Gerecht EU 11 september 2024, T-793/22, ECLI:EU:T:2024:614

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

11 september 2024 ( *1 )

„Openbare dienst – Geaccrediteerde parlementaire medewerkers – Beëindiging van de dienst – Overeenkomst voor bepaalde tijd – Niet-verlenging – Status van klokkenluider – Artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut – Beschermingsmaatregelen – Vertrouwelijkheid – Immateriële schade”

In zaak T‑793/22,

TU, vertegenwoordigd door N. de Montigny, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. González Argüelles, I. Lázaro Betancor en L. Darie als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, S. Gervasoni, N. Półtorak, I. Reine en T. Pynnä (rapporteur), rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– het nieuwe door verzoeker overgelegde bewijs, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 december 2023,

– de opmerkingen van het Parlement van 21 december 2023 over dit nieuwe bewijs,

– de op 19 december 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van partijen op de schriftelijke vragen van het Gerecht van 27 november 2023,

na de terechtzitting op 18 januari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU verzoekt verzoeker, TU, ten eerste, om nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 22 februari 2022 waarbij zijn overeenkomst van geaccrediteerd parlementair medewerker (hierna: „GPM”) niet is verlengd (hierna: „besluit van 22 februari 2022”) en van het stilzwijgend besluit – in antwoord op zijn verzoek van 10 januari 2022 om te worden erkend als klokkenluider en om te worden beschermd krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) – waarbij is geweigerd zijn status van klokkenluider te erkennen en andere beschermingsmaatregelen vast te stellen naast de maatregel tot ontheffing van de functie (hierna: „stilzwijgend besluit”), en, ten tweede, om vergoeding van de schade, geraamd op 200000 EUR, die hij heeft geleden ten gevolge van de niet-inachtneming van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut en van de interne voorschriften ter uitvoering van artikel 22 quater van het Statuut (hierna: „interne voorschriften”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeker is als GPM aangeworven bij de groep leden [vertrouwelijk] ( 1 ) (hierna: „groep”) om het parlementslid [vertrouwelijk] (hierna: „betrokken parlementslid”) bij te staan voor de periode van 26 augustus 2019 tot en met 28 februari 2022.

3 Hoewel hij tot taak had om binnen deze groep het betrokken parlementslid bij te staan, was zijn chef en verantwoordelijk parlementslid binnen de groep (hierna: „verantwoordelijk parlementslid”) A, die was gekozen als vertegenwoordiger van de leden van de groep overeenkomstig artikel 1, punt 5, van de maatregelen ter uitvoering van titel VII van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij besluit van het Bureau van het Parlement van 14 april 2014 en gewijzigd bij besluiten van het Bureau van het Parlement van 2 oktober 2017 en 5 juli 2021 (hierna: „maatregelen ter uitvoering van titel VII RAP”).

4 Bij e-mail van 12 juli 2021 heeft verzoeker krachtens artikel 24 van het Statuut een verzoek om bijstand en bescherming ingediend wegens door hem ondervonden intimidatie door het betrokken parlementslid. In die e-mail gaf verzoeker ook aan dat hij de financiële belangen van de Unie wilde beschermen door in dat verzoek informatie te verstrekken over financiële onregelmatigheden die door het betrokken parlementslid zouden zijn begaan.

5 Op 20 juli 2021 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Personeelszaken (hierna: „directeur-generaal”), de autoriteit die bevoegd is om de krachtens artikel 24 van het Statuut bij het Parlement ingediende verzoeken om bijstand te behandelen, een voorlopige beschermingsmaatregel vastgesteld met het doel om verzoeker met ingang van 22 juli 2021 onder de verantwoordelijkheid te plaatsen van B, de voorzitter van de delegatie [vertrouwelijk] en lid van de groep (hierna: „voorzitter van de delegatie” respectievelijk „delegatie”) (hierna: „overplaatsingsmaatregel”).

6 Op 23 augustus 2021 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) het Parlement meegedeeld dat het bepaalde informatie had ontvangen in verband met een door verzoeker krachtens artikel 24 van het Statuut ingediend verzoek om bijstand, dat het voornemens was een onderzoek in te stellen en dat dat onderzoek vertrouwelijk was.

7 Bij e-mail van 3 september 2021 heeft OLAF het Parlement ervan in kennis gesteld dat verzoeker dit bureau op de hoogte had gebracht van financiële onregelmatigheden.

8 Op 4 november 2021 heeft verzoeker zijn aanvullend verzoek om bijstand ingediend en op 8 november 2021 een nieuwe lijst van bijlagen en gegevens ter staving toegevoegd. In deze documenten waren ook de meldingen over de vermeende door het betrokken parlementslid begane financiële onregelmatigheden geactualiseerd en gegevens ter staving daarvan opgenomen.

9 Op 10 januari 2022 heeft verzoeker de directeur-generaal geïnformeerd dat hij meende represailles van de directie van de delegatie te hebben ondervonden ten gevolge van zijn meldingen over financiële onregelmatigheden en intimidatie, en verzocht om bescherming wegens zijn status van klokkenluider. In die brief vroeg verzoeker om van zijn functie bij de delegatie te worden ontheven en naar om het even welke andere post binnen het Parlement te worden overgeplaatst. Hij gaf tevens aan dat hem geen enkele taak was toegewezen en dat hij tijdens de voorbereiding van zijn verzoek om verlenging van zijn overeenkomst door een nieuwe werknemer was vervangen, en verzocht het Parlement de verlenging van zijn overeenkomst te overwegen om hem in staat te stellen met die instelling en met OLAF samen te werken aan de lopende onderzoeken, terwijl hij volledig werd beschermd.

10 Op 13 januari 2022 heeft de directeur-generaal verzoeker per e-mail meegedeeld dat hij hem tot aan het einde van zijn overeenkomst van zijn functie onthief (hierna: „ontheffingsmaatregel”). Deze e-mail is in kopie aan de voorzitter van de delegatie toegezonden.

11 Op 24 januari 2022 heeft verzoeker een verzoek tot verlenging van zijn overeenkomst ingediend bij het verantwoordelijke parlementslid, dat hem op 4 februari 2022 heeft geantwoord dat het betrokken parlementslid niet om die verlenging had verzocht en dat geen enkel ander lid van de groep te kennen had gegeven hem als GPM te willen aanstellen.

12 Op 27 januari 2022 heeft verzoeker zijn verzoek om verlenging van zijn overeenkomst herhaald bij een afdelingshoofd van het directoraat-generaal Personeelszaken, het voor de aanwerving van GPM’s bevoegde gezag, en zijn specifieke situatie toegelicht.

13 Op 3 februari 2022 heeft het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag van het Parlement (hierna: „TAOBG”) verzoeker gehoord, waarna deze het TAOBG op 17 februari 2022 aanvullende schriftelijke opmerkingen heeft doen toekomen.

14 Op 22 februari 2022 heeft het TAOBG het besluit vastgesteld om verzoekers overeenkomst niet te verlengen op grond dat de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut niet toestonden om af te wijken van de bepalingen van het Statuut of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) door te eisen dat een GPM-overeenkomst na afloop ervan werd voortgezet of dat binnen het Parlement een nieuwe overeenkomst van een andere aard werd gesloten.

15 Op 28 februari 2022 heeft verzoeker aan OLAF gemeld dat hij represaillemaatregelen had ondergaan. Diezelfde dag heeft hij tevens de secretaris-generaal en C, die binnen het kabinet van die secretaris-generaal verantwoordelijk was voor zijn dossier, verzocht om opnieuw contact met hem op te nemen over zijn verzoek van 10 januari 2022 om te worden erkend als klokkenluider en om te worden beschermd krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut, en om de schade te vergoeden die hij ten gevolge van de bekendmaking van zijn status van klokkenluider had geleden.

16 Op 13 april 2022 heeft OLAF zijn onderzoek betreffende financiële onregelmatigheden afgesloten met de overweging dat dit onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie viel. Op 4 juni 2022 heeft het Europees Openbaar Ministerie dienaangaande een onderzoek ingesteld, dat op de datum van instelling van het onderhavige beroep en op de datum van de terechtzitting nog liep.

17 Bij e-mail van 20 mei 2022 heeft verzoekers raadsman krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 22 februari 2022 en van het stilzwijgend besluit, alsmede tot een schadevergoeding van 200000 EUR.

18 Bij besluit van 13 september 2022 heeft de secretaris-generaal verzoekers klacht afgewezen. Wat verzoekers verzoek van 10 januari 2022 betreft, heeft de secretaris-generaal uiteengezet dat de status van klokkenluider was verkregen zodra was voldaan aan de voorwaarden van artikel 22 bis, lid 1, van het Statuut, zonder dat de administratie verplicht was om een uitdrukkelijk besluit in die zin vast te stellen. Hij heeft benadrukt dat verzoeker door C was bijgestaan en dat de directeur-generaal een beschermingsmaatregel had genomen in de vorm van een maatregel tot ontheffing van de functie. Wat het besluit van 22 februari 2022 betreft, heeft de secretaris-generaal het standpunt van het TAOBG bevestigd dat noch de bescherming die op grond van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut aan klokkenluiders wordt verleend, noch de zorgplicht „het TAOBG kan verplichten om in strijd met de toepasselijke regels te handelen”, in casu de regels betreffende de aanstelling van GPM’s. Hij heeft derhalve geoordeeld dat het TAOBG verzoeker er op goede gronden op had gewezen dat de door die artikelen verleende bescherming hem geen recht gaf op „verlenging of om het even welke functie bij het Parlement”.

19 Wat de schadevorderingen van verzoeker betreft, is het Parlement van mening dat deze ongegrond moeten worden verklaard, met name omdat er geen sprake is van een onrechtmatige gedraging wat betreft zowel het besluit van 22 februari 2022 als de ontheffingsmaatregel en de gestelde niet-nakoming van de geheimhoudingsplicht. Bovendien heeft het Parlement betwist dat er een causaal verband bestaat tussen die gestelde niet-nakoming en de schade die verzoeker stelt te hebben geleden.

Conclusies van partijen

20 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het besluit van 22 februari 2022 nietig te verklaren; – het stilzwijgend besluit nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit van 13 september 2022 tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren; – te verklaren dat het Parlement de voorschriften inzake de status van klokkenluider en de aan deze status verbonden bescherming heeft geschonden; – het Parlement te veroordelen tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 200000 EUR ter vergoeding van de schade die hij heeft geleden door de niet-naleving van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut en de interne voorschriften; – het Parlement te verwijzen in de kosten of, subsidiair, indien het beroep wordt verworpen, het Parlement te verwijzen in zijn eigen kosten.

21 Verzoeker verzoekt het Gerecht tevens om, voor zover nodig, OLAF krachtens artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te vragen hoe de op klokkenluiders toepasselijke bepalingen moeten worden toegepast.

22 Het Parlement verzoekt het Gerecht: – het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te verklaren en het in elk geval in zijn geheel ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Vordering tot verklaring voor recht

23 Met zijn vijfde vordering verzoekt verzoeker het Gerecht om te verklaren dat het Parlement de voorschriften inzake de status van klokkenluider en de aan deze status verbonden bescherming heeft geschonden. Volgens vaste rechtspraak staat het evenwel niet aan het Gerecht om in het kader van de wettigheidstoetsing verklaringen voor recht te doen (beschikkingen van 9 november 2011, ClientEarth e.a./Commissie, T‑449/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:647, punt 26, en 5 juli 2017, EEB/Commissie, T‑448/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:503, punt 40). Hieruit volgt dat de vordering tot verklaring voor recht moet worden afgewezen.

Vorderingen tot nietigverklaring

Strekking van de vorderingen tot nietigverklaring

24 In het verzoekschrift voert verzoeker in de eerste plaats een autonoom middel aan inzake de precontentieuze procedure en de niet-inachtneming van artikel 22 quater van het Statuut.

25 In de tweede plaats voert verzoeker verschillende afzonderlijke middelen aan, gericht tegen het stilzwijgend besluit.

26 In de derde plaats voert verzoeker twee verschillende middelen aan tegen het besluit van 22 februari 2022.

27 Hieruit volgt dat de vorderingen tot nietigverklaring ten eerste betrekking hebben op het stilzwijgend besluit, ten tweede op het besluit van 22 februari 2022 en, voor zover nodig, ten derde op het besluit van 13 september 2022 tot afwijzing van zijn klacht. Met die klacht had verzoeker verzocht om nietigverklaring van het stilzwijgend besluit en van het besluit van 22 februari 2022, alsmede om een schadevergoeding.

28 Volgens vaste rechtspraak hebben vorderingen tot nietigverklaring die formeel zijn gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, wanneer zij als zodanig geen zelfstandige betekenis hebben (zie arrest van 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het – uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen – besluit tot afwijzing van een klacht zonder meer vormt immers enkel een bevestiging van de handeling of het stilzitten waarover de klager zich beklaagt en vormt op zich genomen geen voor beroep vatbaar besluit (zie arrest van 12 september 2019, XI/Commissie, T‑528/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:594, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Gelet op het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure moet bij de toetsing van de wettigheid van het bezwarend besluit daarentegen rekening worden gehouden met de motivering in het besluit houdende afwijzing van de klacht (zie in die zin arrest van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, EU:T:2009:485, punten 55‑59).

30 Aangezien het besluit van 13 september 2022 tot afwijzing van verzoekers klacht enkel een bevestiging vormt van het stilzwijgend besluit en het besluit van 22 februari 2022, onder vermelding van de redenen daarvoor, moet in casu worden vastgesteld dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 13 september 2022 tot afwijzing van verzoekers klacht geen zelfstandige betekenis heeft en dat daarover dus niet specifiek uitspraak hoeft te worden gedaan. Bij het onderzoek van de wettigheid van het stilzwijgend besluit en van het besluit van 22 februari 2022 moet echter rekening worden gehouden met de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht.

31 Allereerst moeten de middelen worden onderzocht die verzoeker ter ondersteuning van zijn derde vordering, tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit, heeft aangevoerd.

Rechtmatigheid van het stilzwijgend besluit

32 Op 10 januari 2022 heeft verzoeker verzocht om erkenning van de status van klokkenluider en om verlening van de daarmee gepaard gaande bescherming en bijstand.

33 Tot staving van deze vordering voert verzoeker drie middelen aan. Met zijn eerste middel stelt hij dat er sprake is van schending van de aan zijn hoedanigheid van klokkenluider verbonden voorschriften inzake bescherming. Met zijn tweede middel voert hij schending van de interne voorschriften aan, onrechtmatige uitlegging van die voorschriften door het Parlement en het ongeschikte en ontoereikende karakter van die voorschriften, gesteld dat zij moeten worden uitgelegd zoals het Parlement voorstelt, waardoor de GPM’s die bescherming niet kunnen genieten. Ten slotte beroept verzoeker zich met zijn derde middel op schending van de vertrouwelijkheid en van de bescherming van zijn identiteit als klokkenluider.

– Eerste middel: schending van de aan verzoekers hoedanigheid van klokkenluider verbonden voorschriften inzake bescherming

34 Verzoekers middel bevat twee onderdelen, waarvan het eerste is gebaseerd op de indiening van een verzoek krachtens artikel 22 bis van het Statuut tot erkenning van zijn status van klokkenluider en bescherming uit dien hoofde, en het tweede op het onregelmatige verloop van de in de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut bedoelde procedure betreffende de aan de klokkenluider verleende bescherming en op schending van artikel 3 van de interne voorschriften.

1) Argumenten van partijen betreffende het eerste onderdeel van het eerste middel, dat is gebaseerd op de indiening door verzoeker van een verzoek krachtens artikel 22 bis van het Statuut tot erkenning van zijn status van klokkenluider en bescherming uit dien hoofde

35 Verzoeker voert aan dat hij op 10 januari 2022 bij de directeur-generaal op grond van artikel 22 bis van het Statuut een verzoek heeft ingediend om de status van klokkenluider te verkrijgen en de daaruit voortvloeiende bescherming te genieten. Verzoeker heeft geklaagd over represailles van de directie van de delegatie, omdat hij tegen het betrokken parlementslid een verzoek om bijstand en bescherming had ingediend. Voorts heeft hij de bijstand van het Parlement gevraagd in de procedure voor de verlenging van zijn overeenkomst.

36 Diezelfde dag is hem meegedeeld dat C, een lid van het kabinet van de secretaris-generaal, bevoegd was om zijn verzoek te behandelen. Hem is voorgesteld om van zijn functie te worden ontheven, waartegen hij zich niet heeft verzet. Vervolgens heeft hij op 17 februari 2022 een onderhoud gehad met C, waarbij evenwel niet op zijn verzoek is beslist. Hij heeft van het TAOBG nooit een mededeling ontvangen over zijn status van klokkenluider of over het feit dat een onderzoek was ingesteld naar zijn verklaringen over represailles. Dit alles bevestigt zijn standpunt dat het Parlement zijn verzoek krachtens artikel 22 bis van het Statuut niet tijdig heeft beantwoord.

37 In repliek preciseert verzoeker dat de ontheffingsmaatregel niet in overeenstemming was met artikel 4 van de interne voorschriften en hem schade heeft berokkend in het kader van zijn verzoek om verlenging van de overeenkomst. Hij heeft deze maatregel niet betwist, omdat dat geen enkel belang zou hebben gediend als de maatregel gepaard zou zijn gegaan met een effectieve bescherming. In zijn klacht heeft hij dus benadrukt dat dit de enige maatregel was die na de indiening van zijn verzoek om bijstand van 10 januari 2022 was genomen, dat deze maatregel gerechtvaardigd was in het kader van de behandeling van zijn klacht wegens intimidatie en dat daarmee niet alle uit zijn status van klokkenluider voortvloeiende beschermingsverplichtingen waren nagekomen. Het feit dat hij op 28 februari 2022 heeft geklaagd dat hij niet was beschermd tegen de belangrijkste represaillemaatregel die de groep tegen hem had getroffen, namelijk de niet-verlenging van zijn overeenkomst, toont aan dat niet naar behoren rekening is gehouden met zijn status van klokkenluider.

38 Het Parlement is van mening dat het door verzoeker gemaakte onderscheid tussen enerzijds de invoering van bescherming tegen represailles krachtens artikel 24 van het Statuut en anderzijds de invoering van bescherming wegens zijn status van klokkenluider krachtens artikel 22 bis van het Statuut, niet kan slagen.

39 Het Parlement meent dat verzoekers verzoek van 10 januari 2022 moet worden beschouwd als een nieuw verzoek om bijstand met betrekking tot de vermeende represailles door de directie van de delegatie. De vaststelling van de in artikel 4 van de interne voorschriften bedoelde maatregelen ter bescherming van klokkenluiders valt evenwel binnen de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut, dat aan deze instelling een algemene verplichting tot bijstand oplegt en onder de bevoegdheid van de directeur-generaal valt.

40 Zo heeft de directeur-generaal, toen bij hem een verzoek om bijstand werd ingediend wegens represailles die verzoeker stelde te hebben ondergaan na zijn melding op grond van artikel 22 bis van het Statuut, gelet op de in artikel 4 van de interne voorschriften bedoelde maatregelen en met instemming van verzoeker de ontheffingsmaatregel vastgesteld, teneinde hem overeenkomstig zijn status van klokkenluider te beschermen.

41 Ten slotte komt de bevoegdheid om te antwoorden op verzoekers verzoek om bescherming toe aan de directeur-generaal, en niet aan het lid van het kabinet van de secretaris-generaal dat verantwoordelijk is voor de betrekkingen met OLAF en enkel bevoegd is om de melder van ernstige onregelmatigheden op grond van artikel 3 van de interne voorschriften met raad en daad bij te staan. Bovendien heeft dat lid van het kabinet met de adviseurs van de directeur-generaal samengewerkt om de beste manier te vinden om verzoeker wegens zijn status van klokkenluider te beschermen.

42 Bijgevolg is het Parlement van mening dat verzoekers verzoek van 10 januari 2022 om bescherming wegens zijn status van klokkenluider wel degelijk een antwoord van de bevoegde autoriteit heeft gekregen, zodat er geen stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.

43 In dupliek preciseert het Parlement dat met de ontheffingsmaatregel werd beoogd verzoeker te beschermen tegen de vermeende represailles door de directie van de delegatie, zowel wegens zijn melding van financiële onregelmatigheden op grond van artikel 22 bis van het Statuut als wegens zijn melding van intimidatie.

44 Het Parlement betoogt dat verzoeker niet kan stellen dat hij niet wist dat de ontheffingsmaatregel de enige maatregel was die wegens zijn status van klokkenluider was vastgesteld. Hem was namelijk te kennen gegeven dat er geen enkele andere maatregel denkbaar was om hem wegens die status te beschermen en dat de verlenging van zijn overeenkomst op initiatief van het TAOBG niet mogelijk was. Gesteld dat hij zich pas bij de kennisgeving van het besluit om zijn overeenkomst niet te verlengen, bewust was geworden van de nadelige aard van de ontheffingsmaatregel, had hij die maatregel bovendien nog binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn kunnen betwisten.

2) Argumenten van partijen betreffende het tweede onderdeel van het eerste middel, dat is gebaseerd op het onregelmatige verloop van de in de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut bedoelde procedure en op schending van artikel 3 van de interne voorschriften

45 Met dit tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de in de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut bedoelde procedure betreffende de aan de klokkenluider verleende bescherming niet regelmatig is verlopen en dat artikel 3 van de interne voorschriften is geschonden.

46 Ten eerste beroept verzoeker zich op het uitblijven van een reactie van het Parlement overeenkomstig artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut, dat bepaalt dat de klokkenluider van de kant van de instelling geen nadelige gevolgen mag ondervinden. Hij is van mening dat hij een causaal verband heeft aangetoond tussen de niet-verlenging van zijn overeenkomst en zijn melding van financiële wanpraktijken en intimidatie.

47 Hij verwijt het Parlement dat het zijn status van klokkenluider niet officieel heeft erkend, dat het zijn overeenkomst niet heeft verlengd en dat het zijn identiteit heeft bekendgemaakt aan meer personen dan nodig was. Als enige maatregelen om hem te beschermen in het kader van zijn klacht inzake intimidatie werd hij opzijgeschoven en vervolgens van zijn functie ontheven. Het Parlement heeft hem daarentegen nooit de status van klokkenluider toegekend en heeft na het onderzoek van zijn klacht op grond van artikel 22 bis van het Statuut niet adequaat en zorgvuldig gereageerd.

48 De onderzoekers van OLAF hebben er overigens op gewezen dat het Parlement hierover nog steeds geen contact met hen had opgenomen. Het heeft pas op 4 juli 2022 voor het eerst een antwoord ontvangen van de persoon die wordt verondersteld bevoegd te zijn om zijn verzoek in die zin te onderzoeken. Het staat aan het TAOBG om aan te tonen dat het de aan de klokkenluider verleende bescherming in acht heeft genomen en de betrokkene overeenkomstig artikel 22 ter, lid 1, onder b), van het Statuut in kennis heeft gesteld van de termijn voor de behandeling van zijn verzoek, hetgeen in casu niet het geval is.

49 Ten tweede betoogt verzoeker dat hij, in strijd met artikel 3 van de interne voorschriften, niet met raad en daad is bijgestaan om het hoofd te bieden aan de tegen hem genomen represaillemaatregelen. Bovendien was het onvermijdelijk dat zijn overeenkomst niet werd verlengd, doordat er vóór de beëindiging van zijn overeenkomst een nieuwe GPM in dienst was genomen. Op de dag waarop het onderhavige beroep is ingesteld, was er nog geen antwoord op zijn verzoek om bijstand gegeven. Hieruit volgt dat de verplichtingen van artikel 3 van de interne voorschriften en het Statuut niet zijn nagekomen.

50 In repliek voert verzoeker aan dat het Parlement, ook al wordt de status van klokkenluider automatisch erkend zodra aan de voorwaarden van het Statuut is voldaan, die status van klokkenluider op zijn minst reeds in juli 2021 had moeten bevestigen en hem had moeten meedelen of en op welke wijze het voornemens was gevolg te geven aan zijn klacht en hem in dat kader bijstand te verlenen.

51 Het Parlement betwist in de eerste plaats de grief die is ontleend aan het uitblijven van een reactie overeenkomstig artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut.

52 In dit verband betwist het ten eerste elke tekortkoming bij de vaststelling van de beschermingsmaatregelen die verband houden met verzoekers status van klokkenluider. Het preciseert dat de overplaatsingsmaatregel weliswaar is vastgesteld om verzoeker te beschermen in het kader van zijn verzoek om bijstand met betrekking tot intimidatie, maar dat de ontheffingsmaatregel is vastgesteld om hem te beschermen in het kader van zijn status van klokkenluider. Verzoeker heeft deze maatregel niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn betwist. Bijgevolg is de grief inzake de nadelige aard van de ontheffingsmaatregel niet-ontvankelijk.

53 Hoe dan ook is deze ontheffingsmaatregel met instemming van verzoeker genomen. Laatstgenoemde kan niet stellen dat deze maatregel de verlenging van zijn overeenkomst heeft belemmerd, aangezien een verzoek om een eventuele verlenging slechts kon worden ingediend door de leden van zijn groep, met wie hij had aangegeven niet meer te willen werken.

54 Wat ten tweede het gestelde ontbreken van erkenning van verzoekers status van klokkenluider betreft, betoogt het Parlement om te beginnen dat niet kan worden verlangd dat die status formeel door de administratie wordt erkend, maar dat de betrokkene deze verkrijgt wanneer aan de voorwaarden van artikel 22 bis, lid 1, van het Statuut is voldaan.

55 In casu heeft verzoeker volgens het Parlement de status van klokkenluider verkregen op het moment waarop de administratie van het Parlement of OLAF had vastgesteld kennis te hebben genomen van de in artikel 22 bis van het Statuut bedoelde feiten. Verzoeker is door de administratie van het Parlement wel degelijk als klokkenluider behandeld en heeft als zodanig wel degelijk bescherming gekregen.

56 Ten derde voert het Parlement aan dat verzoeker reeds in augustus 2021 contact heeft opgenomen met OLAF, terwijl de adviseurs van de directeur-generaal bezig waren met het onderzoek van de in zijn verzoek van 12 juli 2021 verstrekte documenten die melding maakten van financiële onregelmatigheden. In die omstandigheden is het Parlement van mening dat artikel 22 ter, lid 1, onder b), van het Statuut, dat bepaalt dat de instelling waaraan de klokkenluider vermeende onwettige activiteiten heeft gemeld, een termijn moet vaststellen waarbinnen de nodige actie moet worden ondernomen en de klokkenluider daarvan binnen 60 dagen in kennis moet stellen, niet meer van toepassing was.

57 In de tweede plaats betwist het Parlement dat het artikel 3 van de interne voorschriften, betreffende zijn verplichting om betrokkene met raad en daad bij te staan, heeft geschonden. Op die grond heeft het lid van het kabinet van de secretaris-generaal namelijk op 11 januari 2022 verzoeker geantwoord, en vervolgens met hem mogelijke opties besproken om hem in het kader van zijn status van klokkenluider te beschermen. Vervolgens heeft dat lid van het kabinet hem op 17 februari 2022 laten weten dat ontheffing de enig denkbare maatregel was en dat verlenging van zijn overeenkomst als beschermingsmaatregel met het oog op die status niet denkbaar was.

58 In dupliek stelt het Parlement vast dat uit artikel 6, lid 2, van de interne voorschriften naar voren komt dat de administratie klokkenluiders binnen twee maanden moet informeren over het gevolg dat zij aan hun verzoeken om bijstand wil geven. Het merkt evenwel op dat de administratie met de vaststelling van de ontheffingsmaatregel wel degelijk gevolg heeft gegeven aan het verzoek om bijstand van 10 januari 2022.

59 Met het onderhavige middel, waarvan de twee onderdelen samen moeten worden onderzocht, voert verzoeker in wezen drie afzonderlijke grieven aan, waarvan de eerste is ontleend aan het ontbreken van de formele erkenning van zijn status van klokkenluider, de tweede aan het feit dat hem niet is meegedeeld welk gevolg aan zijn meldingen is gegeven, en de derde aan de ontoereikendheid van de door het Parlement in dat kader vastgestelde beschermingsmaatregelen.

60 Allereerst moet de ontvankelijkheid van bepaalde bijlagen worden onderzocht, voor zover deze door het Parlement wordt betwist.

3) Ontvankelijkheid van bepaalde bijlagen

i) Ontvankelijkheid van de bijlagen C.6 en C.7

61 Verzoeker heeft als bijlage C.7 bij de repliek een opname overgelegd van een onderhoud dat hij op 15 februari 2023 met de directeur-generaal heeft gevoerd, waaruit volgens hem blijkt, ten eerste, dat er geen onderzoek is ingesteld wat de behandeling van zijn meldingen als klokkenluider betreft, ten tweede, dat de ontheffingsmaatregel de overplaatsingsmaatregel verving, die niet volstond om hem te beschermen en, ten derde, dat de directeur-generaal zichzelf nooit bevoegd heeft geacht inzake de bescherming die hem na de vermeende represailles moest worden verleend.

62 Het schriftelijke verslag van deze bijeenkomst is overgelegd als bijlage C.6 bij de repliek.

63 Het Parlement betoogt dat de bijlagen C.6 en C.7 op onregelmatige wijze zijn verkregen. Het verzoekt derhalve dat deze uit het dossier worden verwijderd.

64 Opgemerkt zij dat er volgens de rechtspraak geen bepaling is die met zoveel woorden verbiedt rekening te houden met bewijsmateriaal dat onrechtmatig is verkregen. In die situaties moet in het kader van een afweging van de verschillende te beschermen belangen worden nagegaan of bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat overlegging van het document van beslissend belang was voor de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure van vaststelling van de bestreden handeling, rechtvaardigen dat een document niet uit het dossier wordt verwijderd (zie in die zin arrest van 12 mei 2015, Dalli/Commissie, T‑562/12, EU:T:2015:270, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 De bijlagen C.6 en C.7 hebben betrekking op een bijeenkomst die heeft plaatsgevonden in februari 2023, dus na de instelling van het beroep op 22 december 2022. Zij hoeven niet in het dossier te worden gelaten, aangezien, ten eerste, verzoeker geen bijzondere omstandigheden in de zin van de in punt 64 hierboven bedoelde rechtspraak heeft aangevoerd en, ten tweede, de inhoud ervan, die betrekking heeft op feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan, niet beslissend is voor het onderzoek van de door hem aangevoerde grieven.

ii) Ontvankelijkheid van bijlage E.1 en de begeleidende brief

66 Op 5 december 2023 heeft verzoeker als bijlage E.1 uittreksels overgelegd van het administratief onderzoeksrapport dat op 17 juni 2022 was opgesteld door het adviescomité dat was belast met het onderzoek van de klachten wegens intimidatie betreffende leden van het Parlement, vergezeld van een brief met verzoekers opmerkingen.

67 Het Parlement betoogt dat bijlage E.1 niet-ontvankelijk is omdat zij te laat is ingediend. Het merkt ook op dat deze bijlage op onregelmatige wijze is verkregen.

68 Ten eerste zij eraan herinnerd dat artikel 85, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering het volgende bepaalt: „1. Het bewijs en de bewijsaanbiedingen worden overgelegd in het kader van de eerste memoriewisseling. 2. De hoofdpartijen kunnen in de repliek en in de dupliek nog bewijs overleggen of aanbieden hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.”

69 In casu kan de te late overlegging van bijlage E.1 verzoeker niet worden tegengeworpen, aangezien het, zoals uit de terechtzitting naar voren is gekomen, een document betreft dat hij via andere wegen heeft verkregen nadat hij het Parlement er tevergeefs om had verzocht. Ten tweede blijkt uit de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak dat noch het eventuele vertrouwelijke karakter van een document, noch het feit dat het mogelijkerwijs op onregelmatige wijze is verkregen, ertoe noopt dat het uit het dossier wordt verwijderd.

70 Het is evenwel niet noodzakelijk om bijlage E.1 en de begeleidende brief in het dossier te laten, aangezien de inhoud ervan niet beslissend is voor het onderzoek van de door verzoeker aangevoerde grieven. Het administratief onderzoeksrapport van 17 juni 2022 heeft namelijk betrekking op de behandeling van verzoekers klacht wegens intimidatie, terwijl het onderhavige beroep betrekking heeft op de behandeling van zijn status van klokkenluider.

iii) Ontvankelijkheid van de bijlagen F.1 en F.2

71 In bijlage F.1 bij zijn antwoord van 19 december 2023 op de vragen van het Gerecht van 27 november 2023 heeft verzoeker uitwisselingen verstrekt van november en december 2023 tussen het directoraat-generaal Personeelszaken en andere GPM’s die een verzoek om bijstand hadden ingediend. In bijlage F.2 heeft hij de interne voorschriften ter uitvoering van artikel 22 ter van het Statuut overgelegd, die het Parlement op 20 november 2023 heeft vastgesteld.

72 Ter terechtzitting heeft het Parlement betoogd dat de bijlagen F.1 en F.2 niet-ontvankelijk waren, aangezien zij waren overgelegd in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht met betrekking tot een andere kwestie.

73 Overeenkomstig artikel 89, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hebben de maatregelen tot organisatie van de procesgang tot doel het in staat brengen van de zaken, de procedures en de afdoening van de geschillen zo goed mogelijk te laten verlopen.

74 Blijkens artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht naar eigen inzicht beslissen of het partijen vragen zal stellen en behoudt het de vrijheid om zelf te beoordelen welke waarde het toekent aan de verschillende feitelijke en juridische gegevens die aan het Gerecht zijn overgelegd (zie in die zin beschikking van 31 januari 2017, Universal Protein Supplements/EUIPO, C‑485/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:72, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75 Hoewel het Gerecht in casu niet formeel om overlegging van de bijlagen F.1 en F.2 heeft verzocht, illustreren deze verzoekers antwoord op vraag nr. 3 die het Gerecht heeft gesteld in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, waarbij het partijen heeft verzocht hun eventuele opmerkingen in te dienen over de gevolgen die voor de onderhavige zaak moeten worden verbonden aan het arrest van 15 november 2023, PL/Commissie (T‑790/21, EU:T:2023:724). Bijgevolg kan de overlegging van de bijlagen F.1 en F.2, die als aanvulling op de antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang zijn bijgevoegd, als gerechtvaardigd worden beschouwd, zodat deze bijlagen ontvankelijk moeten worden verklaard.

4) Ontbreken van formele erkenning van verzoekers status van klokkenluider

76 Verzoeker verwijt het Parlement dat het zijn status van klokkenluider niet formeel heeft erkend.

77 In herinnering zij gebracht dat in artikel 22 bis, leden 1 tot en met 3, van het Statuut, dat krachtens artikel 127 RAP van overeenkomstige toepassing is op GPM’s, het volgende wordt bepaald: „1. De ambtenaar die tijdens de uitoefening van zijn functie of in verband daarmee kennis krijgt van feiten die het bestaan doen vermoeden van mogelijke onwettige activiteiten, inclusief fraude of corruptie, waardoor de belangen van de Unie worden geschaad, dan wel van gedragingen bij de uitvoering van de werkzaamheden die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren van de Unie, meldt dit onverwijld aan zijn directe chef of aan zijn directeur-generaal, of, als hij dat nuttig acht, aan de secretaris-generaal of een persoon in een vergelijkbare functie, of rechtstreeks aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). De in lid 1 bedoelde informatie wordt schriftelijk verstrekt. Dit lid is ook van toepassing in het geval van ernstig plichtsverzuim door een lid van een instelling, door personen die in dienst zijn van een instelling, of dienstverleners die voor rekening van een instelling werken. 2. De ambtenaar die de in lid 1 bedoelde informatie ontvangt, deelt ieder gegeven waarvan hij kennis krijgt en dat het bestaan van onregelmatigheden als bedoeld in lid 1 doet vermoeden, onverwijld mee aan het OLAF. 3. De ambtenaar mag van de kant van de instelling geen nadelige gevolgen ondervinden van het feit dat hij gegevens als bedoeld in de leden 1 en 2 heeft meegedeeld, op voorwaarde dat hij redelijk en te goeder trouw heeft gehandeld.”

78 Derhalve blijkt uit artikel 22 bis, lid 1, eerste alinea, van het Statuut, dat krachtens artikel 127 RAP van overeenkomstige toepassing is op GPM’s, dat dit lid van toepassing is op de ambtenaar die kennis heeft van feiten „die het bestaan doen vermoeden” van onwettige activiteiten of van ernstig plichtsverzuim door ambtenaren.

79 Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de betrokken ambtenaar authentieke of althans waarschijnlijke concrete feiten meedeelt op basis waarvan hij bij een eerste beoordeling redelijkerwijs het bestaan van een onwettige activiteit of een ernstig verzuim heeft kunnen vermoeden (zie arrest van 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 267 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Hieruit volgt dat de openbaarmaking betrekking moet hebben op concrete feiten. Bovendien brengen het gebruik van de woorden „doen vermoeden” en de in artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut vastgelegde voorwaarde dat de klokkenluider „te goeder trouw” handelt, dat wil zeggen, volgens de Spaanse, de Engelse, de Nederlandse en de Portugese taalversie van deze bepaling, dat hij er „naar eer en geweten” van overtuigd is dat zijn meldingen „in essentie waar” zijn, voor hem de verplichting mee om vóór elke mededeling een minimale beoordeling te verrichten die hem redelijkerwijs kan overtuigen van de relevantie van de betrokken feiten voor mogelijke onregelmatigheden of ernstig verzuim (zie in die zin arrest van 13 januari 2011, Nijs/Rekenkamer, F‑77/09, EU:F:2011:2, punt 65).

81 Hieruit volgt dat het Parlement niet verplicht was een besluit vast te stellen waarbij het erkende dat verzoeker de status van klokkenluider had. De in artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut bedoelde bescherming wordt namelijk zonder enige formaliteit toegekend aan de ambtenaar die inlichtingen heeft verstrekt over feiten die het bestaan doen vermoeden van een onwettige activiteit, louter op grond van het feit dat hij deze inlichtingen heeft verstrekt (arrest van 12 december 2014, AN/Commissie, T‑512/13 P, EU:T:2014:1073, punt 31).

82 In casu heeft verzoeker, zoals het Parlement ter terechtzitting heeft erkend, de status van klokkenluider verkregen op het moment waarop de administratie schriftelijk kennis heeft gekregen van de in artikel 22 bis van het Statuut bedoelde feiten – die verzoeker overigens aan OLAF had meegedeeld – namelijk op 23 augustus 2021 (zie punt 6 hierboven) of uiterlijk op 3 september 2021, toen OLAF het Parlement heeft meegedeeld dat verzoeker OLAF in kennis had gesteld van onregelmatigheden zoals bedoeld in artikel 22 bis, lid 1, van het Statuut.

83 Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet op goede gronden kan stellen dat zijn verzoek van 10 januari 2022 stilzwijgend is afgewezen voor zover het strekte tot erkenning van zijn status van klokkenluider, aangezien het Parlement niet verplicht was om een rechtshandeling vast te stellen waarbij die status aan verzoeker werd toegekend of geweigerd. Aangezien de vordering tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit – voor zover daarbij verzoekers verzoek van 10 maart 2022 om erkenning van de status van klokkenluider zou zijn afgewezen – betrekking heeft op een handeling die niet is vastgesteld, moet zij dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

84 Deze vaststelling doet geen afbreuk aan de noodzaak voor het Parlement om de uit verzoekers status van klokkenluider voortvloeiende rechten, die hierna worden onderzocht, te eerbiedigen.

5) Ontbreken van informatieverstrekking aan verzoeker over het gevolg dat aan zijn meldingen is gegeven

85 Verzoeker betoogt dat het aan het TAOBG staat om aan te tonen dat het overeenkomstig artikel 22 ter, lid 1, onder b), van het Statuut kennis heeft gegeven van een termijn voor de behandeling van zijn verzoek, hetgeen in casu niet is gebeurd. Hij voert tevens aan dat het Parlement na het onderzoek van zijn klacht op grond van artikel 22 bis van het Statuut heeft verzuimd adequaat en zorgvuldig te reageren. In repliek betoogt hij met een beroep op artikel 5, lid 3, van de interne voorschriften dat het Parlement hem had moeten meedelen of het voornemens was gevolg te geven aan zijn klacht en op welke wijze.

86 Artikel 22 ter, lid 1, van het Statuut, dat krachtens artikel 127 RAP van overeenkomstige toepassing is op GPM’s, bepaalt het volgende: „De ambtenaar die de in artikel 22 bis bedoelde gegevens verstrekt aan de voorzitter van de Commissie, aan de voorzitter van de Rekenkamer, aan de voorzitter van de Raad, aan de voorzitter van het Europees Parlement of aan de Europese Ombudsman, mag daarvan van de kant van de instelling waartoe hij behoort, geen nadelige gevolgen ondervinden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) hij moet er naar eer en geweten van overtuigd zijn dat de bekendgemaakte informatie en de aantijgingen die ze eventueel bevat, in essentie waar zijn; en b) de informatie moet eerder door de ambtenaar aan [OLAF] of aan zijn instelling zijn meegedeeld en OLAF of de instelling moet over de gezien de complexiteit van de zaak door het Bureau of instelling, vastgestelde termijn hebben beschikt om passende maatregelen te kunnen nemen. De ambtenaar wordt binnen 60 dagen naar behoren van deze termijn in kennis gesteld.”

87 Volgens de bewoordingen van artikel 22 bis, lid 1, eerste en tweede alinea, van het Statuut meldt de ambtenaar „die kennis krijgt van feiten die het bestaan doen vermoeden” van mogelijke onwettige activiteiten waardoor de belangen van de Unie worden geschaad, dan wel van gedragingen bij de uitvoering van de werkzaamheden die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren, onverwijld en schriftelijk „aan zijn directe chef of aan zijn directeur-generaal, of, als hij dat nuttig acht, aan de secretaris-generaal of een persoon in een vergelijkbare functie, of rechtstreeks aan [OLAF]”. In geval van passiviteit van de instelling of van OLAF kan de ambtenaar, nadat een bepaalde termijn is verstreken, op grond van artikel 22 ter, lid 1, van het Statuut de gegevens verstrekken aan de voorzitter van de Commissie, de voorzitter van de Rekenkamer, de voorzitter van de Raad, de voorzitter van het Parlement of de Ombudsman (arrest van 5 december 2012, Z/Hof van Justitie, F‑88/09 en F‑48/10, EU:F:2012:171, punt 250).

88 Artikel 22 quater van het Statuut, dat eveneens krachtens artikel 127 RAP van overeenkomstige toepassing is op GPM’s, bepaalt voorts: „Elke instelling stelt overeenkomstig artikelen 24 en 90 een procedure in voor de behandeling van door ambtenaren ingediende klachten over de wijze waarop zij zijn behandeld nadat of naar aanleiding van het feit dat zij hun verplichtingen uit hoofde van artikel 22 bis of artikel 22 ter zijn nagekomen. De betreffende instelling stelt zeker dat dergelijke klachten vertrouwelijk worden behandeld en, indien de omstandigheden zulks vereisen, vóór het verstrijken van de in artikel 90 vastgestelde termijnen worden behandeld. Het tot aanstelling bevoegde gezag van elke instelling stelt interne voorschriften vast met betrekking tot onder meer: – het verstrekken aan de in artikel 22 bis, lid 1, of artikel 22 ter bedoelde ambtenaren van informatie over de behandeling van de door hen gemelde aangelegenheden, – de bescherming van de rechtmatige belangen van deze ambtenaren en van hun persoonlijke levenssfeer, en – de procedure voor de behandeling van klachten als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel.”

89 Ter uitvoering van artikel 22 quater van het Statuut bepaalt artikel 5 van de interne voorschriften, met als opschrift „Recht op informatie”, het volgende: „1. De chef bevestigt de ontvangst van de meldingen door de klokkenluider binnen 5 werkdagen na ontvangst ervan. 2. Overeenkomstig artikel 22 ter van het Statuut wordt de klokkenluider binnen 60 dagen in kennis gesteld van de termijn die nodig is om passende maatregelen te kunnen nemen. Indien de zaak aan OLAF wordt voorgelegd, wordt hij hiervan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld. 3. Na het verstrijken van de door de administratie vastgestelde noodzakelijke termijn wordt de klokkenluider, voor zover zulks passend is en rekening houdend met de omstandigheden van het geval en de eerbiediging van de rechten van derden, in kennis gesteld van het gevolg dat de instelling aan zijn melding zal geven, met name van de conclusies van de uitgevoerde onderzoeken en/of de aard van de voorgenomen en/of ondernomen acties.”

90 Zoals in punt 82 hierboven is aangegeven, is het Parlement in casu van mening dat het op 23 augustus 2021 of uiterlijk op 3 september 2021 inlichtingen heeft ontvangen over concrete feiten in de zin van de rechtspraak en op grond van artikel 22 bis van het Statuut.

91 Ongeacht de datum die wordt aangehouden, blijkt hoe dan ook noch uit het dossier noch uit de terechtzitting dat het Parlement de ontvangst van de door verzoeker gedane meldingen heeft bevestigd binnen een termijn van 5 werkdagen, dat het Parlement hem binnen een termijn van 60 dagen in kennis heeft gesteld van de termijn die nodig is om passende maatregelen te kunnen nemen, of dat het Parlement hem in kennis heeft gesteld van het gevolg dat de instelling aan zijn meldingen heeft gegeven, zoals is bepaald in artikel 5, leden 1 tot en met 3, van de in punt 89 hierboven aangehaalde interne voorschriften.

92 Het Parlement is van mening dat deze voorschriften „zonder gevolg” bleven, aangezien verzoeker de financiële onregelmatigheden rechtstreeks bij OLAF had gemeld.

93 Noch uit de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut, noch uit artikel 5 van de interne voorschriften blijkt evenwel dat de informatieplicht van het Parlement ophoudt te bestaan wanneer een klokkenluider zich tegelijkertijd tot OLAF heeft gewend.

94 Integendeel, artikel 22 bis, lid 1, van het Statuut bepaalt dat een ambtenaar die of ander personeelslid dat kennis krijgt van feiten die het bestaan doen vermoeden van onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dit onverwijld meldt aan zijn directe chef of aan zijn directeur-generaal, of, als hij dat nuttig acht, aan de secretaris-generaal of een persoon in een vergelijkbare functie, of rechtstreeks aan OLAF. Een klokkenluider die over de in deze bepaling bedoelde informatie beschikt, kan OLAF daarvan dus rechtstreeks in kennis stellen, als hij dat nuttig acht, zonder dat dit leidt tot een geringere bescherming of tot toepassing van een andere juridische regeling.

95 Dit wordt bevestigd door het feit dat, zoals uit artikel 22 bis, lid 2, van het Statuut blijkt, de ambtenaar die de in lid 1 bedoelde informatie ontvangt, ieder bewijs waarvan hij kennis krijgt en dat het bestaan van onregelmatigheden als bedoeld in lid 1 doet vermoeden, onverwijld meedeelt aan OLAF, indien de klokkenluider niet zelf de informatie waarvan hij kennis heeft rechtstreeks aan OLAF meldt.

96 Bovendien blijkt uit artikel 22 ter, lid 1, van het Statuut dat de in artikel 22 bis van het Statuut bedoelde informatie eerder door de ambtenaar die of het personeelslid dat over dergelijke informatie beschikt, aan OLAF of zijn instelling moet worden meegedeeld om hem in aanmerking te laten komen voor bescherming tegen eventuele represailles. Artikel 22 ter, lid 1, onder b), van het Statuut bepaalt voorts dat de ambtenaar of het personeelslid naar behoren in kennis wordt gesteld van de termijn die OLAF of de instelling nodig heeft om passende maatregelen te kunnen nemen.

97 Zoals het Parlement betoogt, blijkt uit artikel 5, lid 3, van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door [OLAF] en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1) het volgende: „Zolang de directeur-generaal [van OLAF] overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, en/of wanneer [OLAF] een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met [OLAF] is overeengekomen.”

98 Bovendien bepaalt artikel 5, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 883/2013 dat OLAF, wanneer een ambtenaar, een ander personeelslid, een lid van een instelling of orgaan, een hoofd van een instantie of een personeelslid overeenkomstig artikel 22 bis van het Statuut, aan OLAF informatie verstrekt over een vermoeden van fraude of onregelmatigheid, die persoon in kennis stelt van het besluit om al dan niet een onderzoek naar de feiten in kwestie te openen.

99 Hieruit leidt het Parlement af dat het aan OLAF was, aangezien de zaak aan dat bureau was voorgelegd, om verzoeker in kennis te stellen van de termijn waarbinnen het passende maatregelen zou nemen.

100 Los van de informatieplicht van OLAF jegens verzoeker, stond het echter ook aan het Parlement, dat bevoegd is om de bescherming te waarborgen van de personeelsleden van de instelling die overeenkomstig de artikelen 22 bis en 22 ter van het Statuut ernstige onregelmatigheden hebben gemeld, om, zodra het in kennis was gesteld van de in artikel 22 bis van het Statuut bedoelde feiten, eerst de ontvangst van die melding te bevestigen en vervolgens verzoeker binnen een termijn van 60 dagen in kennis te stellen van de termijn die nodig was om passende maatregelen te nemen, zoals is bepaald in artikel 5, leden 1 en 2, van de interne voorschriften.

101 Het is juist dat het Parlement vanaf het moment waarop het was geïnformeerd dat verzoeker zich rechtstreeks tot OLAF had gewend, namelijk op 23 augustus 2021 of uiterlijk op 3 september 2021 (zie de punten 6 en 82 hierboven), overeenkomstig verordening nr. 883/2013 niet tegelijkertijd een onderzoek naar dezelfde feiten kon verrichten. Niettemin had het Parlement verzoeker daarvan in kennis moeten stellen, zowel gezien zijn zorgplicht als krachtens artikel 5, lid 3, van de interne voorschriften, waaruit blijkt dat het de klokkenluider moet informeren over het gevolg dat de instelling aan zijn meldingen heeft gegeven.

102 Gelet op het voorgaande heeft het Parlement artikel 5 van zijn interne voorschriften geschonden.

6) Ontoereikendheid van de krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut vastgestelde beschermingsmaatregelen

103 Met deze grief verwijt verzoeker het Parlement in wezen dat het, door verzoeker enkel van zijn functie te ontheffen, niet de uit diens status van klokkenluider voortvloeiende toereikende beschermingsmaatregelen heeft genomen.

i) Bewijslast inzake de toereikendheid van de beschermingsmaatregelen

104 Verzoeker betoogt dat het Parlement moet bewijzen dat de vereiste beschermingsmaatregelen om hem als klokkenluider te beschermen, zijn getroffen.

105 Allereerst moet dus worden bepaald op welke partij de bewijslast rust dat de beschermingsmaatregelen in de onderhavige zaak toereikend zijn.

106 Verzoeker verwijst naar richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17). Die richtlijn heeft tot doel de tenuitvoerlegging van het Unierecht en -beleid op specifieke gebieden te verbeteren door de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen die zorgen voor een hoog niveau van bescherming van melders van inbreuken op het Unierecht.

107 Artikel 21 van richtlijn 2019/1937, met als opschrift „Maatregelen ter bescherming tegen represailles”, bepaalt in lid 5: „In procedures voor een gerechtelijke instantie of een andere autoriteit die verband houden met benadeling waarmee de melder is geconfronteerd, wordt, mits de melder aantoont dat hij een melding of openbaarmaking heeft gemaakt en met benadeling is geconfronteerd, aangenomen dat de benadeling een represaille was voor de melding of de openbaarmaking. In dergelijke gevallen is het aan de persoon die de benadelende maatregel heeft genomen, om aan te tonen dat die maatregel naar behoren is gemotiveerd.”

108 Overweging 93 van richtlijn 2019/1937 vermeldt de bestaansreden van deze bepaling en luidt als volgt: „Represailles worden dikwijls gerechtvaardigd op andere gronden dan de melding en voor melders kan het zeer moeilijk zijn om het verband tussen de melding en de represailles aan te tonen, terwijl degenen die zich schuldig maken aan de represailles wellicht beschikken over meer macht en middelen om de ondernomen actie en de redenering te staven. Zodra de melder eenmaal prima facie heeft aangetoond dat hij een melding of openbaarmaking heeft verricht van inbreuken overeenkomstig deze richtlijn en schade heeft geleden, dient de bewijslast dan ook te verschuiven naar degene die verantwoordelijk is voor de benadelingshandeling, die dan moet aantonen dat de handeling op geen enkele wijze verband hield met de melding of openbaarmaking.”

109 Het is juist dat richtlijn 2019/1937 aan de lidstaten is gericht en als zodanig niet bindend is voor de instellingen van de Unie.

110 Niettemin blijkt uit de rechtspraak dat het feit dat een richtlijn als zodanig de instellingen niet bindt, niet betekent dat zij de instellingen in bepaalde specifieke gevallen niet indirect verplichtingen kan opleggen in hun betrekkingen met hun ambtenaren en personeelsleden (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Commissie/Strack, T‑268/11 P, EU:T:2012:588, punten 42‑44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

111 In een situatie waarin het Parlement, zoals in casu, gehouden is uitvoering te geven aan de bepalingen van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut, die er met name toe strekken klokkenluiders bescherming te bieden tegen eventuele represaillemaatregelen, kan het Parlement geen regels vaststellen die minder bescherming bieden dan die welke de Uniewetgever dienaangaande specifiek heeft vastgesteld met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders door de lidstaten.

112 In de onderhavige zaak beschrijft verzoeker een situatie van isolement en een gevoel van niet-waardering van zijn werk, doordat hij geen feedback heeft gekregen over een hem toegewezen taak en geen rekening was gehouden met het resultaat van zijn werk. Ten slotte legt verzoeker een e-mail van 7 januari 2022 over waaruit blijkt dat nog vóór de ontheffingsmaatregel en nog vóór het einde van zijn overeenkomst een andere persoon reeds als GPM was aangesteld om de taken uit te voeren die eerder aan hem waren toegewezen.

113 Overigens worden verzoekers meldingen over de vermeende represailles door de directie van de delegatie meer dan twee jaar na de door hem gemelde feiten nog steeds onderzocht, zodat het Parlement zich ter terechtzitting niet over deze kwestie kon uitspreken.

114 Bovendien blijkt met name uit de beschrijving van de gebeurtenissen waarop verzoeker in de bijlage bij zijn verzoek om bijstand van 10 januari 2022 heeft gewezen, dat de voorzitter van de delegatie, nadat verzoeker onder diens gezag was geplaatst, op zakelijke wijze op zijn e-mails heeft geantwoord, zonder ooit te vragen hoe het na de door hem ondervonden intimidatie met hem ging.

115 In die omstandigheden voert verzoeker op aannemelijke wijze aan dat hij schade heeft geleden, niet alleen van de zijde van het betrokken parlementslid, maar ook van de voorzitter van de delegatie.

116 In een situatie als de onderhavige, waarin verzoeker geloofwaardige aanwijzingen aandraagt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de vaststelling van de overplaatsingsmaatregel en waarin zijn meldingen over de vermeende represailles door de directie van de delegatie bovendien nog steeds worden onderzocht, staat het aan het Parlement om aan te tonen dat het zijn verplichting tot bescherming van de klokkenluider is nagekomen door daartoe toereikende maatregelen te nemen.

ii) Toereikendheid van de beschermingsmaatregelen

117 Artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut, waarvan de bewoordingen in punt 77 hierboven in herinnering zijn gebracht, bevat de regel dat de ambtenaar die zijn meerderen heeft geïnformeerd over feiten waarvan hij tijdens de uitoefening van zijn functie of in verband daarmee kennis heeft gekregen en die het bestaan doen vermoeden van mogelijke onwettige activiteiten of gedragingen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren van de Unie, van de kant van de instelling geen nadeel ondervindt, op voorwaarde dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

– Ontheffingsmaatregel

118 In casu heeft het Parlement twee beschermingsmaatregelen vastgesteld. De eerste maatregel, te weten de overplaatsingsmaatregel, volgde rechtstreeks op verzoekers klacht wegens intimidatie en op het daarmee gepaard gaande verzoek om bijstand. Verzoeker had in zijn verzoek van 12 juli 2021 namelijk aangevoerd dat hij onmiddellijke bescherming nodig had en dat hij niet meer voor het betrokken parlementslid kon werken. De tweede maatregel, te weten de ontheffingsmaatregel, volgde op zijn klacht van 10 januari 2022, waarin hij melding maakte van de represailles door de directie van de delegatie waarmee hij naar aanleiding van zijn meldingen was geconfronteerd. In laatstgenoemde klacht verzocht verzoeker om niet langer voor de delegatie te hoeven werken en naar een andere post te worden overgeplaatst.

119 Anders dan verzoeker stelt, heeft het Parlement in reactie op zijn verzoek van 10 januari 2022 dus wel degelijk een beschermingsmaatregel vastgesteld, door op 13 januari 2022 de ontheffingsmaatregel vast te stellen.

120 Nagegaan moet evenwel worden of dit een toereikende beschermingsmaatregel was met het oog op de bescherming van verzoeker in het kader van zijn status van klokkenluider.

121 Verzoekers betoog moet namelijk in die zin worden opgevat, aangezien het er niet toe strekt de ontheffingsmaatregel als zodanig te betwisten. De argumenten van het Parlement dat deze maatregel definitief is geworden omdat daartegen niet binnen de daartoe gestelde termijn een klacht is ingediend, moeten derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen (zie punt 52 hierboven).

122 Om te beoordelen of de ontheffingsmaatregel een toereikende beschermingsmaatregel was, zij eraan herinnerd dat de context werd gekenmerkt door de volgende elementen.

123 Ten eerste betwist het Parlement niet dat verzoeker bij de indiening van een verzoek om verlenging van zijn GPM-overeenkomst informatie op grond van artikel 22 bis, leden 1 en 2, van het Statuut had verstrekt, noch dat hij te goeder trouw had gehandeld, zodat hij om die reden alleen al de status van klokkenluider had en bescherming genoot tegen eventuele represaillemaatregelen in dat kader (zie de punten 55 en 82 hierboven).

124 Ten tweede heeft het Parlement ter terechtzitting aangegeven dat verzoekers meldingen inzake de vermeende represailles door de directie van de delegatie nog steeds werden onderzocht.

125 Ten derde bekleedde verzoeker de functie van GPM, een post die wordt gekenmerkt door specifieke regels die de duur van de overeenkomsten beperken, zoals volgt uit artikel 130, lid 1, RAP, en door de keuzevrijheid van de leden en het wederzijdse vertrouwen dat de beroepsrelatie tussen hen en hun GPM’s moet kenmerken, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 21, lid 1, van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2005, L 262, blz. 1; hierna: „Statuut van de leden”) en artikel 127 RAP (zie de punten 129-132 hierna).

126 Ten vierde is verzoekers overeenkomst op de geplande datum, namelijk 22 februari 2022, geëindigd, bij gebreke van een verzoek van een of meer leden van de groep om verlenging ervan.

127 Ten slotte had verzoeker de wens geuit om bij het Parlement te blijven werken. In zijn klacht van 10 januari 2022 verzocht hij namelijk niet alleen om van zijn functie bij de delegatie te worden ontheven, maar ook om naar het even welke andere post binnen het Parlement te worden overgeplaatst (zie punt 9 hierboven).

128 Uit artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut volgt dat het Parlement alle nodige maatregelen moet nemen om klokkenluiders te verzekeren van een evenwichtige en doeltreffende bescherming tegen elke vorm van represailles, met inbegrip van bedreigingen en pogingen tot represailles. Wanneer personeelsleden van de instelling overeenkomstig de artikelen 22 bis en 22 ter van het Statuut melding maken van ernstige onregelmatigheden, dient het Parlement hun rechtmatige belangen te beschermen.

– Mogelijkheid om verzoekers GPM-overeenkomst te verlengen

129 Met betrekking tot de mogelijkheid om een GPM op initiatief van de administratie naar een ander lid over te plaatsen teneinde hem in het kader van zijn status van klokkenluider te beschermen, zij eraan herinnerd dat artikel 130, lid 1, RAP bepaalt: „De overeenkomsten van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers worden gesloten voor een bepaalde tijd en vermelden de rang waarin de medewerker is ingedeeld. Een vast contract wordt tijdens een parlementaire zittingsperiode niet meer dan twee keer verlengd. Tenzij anders is gespecificeerd in het contract zelf en onverminderd de bepalingen van artikel 139, lid 1, onder c), loopt het contract af aan het eind van de zittingsperiode waarin het is gesloten.”

130 Artikel 18, lid 3, van de maatregelen ter uitvoering van titel VII RAP bepaalt in dit verband dat een aanvraag tot verlenging van het contract van een GPM uiterlijk een maand voor het verstrijken van het contract aan het TAOBG moet worden voorgelegd.

131 Artikel 21, lid 1, van het Statuut van de leden bepaalt voorts dat „[d]e leden […] recht [hebben] op assistentie door persoonlijke medewerkers die door hen vrijelijk worden aangewezen”.

132 Artikel 127 RAP bepaalt: „De artikelen 11 tot en met 26 bis van het Statuut zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij in het bijzonder nauwgezet rekening gehouden moet worden met de eigen aard van de functies en taken van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers en het wederzijdse vertrouwen dat de beroepsrelatie tussen hen en het lid of de leden van het Europees Parlement die zij assisteren moet kenmerken. In de op grond van artikel 125, lid 1, vastgestelde uitvoeringsbepalingen voor dit gebied wordt rekening gehouden met de bijzondere aard van de beroepsrelatie tussen het lid en de geaccrediteerde parlementaire medewerker.”

133 Uit deze bepalingen blijkt dus dat het initiatief om een GPM-overeenkomst te verlengen uitsluitend bij een of meer parlementsleden ligt, die niet kunnen worden verplicht om samen te werken of te blijven samenwerken met GPM’s die zij niet vrijelijk hebben aangewezen. Een GPM onderhoudt met het lid of de leden die hij assisteert namelijk een arbeidsrelatie die wordt gekenmerkt door het bestaan van een vertrouwensband.

134 In casu volgt uit deze bepalingen dat het Parlement, zoals het op goede gronden aanvoert, bij gebreke van een uitdrukkelijk verzoek van een of meer leden van de groep, niet de mogelijkheid had om verzoekers GPM-overeenkomst te verlengen.

135 Het Parlement heeft de niet-verlenging van verzoekers overeenkomst dus wel degelijk gerechtvaardigd door het ontbreken van een daartoe strekkend verzoek van een lid van de groep. Deze vaststelling doet geen afbreuk aan de op het Parlement rustende verplichting om alle nodige maatregelen te nemen om verzoeker een evenwichtige en doeltreffende bescherming tegen elke vorm van represailles te verzekeren.

– Mogelijkheid om verzoeker naar een andere post binnen het Parlement over te plaatsen

136 In herinnering zij gebracht dat artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften het volgende bepaalt: „De administratie neemt redelijke maatregelen om de klokkenluider desgewenst bij te staan bij het veranderen van functie […].”

137 In zijn verweerschrift heeft het Parlement opgemerkt dat het verzoeker had meegedeeld dat de ontheffingsmaatregel de enig denkbare beschermingsmaatregel was. Ter terechtzitting heeft het Parlement echter erkend dat artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften van toepassing was op GPM’s en dat er in beginsel een beschermingsmaatregel kan worden vastgesteld waarbij een GPM met de status van klokkenluider in een andere dienst van het Parlement wordt geplaatst, mits de status van GPM wordt gehandhaafd en de einddatum van het contract in acht wordt genomen. De uitwisselingen van november en december 2023 tussen het directoraat-generaal Personeelszaken en andere GPM’s die een verzoek om bijstand hadden ingediend, die verzoeker in bijlage F.1 bij zijn antwoord van 19 december 2023 op de vragen van het Gerecht van 27 november 2023 heeft verstrekt, illustreren in dit verband de mogelijkheden van overplaatsing naar andere diensten van het Parlement die openstaan voor GPM’s die klachten wegens intimidatie hebben ingediend.

138 Gelet op verzoekers status van klokkenluider en op grond van artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut had het Parlement hem zijn steun moeten verlenen door te trachten hem te helpen bij het vinden van een oplossing, naast de ontheffingsmaatregel.

– Verplichting om betrokkene met raad en daad bij te staan

139 Verzoeker betoogt tevens dat hij, in strijd met artikel 3 van de interne voorschriften, niet met raad en daad is bijgestaan om het hoofd te bieden aan de represaillemaatregelen die tegen hem waren genomen (zie punt 49 hierboven).

140 Artikel 3 van de interne voorschriften, met als opschrift „Raad en daad”, bepaalt: „1. Elke klokkenluider die daarom verzoekt, kan op vertrouwelijke wijze met raad en daad worden bijgestaan met betrekking tot de melding van ernstige onregelmatigheden. 2. Deze bijstand wordt verzekerd door de chef en/of het lid van het kabinet van de secretaris-generaal dat verantwoordelijk is voor de betrekkingen met OLAF.”

141 In dit verband voert het Parlement enkel aan dat het lid van het kabinet van de secretaris-generaal verzoeker heeft meegedeeld dat er geen andere maatregelen dan ontheffing denkbaar waren om hem te beschermen in het kader van zijn status van klokkenluider en dat de verlenging van zijn overeenkomst daartoe geen denkbare maatregel was (zie punt 57 hierboven).

142 Door zich ertoe te beperken verzoeker die informatie te verstrekken, heeft het Parlement niet aangetoond dat het verzoeker overeenkomstig artikel 3 van de interne voorschriften met raad en daad heeft bijgestaan.

iii) Conclusie inzake de grief die is ontleend aan ontoereikendheid van de door het Parlement vastgestelde beschermingsmaatregelen

143 Uit het voorgaande volgt dat het Parlement niet heeft aangetoond dat het overeenkomstig artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut alle maatregelen heeft genomen die nodig waren om ervoor te zorgen dat verzoeker van de kant van de instelling geen nadelige gevolgen ondervond van zijn status van klokkenluider.

144 In dit verband moet worden opgemerkt dat het niet aan het Gerecht, maar aan het Parlement staat om in de omstandigheden van het onderhavige geval te bepalen welke precieze beschermingsmaatregelen konden worden getroffen.

145 Bijgevolg staat in casu vast dat artikel 22 bis van het Statuut alsmede artikel 4, lid 2, en artikel 3 van de interne voorschriften zijn geschonden.

146 De grief die is ontleend aan de ontoereikendheid van de beschermingsmaatregelen die het Parlement krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut heeft vastgesteld, moet dus gedeeltelijk worden toegewezen.

147 Hieruit volgt dat de grieven die respectievelijk zijn ontleend aan het ontbreken van informatieverstrekking aan verzoeker over het gevolg dat aan zijn meldingen is gegeven (zie punt 102 hierboven) en de ontoereikendheid van de krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut vastgestelde beschermingsmaatregelen, gedeeltelijk moeten worden toegewezen. Het eerste middel, dat is gebaseerd op schending van de beschermingsregels die verband houden met verzoekers hoedanigheid van klokkenluider, moet worden afgewezen voor het overige.

– Tweede middel: in essentie, ten eerste, schending van artikel 22 quater van het Statuut en de interne voorschriften en, ten tweede, ongeschikt en ontoereikend karakter van die voorschriften

148 In de eerste plaats betoogt verzoeker dat hij, na de indiening van zijn klacht, ervan in kennis is gesteld dat deze door de juridische dienst zou worden behandeld. Volgens hem is dit in strijd met artikel 22 quater van het Statuut, dat voorziet in specifieke voorschriften voor de behandeling van klachten van klokkenluiders.

149 In de tweede plaats verwijt verzoeker het Parlement dat het de bescherming heeft geschonden die aan klokkenluiders moet worden verleend krachtens artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften, dat bepaalt dat het Parlement redelijke maatregelen moet nemen om de klokkenluider desgewenst bij te staan bij het veranderen van functie. Het Parlement heeft ten onrechte geoordeeld dat deze bepaling niet van toepassing was op GPM’s.

150 Door verzoeker op grond van zijn hoedanigheid van GPM van die bescherming uit te sluiten, erkent het Parlement dat het, in strijd met artikel 22 quater van het Statuut, geen bijzondere maatregelen ter bescherming van verzoeker heeft vastgesteld.

151 Ten slotte meent verzoeker dat, indien het Parlement zich er op goede gronden op kon beroepen dat het wegens verzoekers status van GPM onmogelijk was om hem in zijn hoedanigheid van klokkenluider te beschermen, dit zou betekenen dat buiten de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bescherming geen enkele bescherming werd geboden. Het Parlement heeft zelfs niet voorzien in een schadeloosstelling van verzoeker voor de gevolgen die hij heeft ondervonden doordat hij zijn verplichtingen op grond van artikel 22 bis van het Statuut is nagekomen. Het Parlement heeft zijn voorschriften nooit aangepast om zijn verplichtingen na te komen.

152 Het Parlement is van mening dat artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften moeilijk toepasbaar is op GPM’s en in overeenstemming moet worden gebracht met de eerbiediging van de geldende normen. Artikel 4 van de interne voorschriften staat de administratie namelijk niet toe een GPM over te plaatsen naar een post binnen het secretariaat-generaal, zonder de in het Statuut en de RAP vastgelegde regels voor de aanwerving van personeelsleden en ambtenaren te omzeilen.

153 Ook is het uitgesloten dat een GPM op initiatief van de administratie naar een ander parlementslid wordt overgeplaatst. In dit verband herinnert het Parlement aan de bijzondere aard van de overeenkomsten tussen een GPM en een lid of een groep leden, die de GPM persoonlijk binden aan het lid of de groep leden die hij assisteert. Op grond van deze vertrouwensrelatie tussen een GPM en zijn lid en de keuzevrijheid van de leden als bedoeld in artikel 21, lid 1, van het Statuut van de leden, is overplaatsing slechts mogelijk op initiatief van een of meer leden.

154 Wat verzoekers situatie betreft, was de toepassing van artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften beperkt doordat hij binnen de groep onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter van de delegatie was geplaatst en te kennen had gegeven dat hij niet meer met de leden van zijn groep wilde samenwerken en naar een andere post wilde worden overgeplaatst. Daarom heeft de directeur-generaal, na overleg met verzoeker, besloten dat verzoeker in het kader van zijn status van klokkenluider het beste kon worden beschermd door hem van zijn functie te ontheffen.

155 De grief die betrekking heeft op de mogelijkheid om een GPM naar een andere dienst van het Parlement over te plaatsen om hem in het kader van zijn status van klokkenluider te beschermen, op grond van artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften, valt in wezen samen met de derde grief die in het kader van het eerste middel hierboven is geanalyseerd. In dit verband moet dus worden verwezen naar de analyse in de punten 136 tot en met 138 hierboven.

156 De mogelijkheid om een GPM op initiatief van de administratie naar een ander lid over te plaatsen teneinde hem in het kader van zijn status van klokkenluider te beschermen, wordt geanalyseerd in de punten 129 tot en met 135 hierboven.

157 Verzoeker voert ook aan dat de interne voorschriften die op GPM’s van toepassing zijn, ongeschikt en ontoereikend zijn.

158 Krachtens artikel 4, lid 2, van de interne voorschriften moet het Parlement redelijke maatregelen nemen om de klokkenluider desgewenst bij te staan bij het veranderen van functie. Opgemerkt zij dat deze bepaling niet specificeert welke maatregelen moeten of kunnen worden genomen, maar het Parlement dienaangaande een zekere beoordelingsmarge laat. Uit de punten 136 tot en met 138 hierboven blijkt ten eerste dat deze bepaling van toepassing is op GPM’s en ten tweede dat het Parlement onvoldoende maatregelen heeft genomen, zodat het deze bepaling in casu niet juist heeft toegepast. De ontoereikendheid van de door het Parlement vastgestelde beschermingsmaatregelen is dus niet te wijten aan de interne voorschriften, maar aan de toepassing ervan door het Parlement in de onderhavige zaak.

159 Wat de gestelde schending van artikel 22 quater van het Statuut betreft, namelijk dat aan verzoeker bij de behandeling van zijn klacht niet de specifieke bescherming voor klokkenluiders is geboden wat betreft zowel de vertrouwelijkheid als de termijn voor de behandeling, zij eraan herinnerd dat de betrokken instelling volgens die bepaling moet zekerstellen dat de door ambtenaren ingediende klachten over de wijze waarop zij zijn behandeld nadat zij hun verplichtingen uit hoofde van artikel 22 bis of artikel 22 ter zijn nagekomen, vertrouwelijk worden behandeld en, indien de omstandigheden zulks vereisen, vóór het verstrijken van de in artikel 90 van het Statuut vastgestelde termijnen.

160 In casu geeft verzoeker ten eerste niet te kennen in welk opzicht het onderzoek van zijn klacht door de juridische dienst de vertrouwelijke behandeling ervan niet heeft kunnen waarborgen. Bovendien sluit het feit dat artikel 22 quater van het Statuut bepaalt dat elke instelling een procedure voor de behandeling van dergelijke klachten instelt, anders dan verzoeker suggereert, niet uit dat deze door dezelfde dienst worden behandeld als de andere klachten.

161 Ten tweede bepaalt artikel 6, lid 3, van de interne voorschriften dat de termijnen voor de beantwoording van dergelijke klachten „worden verkort tot twee maanden, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen”. In casu heeft het Parlement verzoekers klacht binnen 3 maanden en 24 dagen behandeld (zie de punten 17 en 18 hierboven). Deze termijn lijkt te worden gerechtvaardigd door de complexiteit van het dossier, dat wordt gekenmerkt door het feit dat verzoeker melding heeft gemaakt van zowel financiële onregelmatigheden in de zin van artikel 22 bis van het Statuut als intimidatie, en door het omvangrijke karakter van de klacht, die vergezeld ging van bijna 120 bladzijden bijlagen.

162 Hieruit volgt dat het tweede middel, voor zover het is gebaseerd op schending van artikel 22 quater van het Statuut en van de interne voorschriften en op de ongeschiktheid en ontoereikendheid van die voorschriften, moet worden afgewezen.

– Derde middel: schending van de vertrouwelijkheid en van de bescherming van verzoekers identiteit als klokkenluider

163 Verzoeker meent dat zijn verzoek om bijstand en de door hem gedane meldingen niet zodanig zijn behandeld dat de vertrouwelijkheid van zijn gegevens is gewaarborgd en zijn identiteit is beschermd.

164 In casu hoefde de voorzitter van de delegatie niet op de hoogte te zijn van de redenen waarom verzoeker naar hem was overgeplaatst. Bovendien had het TAOBG hem niet verzocht om toestemming om zijn status van klokkenluider aan dat parlementslid te onthullen. Zodra zijn identiteit bekend was gemaakt, zou geen enkel parlementslid meer om verlenging van zijn overeenkomst hebben willen verzoeken.

165 In repliek betoogt verzoeker dat het aan het Parlement staat om te bewijzen dat de vereiste vertrouwelijkheid en beschermingsvoorschriften in acht zijn genomen om hem in zijn hoedanigheid van klokkenluider te beschermen. Bovendien hoefde de voorzitter van de delegatie, anders dan het Parlement betoogt, niet de redenen te kennen waarom verzoeker van zijn functie was ontheven, temeer daar verzoekers meldingen over de door hem ondergane represaillemaatregelen ook op deze voorzitter betrekking hadden.

166 Voorts betoogt verzoeker dat het Parlement niet kan aanvoeren dat er geen bewijs is van represaillemaatregelen die na de bekendmaking van zijn status van klokkenluider zijn genomen, aangezien OLAF specifiek naar deze kwestie een onderzoek heeft ingesteld. In dit stadium kan een causaal verband dus op zijn minst worden vermoed en het is aan het Parlement om het tegendeel aan te tonen.

167 Ten slotte is verzoeker van mening dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het feit dat hij de aandacht van de voorzitter van de delegatie heeft gevestigd op de onregelmatigheden en intimidatie waaraan het betrokken parlementslid zich in mei 2021 schuldig had gemaakt en anderzijds het feit dat die voorzitter van de directeur-generaal heeft vernomen dat verzoeker die meldingen buiten de groep had gedaan bij die directeur-generaal en bij OLAF, op grond van artikel 22 bis van het Statuut. Het Parlement kan dus niet stellen dat verzoeker zelf zijn status van klokkenluider binnen de delegatie heeft onthuld.

168 Het Parlement stelt ten eerste vast dat verzoeker het Parlement verwijt dat het de voorzitter van de delegatie heeft meegedeeld om welke redenen verzoeker naar hem was overgeplaatst. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat zijn status van klokkenluider door de administratie aan de voorzitter van de delegatie is meegedeeld.

169 Ten tweede stelt het Parlement vast dat de e-mail van 13 januari 2022 aan de voorzitter van de delegatie is gezonden om hem op de hoogte te stellen van de situatie, aangezien verzoeker van zijn functie bij hem zou worden ontheven. Aangezien de betrokken beschermingsmaatregel is vastgesteld in het kader van artikel 6, lid 1, van de interne voorschriften, was de voorzitter van de delegatie bovendien gebonden aan de in artikel 6, lid 4, van die voorschriften bedoelde geheimhoudingsplicht.

170 Hoe dan ook betwist het Parlement verzoekers niet-onderbouwde stelling dat, zodra zijn status van klokkenluider was onthuld, geen enkel parlementslid meer zou hebben willen verzoeken om verlenging van zijn overeenkomst. Bovendien merkt het Parlement op dat verzoeker tijdens een bijeenkomst van 31 mei 2021 zelf bepaalde parlementsleden, waaronder de voorzitter van de delegatie, heeft geïnformeerd over de vermeende intimidatie en financiële onregelmatigheden door het betrokken parlementslid.

171 Het Parlement betwist dat een causaal verband kan worden vermoed tussen de niet-verlenging van verzoekers overeenkomst en het feit dat het Parlement de voorzitter van de delegatie heeft geïnformeerd over verzoekers status van klokkenluider.

172 Het betwist bovendien dat de voorzitter van de delegatie uit de e-mail van 13 januari 2022 van de directeur-generaal had vernomen dat verzoeker buiten zijn groep meldingen had gedaan. Uit verzoekers e-mail van 10 januari 2022 blijkt namelijk uitdrukkelijk dat hij melding maakte van represailles die hij niet alleen had ondervonden wegens de meldingen die hij binnen zijn groep had gedaan, maar ook wegens de meldingen die hij bij het directoraat-generaal Personeelszaken en OLAF had gedaan.

173 In artikel 4, lid 1, van de interne voorschriften wordt het volgende bepaald: „De klokkenluider mag niet anoniem handelen. De vertrouwelijkheid van zijn identiteit wordt gewaarborgd. De klokkenluider kan toestemming geven om zijn identiteit bekend te maken aan geïdentificeerde personen of autoriteiten.”

174 Ten eerste voert verzoeker in het verzoekschrift aan dat de voorzitter van de delegatie niet hoefde te worden geïnformeerd over de redenen waarom verzoeker naar hem was overgeplaatst. In repliek betoogt hij evenwel dat „de vertrouwelijkheid van zijn status van klokkenluider niet onmiddellijk is geschonden, aangezien hij in juli 2021 ‚officieel’ slechts bij wijze van voorlopige maatregel wegens zijn status van slachtoffer van mogelijke intimidatie door het [betrokken parlementslid] was overgeplaatst”.

175 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeker ten tijde van de vaststelling van de overplaatsingsmaatregel, die in reactie op de klacht wegens intimidatie was genomen, nog niet de status van klokkenluider had. De mededeling aan de voorzitter van de delegatie van de redenen waarom verzoeker toen bij hem was geplaatst, kan dus niet in strijd zijn geweest met de interne voorschriften ter bescherming van klokkenluiders. Bijgevolg moet deze grief worden verworpen.

176 Ten tweede klaagt verzoeker over het feit dat de voorzitter van de delegatie bij e-mail van 13 januari 2022 is geïnformeerd over de redenen waarom hij van zijn functie was ontheven, temeer daar verzoekers meldingen over de door hem ondergane represaillemaatregelen ook op de voorzitter van de delegatie betrekking hadden.

177 In herinnering zij gebracht dat de secretaris-generaal in zijn besluit tot afwijzing van verzoekers klacht dienaangaande het volgende heeft overwogen: „[…] [W]at de e-mail van 13 januari 2022 betreft, stel ik vast dat deze, behalve voor de administrateurs van het DG PERS, bestemd was voor [de voorzitter van de delegatie], naar wie uw cliënt tijdelijk was overgeplaatst. Indien u uw argumentatie baseert op artikel 4, lid 1, van de interne voorschriften, die de vertrouwelijkheid van de identiteit van uw cliënt waarborgen, wijs ik erop dat het van belang was dat [de voorzitter van de delegatie] over de situatie werd geïnformeerd, aangezien uw cliënt van zijn functie bij hem zou worden ontheven. Dit informeren was des te meer geboden daar [de voorzitter van de delegatie] niet het voorwerp van de meldingen van onregelmatigheden was en hij zelf gebonden was aan de in artikel 6, lid 4, van die voorschriften bedoelde geheimhoudingsplicht […].”

178 Het Parlement stelt echter ten onrechte dat de meldingen in verzoekers e-mail van 10 januari 2022 geen betrekking hadden op de voorzitter van de delegatie.

179 Hoewel verzoekers meldingen aanvankelijk betrekking hadden op het betrokken parlementslid, volgde de ontheffingsmaatregel op verzoekers meldingen van 10 januari 2022 over de vermeende represaillemaatregelen door de directie van de delegatie, met inbegrip van de voorzitter van de delegatie. Het is juist dat deze nieuwe meldingen van verzoeker betrekking hadden op de represailles waarvan hij meende het slachtoffer te zijn, en geen betrekking hadden op de financiële onregelmatigheden die hij eerder had gemeld. Dit neemt niet weg dat het Parlement zich er in het besluit tot afwijzing van de klacht niet toe kon beperken op te merken dat de door verzoeker gemelde onregelmatigheden geen betrekking hadden op de voorzitter van de delegatie, aangezien de meldingen van represailles in verzoekers e-mail van 10 januari 2022 wel degelijk op die voorzitter betrekking hadden.

180 Door de voorzitter van de delegatie bij e-mail van 13 januari 2022 mee te delen dat verzoeker wegens zijn verzoek om bijstand, maar ook wegens zijn status van klokkenluider, zou worden ontheven van zijn functie bij hem, zonder dat verzoeker toestemming had verleend om die status bekend te maken, heeft het Parlement derhalve artikel 4, lid 1, van de interne voorschriften geschonden.

181 Gelet op het voorgaande moet het derde middel, dat is gebaseerd op schending van de vertrouwelijkheid en van verzoekers status van klokkenluider, worden toegewezen.

182 Uit het voorgaande volgt dat het Parlement de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut heeft geschonden door enkel de ontheffingsmaatregel vast te stellen en verzoeker niet op grond van die bepalingen voldoende bescherming te bieden.

183 Hieruit volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit, voor zover het Parlement daarbij heeft geweigerd om in antwoord op verzoekers verzoek van 10 januari 2022 beschermingsmaatregelen krachtens de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut vast te stellen die verder gaan dan alleen de ontheffingsmaatregel, moet worden toegewezen.

Rechtmatigheid van het besluit van 22 februari 2022

184 Met zijn eerste middel tegen het besluit van 22 februari 2022 beroept verzoeker zich op „schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, onwettige positieve discriminatie tussen GPM’s en onwettige negatieve discriminatie ten opzichte van de andere klokkenluiders, schending van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut, schending van artikel 24 van het Statuut en niet-nakoming van de zorgplicht, schending van de bescherming die klokkenluiders genieten en van het recht op een procedure die op zijn minst de schijn van objectiviteit heeft”. Met dit middel voert verzoeker in wezen grieven aan die respectievelijk zijn ontleend aan schending van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater en artikel 24 van het Statuut, schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-nakoming van de zorgplicht.

185 Met zijn tweede middel tegen het besluit van 22 februari 2022 beroept verzoeker zich op „misbruik van procedure om de administratie in staat te stellen zich aan haar verplichtingen te onttrekken”.

– Eerste middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling en van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater en artikel 24 van het Statuut en niet-nakoming van de zorgplicht

186 Verzoeker betoogt dat hij niet betwist dat de voorschriften die de betrekkingen tussen een GPM en een parlementslid regelen op zichzelf rechtmatig zijn, maar dat hij het Parlement verwijt geen voorschriften te hebben vastgesteld op grond waarvan GPM’s op dezelfde wijze kunnen worden beschermd als andere personeelsleden en ambtenaren binnen het Parlement die melding maken van onrechtmatige gedragingen. Hij verwijt het Parlement tevens dat het hem heeft behandeld als andere GPM’s die geen onregelmatigheden hebben gemeld. Volgens verzoeker is er dus sprake van een ongelijke behandeling die in strijd is met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het staat aan het Parlement om aan te tonen dat verzoeker niet is gediscrimineerd of om een eventuele discriminatie te rechtvaardigen.

187 Hoe dan ook kan het Parlement niet rechtvaardigen dat de status van klokkenluider van verzoeker tot geen enkele bescherming heeft geleid en moet het met name voorzien in een ander soort bescherming of op zijn minst in compenserende mechanismen, omdat anders wordt afgedaan aan de doeltreffendheid van de door het Statuut aan klokkenluiders verleende bescherming. Verzoeker merkt op dat de enige maatregel die is genomen om hem te beschermen tegen de intimidatie die hij heeft ondergaan, hem enkel heeft benadeeld, omdat de voorzitter van de delegatie, naar wie hij was overgeplaatst, niet actief met hem heeft samengewerkt.

188 Volgens verzoeker had een passende bescherming moeten bestaan in een zodanige overplaatsing naar een andere post dat hem niet het recht zou zijn ontnomen om, zoals elke andere GPM, aanspraak te maken op verlenging van zijn overeenkomst, dan wel in de mogelijkheid om hem een bijzondere verlengingsprocedure te laten doorlopen waarbij de aan zijn status van klokkenluider verbonden belangen beter zouden worden beschermd. Doordat een passend kader voor GPM’s ontbrak, heeft geen enkel parlementslid om verlenging van zijn overeenkomst verzocht, aangezien hij niet lang genoeg onder leiding van een parlementslid had gestaan.

189 In repliek preciseert verzoeker dat hij niet stelt dat hij recht heeft op verlenging van zijn overeenkomst of dat hij heeft verzocht om sluiting van een nieuwe overeenkomst van andere aard binnen het Parlement. Hij is enkel van mening dat er een procedure had moeten worden gevolgd om zijn situatie en de eventuele verlenging van zijn overeenkomst te kunnen onderzoeken.

190 Het Parlement betwist verzoekers betoog.

191 Verzoeker betoogt in wezen dat zijn overeenkomst niet is verlengd ten gevolge van de represaillemaatregelen die de directie van de delegatie heeft genomen naar aanleiding van zijn klacht wegens intimidatie en de meldingen van onregelmatigheden die hij op grond van artikel 22 bis van het Statuut heeft gedaan. Door het standpunt in te nemen dat zijn overeenkomst niet kon worden verlengd doordat er geen verzoek was ingediend door een of meer parlementsleden, heeft het Parlement het beginsel van gelijke behandeling alsmede de artikelen 22 bis tot en met 22 quater en artikel 24 van het Statuut geschonden, en is het zijn zorgplicht niet nagekomen.

192 Vooraf zij eraan herinnerd dat verzoeker als GPM een overeenkomst met de groep heeft gesloten voor de periode van 26 augustus 2019 tot en met 28 februari 2022.

193 Volgens artikel 2, lid 1, van de maatregelen ter uitvoering van titel VII RAP kunnen „leden […] de facto een groep vormen om gezamenlijk gebruik te maken van de diensten van een of meer parlementaire medewerkers”. Gelet op de gevolgtrekkingen die zijn gemaakt in de punten 133 en 134 hierboven, voorziet het Unierecht niet in verlenging van een GPM-overeenkomst indien daartoe geen verzoek is ingediend door de groep of een van haar leden.

194 Aangezien verzoekers GPM-overeenkomst in casu was gesloten op verzoek van de groep en niet uitsluitend op verzoek van het betrokken parlementslid, stond in beginsel niets eraan in de weg dat deze overeenkomst op verzoek van de groep of van een van haar leden werd verlengd en dat verzoeker zijn functie van GPM bij een ander lid van de groep voortzette.

195 Zoals het Parlement betoogt, is bij het TAOBG echter geen verzoek in die zin door de groep of een van haar leden ingediend, zodat verzoekers overeenkomst niet kon worden verlengd zonder schending van artikel 21 van het Statuut van de leden.

196 Aangezien geen enkel parlementslid een verzoek om verlenging van verzoekers GPM-overeenkomst had ingediend, heeft het TAOBG zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het die overeenkomst niet kon verlengen zonder de toepasselijke regels, in het bijzonder artikel 21, lid 1, van het Statuut van de leden, te schenden (zie de punten 129‑134 hierboven).

197 Deze vaststelling doet niet af aan de verplichting van het Parlement om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat verzoeker van de kant van de instelling geen nadelige gevolgen van zijn status van klokkenluider ondervindt, overeenkomstig artikel 22 bis, lid 3, van het Statuut (zie punt 143 hierboven).

198 Met betrekking tot de grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling verwijt verzoeker het Parlement dat het hem heeft behandeld zoals andere GPM’s die geen onregelmatigheden hadden gemeld.

199 In herinnering zij gebracht dat het beginsel van gelijke behandeling, zoals het is verankerd in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten, een algemeen beginsel van het Unierecht is op grond waarvan vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een rechtens geoorloofd doel dat door de betrokken regeling wordt nagestreefd, en in verhouding staat tot het doel dat met de betrokken behandeling wordt nagestreefd (zie arrest van 30 november 2023, MG/EIB, C‑173/22 P, EU:C:2023:932, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

200 In dit verband is het juist dat verzoeker en GPM’s die geen financiële onregelmatigheden hebben gemeld wat de verlenging van hun overeenkomsten betreft op dezelfde wijze worden behandeld, hoewel zij zich in verschillende situaties bevinden. Het feit dat deze verschillende situaties gelijk worden behandeld, wordt evenwel gerechtvaardigd door de noodzakelijke vertrouwensband tussen een GPM en het parlementslid voor wie hij werkt, alsook door de onafhankelijkheid van de politieke groepen wat hun interne organisatie betreft (zie de punten 131-133, 153 en 193 hierboven).

201 Deze grief moet derhalve worden verworpen.

202 Wat betreft de grief die is ontleend aan niet-nakoming van de zorgplicht zij erop gewezen dat deze plicht niet betekent dat het Parlement, in strijd met artikel 21 van het Statuut van de leden waarin wordt bepaald dat de leden hun persoonlijke medewerkers vrijelijk aanwijzen, de overeenkomst van een GPM dient te verlengen, ook al heeft deze de status van klokkenluider verkregen.

203 Het eerste middel, dat is gebaseerd op schending van het beginsel van gelijke behandeling en van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater en artikel 24 van het Statuut, en op niet-nakoming van de zorgplicht, moet dus worden afgewezen.

– Tweede middel: misbruik van procedure

204 Verzoeker is van mening dat het Parlement, doordat het heeft geoordeeld dat hij geen bewijs had aangedragen van een causaal verband tussen de represaillemaatregelen en het besluit om zijn overeenkomst niet te verlengen, zich niet heeft uitgesproken over zijn argument in punt 118 van zijn klacht dat een klokkenluider geen bewijs van misbruik van procedure hoeft te leveren maar dat het aan de administratie staat om aan te tonen dat het besluit tot niet-verlenging geen verband houdt met die status van klokkenluider. Het Parlement heeft er de voorkeur aan gegeven om de gebruikelijke verlengingsprocedure op verzoeker toe te passen.

205 In repliek merkt verzoeker op dat het Parlement geen bewijs heeft geleverd dat er een intern onderzoek is ingesteld naar de gemelde onregelmatigheden en de represaillemaatregelen die hij heeft ondergaan. Bovendien staat het aan het Parlement om aan te tonen dat het besluit om zijn overeenkomst niet te verlengen geen verband houdt met zijn status van klokkenluider, temeer daar verzoeker in casu voldoende gegevens had aangevoerd en de door hem ondergane represaillemaatregelen door OLAF werden onderzocht.

206 Het Parlement betwist verzoekers betoog.

207 Met zijn betoog uit verzoeker in wezen kritiek op het feit dat het Parlement niet heeft aangetoond dat de niet-verlenging van zijn overeenkomst, volgend op de door hem als klokkenluider op grond van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut gedane meldingen, niet gebrekkig was wegens misbruik van procedure.

208 Deze grief valt in wezen samen met die welke hierboven in het kader van het eerste middel tegen het besluit van 22 februari 2022 is onderzocht.

209 Gesteld dat verzoeker daadwerkelijk misbruik van procedure aanvoert, moet een dergelijke grief worden afgewezen.

210 Volgens vaste rechtspraak is misbruik van procedure namelijk een bijzondere uitdrukking van het begrip „misbruik van bevoegdheid”, dat een precieze betekenis heeft die ziet op het geval dat een administratieve autoriteit haar bevoegdheden gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor deze haar zijn gegeven. Een handeling is slechts gebrekkig wegens misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens, blijkt te zijn vastgesteld met het uitsluitende – of althans doorslaggevende – oogmerk andere doeleinden te bereiken dan die welke worden aangevoerd, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Statuut speciaal heeft voorzien om de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (zie arrest van 16 juni 2021, EG/Comité van de Regio’s, T‑355/19, EU:T:2021:369, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

211 In casu specificeert verzoeker niet in welk opzicht het besluit van 22 februari 2022, dat overeenkomstig artikel 21 van het Statuut van de leden en met inachtneming van de procedure voor verlenging van de overeenkomst is genomen, is vastgesteld met een ander doel dan dat waarin die procedure voorziet.

212 Hieruit volgt dat het tweede middel, dat is gebaseerd op misbruik van procedure, gesteld dat het los van het eerste middel tegen het besluit van 22 februari 2022 kan worden behandeld, moet worden afgewezen.

213 De vordering tot nietigverklaring van het besluit van 22 februari 2022 moet dus worden afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding

214 Verzoeker betoogt dat zijn vordering tot schadevergoeding verband houdt met alle fouten die het Parlement heeft begaan wegens schending van de artikelen 22 bis tot en met 22 quater van het Statuut ten gevolge van het ontbreken van toereikende beschermingsmaatregelen, onvoldoende begeleidende maatregelen en bijstand in het kader van de procedure tot verlenging van zijn overeenkomst, en schending van het vertrouwelijke karakter van zijn klacht.

215 Wat in de eerste plaats de afwijzing van de schadevordering betreft voor zover die betrekking heeft op de ontheffingsmaatregel, verduidelijkt verzoeker dat hij die maatregel niet heeft betwist, omdat hij geen belang had bij herplaatsing in zijn functie, aangezien zijn e-mail van 10 januari 2022 betrekking had op de persoon bij wie hij was geplaatst. Hij heeft zich bij de directeur-generaal en de secretaris-generaal daarentegen beklaagd over de ontoereikendheid van de krachtens artikel 24 van het Statuut genomen maatregel. De ontheffingsmaatregel kon niet met terugwerkende kracht worden aangemerkt als beschermingsmaatregel ten gunste van een klokkenluider terwijl de ernst van zijn beweringen nog niet was geverifieerd (zie punt 37 hierboven).

216 In de tweede plaats verwijst verzoeker naar de gegevens inzake de vordering tot nietigverklaring met betrekking tot de schending van de vertrouwelijkheid wegens zijn hoedanigheid van klokkenluider, die tot niet-verlenging van zijn overeenkomst heeft geleid en tevens zijn loopbaanambities in zijn staat van herkomst heeft geschaad.

217 Verzoeker vordert in dit verband een schadevergoeding van 200000 EUR ex aequo et bono wegens de onomkeerbare gevolgen voor zijn geestelijke gezondheid, zijn beroepsreputatie, zijn relatie en de loopbaan die hij ambieerde.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in