig rapport over haar proeftijd.
143 Ten tweede blijkt uit de in de punten 125 tot en met 137 hierboven genoemde rechtspraak dat in het kader van een bevorderingsprocedure in beginsel geen rekening mag worden gehouden met een rapport aan het einde van de proeftijd en dat het TABG alleen in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden rekening mag houden met andere informatieve gegevens, indien die aan bepaalde voorwaarden voldoen, waarvan de betrokken instelling het bewijs moet leveren.
144 In casu moet worden beklemtoond dat over verzoekster in het kader van de beoordeling 2015 en 2016 twee beoordelingsrapporten zijn opgesteld en dat de beoordelingen in die rapporten voldoende basis vormden voor de vergelijking van de verdiensten zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, van het Statuut.
145 Geen enkele bijzondere omstandigheid rechtvaardigde dus dat bij de vergelijking van de verdiensten rekening werd gehouden met het rapport aan het einde van de proeftijd én met het voorlopig rapport over de proeftijd dat als bijlage daarbij was opgenomen.
146 In de tweede plaats moet in elk geval worden beklemtoond dat verzoeksters voorlopig rapport over de proeftijd, in tegenstelling tot de beoordelingsrapporten, niet was opgesteld teneinde haar objectief te kunnen beoordelen of met het doel haar loopbaanontwikkeling te kunnen beoordelen. Het was immers opgesteld tijdens haar proeftijd, in het kader van een conflict tussen haar en andere leden van de eerste eenheid waarin zij was tewerkgesteld (zie punt 2 hierboven). Het voorlopig rapport over de proeftijd is dus aan het begin van verzoeksters loopbaan om welbepaalde redenen opgesteld, teneinde melding te maken van problemen die zij in die eerste eenheid had ondervonden en ter rechtvaardiging van haar overplaatsing naar een andere eenheid om daar haar proeftijd voort te zetten. Verzoekster heeft dat rapport overigens niet kunnen betwisten middels een beroep tegen het besluit om haar in vaste dienst aan te stellen, aangezien dat besluit voor haar niet bezwarend was.
147 Voorts is het inderdaad juist dat een hiërarchieke meerdere bij de beoordeling van de kwaliteiten van een ambtenaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat hij, om aan zijn verantwoordelijkheden te voldoen, zijn commentaar en eventueel zijn voorbehoud moet uitspreken over de kwaliteit van het werk van de ambtenaar. Opgemerkt zij echter dat het voorlopig rapport over de proeftijd in casu zware kritiek bevatte in verband met het rendement, de geschiktheid, de prestaties en het gedrag van verzoekster in de eerste eenheid waarin zij was tewerkgesteld. Die kritiek is geformuleerd in bewoordingen die met name op de persoon van verzoekster zijn gericht en niet op haar beroepscapaciteiten. Dergelijke kritiek gaat verder dan hetgeen objectief gezien nodig is om te beoordelen of er sprake was van problemen in de dienst en om een besluit tot overplaatsing naar een andere eenheid te rechtvaardigen.
148 Gezien de ongebruikelijk teneur van de kritiek in het voorlopig rapport over de proeftijd, kunnen de daarin opgenomen beoordelingen niet worden gelijkgesteld of althans worden vergeleken met die welke zijn opgenomen in de positieve beoordelingsrapporten die later over de jaren 2015 en 2016 zijn opgesteld.
149 De in de punten 146 tot en met 148 hierboven genoemde omstandigheden vormen ten opzichte van die welke in de punten 143 en 144 hierboven zijn uiteengezet dus nog een reden om uit te sluiten dat de rapporten over verzoeksters proeftijd in aanmerking konden worden genomen bij de vergelijking van de verdiensten.
150 Derhalve moet worden vastgesteld dat de inaanmerkingneming, door het bevoegde TABG, van de rapporten over verzoeksters proeftijd, dat wil zeggen het rapport aan het einde van de proeftijd en het voorlopig rapport over de proeftijd, een onregelmatigheid vormt die de op haar betrekking hebbende bevorderingsprocedure 2017 kan aantasten.
c) Invloed van de vastgestelde procedurele onregelmatigheid
151 Volgens verzoekster was de bevorderingsprocedure 2017 noodzakelijkerwijs anders verlopen indien de in de punten 108 tot en met 112 hierboven genoemde onregelmatigheden zich niet hadden voorgedaan.
152 De Commissie voert hiertegen aan dat verzoekster, gesteld al dat er sprake was van een procedurele onregelmatigheid, niet de invloed daarvan heeft aangetoond op de inhoud van de weigering van bevordering. Verzoekster stelt enkel in algemene bewoordingen dat de aanwezigheid van het voorlopig rapport over de proeftijd in haar persoonsdossier „onvermijdelijk invloed heeft gehad op de beoordeling” van haar dossier. Bovendien heeft zij niet aangegeven welk deel van de beoordelingsrapporten over 2015 en 2016 of van het besluit tot afwijzing van de klacht is beïnvloed door de inhoud van het voorlopig rapport over de proeftijd.
153 Wat de schending van artikel 45 van het Statuut en de onregelmatigheid van een bevorderingsprocedure betreft, is het vaste rechtspraak dat het voor de nietigverklaring van een weigering van bevordering niet volstaat dat het persoonsdossier van een kandidaat onregelmatig en onvolledig was. Daarnaast moet worden vastgesteld dat die omstandigheid een doorslaggevende invloed heeft kunnen hebben op de bevorderingsprocedure (zie in die zin arresten van 30 januari 2008, Strack/Commissie, T‑394/04, EU:T:2008:20, punt 39, en 14 november 2017, Vincenti/EUIPO, T‑586/16, EU:T:2017:803, punt 36).
154 Meer algemeen is het vaste rechtspraak dat de procedure, wil een procedurele onregelmatigheid de nietigverklaring van een handeling kunnen rechtvaardigen, bij gebreke van die onregelmatigheid een andere uitkomst had kunnen hebben (arrest van 18 september 2015, Wahlström/Frontex, T‑653/13 P, EU:T:2015:652, punt 21; zie eveneens in die zin beschikking van 1 december 2015, Georgias e.a./Raad en Commissie, C‑545/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:791, punt 51).
155 Zoals de Commissie betoogt, blijkt in casu uit lezing van het besluit tot afwijzing van de klacht niet dat verzoekster meer verdiensten had dan haar bevorderde collega’s. Voorts wordt geen melding gemaakt van de inhoud van het voorlopig rapport over de proeftijd in het stadium van de vergelijking van de verdiensten die door het TABG is genoemd in het besluit tot afwijzing van de klacht. Bovendien bevatten de in aanmerking genomen beoordelingsrapporten positieve („voldoende”) beoordelingen, terwijl verzoekster op basis van het eveneens positieve rapport aan het einde van de proeftijd in vaste dienst kon worden aangesteld.
156 Beklemtoond zij echter dat het bevoegde TABG in het besluit tot afwijzing van de klacht in het onderdeel „Efficiency, bekwaamheid en gedrag in de dienst” uitdrukkelijk verwijst naar het rapport aan het einde van de proeftijd. In dit verband merkt het bevoegde TABG op dat het rapport aan het einde van de proeftijd melding maakt van een „ruimte voor verbetering” alsmede van het feit dat verzoekster „wanneer nodig de directie moet raadplegen”, „haar meerderen op de hoogte moet houden” of „haar werk moet coördineren met dat van haar collega’s teneinde het van haar verwachte werk te kunnen verrichten”. Voorts zij eraan herinnerd dat het rapport aan het einde van de proeftijd in de bijlage het voorlopig rapport over de proeftijd bevatte en melding van dat rapport maakte. Het rapport aan het einde van de proeftijd, dat als bijlage het voorlopig rapport over de proeftijd bevatte, heeft dus een negatieve invloed kunnen hebben op de beoordeling van verzoeksters „efficiency, bekwaamheid en gedrag in de dienst” bij het onderzoek van haar verdiensten.
157 Voorts heeft het voorlopig rapport over verzoeksters proeftijd, gezien de bijzondere omstandigheden waaronder dat rapport is opgesteld en het feit dat het in haar persoonsdossier is opgenomen als bijlage bij het rapport aan het einde van de proeftijd, de uiterst kritische en subjectieve beoordelingen in dat rapport en het feit dat het rapport door een lid van het CPP is ingezien vóór de opstelling van de definitieve lijst van bevorderde ambtenaren, een negatieve invloed kunnen hebben op de vergelijking van de verdiensten tijdens de bevorderingsprocedure 2017.
158 Ten slotte moet worden opgemerkt dat inderdaad over alle ambtenaren op proef een rapport aan het einde van de proeftijd wordt opgesteld. Maar niet over alle ambtenaren wordt een voorlopig rapport over de proeftijd opgesteld. Voor zover het in bijzondere gevallen wordt opgesteld, onderscheidt een voorlopig rapport over de proeftijd zich van een rapport aan het einde van de proeftijd en, a fortiori, van beoordelingsrapporten zoals bedoeld in artikel 4 AUB. De rechtstreekse of indirecte inaanmerkingneming van dat voorlopige rapport heeft dus gevolgen kunnen hebben voor een objectieve en egalitaire beoordeling van verzoeksters verdiensten in het kader van de bevorderingsprocedure 2017.
159 Hieruit volgt dat de in punt 150 hierboven vastgestelde procedurele onregelmatigheid voor verzoekster doorslaggevende gevolgen heeft kunnen hebben voor het verloop van die procedure en voor het besluit om haar niet te bevorderen. Met andere woorden, het is aangetoond dat de weigering van bevordering bij gebreke van die procedurele onregelmatigheid een andere inhoud had kunnen hebben (zie de punten 153 en 154 hierboven).
160 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel worden aanvaard en moet de weigering van bevordering nietig worden verklaard, zonder dat enerzijds de andere grieven die verzoekster in het kader van het eerste middel heeft aangevoerd en anderzijds het tweede middel moeten worden onderzocht. Aangezien de weigering van bevordering nietig wordt verklaard, behoeven voorts de verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie die verzoekster in haar eerste drie vorderingen heeft geformuleerd, niet te worden onderzocht.
B. Vordering tot schadevergoeding
161 Volgens vaste rechtspraak over schadevergoedingen op het gebied van ambtenarenzaken kan er slechts sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instelling verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (zie arrest van 15 september 2005, Casini/Commissie, T‑132/03, EU:T:2005:324, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 4 juli 2006, Tzirani/Commissie, T‑88/04, EU:T:2006:186, punt 100, en 26 oktober 2017, Paraskevaidis/Cedefop, T‑601/16, EU:T:2017:757, punt 78). Die drie voorwaarden zijn cumulatief, zodat de Unie niet aansprakelijk kan worden gesteld indien aan een daarvan niet is voldaan (zie arrest van 29 november 2018, WL/ERCEA, T‑493/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:852, punt 207 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162 In casu vraagt verzoekster ten eerste om vergoeding van de materiële schade die zij zou hebben geleden en die zij op 45000 EUR begroot, en ten tweede om vergoeding van de op 20000 EUR begrote immateriële schade. [omissis]
1. Verzoek tot vergoeding van de vermeende immateriële schade
[omissis]
179 In de tweede plaats stelt verzoekster dat zij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de lasterlijke bewering over haar psychologische toestand in het voorlopig rapport over de proeftijd. De mogelijke inzage van dat rapport door al haar hiërarchieke meerderen en door andere DG’s van de Commissie heeft ernstige schade toegebracht aan haar (beroeps)reputatie binnen het OLAF en de Commissie. Deze afbreuk aan haar reputatie heeft tot gevolg gehad dat haar ongerustheid over de onzekerheid van een loopbaanontwikkeling en, in feite, over een bevordering in het kader van de bevorderingsprocedure 2017 toenam. Door deze situatie heeft zij een onjuiste perceptie van haar eigen situatie gekregen en is haar leed bezorgd, hetgeen negatieve gevolgen heeft gehad voor haar privéleven en voor haar fysieke en mentale gezondheid. Zij vraagt dus in feite om vergoeding van de immateriële schade die zou zijn veroorzaakt door de invloed die het voorlopig rapport over de proeftijd op de bevorderingsprocedure 2017 heeft gehad.
180 In dit verband volgt om te beginnen uit het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring en in het bijzonder uit de punten 124 tot en met 160 hierboven, dat het argument waarmee verzoekster poogde aan te tonen dat in het kader van de bevorderingsronde 2017 ten onrechte rekening is gehouden met het bij het rapport aan het einde van de proeftijd gevoegde voorlopig rapport over de proeftijd, is aanvaard en dat het bevoegde TABG artikel 45 van het Statuut heeft geschonden toen het de weigering van bevordering vaststelde. Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarde betreffende de onrechtmatigheid van de aan de Commissie verweten gedraging.
181 Voorts moet worden vastgesteld dat verzoekster in een toestand van ongerustheid en onzekerheid is gebracht over haar beroepsreputatie en toekomst, en dat die toestand rechtstreeks voortvloeit uit de in punt 180 hierboven vastgestelde onrechtmatigheid.
182 Bovendien heeft verzoekster bijzondere immateriële schade geleden doordat het bevoegde TABG in het kader van de bevorderingsronde 2017 niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen krachtens artikel 45 van het Statuut en kan die schade niet op passende wijze worden hersteld door alleen de nietigverklaring van de weigering van bevordering.
183 Overigens heeft de Commissie ter terechtzitting die door verzoekster ervaren toestand van ongerustheid en onzekerheid erkend. In dit verband heeft zij gepreciseerd dat de bezorgdheid van verzoekster over het voorlopig rapport over de proeftijd een van de elementen was waarmee rekening was gehouden bij het besluit om te gelegener tijd dat rapport uit verzoeksters persoonsdossier te verwijderen.
184 Ten slotte moet worden opgemerkt dat verzoeksters immateriële schade beperkt wordt door het feit dat zij in de bevorderingsronde na die van 2017, dat wil zeggen die van 2018, is bevorderd naar de rang AD 6 (zie in die zin arrest van 18 november 2015, Diamantopoulos/EDEO, F‑30/15, EU:F:2015:138, punt 48).
185 In deze omstandigheden moet ex aequo et bono worden beslist dat een bedrag van 2000 EUR een adequate vergoeding vormt voor de immateriële schade als gevolg van de in punt 180 hierboven vastgestelde onrechtmatigheid.
186 In deze omstandigheden moet het verzoek tot schadevergoeding van verzoekster gedeeltelijk worden toegewezen.
187 Gelet op het voorgaande moet de weigering van bevordering nietig worden verklaard en moet de Commissie worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van 2000 EUR aan verzoekster ter vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.
IV. Kosten
188 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
189 Aangezien de Commissie op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit om XH in het kader van de bevorderingsronde 2017 niet naar de rang AD 6 te bevorderen, zoals dat volgt uit de bekendmaking, in Mededelingen van de administratie nr. 25‑2017 van 13 november 2017, van de lijst van naar die rang bevorderde ambtenaren, wordt nietig verklaard.
2) De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 2000 EUR aan XH ter vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) De Commissie wordt verwezen in de kosten.
da Silva Passos Truchot Sampol Pucurull Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 juni 2020. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.