Gerecht EU 3 juni 2026, T-104/25, ECLI:EU:T:2026:365
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
3 juni 2026 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Driedimensionaal merk – Vorm van een achthoekige kartonnen verpakking – Teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen – Fabricageproces – Gebruik van de waar – Artikel 7, lid 1, onder e), ii), en artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 40/94”
In zaak T‑104/25,
Lami Packaging (Kunshan) Co. Ltd, gevestigd te Kunshan (China), vertegenwoordigd door K. Strömholm, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Nicolás Gómez en D. Hanf als gemachtigden,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
Tetra Laval Holdings & Finance SA, gevestigd te Pully (Zwitserland), vertegenwoordigd door S. Schäfer en M. Kleespies, advocaten,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: K. Kecsmár, president, L. Madise (rapporteur), P. Nihoul, U. Öberg en L. Truchot, rechters,
griffier: G. Mitrev, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 20 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Lami Packaging (Kunshan) Co. Ltd, vernietiging en wijziging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 6 december 2024 (zaak R 12/2024‑4) (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 3 januari 2022 heeft verzoekster bij het EUIPO een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het Uniemerk dat was ingeschreven na een op 19 april 2000 door interveniënte, Tetra Laval Holdings & Finance SA, ingediende aanvraag voor het volgende driedimensionale teken:
3 De door het litigieuze merk aangeduide waren waarvoor nietigverklaring werd gevorderd, behoren tot klasse 16 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Verpakkingscontainers en verpakkingsmateriaal van papier of van papier bedekt met plastic”.
4 De gronden die ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring werden aangevoerd, waren, ten eerste, die van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van die verordening, en, ten tweede, die van artikel 51, lid 1, onder b), van die verordening.
5 Op 6 november 2023 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring toegewezen op grond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van die verordening.
6 Op 3 januari 2024 heeft interveniënte bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.
7 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep toegewezen en bijgevolg de door verzoekster ingestelde vordering tot nietigverklaring afgewezen, op grond dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 niet van toepassing was op het litigieuze merk. In essentie was de kamer van beroep van oordeel dat de functie die met de vorm van de waar wordt vervuld geen technische uitkomst in de zin van die bepaling is. Om tot deze vaststelling te komen, heeft de kamer van beroep – onder verwijzing naar met name het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604) – geoordeeld dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 van toepassing is wanneer de vorm het mogelijk maakt dat een waar bij gebruik ervan een gewenste technische uitkomst verkrijgt. De kamer van beroep was van oordeel dat de wezenlijke kenmerken die verband hielden met de vorm van de waar in casu betrekking hadden op het fabricageproces, maar geen invloed hadden op de functie die door die waar wordt vervuld.
8 Daarnaast heeft de kamer van beroep de vordering tot nietigverklaring die was ingesteld op grond van artikel 51, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94 afgewezen, omdat zij van oordeel was dat verzoekster niet had aangetoond dat interveniënte misbruik had gemaakt van het merkenregistratiesysteem om op kunstmatige wijze een vorm te beschermen die alleen door een octrooi kon worden beschermd.
Conclusies van partijen
9 Verzoekster verzoekt het Gerecht in essentie: – de bestreden beslissing te vernietigen en in die zin te wijzigen dat het bij de kamer van beroep ingestelde beroep wordt verworpen; – het EUIPO of, in voorkomend geval, interveniënte te verwijzen in de kosten.
10 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten, „indien het Gerecht de juridische en feitelijke beoordeling [zoals vervat] in de punten 50 tot en met 61 van de bestreden beslissing onderschrijft”; – subsidiair, het beroep toe te wijzen;
11 Interveniënte verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Toepasselijk recht
12 Vooraf moet worden opgemerkt dat, gelet op de datum waarop de betrokken merkaanvraag is ingediend, namelijk 19 april 2000, welke datum beslissend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, de materiële bepalingen van verordening nr. 40/94 van toepassing zijn op de feiten van de onderhavige zaak (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40, en arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13 Bijgevolg moeten in casu, wat de materiële regels betreft, de door de kamer van beroep in de bestreden beslissing en door partijen in hun schriftelijke stukken gemaakte verwijzingen naar artikel 7, lid 1, onder e), i) en ii), en artikel 59, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk artikel 7, lid 1, onder e), i) en ii), en artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94, waarvan de inhoud voor de doeleinden van het onderhavige geding in wezen gelijkluidend is.
14 Aangezien procedureregels volgens vaste rechtspraak in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de inwerkingtreding ervan (zie arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wordt het onderhavige geding bovendien beheerst door de procedurele bepalingen van verordening 2017/1001.
Opmerkingen vooraf
15 Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan, te weten schending van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, onder a), van deze verordening.
16 Uit artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94 volgt dat een merk op vordering bij het EUIPO nietig wordt verklaard wanneer dit merk is ingeschreven in strijd met artikel 7 van deze verordening.
17 In dit verband moet erop worden gewezen dat het Uniemerk overeenkomstig de artikelen 51 en 54 van verordening nr. 40/94 als geldig wordt beschouwd totdat het door het EUIPO na een nietigheidsprocedure nietig wordt verklaard. Het Uniemerk geniet dus een vermoeden van geldigheid, hetgeen het logische gevolg is van de controle die het EUIPO verricht in het kader van de behandeling van een inschrijvingsaanvraag [zie arrest van 19 oktober 2022, H&H/EUIPO – Giuliani (Swisse), T‑486/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:642, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Hieruit volgt dat het in het kader van een nietigheidsprocedure aan degene staat die de vordering tot nietigverklaring heeft ingesteld om bij het EUIPO de concrete elementen aan te voeren op grond waarvan de geldigheid van dat merk kan worden betwist.
18 Volgens artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 wordt inschrijving geweigerd van tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen.
19 Elk van de verschillende gronden voor weigering van inschrijving die in artikel 7 van verordening nr. 40/94 worden opgesomd, moet worden uitgelegd in het licht van het algemeen belang dat aan elk van deze gronden ten grondslag ligt (zie naar analogie arrest van 18 juni 2002, Philips, C‑299/99, EU:C:2002:377, punt 77). Het aan artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 ten grondslag liggende algemeen belang bestaat erin te verhinderen dat een onderneming als gevolg van het merkenrecht een monopolie wordt toegekend op technische oplossingen of gebruikskenmerken van waren (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 43, en 19 juni 2025, CeramTec, C‑17/24, EU:C:2025:455, punt 43).
20 Deze bepaling is er dus op gericht te vermijden dat het merkenrecht verder gaat dan de bescherming van tekens op basis waarvan een waar of dienst van die van concurrenten kan worden onderscheiden en op die manier eraan in de weg zou komen te staan dat concurrenten ongestoord in concurrentie met de merkhouder waren kunnen aanbieden waarin bovengenoemde technische oplossingen aanwezig zijn (arrest van 19 juni 2025, CeramTec, C‑17/24, EU:C:2025:455, punt 43; zie ook naar analogie, arrest van 18 juni 2002, Philips, C‑299/99, EU:C:2002:377, punt 78). Het is met name van belang te voorkomen dat andere exclusieve beschermingsrechten waarvan de geldigheidsduur beperkt is (octrooien en modellen) via het merkenrecht een bescherming zonder beperking in de tijd verkrijgen (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 september 2014, Hauck, C‑205/13, EU:C:2014:2233, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Een juiste toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 vereist dat de bevoegde autoriteit in eerste instantie de wezenlijke kenmerken van het betrokken driedimensionale teken vaststelt en in tweede instantie nagaat of al deze kenmerken beantwoorden aan een technische functie van de waar (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 68, 72 en 84, en 10 november 2016, Simba Toys/EUIPO, C‑30/15 P, EU:C:2016:849, punten 40 en 42).
22 In het licht van deze overwegingen moet de gegrondheid van verzoeksters enige middel worden onderzocht.
Identificatie van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk
23 Wat de eerste fase betreft, moet de identificatie van de wezenlijke kenmerken van een teken geval per geval worden verricht, zonder dat er sprake is van een systematische hiërarchie tussen de verschillende typen elementen die een teken kan bevatten. Ofwel wordt die identificatie rechtstreeks op basis van de door het teken opgeroepen totaalindruk verricht, ofwel wordt eerst een achtereenvolgend onderzoek van elk bestanddeel van het teken verricht (arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 70). Zoals blijkt uit het arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM (C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 69), moet de uitdrukking „wezenlijke kenmerken” aldus worden opgevat dat het gaat om de belangrijkste elementen van het teken. Bijgevolg kan de identificatie van de wezenlijke kenmerken van een teken al naargelang het geval en in het bijzonder gelet op de moeilijkheidsgraad ervan, worden verricht aan de hand van een eenvoudige visuele analyse van dit teken, of daarentegen worden gebaseerd op een uitvoerig onderzoek in het kader waarvan rekening wordt gehouden met voor de beoordeling nuttige elementen, zoals opinieonderzoeken en deskundigenonderzoeken, of met gegevens inzake intellectuele-eigendomsrechten die eerder in verband met de betrokken waar zijn verleend (zie in die zin en naar analogie arrest van 23 april 2020, Gömböc, C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 In casu heeft de kamer van beroep in punt 32 van de bestreden beslissing de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk als volgt omschreven: – een kartonnen pak met vier panelen die wanden vormen en vier afgeknotte hoeken, waardoor een achthoekige vorm ontstaat met een bij benadering vierkante dwarsdoorsnede; – de vier afgeknotte hoeken hebben de vorm van afgeronde zeshoeken/parallellogrammen en hun oppervlak is eerder concaaf dan vlak; – de vier panelen die de wanden vormen, zijn smaller in het midden en worden breder naar boven en naar beneden toe; – de bovenkant van het kartonnen pak is voorzien van een afdichtingsnaad die over het bovenoppervlak gaat en doorloopt tot aan twee omgeslagen vouwflappen op twee van de verticale panelen.
25 De kamer van beroep was van oordeel dat de eerste drie wezenlijke kenmerken de structuur en de contouren van de vorm bepalen, terwijl het vierde wezenlijke kenmerk de hermetische sluiting van de verpakking garandeert.
26 De vaststelling van deze vier wezenlijke kenmerken wordt niet betwist door partijen, en met name niet door verzoekster, die te kennen geeft dat zij de conclusie van de kamer van beroep op dit punt niet betwist. Evenzo heeft interveniënte aangegeven dat zij zich aansloot bij de door de kamer van beroep verrichte vaststelling van de wezenlijke kenmerken en dat zij in het kader van de onderhavige procedure niet voornemens was op te komen tegen de afwijzing door de kamer van beroep van het bij die kamer aangevoerde argument dat er een vijfde wezenlijk kenmerk bestond dat overeenkwam met het algemene uiterlijk van het litigieuze merk.
Technische functionaliteit van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk
27 Zodra de wezenlijke kenmerken zijn vastgesteld, dient de bevoegde autoriteit in een tweede fase na te gaan of al deze kenmerken beantwoorden aan de technische functie of een van de technische functies van de betrokken waar [zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 72; 23 april 2020, Gömböc, C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juli 2025, Spin Master Toys UK/EUIPO – Verdes Innovations (Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben en van elkaar verschillen door hun kleuren), T‑1171/23, EU:T:2025:691, punt 31].
28 In dit verband moet erop worden gewezen dat de bevoegde autoriteit de technische functies van de betrokken waar moet vaststellen aan de hand van objectieve en betrouwbare informatie. Deze autoriteit kan dergelijke informatie met name opsporen in de omschrijvingen van de waar die eventueel bij de indiening van de merkaanvraag zijn overgelegd, in gegevens betreffende eerder voor deze waar verleende intellectuele-eigendomsrechten, zoals eerdere octrooien waarin de functionele elementen van de betreffende vorm worden beschreven, via opinie- en deskundigenonderzoeken aangaande de functies van die waar of in alle relevante documentatie, zoals wetenschappelijke publicaties, catalogi en websites, waarin de technische functies van de waar worden beschreven (arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 85; zie ook naar analogie, arrest van 23 april 2020, Gömböc, C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 34). Tevens werd reeds geoordeeld dat het bestaan van een octrooi een onweerlegbaar bewijs kan vormen dat de door dat octrooi geclaimde kenmerken functionele kenmerken zijn [zie in die zin arrest van 28 juni 2016, Peri/EUIPO (Vorm van een bekistingsklem), T‑656/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:367, punt 23].
29 Inlichtingen inzake de eventuele kennis van het doelpubliek over de technische functies van de betrokken waar en over de wijze waarop deze functies zijn verkregen, maken evenwel deel uit van een onderzoek dat noodzakelijkerwijs subjectieve elementen omvat die een bron van onzekerheid kunnen vormen wat betreft de omvang en de nauwkeurigheid van de kennis van dat publiek, hetgeen afbreuk kan doen aan de doelstelling van de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, die erin bestaat te verhinderen dat via het merkenrecht een monopolie op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een waar aan een onderneming wordt toegekend (zie naar analogie arrest van 23 april 2020, Gömböc, C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 35).
30 In casu was de kamer van beroep om te beginnen van oordeel dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 van toepassing is wanneer de vorm van een waar het mogelijk maakt om bij het gebruik ervan een technische uitkomst te verkrijgen, maar niet van toepassing is op de wijze waarop de waar werd vervaardigd, en voorts dat in het onderhavige geval de uitkomst van technische aard die verband hield met de vorm van het litigieuze merk uitsluitend betrekking had op het fabricageproces zelf, maar geen invloed had op de functie van deze waar bij het gebruik ervan door de consument.
31 Aangezien de argumentatie van partijen zich op deze twee punten concentreert, dient – om te beoordelen of verzoeksters enige middel gegrond is – achtereenvolgens te worden onderzocht of, ten eerste, het begrip „technische uitkomst” in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 uitsluitend ziet op de wijze waarop de waar functioneert, en ten tweede, of in casu de uitkomst van technische aard die verband houdt met de vorm van het litigieuze merk uitsluitend betrekking heeft op het fabricageproces van de waar zelf.
Uitlegging van het begrip technische uitkomst
32 Verzoekster en het EUIPO twijfelen aan de juistheid van de uitlegging van de kamer van beroep dat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 van toepassing is wanneer de vorm het mogelijk maakt dat een waar bij gebruik een gewenste technische uitkomst verkrijgt, maar niet van toepassing is op de wijze waarop de waar wordt vervaardigd. Volgens het EUIPO en verzoekster wijkt deze restrictieve opvatting af van de ruime uitlegging die dient te worden gegeven aan het algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.
33 Zo stelt verzoekster, net als het EUIPO, dat de benadering die de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft gevolgd, voortvloeit uit een letterlijke uitlegging van het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), en bovendien, in strijd met de in de punten 28 en 29 hierboven genoemde beginselen, berust op een subjectieve beoordeling van de technische uitkomst die uit de vorm van de waar kan voortvloeien.
34 Daarnaast is verzoekster, net als het EUIPO, van mening dat de uitlegging van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, volgens welke het begrip „technische uitkomst" uitsluitend betrekking heeft op de wijze waarop de waar door de consument wordt gebruikt, ertoe leidt dat de toepasselijkheid van deze bepaling ten onrechte wordt beperkt en ongewenste gevolgen heeft gelet op de doelstelling van die bepaling.
35 Tot slot zet verzoekster uiteen dat, in tegenstelling tot de onderhavige zaak, die betrekking heeft op een geavanceerde waar waarvoor octrooiaanvragen zijn ingediend, de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), betrekking had op een geval waarin de vorm van de waar als enig voordeel had dat het fabricageproces werd vereenvoudigd, zonder enige invloed op de wijze waarop de consumenten de waar gebruikten. Verzoekster leidt hieruit af dat de overwegingen in dit arrest niet van dien aard zijn dat zij de slotsom kunnen staven waartoe de kamer van beroep in de bestreden beslissing is gekomen.
36 Interveniënte voert aan dat de kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 juist heeft uitgelegd en dat zij terecht de beginselen heeft toegepast die voortvloeien uit het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604).
37 Er zij meteen aan herinnerd dat bij een juiste toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 de wezenlijke kenmerken van het betrokken driedimensionale teken noodzakelijk moeten zijn om een technische uitkomst te verkrijgen.
38 Nadat de kamer van beroep tot de slotsom was gekomen dat met de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk een uitkomst van technische aard kon worden verkregen, oordeelde zij in punt 50 van de bestreden beslissing evenwel dat een uitkomst van technische aard niet noodzakelijkerwijs een „technische uitkomst” in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 was.
39 De kamer van beroep heeft in punt 52 van de bestreden beslissing namelijk geoordeeld dat er een onderscheid moest worden gemaakt tussen enerzijds de wijze waarop de waar werd vervaardigd en anderzijds de wijze waarop de waar functioneert. Volgens de bestreden beslissing is de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 dan ook van toepassing wanneer de vorm het mogelijk maakt dat de waar bij gebruik ervan een gewenste technische uitkomst verkrijgt, maar niet op de wijze waarop de waar wordt vervaardigd.
40 In dit verband heeft de kamer van beroep in punt 53 van de bestreden beslissing geoordeeld dat een dergelijke uitlegging wordt bevestigd door het doel van de betrokken bepaling, namelijk „te verhinderen dat een monopolie wordt toegekend op technische oplossingen waarnaar de gebruiker mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt”. Volgens de bestreden beslissing is „voor de consument […] de functionaliteit van de waar doorslaggevend en heeft de wijze waarop de waar wordt gefabriceerd weinig belang”.
41 Opgemerkt moet worden dat de kamer van beroep zich, om tot de slotsom te komen dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 niet van toepassing is wanneer de technische uitkomst die wordt verkregen dankzij de vorm van het litigieuze merk uitsluitend betrekking heeft op het fabricageproces van de waar zelf, heeft gebaseerd op het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604).
42 Er zij aan herinnerd dat het Hof in het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, onder e), ii), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25) – dat in identieke bewoordingen is gesteld als artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 – aldus moest worden uitgelegd dat het ziet op de manier waarop de betrokken waar functioneert en niet op de manier waarop deze wordt vervaardigd. Daarbij maakt het Hof, wat het begrip „technische uitkomst” betreft, een onderscheid tussen enerzijds het gebruik van de waar en anderzijds de vervaardiging ervan.
43 Dit principiële onderscheid, dat werd gemaakt in het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), heeft bijgedragen tot de verduidelijking van de werkingssfeer van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, in die zin dat alleen de technische uitkomsten die zich bij het gebruik van de betrokken waar voordoen, relevant zijn voor de toepassing van deze bepaling.
44 Bijgevolg heeft de kamer van beroep, door te oordelen dat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 van toepassing is wanneer de vorm van de waar het mogelijk maakt dat een waar bij gebruik ervan een technische uitkomst verkrijgt, maar niet van toepassing is op de wijze waarop de waar wordt vervaardigd, geen fout begaan bij de uitlegging van die bepaling.
45 De argumenten die verzoekster en het EUIPO hebben aangevoerd, kunnen niet afdoen aan deze vaststelling.
46 Wat in de eerste plaats het argument van verzoekster en het EUIPO betreft dat het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), ertoe neigt de voorkeur te geven aan een subjectieve beoordeling van de technische uitkomst die uit de vorm van de waar kan voortvloeien, moet worden opgemerkt – zoals interveniënte heeft aangevoerd – dat bij de beoordeling van de eventuele technische functie van een vorm noodzakelijkerwijs rekening moet worden gehouden met het nut van de waar vanuit het oogpunt van het relevante publiek. Deze vaststelling doet niets af aan het feit dat de beoordeling van de functionaliteit van de waar niet moet worden verricht aan de hand van de voordelen die de gebruiker waarneemt – aangezien deze beoordeling noodzakelijkerwijs subjectief is – maar moet worden gebaseerd op objectieve elementen, zoals de documentatie waarin de functionele elementen van de betrokken vorm worden beschreven. Derhalve wordt door dit arrest geen subjectief element toegevoegd dat is gebaseerd op de perceptie die de consument heeft van de technische uitkomst van de vorm van de waar, maar volgt daaruit dat de technische uitkomst die bij het gebruik van de waar door de consument kan worden verkregen, objectief moet worden beoordeeld.
47 Wat in de tweede plaats het argument van verzoekster en het EUIPO betreft dat het maken van een onderscheid tussen het fabricageproces en het gebruik van een waar in strijd is met het doel van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, dient eraan te worden herinnerd – in navolging van interveniënte en zoals met name blijkt uit punt 55 van het arrest van16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), – dat deze bepaling tot doel heeft te verhinderen dat het merkenrecht een monopolie toekent op technische oplossingen waarnaar de gebruiker mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt. Hieruit volgt dat de beoordeling van de technische uitkomst moet worden uitgevoerd in het licht van de functionaliteit van de vorm bij het gebruik van de waar, terwijl de wijze waarop de waar is vervaardigd op zich niet relevant is vanuit het oogpunt van de consument, en met name de eindgebruiker. Het door de kamer van beroep gemaakte onderscheid kan dan ook niet worden aangemerkt als strijdig met het doel van die bepaling, maar past juist binnen de doelstelling die ermee wordt nagestreefd.
48 In de derde plaats stelt verzoekster weliswaar dat het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604), niet van toepassing is op het onderhavige geval – met name vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak, die in het bijzonder verband houden met de geavanceerde aard van de betrokken waar of het bestaan van eerdere octrooiaanvragen – maar moet worden opgemerkt dat het Hof zich in dit arrest heeft uitgesproken in het kader van een prejudiciële vraag betreffende de uitlegging van een bepaling die, zoals in punt 42 hierboven is opgemerkt, in identieke bewoordingen is gesteld als artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. De uitlegging van het Hof, die uitsluitend is gebaseerd op een analyse van de bepaling zelf, heeft bijgevolg een algemene strekking. Dit brengt mee dat verzoekster zich niet kan beroepen op de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak om een andere uitlegging te rechtvaardigen dan die welke het Hof heeft gegeven in het arrest van 16 september 2015, Société des Produits Nestlé (C‑215/14, EU:C:2015:604).
49 Hieruit volgt dat de kamer van beroep, zonder voorbij te gaan aan het doel van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 of aan de relevante rechtspraak, haar beoordeling kon baseren op het onderscheid tussen de technische uitkomsten die verband houden met het fabricageproces van de waar en die welke zich bij het gebruik ervan voordoen.
50 Om de gegrondheid van verzoeksters enige middel te beoordelen, moet dan ook worden onderzocht of dit onderscheid in casu correct is toegepast en of de wezenlijke kenmerken van het betrokken merk een technische uitkomst opleveren die beperkt blijft tot het fabricageproces van de waar.
Beoordeling van de technische uitkomst in het onderhavige geval
51 Verzoekster stelt dat elk van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk een technische functie vervult ten aanzien van de waren waarop de inschrijving betrekking heeft.
52 Verzoekster is van mening dat de kamer van beroep ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de uitkomst van de eerste drie wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk uitsluitend betrekking had op het fabricageproces van de waar. Zij voert aan dat de vorm van het litigieuze merk bewerkstelligt dat de basisfunctie van de waar, namelijk het bevatten van vloeistof, doeltreffender wordt. Zij stelt dat deze vorm, doordat zij het mogelijk maakt om met een beperkte hoeveelheid materiaal de verpakkingsfunctie van de waar te handhaven en te verbeteren, op zichzelf nieuwe en verbeterde eigenschappen biedt die ook na de fabricage behouden blijven.
53 Verzoekster is bovendien van mening dat de vorm van de waar – die het mogelijk maakt de technische uitkomst te verkrijgen dat de waar minder weegt – de opslag, de hantering en het vervoer vergemakkelijkt, terwijl tegelijkertijd de stabiliteit en de stevigheid van de verpakking worden gewaarborgd. Zij stelt dat eveneens in aanmerking moet worden genomen dat de vorm van de waar voordelen biedt voor het milieu, in de zin dat er minder grondstoffen worden verbruikt en minder afval wordt geproduceerd.
54 Verzoekster voegt hieraan toe dat de technische uitkomsten van het litigieuze merk in de gehele toeleveringsketen van belang zijn. Volgens haar profiteren de belangrijkste afnemers van de door het litigieuze merk aangeduide waren, namelijk professionele tussenhandelaren in de voedingsindustrie, bij normaal gebruik van de waar objectief gezien van de voordelen die voortvloeien uit de vorm van het litigieuze merk. Volgens verzoekster gelden deze voordelen ook voor detailhandelaren en eindgebruikers.
55 Het EUIPO laat het aan het Gerecht over om de geldigheid te beoordelen van de juridische en feitelijke overwegingen op basis waarvan de kamer van beroep tot de slotsom is gekomen dat de vorm van de waar niet heeft geleid tot een technische uitkomst die een invloed heeft op de wijze waarop de waar wordt gebruikt.
56 Interveniënte voert aan dat de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk, die een betere verhouding tussen het volume van de houder en het oppervlak van de verpakking mogelijk maken, het resultaat zijn van een geoptimaliseerd fabricageproces, maar bij het gebruik van de waar niet tot gunstige technische uitkomsten leiden.
57 Interveniënte voegt hieraan toe dat het behoud van de gebruikelijke verpakkingseigenschappen, zoals een goede stabiliteit en een goede hanteerbaarheid van de houder, geen functioneel voordeel vormt in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. Zij is van mening dat dergelijke functionaliteiten in feite basiskenmerken zijn die bij de meeste houders reeds aanwezig zijn. Tot slot is interveniënte van mening dat de door verzoekster aangevoerde commerciële en ecologische voordelen geen technische voordelen vormen in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.
58 Uit de rechtspraak volgt dat in het kader van het onderzoek van de functionaliteit van een teken bestaande uit de vorm van een waar, na de vaststelling van de wezenlijke kenmerken van dit teken dient te worden beoordeeld of deze kenmerken beantwoorden aan de technische functie van de betrokken waar. Dit onderzoek betreft natuurlijk de analyse van het teken waarvan inschrijving als merk is aangevraagd of dat wordt betwist, en niet van tekens bestaande uit andere vormen van de waar (zie in die zin arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 84).
59 Door middel van de termen „uitsluitend” en „noodzakelijk” verzekert artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 dat enkel inschrijving wordt geweigerd van vormen van een waar die louter een technische oplossing verwerken en waarvan de inschrijving als merk dus werkelijk het gebruik van deze technische oplossing door andere ondernemingen zou hinderen (arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 48).
60 De voorwaarde dat de inschrijving van een vorm van een waar als Uniemerk op grond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 enkel kan worden geweigerd wanneer de vorm „noodzakelijk” is om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen, betekent evenwel niet dat de betrokken vorm de enige moet zijn waarmee die uitkomst kan worden verkregen (arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 53).
61 In het licht van deze beginselen moet de beoordeling van de technische uitkomst die de kamer van beroep in deze zaak heeft verricht worden onderzocht.
62 Allereerst moet worden herinnerd aan de redenen die in dit verband in de bestreden beslissing zijn aangevoerd.
63 De kamer van beroep heeft de technische functionaliteit onderzocht door de vorm van het litigieuze merk te analyseren en rekening te houden met aanvraag PCT/WO1997034809, die op 29 oktober 1996 door interveniënte is ingediend op grond van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, ondertekend te Washington op 19 juni 1970, zoals gewijzigd (hierna: „PCT-aanvraag”). In punt 46 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de relevantie van deze aanvraag niet in twijfel kan worden getrokken door het feit dat de daarin opgenomen tekeningen afwijkingen vertoonden ten opzichte van het litigieuze merk. De kamer van beroep heeft in dit verband opgemerkt dat een octrooi volgens de rechtspraak niet hoeft gelijk te zijn aan het merk om in aanmerking te kunnen worden genomen bij de beoordeling van de functionaliteit van de wezenlijke kenmerken van het merk.
64 Op basis van met name de toelichtingen in de PCT-aanvraag heeft de kamer van beroep in de punten 44, 47 en 49 van de bestreden beslissing opgemerkt dat een prismatische vorm zoals die van het litigieuze merk, in vergelijking met traditionele rechthoekige vormen meebrengt dat minder verpakkingskarton nodig is om een bepaald volume vloeistof te kunnen bevatten. De kamer van beroep was van oordeel dat die technische uitkomst werd bereikt door middel van de eerste drie wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk, zoals vermeld in punt 32 van de bestreden beslissing, die de structuur en de vorm van de houder bepalen, terwijl het vierde wezenlijke kenmerk, dat verband houdt met de aanwezigheid van een afdichtingsnaad die over het bovenste deel van de vorm loopt, het mogelijk maakt om de hermetische sluiting van de verpakking te waarborgen. De kamer van beroep heeft in de punten 44 en 47 van de bestreden beslissing eveneens geoordeeld dat de vorm van het litigieuze merk het mogelijk maakt om de stabiliteit en de hanteerbaarheidseigenschappen van de verpakking te waarborgen.
65 De kamer van beroep heeft in punt 55 van de bestreden beslissing geoordeeld dat de vorm van het litigieuze merk, waardoor minder materiaal nodig is voor de vervaardiging van de waar, voordelen oplevert voor de fabrikant, namelijk de houder van het litigieuze merk, omdat deze hierdoor kosten kan besparen en doelstellingen op het gebied van ecologische duurzaamheid kan verwezenlijken. Zij heeft evenwel geoordeeld dat het doelpubliek van het litigieuze merk, bestaande uit professionele tussenhandelaren in de voedingsindustrie die lege verpakkingen kopen om deze te vullen met vloeistoffen en levensmiddelen, niet op zoek was naar dergelijke voordelen.
66 In de punten 56 en 57 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de mogelijke technische voordelen onderzocht die het litigieuze merk kon bieden aan andere groepen gebruikers, zoals detailhandelaren en eindgebruikers. De kamer van beroep heeft de argumenten van verzoekster evenwel verworpen. Zij was van oordeel, ten eerste, dat de besparingen op de transportkosten louter hypothetisch waren, ten tweede, dat de voordelen op het gebied van duurzaamheid speculatief waren wat de omvang ervan betreft en, ten derde, dat verzoekster zich beriep op voordelen die niet van technische maar van commerciële aard waren, door met name aan te voeren dat de afnemers van het merk in staat waren om een grotere hoeveelheid levensmiddelen te verkopen, doordat zij konden profiteren van een verpakking met een groter inhoudsvermogen dan traditionele kartonnen pakken. Wat de eindgebruikers betreft, heeft zij geoordeeld dat de door verzoekster aangevoerde voordelen geen betrekking hadden op de manier waarop die eindgebruikers de waar gebruiken.
67 Tot slot heeft de kamer van beroep in punt 58 van de bestreden beslissing geoordeeld dat de vorm van het litigieuze merk geen positieve invloed had op de hanteerbaarheid en de opslag van de houder en dat die vorm op dit punt enkel toeliet te voldoen aan de basisvereisten die gelden voor de meeste verpakkingsartikelen.
68 De kamer van beroep is in de punten 59 en 60 van de bestreden beslissing tot de slotsom gekomen dat de door het litigieuze merk verkregen technische uitkomst uitsluitend betrekking had op het fabricageproces van de waar zelf, maar geen invloed had op de functie die deze waar vervult.
69 Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dus dat de kamer van beroep in essentie heeft geoordeeld dat de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk, ten eerste, het mogelijk maakten dat de waar zijn functie van houder vervulde met behoud van de stabiliteit en de hanteerbaarheidseigenschappen van de verpakking en, ten tweede, de verhouding verbeterden tussen het volume van de houder en de hoeveelheid benodigd materiaal voor de vervaardiging ervan. De kamer van beroep was echter van oordeel dat noch het behoud van de basiseigenschappen van de verpakking, noch de verbetering van de verhouding tussen het volume van de houder en de hoeveelheid benodigd materiaal een technische uitkomst vormde in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.
70 Nagegaan dient te worden hoe de kamer van beroep, ten eerste, het behoud van de basiseigenschappen van de door het litigieuze merk gedekte waar alsook, ten tweede, de verbetering van de verhouding tussen het volume van de houder en de hoeveelheid benodigd materiaal voor de vervaardiging ervan heeft beoordeeld.
71 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat, zoals met name blijkt uit punt 37 van de bestreden beslissing en uit de PCT-aanvraag, de door het litigieuze merk gedekte waar een houder is waarvan de technische hoofdfunctie erin bestaat dat deze vloeistoffen of levensmiddelen bevat. Tevens moet worden benadrukt dat, zoals verzoekster opmerkt, de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk er alle toe bijdragen dat de waar deze technische functie kan vervullen, aangezien – zoals blijkt uit punt 49 van de bestreden beslissing – de eerste drie wezenlijke kenmerken de structuur en de contouren van de houder bepalen, terwijl het vierde wezenlijke kenmerk ertoe bijdraagt dat de dichtheid ervan wordt gegarandeerd.
72 Daarenboven volgt uit de vaststellingen in de punten 44 en 47 van de bestreden beslissing, alsook uit de PCT-aanvraag dat de vorm van het litigieuze merk het ook mogelijk maakt om de stabiliteit en de hanteerbaarheid van de houder te waarborgen. Zoals verzoekster aanvoert, worden deze technische voordelen, die bijdragen tot de stevigheid van de houder en tot de geschiktheid ervan om te worden gestapeld en opgeslagen, gezocht door de gebruikers van de waar, met name professionele tussenhandelaren in de voedingsindustrie, die – zoals in punt 37 van de bestreden beslissing in herinnering wordt gebracht – de lege verpakkingen vullen met vloeistoffen of levensmiddelen alvorens deze als eindproduct in de handel te brengen. Dergelijke technische kenmerken zijn relevant voor het gebruik van de waar, aangezien, zoals verzoekster opmerkt, de houder na het vullen moet kunnen worden opgeslagen, verzonden of gehanteerd zonder instabiliteitsproblemen of risico op beschadiging.
73 Gezien het bovenstaande dient tot de slotsom te worden gekomen dat de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen die erin bestaat dat de waar zijn functie als houder voor vloeistoffen of levensmiddelen kan vervullen terwijl de stabiliteit en de hanteerbaarheid ervan worden gewaarborgd. Aangezien deze kenmerken het mogelijk maken dat de waar wordt gebruikt overeenkomstig het beoogde gebruik ervan, stelt verzoekster op goede gronden dat deze kenmerken noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen die ziet op de manier waarop de waar functioneert.
74 In de tweede plaats blijkt uit de punten 44, 47 en 49 van de bestreden beslissing dat de eerste drie wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk het mogelijk maken om de verhouding tussen de inhoud van de houder en de hoeveelheid benodigd materiaal voor de vervaardiging ervan te verbeteren. In dit verband heeft de kamer van beroep in punt 47 van de bestreden beslissing opgemerkt dat een prismatische vorm zoals die van het litigieuze merk, in vergelijking met de traditionele rechthoekige vormen meebrengt dat minder verpakkingskarton nodig is om een bepaald volume vloeistof te kunnen bevatten.
75 Voor zover de kamer van beroep tot de slotsom is gekomen dat een dergelijk technisch voordeel alleen de fabrikant – en dus de houder van het litigieuze merk – ten goede komt doordat het hem in staat stelt kosten te besparen en doelstellingen op het gebied van ecologische duurzaamheid te verwezenlijken, dient het volgende te worden opgemerkt.
76 Ten eerste draagt, zoals verzoekster aanvoert, de optimalisatie van de inhoud van de houder bij aan een grotere doeltreffendheid van de basisfunctie van de waar. De vorm van het litigieuze merk maakt het namelijk mogelijk om bij een gegeven hoeveelheid verpakkingsmateriaal een grotere hoeveelheid vloeistoffen of levensmiddelen in de houder op te slaan. Aangezien de vorm van het litigieuze merk de basisfunctie van de waar verbetert, kan deze niet worden aangemerkt als louter het resultaat van een geoptimaliseerd fabricageproces dat geen invloed heeft op de manier waarop de waar functioneert.
77 Ten tweede merkt verzoekster eveneens terecht op dat de verbetering van de verhouding tussen het volume van de houder en de hoeveelheid benodigd materiaal voor de vervaardiging ervan tot gevolg heeft dat de verpakking bij een gegeven volume lichter is dan verpakkingen met een traditionele vorm. Op dit punt dient te worden opgemerkt dat de commerciële communicatie van interveniënte de nadruk legt op deze technische voordelen. Zo blijkt uit een uittreksel van de website van interveniënte dat zij met betrekking tot de vorm van het litigieuze merk aangeeft dat het gebruik van minder verpakkingsmateriaal de prestaties van de waar niet in het gedrang brengt. Deze commerciële communicatie benadrukt eveneens dat de waar licht en uiterst efficiënt is, met name vanwege zijn compacte vorm. Interveniënte heeft weliswaar ter terechtzitting aangevoerd dat de commerciële mededeling subjectieve elementen bevatte en geen nauwkeurige informatie gaf over de technische voordelen van een waar, maar uit de rechtspraak volgt dat alle relevante documentatie voor de beoordeling van de technische functies van een waar in aanmerking kan worden genomen, waaronder met name catalogi of websites die de technische functies van de waar beschrijven (zie naar analogie arrest van 23 april 2020, Gömböc, C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 34).
78 Daarenboven moet worden opgemerkt dat, zoals verzoekster aanvoert, de vermindering van het gewicht en van het volume van de verpakkingen een technische uitkomst vormt die relevant is vanuit het oogpunt van het doelpubliek van het litigieuze merk. De prismatische vorm van de waar zorgt er namelijk voor dat de verpakkingen lichter en minder omvangrijk worden, en biedt daarmee een technische oplossing waarnaar professionele tussenhandelaren in de voedingsindustrie kunnen zoeken. Zoals verzoekster benadrukt, kunnen lichtere verpakkingen met name de opslag en het vervoer vergemakkelijken.
79 Uit het voorgaande volgt dat de vorm van het litigieuze merk het mogelijk maakt om een verpakking te verkrijgen die kleiner en lichter is dan verpakkingen met een traditionele vorm, doordat er minder materiaal wordt gebruikt. Een dergelijke technische uitkomst is relevant vanuit het oogpunt van het doelpubliek van het litigieuze merk, aangezien de manier waarop de waar kan worden gebruikt door de tussenhandelaren in de voedingsindustrie positief wordt beïnvloed.
80 Ten derde voert verzoekster aan dat de vorm van het litigieuze merk technische voordelen oplevert voor de eindgebruiker.
81 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zelfs wanneer – zoals in deze zaak – het doelpubliek van het litigieuze merk uit professionele klanten bestaat, het relevant kan zijn om bij de analyse van de functionaliteit van de wezenlijke kenmerken van dit merk niet alleen rekening te houden met de situatie van die klanten, maar ook met die van de eindgebruikers. Zoals interveniënte in essentie opmerkt, hebben professionele tussenhandelaren er immers belang bij dat de technische uitkomst die dankzij de vorm van het betrokken merk wordt verkregen, niet alleen aan hun eigen behoeften voldoet, maar ook aan die van de eindgebruikers, die hun waren zullen kopen. De kamer van beroep heeft dan ook terecht onderzocht of de vorm van het litigieuze merk een technische uitkomst kan opleveren die nuttig is voor de eindgebruiker.
82 In casu voert verzoekster op goede gronden aan dat de kamer van beroep ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de technische voordelen die voortvloeien uit de vorm van het litigieuze merk geen betrekking hadden op de wijze waarop de waar door de eindgebruikers zou worden gebruikt. Opgemerkt dient namelijk te worden dat in de PCT-aanvraag is vermeld dat de verpakking vanwege haar bijzondere vorm gemakkelijker door de consument kan worden vastgenomen en gebruikt. Ook in de door verzoekster overgelegde uittreksels van de website van interveniënte wordt gewezen op de ergonomische vorm van de waar. Meer bepaald wordt daarin vermeld dat de waar zo is ontworpen dat zij, ongeacht de afmetingen ervan, perfect in de hand past, teneinde een comfortabelere grip tijdens de consumptie te garanderen.
83 Uit de bovenstaande punten 71 tot en met 82 volgt dat de kamer van beroep ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de door het litigieuze merk verkregen technische uitkomst uitsluitend betrekking had op het fabricageproces van de waar zelf en geen invloed had op de functie die deze waar vervult. Bijgevolg stelt verzoekster terecht dat de vorm van het litigieuze merk noodzakelijk is om een technische uitkomst te bereiken in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.
84 De door interveniënte aangevoerde argumenten kunnen niet afdoen aan deze beoordeling.
85 Ten eerste betwist interveniënte niet dat de waar waarop het litigieuze merk betrekking heeft, vanwege de wezenlijke kenmerken van dat merk haar hoofdfunctie als houder kan vervullen en tegelijkertijd kan voldoen aan de eisen inzake stabiliteit en hanteerbaarheid waarnaar gebruikers van dit soort waren op zoek zijn. Zij is evenwel van mening dat de vorm van het litigieuze merk het louter mogelijk maakt dat de waar haar basisfunctie vervult, zonder op dit punt een verbetering te bieden ten opzichte van verpakkingen met een traditionele vorm. Dit betoog sluit aan bij het standpunt van de kamer van beroep in punt 58 van de bestreden beslissing, waarin wordt gesteld dat het behoud van de hanteerbaarheid en stapelbaarheid van de houder door de vorm van het litigieuze merk niet betekent dat deze vorm een positieve invloed heeft op deze functionaliteiten.
86 Dat de vorm van het litigieuze merk ervoor zorgt dat wordt voldaan aan de technische basisfunctie van verpakkingsartikelen zonder deze functie te verbeteren, heeft evenwel geen gevolgen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. Zoals het EUIPO opmerkt is de toepassing van deze bepaling immers niet afhankelijk van het bestaan van een verbeterde technische uitkomst. Aldus dient te worden benadrukt dat deze bepaling ertoe strekt de vormen van een waar te beschermen die noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen, en niet alleen de innovatieve technische uitkomsten die voor een octrooi in aanmerking komen (arrest van 21 mei 2015, Yoshida Metal Industry/EUIPO, T‑331/10 RENV en T‑416/10 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:302, punt 59).
87 Ook de bewering van interveniënte dat de vorm van het litigieuze merk, wat de stabiliteit van de waar betreft, een technische uitkomst mogelijk maakt die gelijkwaardig is aan die van andere verpakkingsvormen, is irrelevant. Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 moet bij de beoordeling van de functionaliteit van een vorm weliswaar worden nagegaan of deze noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, maar hoeft de vorm niet te worden vergeleken met andere op de markt beschikbare vormen van de waar [zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Tecnodidattica/EUIPO (Vorm van voetstukken voor globes en lampen), T‑752/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:130, punt 33].
88 Ten tweede is interveniënte van mening dat, zelfs als de voordelen voor de consument op het gebied van opslag en hanteerbaarheid van de waar als verworven zouden worden beschouwd, deze moeten worden aangemerkt als economische en commerciële uitkomsten, en niet als een technische uitkomst. Voor zover de vorm van het litigieuze merk het mogelijk maakt om de verpakking en de opslag van de waar te vergemakkelijken, moet deze worden geacht een technische functie te vervullen [zie in die zin arrest van 31 januari 2018, Novartis/EUIPO – SK Chemicals (Afbeelding van een patch), T‑44/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:48, punt 63]. Daarbovenop moet worden opgemerkt dat, zoals verzoekster en het EUIPO hebben aangevoerd, de interne richtsnoeren van het EUIPO in deel B, afdeling 4, hoofdstuk 6, punt 3, bepalen dat de term „technische uitkomst” vormen moet omvatten die met name „zo min mogelijk materiaal verbruiken” of die „de opslag of het vervoer ervan vergemakkelijken”.
89 Ten derde voert interveniënte aan dat verzoekster geen bewijs heeft geleverd van de economische voordelen die de klanten van het litigieuze merk kunnen behalen dankzij de wezenlijke kenmerken van de vorm van dat merk. Deze argumentatie sluit aan bij het standpunt van de kamer van beroep in punt 57 van de bestreden beslissing, dat in punt 66 hierboven in herinnering is gebracht en volgens hetwelk de door verzoekster aangevoerde besparingen op de transportkosten louter hypothetisch zijn, terwijl de aangevoerde voordelen op het gebied van duurzaamheid speculatief zijn wat de omvang ervan betreft.
90 Zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft opgemerkt, is artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 evenwel van toepassing op de vormen van waren die noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen, zonder dat de omvang hoeft te worden aangetoond van de voordelen die uit die technische uitkomst kunnen voortvloeien. Aangezien moet worden geoordeeld dat de vorm van het litigieuze merk het mogelijk maakt om een technische uitkomst te verkrijgen, vormt de omstandigheid dat de economische voordelen die hieruit kunnen voortvloeien moeilijk te kwantificeren of zelfs hypothetisch zijn wat de omvang ervan betreft, geen belemmering voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.
91 Ten vierde heeft interveniënte ter terechtzitting naar voren gebracht dat het tweede wezenlijke kenmerk van het litigieuze merk, namelijk de aanwezigheid van vier afgeknotte hoeken, een esthetisch element vormt waardoor de houder een onderscheidende verschijningsvorm heeft.
92 Het tweede wezenlijke kenmerk draagt er echter toe bij dat de door het litigieuze merk beschermde waar haar prismatische vorm krijgt, waardoor de verhouding tussen het inhoudsvermogen van de houder en de hoeveelheid materiaal die voor de vervaardiging ervan wordt gebruikt, kan worden verhoogd, terwijl tegelijkertijd de stabiliteit en de hanteerbaarheidseigenschappen ervan worden gewaarborgd. Het tweede wezenlijke kenmerk dat door de kamer van beroep is vastgesteld, vervult dus een technische functie, wat overigens niet wordt betwist door interveniënte.
93 Uit de rechtspraak blijkt echter dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 niet van toepassing is wanneer er een belangrijk niet-functioneel element bestaat, zoals een sier- of fantasie-element, dat een wezenlijk kenmerk van het omstreden merk vormt maar niet noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen [arrest van 6 december 2023, BB Services/EUIPO – Lego Juris (Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd), T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 121].
94 Daarentegen kan het feit dat een wezenlijk element van het litigieuze merk dat noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, bovendien een esthetische waarde of een ongebruikelijk karakter heeft, de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 niet uitsluiten [arrest van 5 juli 2023, Wajos/EUIPO (Vorm van een fles), T‑10/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:377, punt 45].
95 Bijgevolg is het feit dat het tweede wezenlijke kenmerk, naast zijn technische functie, ook een esthetische waarde kan hebben en ertoe kan bijdragen dat het litigieuze merk een ongebruikelijke vorm krijgt, niet van dien aard dat het de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 belemmert.
96 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster terecht aanvoert dat de kamer van beroep artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 onjuist heeft toegepast door tot de slotsom te komen dat deze bepaling in casu niet van toepassing was omdat de door de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk verkregen technische uitkomst uitsluitend betrekking had op het fabricageproces van de waar zelf, zonder invloed te hebben op de functie die door deze waar wordt vervuld.
97 Bijgevolg heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat verzoekster de nietigheid van het litigieuze merk niet kon inroepen op grond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van die verordening.
98 Er zij op gewezen dat verzoekster niet opkomt tegen de tweede grond voor de bestreden beslissing, waarmee de kamer van beroep de vordering tot nietigverklaring heeft verworpen voor zover deze gebaseerd was op artikel 51, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94. Aangezien de in de punten a) en b) van dit lid genoemde nietigheidsgronden echter los van elkaar staan, volstaat het dat één ervan gegrond is om de nietigheid van het litigieuze merk te rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 19 juni 2025, CeramTec, C‑17/24, EU:C:2025:455, punt 49).
99 Aangezien verzoekster op goede gronden kan stellen dat de kamer van beroep de eerste door haar aangevoerde nietigheidsgrond ten onrechte heeft afgewezen, volgt hieruit dat die kamer het door interveniënte bij haar ingestelde beroep alleen al om die reden had moeten verwerpen.
100 Bijgevolg dient de bestreden beslissing te worden vernietigd.
Vordering tot wijziging van de bestreden beslissing
101 In haar verzoekschrift vorderde verzoekster dat het Gerecht „de inschrijving van het [litigieuze] merk nietig verklaart”. Ter terechtzitting heeft verzoekster verduidelijkt dat deze vordering aldus moet worden begrepen dat zij verzoekt om de bestreden beslissing in die zin te wijzigen dat het door interveniënte bij de kamer van beroep ingestelde beroep wordt verworpen.
102 In dit verband volgt uit artikel 72, leden 2 en 3, van verordening 2017/1001 dat het Gerecht de beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO kan vernietigen of wijzigen. Die bevoegdheid tot wijziging impliceert evenwel niet dat het Gerecht bevoegd is om over te gaan tot een beoordeling waarover de kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen. De uitoefening van die bevoegdheid tot wijziging is namelijk beperkt tot situaties waarin het Gerecht, na toetsing van de beoordeling van de kamer van beroep, in staat is om op basis van de gegevens feitelijk en rechtens, zoals die zijn vastgesteld, te bepalen welke beslissing de kamer van beroep had moeten nemen (zie in die zin arrest van 23 januari 2025, EUIPO/Neoperl, C‑93/23 P, EU:C:2025:33, punten 68 en 69).
103 In casu is het Gerecht, na toetsing van de beoordeling die de kamer van beroep heeft verricht met betrekking tot de nietigheidsgrond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), in staat om te bepalen welke beslissing de kamer van beroep had moeten nemen, zodat het Gerecht bevoegd is om de bestreden beslissing te wijzigen.
104 Aangezien verzoeksters enige middel is toegewezen, volgt hieruit dat de kamer van beroep, zoals de nietigheidsafdeling, had moeten oordelen dat het litigieuze merk nietig was op grond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van die verordening. De kamer van beroep was dan ook verplicht om het beroep dat interveniënte bij haar had ingesteld, te verwerpen. Het Gerecht dient derhalve de bestreden beslissing in die zin te wijzigen dat het bij de kamer van beroep ingestelde beroep wordt verworpen [zie in die zin arrest van 16 mei 2017, Airhole Facemasks/EUIPO – sindustrysurf (AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT), T‑107/16, EU:T:2017:335, punten 48 tot en met 50].
Kosten
105 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
106 Aangezien de bestreden beslissing wordt vernietigd en gewijzigd, wordt interveniënte in het ongelijk gesteld. Hetzelfde geldt voor het EUIPO, ondanks de subsidiaire vordering van het EUIPO om het beroep toe te wijzen [zie in die zin arrest van 18 juni 2019, W. Kordes' Söhne Rosenschulen/EUIPO (Kordes Rose Monique), T‑569/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:421, punt 40].
107 Er zij op gewezen dat verzoekster heeft gevorderd dat het EUIPO „of, in voorkomend geval,” interveniënte wordt verwezen in de kosten. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat verzoekster vordert dat primair het EUIPO, of subsidiair interveniënte, wordt verwezen in de kosten. Bijgevolg dient het EUIPO overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.
108 Interveniënte zal haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT (Zevende kamer, zitting hebbend met vijf rechters), rechtdoende, verklaart:
1) De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 6 december 2024 (zaak R 12/2024‑4) wordt vernietigd en in die zin gewijzigd dat het door Tetra Laval Holdings & Finance SA bij het EUIPO ingestelde beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling van 6 november 2023 wordt verworpen.
2) Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Lami Packaging (Kunshan) Co. Ltd.
3) Tetra Laval Holdings & Finance SA wordt verwezen in haar eigen kosten.
Kecsmár Madise Nihoul Öberg Truchot Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juni 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 9 juli 2025, T-1171/23, ECLI:EU:T:2025:691
- HvJ EU 19 juni 2025, C-17/24, ECLI:EU:C:2025:455
- Gerecht EU 6 december 2023, T-297/22, ECLI:EU:T:2023:780
- HvJ EU 23 april 2020, C-237/19, ECLI:EU:C:2020:296
- Gerecht EU 16 mei 2017, T-107/16, ECLI:EU:T:2017:335
- HvJ EU 10 november 2016, C-30/15, ECLI:EU:C:2016:849
- HvJ EU 16 september 2015, C-215/14, ECLI:EU:C:2015:604
- HvJ EU 18 september 2014, C-205/13, ECLI:EU:C:2014:2233
- HvJ EU 11 december 2012, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781
- HvJ EU 14 september 2010, C-48/09, ECLI:EU:C:2010:516
- HvJ EU 18 juni 2002, C-299/99, ECLI:EU:C:2002:377