Gerecht EU 9 juli 2025, T-1171/23, ECLI:EU:T:2025:691

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

9 juli 2025 ( *1 )

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Driedimensionaal Uniemerk – Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben en van elkaar verschillen door hun kleuren – Absolute nietigheidsgrond – Teken dat uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen – Artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening (EG) nr. 40/94”

In zaak T‑1171/23,

Spin Master Toys UK Ltd, gevestigd te Marlow (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door V. von Bomhard en A. Malkmes, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája en V. Ruzek als gemachtigden,

verweerster,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Verdes Innovations SA, gevestigd te Chiliomodi (Griekenland), vertegenwoordigd door R. Kunze, advocaat,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva (rapporteur) en E. Tichy-Fisslberger, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 15 november 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Spin Master Toys UK Ltd, vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 oktober 2023 (zaak R 850/2022‑1) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 25 januari 2013 heeft interveniënte, Verdes Innovations SA, bij het EUIPO een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het Uniemerk dat op 9 januari 2008 onder nr. 5696232 was ingeschreven na een op 6 februari 2007 door Seven Towns Ltd – rechtsvoorganger van verzoekster – ingediende aanvraag voor het volgende driedimensionale teken:

3 Bij de weergave van het litigieuze merk was de volgende beschrijving gevoegd: „Zes oppervlakken, geometrisch verdeeld in drie paren met parallelle oppervlakken, waarbij elk paar loodrecht ten opzichte van de andere twee paren staat, gekenmerkt door (i) elke twee naast elkaar liggende oppervlakken hebben verschillende kleuren, te weten rood (PMS 200C), groen (PMS 347), blauw (PMS 293C), oranje (PMS 021C), geel (PMS 012C) en wit en (ii) elk oppervlak heeft een roosterstructuur gevormd door zwarte lijnen die het oppervlak in negen gelijke delen verdelen; de grafische weergave van het merk toont twee driedimensionale blikken op het merk vanaf de zijkant en een vooraanzicht op elk van de zes zijden.”

4 Het litigieuze merk bevatte ook een aanspraak op de volgende kleuren: „Rood (PMS 200C), groen (PMS 347), blauw (PMS 293C), oranje (PMS 021C), geel (PMS 012C) en wit.”

5 De door het litigieuze merk aangeduide waren waarvoor nietigverklaring werd gevorderd, behoren tot klasse 28 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Speelgoed, spellen, speelgoederen en legpuzzels, driedimensionale puzzels; elektronische spelapparaten; elektronische spellen op handformaat”.

6 De vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op artikel 52, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder a), b), c) en e), van deze verordening.

7 Op 4 juni 2014 heeft de nietigheidsafdeling de bij haar aanhangige procedure geschorst in afwachting van een definitieve beslissing op de door Simba Toys ingestelde vordering tot nietigverklaring van driedimensionaal Uniemerk nr. 162784, dat als volgt in zwart-wit een driedimensionale puzzel genaamd Rubik’s Cube weergeeft:

8 Het Gerecht heeft uitspraak gedaan bij arrest van 25 november 2014, Simba Toys/BHIM – Seven Towns (Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben) (T‑450/09, EU:T:2014:983). Het Hof heeft dit arrest van het Gerecht en de beslissing van de kamer van beroep vernietigd bij arrest van 10 november 2016, Simba Toys/EUIPO (C‑30/15 P, EU:C:2016:849). Bij beslissing R 452/2017‑1 van 19 juni 2017 heeft de kamer van beroep driedimensionaal Uniemerk nr. 162784 nietig verklaard op grond van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van deze verordening. Het Gerecht heeft deze beslissing bevestigd bij arrest van 24 oktober 2019, Rubik’s Brand/EUIPO – Simba Toys (Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben) (T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765). Het Hof heeft de hogere voorziening tegen dat arrest van het Gerecht niet toegelaten (beschikking van 23 april 2020, Rubik’s Brand/EUIPO, C‑936/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:286).

9 Op 22 januari 2021 is de procedure tot nietigverklaring van het litigieuze merk hervat.

10 Op 25 maart 2022 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk volledig toegewezen op grond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009.

11 Op 16 mei 2022 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

12 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen. In het bijzonder heeft zij geoordeeld dat de kleuren van de blokjes op elk vlak van de kubus een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk vormden en integrerend deel uitmaakten van de vorm van dit merk. De kamer van beroep heeft vastgesteld dat de combinatie van deze zes verschillende kleuren noodzakelijk was om een technische uitkomst te verkrijgen. Zij heeft in wezen geoordeeld dat dit merk in strijd met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009 was ingeschreven voor alle waren waarop de inschrijving betrekking had.

Conclusies van partijen

13 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

14 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

15 Interveniënte verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Gerecht en bij de kamer van beroep.

In rechte

16 Gelet op de datum van indiening van de betrokken inschrijvingsaanvraag, te weten 6 februari 2007, die bepalend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, gelden voor de feiten van de onderhavige zaak de materiële bepalingen van verordening nr. 40/94 (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM,C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40, en arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17 Bijgevolg dienen in casu, wat de materiële regels betreft, de door de kamer van beroep in de bestreden beslissing en door partijen in hun schriftelijke stukken gemaakte verwijzingen naar artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009 en artikel 52, lid 1, onder a), van deze verordening te worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 en artikel 51, lid 1, onder a), van deze verordening, waarvan de inhoud in wezen identiek is wat het onderhavige geding betreft.

18 Aangezien procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de dag waarop zij in werking treden (zie arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje,C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), valt het onderhavige geding voorts onder de procedurele bepalingen van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).

19 Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan, te weten schending van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 juncto artikel 51, lid 1, onder a), van deze verordening. Dit middel bestaat uit drie onderdelen: ten eerste een onjuiste beoordeling bij de identificatie van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk, ten tweede een onjuiste beoordeling bij de analyse van het functionele karakter van dit merk en ten derde een onjuiste beoordeling met betrekking tot „legpuzzels”. Verzoekster voert in wezen aan dat het litigieuze driedimensionale merk wezenlijke kenmerken heeft, te weten de combinatie van zes specifieke kleuren en de schikking ervan op de zes vlakken van de kubus, die niet uitsluitend uit de vorm bestaan en die in elk geval niet noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen.

20 Uit artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 40/94 volgt met name dat het Uniemerk op vordering bij het EUIPO nietig wordt verklaard wanneer dit merk is ingeschreven in strijd met artikel 7 van deze verordening.

21 Volgens artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 wordt inschrijving geweigerd van tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen.

22 Er zij aan herinnerd dat het verbod van inschrijving van de in artikel 7, lid 1, onder e), van verordening nr. 40/94 bedoelde vormen als naaste doel heeft te voorkomen dat het door een merk verleende exclusieve en duurzame recht kan worden gebruikt ter vereeuwiging, zonder beperking in de tijd, van andere rechten die de Uniewetgever aan verjaring heeft willen onderwerpen [zie in die zin arrest van 6 december 2023, BB Services/EUIPO – Lego Juris (Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd), T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

23 Het aan artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 ten grondslag liggende belang bestaat erin te verhinderen dat als gevolg van het merkenrecht een onderneming een monopolie wordt toegekend op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een waar (zie in die zin en naar analogie arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Bij een juiste toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 worden de wezenlijke kenmerken van het betrokken driedimensionale teken naar behoren vastgesteld. De uitdrukking „wezenlijke kenmerken” moet aldus worden opgevat dat het gaat om de belangrijkste elementen van het teken (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 68 en 69; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 47, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 102).

25 De identificatie van de wezenlijke kenmerken van een teken moet geval per geval worden verricht, zonder dat er sprake is van een systematische hiërarchie tussen de verschillende typen van elementen die een teken kan bevatten. Ofwel wordt zij rechtstreeks op basis van de door het teken opgeroepen totaalindruk verricht, ofwel wordt eerst een achtereenvolgend onderzoek van elk bestanddeel van het teken verricht (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 70; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 48, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 103).

26 Bijgevolg kan de identificatie van de wezenlijke kenmerken van een driedimensionaal teken al naargelang het geval en in het bijzonder gelet op de moeilijkheidsgraad ervan, worden verricht aan de hand van een eenvoudige visuele analyse van dit teken, of daarentegen worden gebaseerd op een uitvoerig onderzoek in het kader waarvan rekening wordt gehouden met voor de beoordeling nuttige elementen, zoals opinieonderzoeken en deskundigenonderzoeken, of met gegevens inzake intellectuele-eigendomsrechten die eerder in verband met de betrokken waar zijn verleend (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 71; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 49, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 104).

27 De bevoegde autoriteit kan dus een grondig onderzoek verrichten in het kader waarvan niet alleen rekening wordt gehouden met de grafische voorstelling en de eventuele beschrijvingen die op het ogenblik van de inschrijvingsaanvraag werden verstrekt, maar ook met elementen die nuttig zijn voor de juiste vaststelling van de wezenlijke kenmerken van een teken (arresten van 6 maart 2014, Pi-Design e.a./Yoshida Metal Industry, C‑337/12 P–C‑340/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:129, punt 54, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 105).

28 Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van de wezenlijke kenmerken van het betrokken teken in beginsel weliswaar eerst de grafische voorstelling van dit teken moet onderzoeken, maar dat zij ook gebruik kan maken van andere relevante informatie aan de hand waarvan deze kenmerken correct kunnen worden bepaald, zoals de perceptie door het doelpubliek (arresten van 23 april 2020, Gömböc,C‑237/19, EU:C:2020:296, punten 30, 31 en 37, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 106).

29 Bovendien is noch het onderscheidend vermogen van de bestanddelen van een teken, noch het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van een teken relevant om de wezenlijke kenmerken ervan vast te stellen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 [arrest van 24 september 2019, Roxtec/EUIPO – Wallmax (Weergave van een zwart vierkant met daarin zeven concentrische blauwe cirkels), T‑261/18, EU:T:2019:674, punt 64, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 108].

30 De vaststelling van de wezenlijke kenmerken van de betreffende vorm in het kader van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 beoogt specifiek het onderzoek van het functionele karakter van die vorm mogelijk te maken [arresten van 24 september 2019, Weergave van een zwart vierkant met daarin zeven concentrische blauwe cirkels,T‑261/18, EU:T:2019:674, punt 55; 30 maart 2022, Établissement Amra/EUIPO – eXpresio, estudio creativo (Vorm van een laars met opspringend effect), T‑264/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:193, punt 41, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 109]. Deze vaststelling moet dus objectief worden verricht in het licht van de technische uitkomst die door deze vorm wordt verkregen.

31 Zodra de wezenlijke kenmerken van het teken zijn geïdentificeerd, dient het EUIPO nog na te gaan of al deze kenmerken beantwoorden aan de technische functie of een van de technische functies van de betrokken waar (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 72; 23 april 2020, Gömböc,C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 110), dat wil zeggen een analyse van het functionele karakter van het teken te verrichten.

32 Bij de analyse van het functionele karakter van een teken in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 moeten de wezenlijke kenmerken van de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen zo veel mogelijk worden beoordeeld op basis van de technische functie van de concrete weergegeven waar. Een dergelijke analyse kan niet worden verricht zonder dat in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de bijkomende elementen die betrekking hebben op de functie van de concrete waar, ook al zijn deze niet zichtbaar in de voorstelling (arrest van 10 november 2016, Simba Toys/EUIPO,C‑30/15 P, EU:C:2016:849, punten 46 en 48, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 111).

33 Bij de analyse van het functionele karakter van een teken in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 is de Unierechter dus niet gebonden door de functies die zichtbaar zijn in de grafische voorstelling van het merk, maar moet hij rekening houden met de andere elementen van de concrete waar, zoals het draaimechanisme in het geval van de Rubik’s Cube (zie in die zin arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punten 85 en 86), de onderzijde van een blokje in het geval van het Legoblokje [arrest van 12 november 2008, Lego Juris/BHIM – Mega Brands (Rood Legoblokje), T‑270/06, EU:T:2008:483, punt 78] en, voor een pleister, met de werkingswijze ervan [arrest van 31 januari 2018, Novartis/EUIPO – SK Chemicals (Afbeelding van een patch), T‑44/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:48, punt 37]. De Unierechter mag echter aan de vorm van de concrete waar geen elementen toevoegen die daarvan geen deel uitmaken (arresten van 3 juni 2021, Yokohama Rubber en EUIPO/Pirelli Tyre, C‑818/18 P en C‑6/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:431, punten 62‑66, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 112).

34 Wat het onderzoek betreft of deze kenmerken beantwoorden aan een technische functie van de betrokken waar, kunnen gegevens die niet uit de grafische voorstelling van het teken blijken slechts in aanmerking worden genomen voor zover die gegevens voortkomen uit objectieve en betrouwbare bronnen en kunnen zij geen betrekking hebben op de perceptie van het teken door het doelpubliek (arrest van 23 april 2020, Gömböc,C‑237/19, EU:C:2020:296, punt 37, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 113).

35 De voorwaarde dat de inschrijving van een vorm van een waar als Uniemerk enkel kan worden geweigerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 wanneer de vorm „noodzakelijk” is om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen, betekent niet dat de betrokken vorm de enige moet zijn waarmee die uitkomst kan worden verkregen (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punt 53; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 46, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 114).

36 Het bestaan van andere vormen waarmee dezelfde technische uitkomst kan worden verkregen vormt voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 geen omstandigheid waardoor de weigeringsgrond wordt opzijgezet (zie arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 58 en 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 115).

37 Met andere woorden, artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 staat in de weg aan inschrijving van elke vorm die, wat de wezenlijke kenmerken ervan betreft, uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die technisch de oorzaak is van en voldoende is voor het verkrijgen van de beoogde technische uitkomst, zelfs indien deze uitkomst kan worden verkregen door andere vormen die dezelfde of een andere technische oplossing gebruiken (arresten van 12 november 2008, Rood Legoblokje,T‑270/06, EU:T:2008:483, punt 43, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 116).

38 In het kader van het onderzoek van het functionele karakter van een teken bestaande uit de vorm van een waar hoeft enkel te worden beoordeeld, nadat de wezenlijke kenmerken van dit teken werden vastgesteld, of deze kenmerken beantwoorden aan de technische functie van de betrokken waar. Dit onderzoek betreft natuurlijk de analyse van het teken waarvan inschrijving als merk is aangevraagd of dat wordt bestreden, en niet van tekens bestaande uit andere vormen van de waar. Bij de beoordeling van de technische functionaliteit van de kenmerken van een vorm kan onder meer rekening worden gehouden met documenten inzake oudere octrooien die de functionele elementen van de betrokken vorm beschrijven (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 84 en 85, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 117).

39 Inschrijving wordt enkel geweigerd van vormen van een waar die louter een technische oplossing verwerken en waarvan de inschrijving als merk dus werkelijk het gebruik van deze technische oplossing door andere ondernemingen zou hinderen. De merkhouder zou op grond van de merkinschrijving van een zuiver functionele vorm van een waar de andere ondernemingen niet alleen het gebruik van dezelfde vorm kunnen verbieden, maar ook het gebruik van overeenstemmende vormen [arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 48 en 56; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punten 45 en 46, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 118].

40 De aanwezigheid van een of meerdere ondergeschikte willekeurige elementen in een teken waarin alle wezenlijke elementen zijn ingegeven door de technische oplossing die in dit teken tot uitdrukking komt, heeft geen invloed op de vaststelling dat dit teken uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen. De aanwezigheid van niet-wezenlijke kenmerken zonder technische functie is in dit kader irrelevant (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 11 mei 2017, Yoshida Metal Industry/EUIPO,C‑421/15 P, EU:C:2017:360, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 119).

41 Het feit dat een wezenlijk bestanddeel van het litigieuze merk, dat noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, bovendien een esthetische waarde of een ongebruikelijke aard heeft, kan de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 niet uitsluiten [arrest van 5 juli 2023, Wajos/EUIPO (Vorm van een fles), T‑10/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:377, punt 45].

42 Bovendien staat het feit dat de combinatie van uitsluitend functionele elementen een algemene esthetische waarde heeft of bijdraagt tot het creëren van een sierimago van het in geding zijnde merk, niet in de weg aan de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 [zie in die zin arresten van 19 september 2012, Reddig/BHIM – Morleys (Messenheft), T‑164/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:443, punt 40, en 5 juli 2023, Vorm van een fles, T‑10/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:377, punt 49].

43 Artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 is daarentegen niet van toepassing wanneer het aangevraagde of litigieuze merk betrekking heeft op een vorm van een waar waarin een niet-functioneel element, zoals een sier- of fantasie-element, een belangrijke rol speelt. In dit geval hebben de concurrerende ondernemingen gemakkelijk toegang tot alternatieve vormen met een gelijkwaardig functioneel karakter, zodat er geen gevaar bestaat dat afbreuk wordt gedaan aan de beschikbaarheid van de technische oplossing. Die oplossing kan in deze hypothese probleemloos door de concurrenten van de merkhouder worden gebruikt in vormen van de waren die niet hetzelfde niet-functionele element hebben als de vorm van de waar van die merkhouder en die dus niet identiek zijn aan of overeenstemmen met laatstgenoemde vorm (arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 52 en 72; 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 50, en 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punten 119 en 120).

44 Om als belangrijk willekeurig element te kunnen worden aangemerkt, moet een niet-functioneel element voldoende significant zijn [arrest van 13 november 2024, Boehringer Ingelheim Pharma/EUIPO – Glenmark Pharmaceuticals Europe (Vorm van een inhalator), T‑524/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:809, punt 54].

45 Uit het voorgaande volgt dat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 slechts toepassing kan vinden indien elk van de wezenlijke kenmerken van het betrokken teken noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen waarvoor de betrokken waar is bestemd. Deze weigeringsgrond is daarentegen niet van toepassing zodra er een belangrijk niet-functioneel element bestaat, zoals een sier- of fantasie-element, dat een wezenlijk kenmerk van dat teken vormt maar niet noodzakelijk is om een dergelijke technische uitkomst te verkrijgen (arrest van 6 december 2023, Vorm van een speelgoedfiguurtje met nopje op het hoofd,T‑297/22, EU:T:2023:780, punt 121). De aanwezigheid van niet-wezenlijke, zelfs niet-functionele, kenmerken staat echter niet in de weg aan de toepassing van deze grond.

46 Kortom, de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 is van toepassing indien alle wezenlijke kenmerken van de betrokken vorm functioneel zijn, tenzij er ten minste één niet-functioneel wezenlijk kenmerk bestaat, ongeacht of een niet-wezenlijk kenmerk niet-functioneel is.

47 In het licht van deze beginselen dient, na twee inleidende opmerkingen, de gegrondheid van verzoeksters enige middel te worden onderzocht.

Opmerkingen vooraf

Type van het litigieuze merk

48 In punt 51 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat tussen partijen vaststond dat het litigieuze merk overeenkwam met de vorm van een driedimensionale puzzel die door Ernő Rubik was uitgevonden en sinds de jaren 80 met succes onder de naam Rubik’s Cube werd verkocht.

49 In dit verband moet meteen worden benadrukt dat het litigieuze merk is aangevraagd en ingeschreven als driedimensionaal merk of vormmerk, en niet als tweedimensionaal merk of patroonmerk dat wordt toegepast op de oppervlakken van een vorm, noch als positiemerk dat op een vorm is geplaatst of aangebracht, noch als kleurmerk als zodanig, ongeacht elke vorm. Het litigieuze merk is in wezen een 3x3-versie van de driedimensionale puzzel die bekend staat onder de naam Rubik’s Cube.

50 Uit de rechtspraak blijkt dat de aanvrager bij de indiening van een Uniemerkaanvraag bij het EUIPO een keuze maakt die de omvang van de verleende bescherming afbakent naargelang van het type van het aangevraagde merk. Het EUIPO moet dus rekening houden met de keuze die de aanvrager in zijn aanvraag heeft gemaakt en daaruit de nodige consequenties trekken. Bovendien heeft het vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid dat voortvloeit uit artikel 4 van verordening nr. 40/94, zoals dit naar analogie is uitgelegd in het arrest van 12 december 2002, Sieckmann (C‑273/00, EU:C:2002:748, punten 46‑55), als hoofddoel de rechtszekerheid te waarborgen door ervoor te zorgen dat het voorwerp van de door het EUIPO verleende bescherming duidelijk wordt bepaald ten opzichte van de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers, in het bijzonder de concurrenten van de aanvrager. Dit vereiste geldt des te meer wanneer het, overeenkomstig het door artikel 7, lid 1, onder e), ii), van deze verordening beschermde algemeen belang, erom gaat de invoering van een potentieel blijvend monopolie op een technische oplossing te voorkomen [zie in die zin arrest van 27 juni 2017, Flamagas/EUIPO – MatMind (CLIPPER), T‑580/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:433, punten 35 en 36].

51 In casu dient dus rekening te worden gehouden met de keuze van verzoekster (of haar rechtsvoorganger) om het litigieuze merk als driedimensionaal merk of vormmerk in te dienen.

Technische uitkomst van het litigieuze merk

52 In de punten 53 en 54 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep verwezen naar haar beslissing R 452/2017‑1 van 19 juni 2017 (hierna: „aangehaalde beslissing”), waarin zij een merk had onderzocht dat overeenkwam met een zwart-wit Rubik’s Cube met de kleine blokjes in rijen van 3x3 op elk vlak. Zij had de door de betrokken driedimensionale puzzel beoogde technische uitkomst beschreven als een „spel dat erin bestaat een driedimensionale kleurpuzzel in kubusvorm te reconstrueren door zes vlakken met een verschillende kleur in elkaar te zetten” en preciseerde dat „[d]eze doelstelling wordt bereikt door de rijen van kleinere blokjes van verschillende kleuren verticaal en horizontaal om een as te laten draaien totdat de negen blokjes van elk vlak van de kubus dezelfde kleur hebben” (punt 32 van de aangehaalde beslissing).

53 Deze beoordeling van de technische uitkomst door de kamer van beroep – die door het Gerecht reeds is bevestigd in het arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben (T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punten 80‑83), zoals de kamer van beroep heeft opgemerkt en zonder dat dit door verzoekster wordt betwist – dient te worden bevestigd en dient mutatis mutandis te worden toegepast op de gekleurde 3x3-versie van de Rubik’s Cube, die in casu het litigieuze merk vormt.

Eerste onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling bij de identificatie van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk

54 Met het eerste onderdeel van het enige middel verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 heeft geschonden door deze bepaling toe te passen op het litigieuze merk, hoewel dit niet uitsluitend uit een vorm bestaat. Zoals de kamer van beroep heeft erkend, is een van de wezenlijke kenmerken ervan de specifieke schikking van zes specifieke kleuren op de zes vlakken van de kubus. Deze schikking maakt geen integrerend deel uit van de vorm van de waar en kan daarmee niet worden gelijkgesteld. Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij niet heeft erkend dat kleur niet kan worden gelijkgesteld met de „vorm”, in strijd met de definitie van het begrip „vorm” in de rechtspraak van het Hof.

55 Meer in het bijzonder valt het eerste onderdeel uiteen in een inleidende bewering en een hoofdgrief.

Inleidende bewering inzake de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk

56 Met een inleidende bewering, die de premisse vormt van haar hoofdgrief, voert verzoekster aan dat het ontwerp van het oppervlak in zes verschillende kleuren een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk vormt, zoals de kamer van beroep na de nietigheidsafdeling heeft bevestigd. Verzoekster stelt dat het derde wezenlijke kenmerk van dit merk, naast de vorm van de kubus en de roosterstructuur, door de kamer van beroep in punt 52 van de bestreden beslissing terecht is omschreven als de specifieke schikking van de zes specifieke kleuren in kwestie.

57 In dit verband betoogt verzoekster ook dat de grafische voorstelling van het litigieuze merk geen enkele twijfel liet bestaan over het feit dat het voorwerp ervan hoofdzakelijk de zes specifieke kleuren met een specifieke schikking was, aangezien de kleuren duidelijk worden gespecificeerd door middel van Pantone-codes en de plaats ervan op de kubus wordt verduidelijkt door de driedimensionale afbeeldingen en door de in punt 3 hierboven aangehaalde beschrijving. Dat verzoekster (of haar rechtsvoorganger) niet hoofdzakelijk de vorm als zodanig wilde beschermen, maar het ontwerp van het oppervlak, dat wil zeggen de specifieke kleuren en de schikking ervan op de kubus, blijkt zeer duidelijk uit die beschrijving.

58 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

59 Er zij aan herinnerd dat bij een juiste toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 de wezenlijke kenmerken van het betrokken driedimensionale teken naar behoren worden vastgesteld (zie punt 24 hierboven).

60 In punt 52 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep verklaard dat tussen partijen vaststond dat de voorstelling van het litigieuze merk de volgende wezenlijke kenmerken vertoonde: – een kubusvorm; – een zwart rooster op elk vlak van de kubus bestaande uit blokjes in rijen van 3x3; – zes verschillende kleuren voor de blokjes op elk respectief vlak van de kubus, te weten rood, groen, blauw, oranje, geel en wit.

61 Wat het bovengenoemde derde wezenlijke kenmerk van het litigieuze merk betreft, dient verzoeksters inleidende bewering dat de specifieke schikking van de zes specifieke kleuren een wezenlijk kenmerk van dit merk is, zoals de kamer van beroep in punt 52 van de bestreden beslissing zou hebben omschreven, van de hand te worden gewezen. In navolging van het EUIPO dient immers te worden geoordeeld dat een dergelijke identificatie van het derde wezenlijke kenmerk van dit merk niet voorkomt in de bestreden beslissing en bovendien onjuist is.

62 In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep niet verwijst naar een „specifieke schikking van specifieke kleuren” als wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk, maar veeleer benadrukt dat deze kleuren verschillend zijn en dat deze verschillende kleuren respectievelijk op elk vlak van de kubus voorkomen. De opsomming door de kamer van beroep van de zes kleuren (rood, groen, blauw, oranje, geel en wit) bestaat enkel in een beschrijving van de kleuren die op de vlakken van de kubus in dit merk voorkomen. Een dergelijke opsomming kan niet aldus worden uitgelegd dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat deze specifieke kleuren en de specifieke schikking ervan een wezenlijk kenmerk van dit merk vormden.

63 Dit wordt bevestigd door het feit dat de kamer van beroep ten eerste de „zes verschillende kleuren” heeft omschreven als een en hetzelfde wezenlijke kenmerk en niet als zes afzonderlijke wezenlijke kenmerken, en ten tweede, anders dan verzoekster stelt, niet heeft verwezen naar een „specifieke schikking” van deze kleuren. De kamer van beroep heeft enkel erkend dat deze kleuren op elk vierkant van elk vlak van de kubus verschillend waren en heeft zich ertoe beperkt deze kleuren zo eenvoudig mogelijk te beschrijven.

64 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de vaststelling van de wezenlijke kenmerken van de betreffende vorm in het kader van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 objectief moet worden verricht in het licht van de door die vorm verkregen technische uitkomst en specifiek beoogt het onderzoek van het functionele karakter van die vorm mogelijk te maken (zie punt 30 hierboven). Voorts moet de uitdrukking „wezenlijke kenmerken” aldus worden opgevat dat het gaat om de belangrijkste elementen van het teken (zie punt 24 hierboven), in tegenstelling tot ondergeschikte willekeurige elementen (zie punt 40 hierboven).

65 In casu moet worden vastgesteld dat zowel het onderzoek van de individuele elementen van het litigieuze driedimensionale merk als het onderzoek van de door dit merk opgeroepen totaalindruk, met name gelet op het feit dat een dergelijk onderzoek moet worden verricht in het licht van de door de betreffende vorm verkregen technische uitkomst en specifiek beoogt het onderzoek van het functionele karakter van die vorm mogelijk te maken, tot de conclusie leidt dat de zes specifieke kleuren (rood, groen, blauw, oranje, geel en wit) die op de vlakken van de kubus zijn aangebracht en de vermeende „specifieke schikking” ervan, geen wezenlijk kenmerk van dit merk vormen.

66 Om de hiernavolgende redenen moeten de zes specifieke kleuren en de vermeende „specifieke schikking” ervan immers worden geacht van gering en ondergeschikt belang te zijn ten opzichte van de vorm van de kubus, de roosterstructuur en het onderscheid tussen de vlakken van de kubus, namelijk het feit dat zij van elkaar kunnen worden onderscheiden.

67 Ten eerste moet worden vastgesteld dat de zes specifieke kleuren in kwestie, zoals daarop aanspraak is gemaakt, basiskleuren zijn, hetgeen suggereert dat zij van gering en ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de vorm. Gelet op de aard ervan als basiskleur beantwoorden deze kleuren enkel aan de functie om de verschillende vlakken van de kubus te onderscheiden door hetgeen het Gerecht een „contrasterend effect” heeft genoemd (arrest van 24 oktober 2019,Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 88). Bovendien zijn dergelijke basiskleuren, voor zover zij niet als functioneel worden beschouwd, onvoldoende significant om als belangrijke willekeurige elementen te worden aangemerkt (zie punt 44 hierboven).

68 Hieruit volgt dat de specifieke aard van deze zes kleuren geen wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk is, in tegenstelling tot het onderscheid tussen die kleuren en het contrasterend effect dat dit onderscheid oproept.

69 Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd dat uit de bestreden beslissing niet bleek dat de zes betrokken kleuren basiskleuren waren. Het EUIPO heeft hierop geantwoord dat deze aard als basiskleur uitdrukkelijk bleek uit een beoordeling door de nietigheidsafdeling in haar beslissing, die de kamer van beroep had overgenomen door deze te bevestigen. In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer de kamer van beroep de beslissing van de lagere instantie van het EUIPO in haar geheel bevestigt, deze beslissing en de motivering ervan deel uitmaken van de context waarin de beslissing van de kamer van beroep is vastgesteld, een context waarmee partijen bekend zijn en die de rechter in staat stelt, zijn rechtmatigheidstoezicht met betrekking tot de juistheid van de beoordeling van de kamer van beroep in volle omvang uit te oefenen [arrest van 9 juli 2008, Reber/BHIM – Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Mozart), T‑304/06, EU:T:2008:268, punt 47]. In casu moet worden opgemerkt dat de nietigheidsafdeling deze zes kleuren op bladzijde 20 van haar beslissing daadwerkelijk tweemaal als „basiskleuren” heeft aangemerkt.

70 Ten tweede dient in navolging van het EUIPO te worden opgemerkt dat de door verzoekster aangevoerde vermeende „specifieke schikking” van de kleuren op de vlakken van de kubus niet duidelijk blijkt uit de grafische voorstelling van het litigieuze merk. Uit de grafische voorstelling blijkt weliswaar dat de kleuren geel, groen en rood enerzijds en de kleuren blauw, wit en oranje anderzijds „naast elkaar liggen”, maar het is niet duidelijk welke andere kleuren naast elk van deze kleuren liggen of wat de door verzoekster aangevoerde „specifieke schikking” van de kleuren op de vlakken van de kubus is, aangezien een dergelijke „specifieke schikking” niet ondubbelzinnig blijkt uit de grafische voorstelling van het litigieuze merk en de beschrijving ervan. Verzoekster kan zich in werkelijkheid niet beroepen op een „specifieke schikking” van de kleuren door middel van een duidelijke en ondubbelzinnige voorstelling en beschrijving van alle naast elkaar liggende kleuren, hetgeen erop wijst dat het voornaamste voorwerp van het litigieuze driedimensionale merk de vorm van de kubus, de roosterstructuur en het kleurenonderscheid op elk vlak van de kubus is.

71 Hieruit volgt dat de door verzoekster aangevoerde vermeende „specifieke schikking” geen wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk vormt, in tegenstelling tot het contrasterend effect dat wordt opgeroepen door het kleurenonderscheid.

72 Ten derde en anders dan verzoekster stelt, blijkt uit de beschrijving van het litigieuze merk niet „zeer duidelijk” of verzoekster (of haar rechtsvoorganger) hoofdzakelijk de vorm als zodanig dan wel het ontwerp van het oppervlak – of beide – heeft willen beschermen. Noch het door verzoekster (of haar rechtsvoorganger) gekozen type van het litigieuze merk (te weten een driedimensionaal merk), noch de beschrijving van dit merk, die begint met „zes oppervlakken, geometrisch verdeeld in drie paren met parallelle oppervlakken, waarbij elk paar loodrecht ten opzichte van de andere twee paren staat” en na de identificatie van de kleuren vervolgt met „elk oppervlak heeft een roosterstructuur gevormd door zwarte lijnen die het oppervlak in negen gelijke delen verdelen; de grafische weergave van het merk toont twee driedimensionale blikken op het merk vanaf de zijkant en een vooraanzicht op elk van de zes zijden”, suggereert dat de bescherming „hoofdzakelijk” werd aangevraagd voor „het ontwerp van het oppervlak, dat wil zeggen de specifieke kleuren en de schikking ervan op de kubus”, anders dan verzoekster stelt. De beschrijving vermeldt specifiek de vorm van de kubus („drie paren met parallelle oppervlakken, waarbij elk paar loodrecht ten opzichte van de andere twee paren staat”) en het feit dat elk van deze oppervlakken „een roosterstructuur [heeft] gevormd door zwarte lijnen die het oppervlak in negen gelijke delen verdelen”. Overigens blijkt evenmin uit het dossier dat verzoekster (of haar rechtsvoorganger) zich in oppositie- of inbreukprocedures op haar recht op het litigieuze merk slechts beroept in de beperkte mate van de zes specifieke kleuren en een specifieke schikking.

73 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de zes basiskleuren die op de vlakken van de in het litigieuze merk weergegeven Rubik’s Cube zijn aangebracht, of de – bovendien onduidelijke – schikking ervan een wezenlijk kenmerk van dit merk vormen, met dien verstande dat een dergelijk kenmerk in de ogen van verzoekster niet-functioneel is. Het enige belangrijke element, en dus het enige wezenlijke kenmerk van dit merk wat de kleuren betreft, is het onderscheid tussen de kleine blokjes op elk vlak van de kubus, dat het mogelijk maakt deze blokjes van elkaar te onderscheiden en dat een contrasterend effect heeft.

74 Vastgesteld moet dus worden dat de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk de volgende zijn: – een kubusvorm; – een roosterstructuur die kleine blokjes in rijen van 3x3 op elk van de zes vlakken van de kubus scheidt; – een onderscheid tussen deze kleine blokjes op elk vlak van de kubus door zes basiskleuren (rood, groen, blauw, oranje, geel en wit), dat het mogelijk maakt deze blokjes van elkaar te onderscheiden en dat een contrasterend effect tussen die blokjes creëert.

75 Deze beoordeling van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk komt in wezen overeen met die van de kamer van beroep in punt 52 van de bestreden beslissing, die overigens geen enkele „specifieke schikking” vermeldt. De door verzoekster voorgestelde uitlegging strookt daarentegen niet met de algemene opzet van de bestreden beslissing, die zich bij de analyse van het functionele karakter niet op specifieke kleuren of een specifieke schikking baseert. Deze beslissing moet derhalve in het licht van de algemene opzet ervan aldus worden opgevat dat de hoedanigheid van wezenlijk kenmerk – terecht – niet wordt toegekend aan de zes specifieke kleuren als zodanig, en evenmin aan de gestelde „specifieke schikking”, maar enkel aan het vermogen ervan tot het onderscheiden van de blokjes door een contrasterend effect.

76 Vastgesteld dient te worden dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door in wezen vast te stellen dat het onderscheid door middel van zes kleuren waarmee de kleine blokjes op elk vlak van de kubus door een contrasterend effect van elkaar kunnen worden onderscheiden, een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk vormde in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.

77 Verzoeksters inleidende bewering kan derhalve niet slagen.

Hoofdgrief: het onderscheid door middel van zes kleuren kan niet worden geacht integrerend deel uit te maken van de vorm van het litigieuze merk

78 Met haar hoofdgrief stelt verzoekster in wezen dat een kleur geen „vorm” is in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. Zij verwijt de kamer van beroep dat zij deze bepaling heeft geschonden door te oordelen dat „de kleuren integrerend deel uitmaken van de vorm” van de betrokken waar en door daaruit af te leiden dat het litigieuze merk uitsluitend bestond uit de vorm van de waar.

79 Meer in het bijzonder voert verzoekster vijf argumenten aan. In de eerste plaats betoogt zij dat de verkoop van de Rubik’s Cube geen relevant criterium is om te concluderen dat de kleuren integrerend deel uitmaken van de vorm. Voorts voert zij aan dat wanneer een wezenlijk kenmerk willekeurig kan worden vervangen door om het even welk grafisch middel (bijvoorbeeld letters of cijfers) zonder dat dit van invloed is op de vorm zoals deze door de omtrek ervan wordt bepaald, een dergelijk kenmerk geen integrerend deel van de vorm kan uitmaken. In de tweede plaats stelt verzoekster dat artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, in de versie die in casu van toepassing is, enkel ziet op tekens die „uitsluitend bestaan uit de vorm van de waar”, in tegenstelling tot de wetswijziging die is aangebracht bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk, en van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van verordening [nr. 40/94], en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB 2015, L 341, blz. 21), teneinde ook „ander[e] kenmerk[en]” op te nemen. In de derde plaats beroept verzoekster zich op de door het Hof gegeven definitie van het begrip „vorm” van een waar, te weten de omtrek ervan, waaruit volgt dat het ontwerp van het oppervlak niet kan worden gelijkgesteld met de „vorm” in de zin van deze bepaling. De kamer van beroep heeft dus ten onrechte geoordeeld dat het ontwerp van het oppervlak, als wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk, integrerend deel uitmaakte van de vorm, in plaats van overeenkomstig de rechtspraak van het Hof te erkennen dat de „vorm” in de zin van deze bepaling werd bepaald door de lijnen of de omtrek die de driedimensionale waar afbakenen, terwijl de kleur, net als elk ander mogelijk ontwerp van het oppervlak, een afzonderlijk element is. In de vierde plaats beroept verzoekster zich op andere uitspraken en arresten die zij relevant acht. In de vijfde plaats betoogt zij dat haar uitlegging van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, anders dan de „enigszins alarmistische” verklaringen van de kamer van beroep, deze bepaling niet onwerkzaam maakt.

80 Kortom, volgens verzoekster moet worden geoordeeld dat de zes kleuren en de specifieke schikking ervan op de vlakken van de kubus, die een wezenlijk kenmerk van het betrokken driedimensionale teken vormen, geen integrerend deel uitmaken van de „vorm” in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. Deze bepaling is dus niet van toepassing op het litigieuze merk, aangezien dit merk niet uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar.

81 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

82 In de punten 61 tot en met 63 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep met betrekking tot de kleuren van de blokjes op elk vlak van de kubus verzoeksters argument afgewezen dat deze kleuren niet kunnen worden beschouwd als een vorm in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. Volgens de kamer van beroep bleek uit de bewijzen duidelijk dat de vorm van het litigieuze merk overeenkwam met een waar die in kleur werd verkocht, zoals bijvoorbeeld werd bevestigd door de afbeelding die was gehaald uit de Wikipediawebsite waarop beide partijen zich baseerden (zie punt 108 hieronder). Bijgevolg maakten de kleuren integrerend deel uit van de vorm en konden zij niet worden uitgesloten op de enkele grond dat een kleur als zodanig geen „vorm” had. De kamer van beroep heeft geoordeeld dat, indien verzoeksters argument juist was, de toevoeging van een kleur aan een functioneel element van een vormmerk, ongeacht of deze kleur wezenlijk of louter decoratief is, voldoende zou zijn om te beletten dat het teken binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt op de enkele grond dat het niet kan worden geacht „uitsluitend” uit een vorm te bestaan. De toepassing van deze bepaling zou daadwerkelijk worden beperkt tot merken die in zwart-wit zijn ingeschreven en zou niet langer het daaraan ten grondslag liggende openbaar belang waarborgen.

83 In de punten 64 tot en met 70 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep tevens geoordeeld dat verzoeksters verwijzing naar de arresten van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin (C‑163/16, EU:C:2018:423), en 14 maart 2019, Textilis (C‑21/18, EU:C:2019:199), irrelevant was. Om te beginnen hadden deze arresten volgens haar geen betrekking op vormmerken, maar op positiemerken. Vervolgens bleek duidelijk uit het arrest van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin (C‑163/16, EU:C:2018:423), dat het Hof daarin niet had onderzocht of artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 al dan niet van toepassing was op in kleur ingeschreven vormmerken. Bovendien had het Hof in het arrest van 14 maart 2019, Textilis (C‑21/18, EU:C:2019:199), niet een gekleurde vorm, maar een gekleurd tweedimensionaal beeldmerk onderzocht. Volgens de kamer van beroep ondersteunde geen van de door verzoekster aangevoerde arresten of uitspraken de stelling dat bij de beoordeling krachtens artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 een onderscheid moest worden gemaakt tussen de vorm en de kleur ervan. In casu was het litigieuze merk geen kleur op zich en evenmin een tweedimensionaal patroon dat moest worden aangebracht op de betrokken waar (een driedimensionale puzzel), maar bestond het in de gekleurde vorm van de waar zelf.

84 In deze context moet worden geoordeeld dat, gelet op het aan artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 ten grondslag liggende openbaar belang (zie de punten 22 en 23 hierboven) en op de noodzaak om het nuttig effect van deze bepaling te behouden, het begrip „vorm” niet mag worden uitgelegd op een te restrictieve wijze die met name elke gekleurde vorm van een waar uitsluit.

85 In casu zij eraan herinnerd dat het litigieuze merk is aangevraagd en ingeschreven als driedimensionaal merk of vormmerk en niet als patroonmerk, positiemerk of kleurmerk (zie de punten 49‑51 hierboven). Gelet op het type merk alsmede op de grafische voorstelling en de beschrijving ervan, dient te worden vastgesteld dat het derde wezenlijke kenmerk van dit merk, te weten het onderscheid tussen de kleine blokjes op elk vlak van de kubus in zes basiskleuren, dat het mogelijk maakt om deze blokjes van elkaar te onderscheiden en dat een contrasterend effect heeft, inherent is aan en wezenseen is met de weergegeven vorm en, zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt, integrerend deel uitmaakt van deze vorm.

86 In dit verband dient in navolging van het EUIPO ook te worden vastgesteld dat de toevoeging van zes basiskleuren (zie punt 67 hierboven) – bovendien in een onduidelijke schikking (zie punt 70 hierboven) – aan de functionele driedimensionale vorm, die duidelijk is omschreven en wordt weergegeven door de functionele lijnen van het rooster, er niet aan in de weg staat dat het litigieuze merk een teken is dat uitsluitend bestaat uit een vorm in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94. De mogelijkheid dat andere oppervlakken de Rubik’s Cube tot meer dan een vorm maken is irrelevant voor de vraag of in casu het contrasterend effect dat voortvloeit uit het onderscheid tussen de vlakken (kleine blokjes) van de kubus door basiskleuren, een wezenlijk kenmerk van dat merk vormt.

87 Aan deze vaststellingen wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.

88 Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de verkoop van de Rubik’s Cube geen relevant criterium is, zij eraan herinnerd dat de wezenlijke kenmerken van de vorm die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, zo veel mogelijk moeten worden beoordeeld op basis van de technische functie van de concrete weergegeven waar (zie punt 32 hierboven) en dat de bevoegde autoriteit bij de identificatie van de wezenlijke kenmerken van het betrokken teken in beginsel weliswaar eerst de grafische voorstelling ervan moet onderzoeken, maar dat zij ook gebruik kan maken van andere relevante informatie aan de hand waarvan deze kenmerken correct kunnen worden bepaald, zoals de perceptie door het doelpubliek (zie punt 28 hierboven). Hieruit volgt dat de kamer van beroep, naast de grafische voorstelling van het litigieuze merk, ook rekening kon houden met het feit dat de vorm van dit merk overeenkwam met een concrete weergegeven waar die in kleuren werd verkocht en door het relevante publiek als zodanig werd opgevat.

89 Wat voorts verzoeksters argument betreft over de wijze waarop de kamer van beroep de vorm van het litigieuze merk zou hebben beoordeeld indien er bijvoorbeeld letters of cijfers op de oppervlakken waren aangebracht, dient te worden geoordeeld dat deze vraag louter hypothetisch is en moet dit argument als niet ter zake dienend worden afgewezen, aangezien de wezenlijke kenmerken van een teken van geval tot geval moeten worden vastgesteld (zie punt 25 hierboven). In casu gaat het ontwerp van het oppervlak van de kubus op in de vorm ervan en vormt het op zich geen wezenlijk kenmerk van het teken (zie de punten 61‑75 hierboven); uitsluitend het contrasterend effect dat het teweegbrengt, vormt een dergelijk wezenlijk kenmerk. Het is irrelevant of in een ander specifiek geval andere ontwerpen van het oppervlak als een niet-functioneel wezenlijk kenmerk van een ander merk zouden worden beschouwd.

90 In de tweede plaats moet verzoeksters argument dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de wetswijziging waarbij in artikel 7, lid 1, onder e), van verordening nr. 207/2009 (die in de plaats is gekomen van verordening nr. 40/94) de woorden „ander kenmerk” zijn ingevoerd, als niet ter zake dienend worden afgewezen. Het feit dat merken met „ander[e] kenmerk[en]” dan de vorm binnen de werkingssfeer van deze bepaling, zoals gewijzigd bij verordening 2015/2424, kunnen vallen, betekent immers niet noodzakelijkerwijs dat de eerdere versie van deze bepaling niet zag op driedimensionale merken die kleuren bevatten.

91 In dit verband dient er in navolging van het EUIPO aan te worden herinnerd dat de invoeging van de woorden „ander kenmerk” door verordening 2015/2424 in artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009 (die in de plaats is gekomen van verordening nr. 40/94) niet tot doel had te bepalen dat driedimensionale merken in kleur voortaan buiten de toepassing van deze bepaling in de eerdere versie ervan vallen omdat zij kleuren bevatten. Deze wetswijziging hield nauw verband met de schrapping van het vereiste van grafische voorstelling bij verordening 2015/2424 en met de daaropvolgende invoering van nieuwe „niet-traditionele” typen merken in het Uniemerkenstelsel. Driedimensionale merken in kleur zijn niet door deze wetswijziging ingevoerd, maar bestonden reeds eerder, zodat de toevoeging van de woorden „ander kenmerk” het onderzoek van het functionele karakter van dergelijke merken niet heeft gewijzigd. Van belang is of de kleur of kleuren van een dergelijk driedimensionaal merk al dan niet een wezenlijk kenmerk van dit merk zijn, en niet zozeer of zij deel uitmaken van de vorm of van een „ander kenmerk”.

92 Zoals het Hof in wezen heeft geoordeeld in het arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM (C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 51 en 52), waarin artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 van toepassing was, verhindert de toevoeging van niet-wezenlijke kenmerken zonder technische functie niet dat een vorm onder deze absolute weigeringsgrond valt, mits alle wezenlijke kenmerken van die vorm aan een dergelijke functie beantwoorden (zie punt 40 hierboven). In die zaak werd de rode kleur van het Legoblokje als een niet-wezenlijk kenmerk beschouwd door de grote kamer van beroep en door het Gerecht (arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM,C‑48/09 P, EU:C:2010:516, punten 73 en 74). Evenzo heeft het Gerecht in soortgelijke zaken de nietigheid van merken bevestigd op grond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009, vóór de wijziging ervan bij verordening 2015/2424, dat wil zeggen toen in die bepaling enkel sprake was van „tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm”, in aanwezigheid van kleuren die geen „vorm” waren [arresten van 31 januari 2018, Afbeelding van een patch, T‑44/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:48, punten 101‑104, en 24 september 2019, Weergave van een zwart vierkant met daarin zeven concentrische blauwe cirkels,T‑261/18, EU:T:2019:674, punten 70‑72, en beschikking van 15 juli 2021, Roxtec/EUIPO – Wallmax (Weergave van een oranje vierkant met daarin zeven concentrische zwarte cirkels), T‑455/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:483, punten 51‑53].

93 Wat in de derde plaats verzoeksters beroep op de arresten van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin (C‑163/16, EU:C:2018:423), en 14 maart 2019, Textilis (C‑21/18, EU:C:2019:199), betreft, dienen deze arresten, in navolging van de kamer van beroep, in casu irrelevant te worden geacht om de volgende redenen.

94 Ten eerste is de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin (C‑163/16, EU:C:2018:423), niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, aangezien zij betrekking had op een teken bestaande in een op de zool van een schoen aangebrachte kleur, te weten een positiemerk, en niet op een driedimensionaal merk. Het Hof heeft in wezen geoordeeld dat een merk dat duidelijk beoogde de toepassing van een bepaalde kleur op een deel van een waar te beschermen door de omtrek van de waar uitdrukkelijk uit te sluiten, niet uitsluitend bestond uit de vorm van de waar in de zin van artikel 3, lid 1, onder e), iii), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25) (arrest van 12 juni 2018, Louboutin en Christian Louboutin, C‑163/16, EU:C:2018:423, punt 27). Dit is niet onverenigbaar met de vaststelling dat een vormmerk dat kleuren bevat in een bepaald geval nog steeds kan worden geacht uitsluitend uit de vorm van de waar te bestaan voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 207/2009 – vóór de wijziging ervan bij verordening 2015/2424 – of van verordening nr. 40/94 (zie in die zin de in punt 92 hierboven aangehaalde arresten).

95 Ten tweede is de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 maart 2019, Textilis (C‑21/18, EU:C:2019:199), evenmin vergelijkbaar met de onderhavige zaak, aangezien het Hof daarin een beeldmerk met decoratieve patronen heeft onderzocht dat was aangebracht op waren, en niet een driedimensionaal merk met basiskleuren.

96 Wat in de vierde plaats het beroep van verzoekster op andere arresten en uitspraken betreft, moeten deze in casu eveneens irrelevant worden geacht.

97 Wat ten eerste de uitspraak van de rechtbank Gelderland (Nederland) (bijlage AP 1) betreft, volstaat het op te merken, zoals de kamer van beroep in punt 69 van de bestreden beslissing heeft gedaan, dat de door verzoekster aangevoerde merken „niet beoogden de vorm te beschermen, maar enkel de toepassing van het betrokken patroon op een specifieke plaats van de waren” (punt 4.19 van die uitspraak). In casu blijkt daarentegen uit de grafische voorstelling en de beschrijving van het litigieuze merk niet dat dit merk uitsluitend strekt tot bescherming van het ontwerp van het oppervlak van de waar, te weten een „specifieke schikking van specifieke kleuren” (zie de punten 61‑75 hierboven); het gaat veeleer om een in kleur ingeschreven vorm. Bovendien zijn de nationale beslissingen niet bindend voor het EUIPO, zoals verzoekster erkent, en heeft de kamer van beroep hoe dan ook naar behoren rekening gehouden met deze uitspraak.

98 Wat ten tweede het arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben (T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765), betreft, is verzoeksters beroep op de vaststellingen daarin in casu niet relevant. Om te beginnen moet worden benadrukt dat dit arrest betrekking had op driedimensionaal Uniemerk nr. 162784 voor de Rubik’s Cube in zwart-wit, dat in punt 7 hierboven is weergegeven, en niet op het litigieuze merk, dat in kleur is ingeschreven en in punt 2 hierboven is weergegeven. Voor zover het Gerecht bovendien heeft geoordeeld dat „het bekende kenmerk van de ‚Rubik’s Cube’ dat verband houdt met het bestaan van kleurverschillen op de zes vlakken van de kubus[,] een element dat niet zichtbaar is op de grafische voorstelling van het merk [nr. 162784], net als het interne mechanisme van de ‚Rubik’s Cube’, dat verticale en horizontale rotatie van de rijen van kleine blokjes mogelijk maakt, door de kamer van beroep in aanmerking mocht worden genomen bij de beoordeling van het functionele karakter van de twee naar behoren geïdentificeerde wezenlijke kenmerken van dat merk” (arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 99), kan daaruit geenszins worden afgeleid dat het litigieuze merk door de toevoeging van zes basiskleuren aan de Rubik’s Cube niet uitsluitend bestaat uit een vorm in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.

99 Ten derde, wat het arrest van 24 mei 2023, Glaxo Group/EUIPO – Cipla Europe (Vorm van een inhalator) (T‑477/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:280), betreft, volstaat de opmerking dat deze zaak betrekking had op het onderscheidend vermogen van het merk in kwestie en niet op het functionele karakter ervan, zodat zij in casu irrelevant is. Het onderzoek krachtens artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/49 geschiedt immers niet op dezelfde wijze als de beoordeling van de onderscheidende bestanddelen. De vaststelling van deze bestanddelen dient om te beoordelen of het teken in de ogen van de consument dient ter aanduiding van de herkomst van de waren, en onderscheidt zich hiermee van de vaststelling van de wezenlijke elementen van een vorm (arresten van 24 september 2019, Weergave van een zwart vierkant met daarin zeven concentrische blauwe cirkels,T‑261/18, EU:T:2019:674, punt 53, en 30 maart 2022, Vorm van een laars met opspringend effect, T‑264/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:193, punt 43).

100 Wat in de vijfde plaats verzoeksters kritiek betreft op de volgens haar „enigszins alarmistische” stelling van de kamer van beroep dat artikel 7, lid 1, onder e) ii), van verordening nr. 40/94 praktisch onwerkzaam zou worden indien de toevoeging van een kleur aan een functionele vorm, ongeacht of deze kleur wezenlijk of louter decoratief is, tot gevolg zou hebben dat deze bepaling niet van toepassing is, dient te worden vastgesteld dat de bekritiseerde stelling voortvloeit uit een veralgemening door de kamer van beroep en in casu ten overvloede blijkt te zijn. Een grief tegen een beoordeling ten overvloede kan het dispositief van de bestreden beslissing niet aantasten en moet als niet ter zake dienend worden afgewezen [zie arrest van 28 juni 2023, CEDC International/EUIPO – Underberg (Vorm van een grashalm in een fles), T‑145/22, EU:T:2023:365, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

101 Gelet op een en ander dient te worden geoordeeld dat de kamer van beroep geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door vast te stellen dat het litigieuze merk, te weten een in kleur ingeschreven driedimensionaal merk, uitsluitend bestond uit een vorm in de zin van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94.

102 Verzoeksters hoofdgrief kan derhalve niet slagen.

103 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling bij de analyse van het functionele karakter van het litigieuze merk

104 Met het tweede onderdeel van het enige middel voert verzoekster aan dat, gesteld al dat de specifieke kleuren en de specifieke schikking ervan deel uitmaken van de vorm van het litigieuze merk, zij niet noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen. Hoewel het weliswaar noodzakelijk is dat de zes vlakken van de kubus van elkaar kunnen worden onderscheiden, is de manier waarop dit wordt bereikt echter geen technische kwestie maar een louter esthetische.

105 Meer in het bijzonder voert verzoekster vier argumenten aan. In de eerste plaats stelt zij dat er oneindige ontwerpmogelijkheden bestaan voor het ontwerp van het oppervlak waarmee de zes vlakken van de kubus kunnen worden onderscheiden, en dat de keuze geenszins wordt beperkt door technische overwegingen. Bijgevolg verleent het litigieuze merk geen monopolie in welke vorm dan ook. In de tweede plaats beroept verzoekster zich op het creatieve proces van de Rubik’s Cube. Volgens zijn verklaring van 25 november 1998 (punt 20 van deze verklaring) heeft de heer Rubik deze levendige kleuren gekozen om de kubus „aantrekkelijker” te maken en niet om een louter onderscheid te maken. Verzoekster „stelt dat aantrekkelijkheid geen deel uitmaakt van de technische functie van een waar”. In de derde plaats is verzoekster van mening dat de rechtspraak inzake „alternatieve vormen” niet van toepassing is op louter willekeurige oppervlaktedecoratie die zoals in het onderhavige geval geen enkele invloed heeft op de functie. Wanneer oppervlaktedecoratie een wezenlijk kenmerk van een driedimensionaal merk is, bestaat er geen risico van monopolisering van een technische oplossing die deel uitmaakt van de vorm en wordt de omvang van de bescherming beperkt tot de niet-functionele elementen. In de vierde plaats voert verzoekster aan dat de octrooien die destijds de Rubik’s Cube beschermden, geen aanspraak maakten op kleuren en zelfs geen kleuren bevatten, maar enkel verwezen naar vlakken die van elkaar konden worden onderscheiden. De bescherming van het ontwerp van het oppervlak, zoals beschreven in het litigieuze merk, leidt dus niet tot een blijvende bescherming van een element dat eerder door octrooien was beschermd.

106 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

107 Om te beginnen behoeven de beoordelingen van de kamer van beroep met betrekking tot de analyse van het functionele karakter van de roosterstructuur en de kubusvorm, die overigens door verzoekster niet worden betwist, niet ter discussie te worden gesteld.

108 Zo heeft de kamer van beroep in de punten 55 tot en met 58 van de bestreden beslissing met betrekking tot de roosterstructuur, bestaande uit zwarte lijnen die elkaar horizontaal en verticaal op elk vlak van de kubus snijden waarbij elk vlak wordt onderverdeeld in kleine blokjes van dezelfde grootte die in rijen van 3x3 zijn gerangschikt, geoordeeld dat een dergelijke structuur noodzakelijk was om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen, op basis van de aangehaalde beslissing (punten 40‑42) betreffende Uniemerk nr. 162784, die is bevestigd bij arrest van24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben (T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punten 86 en 87). De kamer van beroep heeft geoordeeld dat de fysieke scheiding tussen de kleine blokjes noodzakelijk was om de verschillende rijen van deze kleine blokjes verticaal en horizontaal te laten draaien door middel van een mechanisme in het midden van de kubus (punten 40‑42 van de aangehaalde beslissing). Zij heeft daaraan toegevoegd dat beide partijen in het kader van de procedure voor de nietigheidsafdeling een Wikipedia-internetpagina over de Rubik’s Cube hadden overgelegd (zie bijlage 16 en stuk 1), waarin de hieronder weergegeven afbeelding was opgenomen. Volgens de kamer van beroep bleek uit deze afbeelding duidelijk dat het litigieuze merk verwees naar een waar die, afgezien van de kleuren, niet verschilde van de in de aangehaalde beslissing onderzochte waar. Bijgevolg moesten de in die beslissing gedane vaststellingen betreffende de technische functionaliteit van de roosterstructuur ook in casu van toepassing zijn.

109 Evenzo heeft de kamer van beroep in punt 59 van de bestreden beslissing met betrekking tot de kubusvorm opgemerkt dat het Gerecht haar vaststelling had bevestigd dat deze vorm noodzakelijk was om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen. Aangezien de driedimensionale puzzel bestond uit kleine blokjes in rijen van 3x3, die verticaal en horizontaal moesten worden gedraaid om de puzzel op te lossen door aan elk vlak een andere kleur te geven, was de vorm van de waar in zijn geheel beschouwd noodzakelijkerwijs die van een kubus (arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben, T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765, punt 89). In casu heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, aangezien de kubusvorm onlosmakelijk verbonden was met de roosterstructuur, deze vaststellingen ook van toepassing waren op het litigieuze merk.

110 Thans dient een analyse te worden verricht van het functionele karakter van het derde wezenlijke kenmerk, namelijk het onderscheid van de kleine blokjes op elk vlak van de kubus door middel van zes basiskleuren, dat het mogelijk maakt deze blokjes van elkaar te onderscheiden en dat een contrasterend effect tussen die blokjes creëert (zie punt 74 hierboven).

111 In de punten 71 tot en met 74 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep met betrekking tot de „technische functie van de kleuren” eraan herinnerd dat zij in de aangehaalde beslissing over de geldigheid van Uniemerk nr. 162784 had geoordeeld dat de verschillende arceringen (verticale lijnen, diagonale lijnen, punten, enz.) van de blokjes op elk vlak van de kubus verschillende kleuren suggereerden en dat de verschillende kleuren op de zes vlakken van de kubus bijgevolg het derde wezenlijke kenmerk van het teken vormden. Gelet op de beoogde technische uitkomst, namelijk het horizontaal en verticaal doen draaien van rijen blokjes totdat elk vlak van de puzzel negen blokjes van dezelfde kleur heeft, was zij van mening dat de kleuren noodzakelijk waren om deze uitkomst te verkrijgen. De kubus zou dus niet als een puzzel functioneren indien alle zes vlakken dezelfde kleur hadden (punten 22 en 44 van de aangehaalde beslissing). Volgens haar heeft het Gerecht in zijn arrest van 24 oktober 2019, Vorm van een kubus met vlakken die een roosterstructuur hebben (T‑601/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:765), impliciet bevestigd dat de kleuren van de Rubik’s Cube noodzakelijk waren om een technische uitkomst te verkrijgen.

112 In de punten 75 tot en met 86 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep vastgesteld dat verzoeksters stelling dat de specifieke combinatie van de zes geclaimde kleuren onderscheidend en willekeurig was, afgezien van het feit dat zij auteursrechtelijke bescherming genoot, niet kan afdoen aan bovengenoemde vaststellingen. Om te beginnen heeft zij het argument afgewezen dat de kleurencombinatie de door verzoekster met succes verhandelde Rubik’s Cube onderscheidend vermogen verleende. Uit artikel 51, lid 2, van verordening nr. 40/94 blijkt dat zelfs indien een vorm van een waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, door het gebruik dat ervan is gemaakt onderscheidend vermogen heeft verkregen, deze vorm nietig moet worden verklaard. Vervolgens heeft zij de bewering dat kleuren niet de enige oplossing waren om de technische uitkomst te verkrijgen bestaande in het onderscheiden van de verschillende blokjes, afgewezen op grond dat deze bewering berustte op de onjuiste veronderstelling dat kleuren moeten worden onderscheiden van de vorm. Het bestaan van alternatieve vormen waarmee dezelfde technische uitkomst kan worden verkregen, belet op zich immers niet dat een merk onder artikel 7, lid 1, onder e), ii), van deze verordening kan vallen. Het feit dat dezelfde technische uitkomst van de Rubik’s Cube kan worden verkregen door de toevoeging van patronen, symbolen of letters op het oppervlak van de blokjes, was dus irrelevant voor de beoordeling van het functionele karakter van de betrokken kleuren. Bovendien heeft zij om dezelfde reden het argument afgewezen dat de keuze van de specifieke kleuren op willekeurige wijze was gemaakt. Zij heeft opgemerkt dat de heer Rubik, zoals hij zelf in zijn schriftelijke verklaring van 26 februari 2015 had uiteengezet (bijlage 22 bij de vordering tot nietigverklaring), aanvankelijk verschillende stickers op het oppervlak van de blokjes had aangebracht, zodat de beweging van elk roterend blokje kon worden onderscheiden (punt 16 van de verklaring). Volgens de kamer van beroep volgde hieruit dat elke combinatie van zes kleuren die voldoende van elkaar verschillen, geschikt is om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen. Zij heeft vastgesteld dat de combinatie van de kleuren rood, groen, blauw, oranje, geel en wit aan dit criterium voldeed en dus noodzakelijk was om de technische uitkomst van de Rubik’s Cube te verkrijgen. Ten slotte heeft zij daaraan toegevoegd dat een eventuele auteursrechtelijke bescherming die deze kleurencombinatie of het ontwerp van de Rubik’s Cube zou genieten, geen invloed kan hebben op de beoordeling van de geldigheid van het litigieuze merk in het licht van die bepaling.

113 In punt 87 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat het derde wezenlijke kenmerk, te weten de zes verschillende kleuren van de blokjes op elk vlak van de kubus, noodzakelijk was om een technische uitkomst te verkrijgen.

114 In dit verband dient te worden vastgesteld dat het feit dat elk vlak (en elk klein blokje) van de kubus door zes verschillende kleuren kan worden onderscheiden, een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk vormt dat noodzakelijk is om de technische uitkomst van dit merk te verkrijgen, zoals in de punten 52 en 53 hierboven is vastgesteld. De technische functie van dit wezenlijke kenmerk bestaat erin het mogelijk te maken om door een contrasterend effect elk vlak van de kubus, evenals elk van de kleine blokjes van de roosterstructuur op elk van deze vlakken, van elkaar te onderscheiden.

115 Tevens dient te worden vastgesteld dat de aanwezigheid in het litigieuze merk van niet-wezenlijke kenmerken bestaande in een pallet van zes basiskleuren, voor zover deze kleuren als zodanig niet functioneel zijn, geen invloed heeft op de vaststelling dat dit merk uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, gelet op de rechtspraak inzake ondergeschikte willekeurige elementen (zie punt 40 hierboven). Voor het overige is verzoeksters bewering dat „aantrekkelijkheid geen deel uitmaakt van de technische functie van een waar”, gelet op het feit dat het gaat om basiskleuren, in casu niet ter zake dienend, aangezien de technische functie van de verschillende kleuren in kwestie niet erin bestaat de waar „aantrekkelijker te maken” voor de waarnemer, maar hem in staat te stellen om door een contrasterend effect de vlakken van de kubus en de kleine blokjes op deze vlakken van elkaar te onderscheiden.

116 Aan deze vaststellingen wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.

117 Wat in de eerste plaats verzoeksters beroep op oneindige ontwerpmogelijkheden voor het ontwerp van het oppervlak van de Rubik’s Cube betreft, dient te worden geoordeeld dat de beoogde technische uitkomst weliswaar kan worden verkregen door een oneindig aantal oppervlakteontwerpen, maar dat het in casu niet gaat om het bestaan van mogelijke alternatieven voor de niet-wezenlijke kenmerken maar om het causale verband tussen een wezenlijk kenmerk en de technische uitkomst, te weten of het specifieke „ontwerp van het oppervlak” in het litigieuze merk aan de hand waarvan de vlakken van de kubus en de kleine blokjes van de roosterstructuur door een contrasterend effect van elkaar kunnen worden onderscheiden, een wezenlijk kenmerk van dit merk vormt dat noodzakelijk is om de technische uitkomst van dit merk te verkrijgen. Een dergelijk causaal verband is in punt 114 hierboven vastgesteld. De omstandigheid dat andere ontwerpen van het oppervlak (grafische elementen, symbolen, patronen, afbeeldingen, logo’s, tekens, letters, cijfers, tactiele of elektronische middelen, hologrammen, felle neon- of metallic kleuren, pastel of donkere kleuren) mogelijk zijn, is in casu dus irrelevant. Het beroep op oneindige ontwerpmogelijkheden is dus niet ter zake dienend.

118 In navolging van het EUIPO dient eveneens te worden geoordeeld dat de keuze van zes basiskleuren om de vlakken van de kubus te onderscheiden een van de meest voor de hand liggende oplossingen is die kan worden overwogen. Dat deze kleuren basiskleuren zijn, suggereert dat zij van gering en ondergeschikt belang zijn ten opzichte van de vorm (zie punt 67 hierboven). Bovendien is de schikking ervan op de vlakken van de kubus onduidelijk (zie punt 70 hierboven). De belangrijkste elementen van het litigieuze merk zijn de kubusvorm, de roosterstructuur en het feit dat elk vlak van de kubus door een contrasterend effect van de andere vlakken kan worden onderscheiden. De mogelijkheid dat andere, meer geavanceerde en minder eenvoudige afwerkingen van het oppervlak deze ontwerpen tot een wezenlijk kenmerk kunnen „verheffen”, is voor de beslechting van het onderhavige geding niet van belang (zie punt 70 hierboven).

119 Wat in de tweede plaats verzoeksters argument inzake het „creatieve proces” van de Rubik’s Cube betreft, volstaat de opmerking dat de kamer van beroep in punt 78 van de bestreden beslissing heeft gepreciseerd dat „elke combinatie van zes kleuren” geschikt is om de beoogde technische uitkomst te verkrijgen. Zij heeft niet verwezen naar andere mogelijke ontwerpen van het oppervlak, zoals logo’s die visueel opvallend of „aantrekkelijk” zijn. Gesteld al dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat „elke combinatie van zes kleuren” geschikt is om de technische uitkomst te verkrijgen, omdat bepaalde andere specifieke kleurencombinaties op zich als een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk zouden kunnen worden beschouwd, volstaat dit niet om de rechtmatigheid van deze beslissing ter discussie te stellen, aangezien de onderhavige combinatie van zes specifieke kleuren (bovendien in een onduidelijke schikking), hoewel zij op zich niet functioneel is, geen wezenlijk kenmerk van dit merk is. Dit argument is dus niet ter zake dienend.

120 In de derde plaats berust verzoeksters argument inzake de niet-toepasselijkheid van de rechtspraak inzake alternatieve vormen op de premisse dat de specifieke combinatie van zes kleuren in casu een wezenlijk kenmerk van het litigieuze merk is. De onderhavige specifieke combinatie van zes kleuren (bovendien in een onduidelijke schikking), hoewel zij op zich niet-functioneel is, is echter geen wezenlijk kenmerk van dit merk. De vraag of de kamer van beroep al dan niet ten onrechte heeft geoordeeld dat deze rechtspraak in casu van toepassing was, is dus irrelevant voor de uitkomst van het onderhavige geding. Dit argument is dus niet ter zake dienend.

121 Wat in de vierde plaats verzoeksters stelling betreft dat de octrooien die voorheen de Rubik’s Cube beschermden, geen aanspraak maakten op kleuren en zelfs geen kleuren bevatten, maar enkel verwezen naar de zijvlakken die van elkaar konden worden onderscheiden, moet worden vastgesteld dat uit een dergelijke omstandigheid geen conclusies kunnen worden getrokken over de omvang van de bescherming van het litigieuze merk. Uit de voorstelling van dit merk, dat een driedimensionaal merk is en niet een kleur-, positie- of patroonmerk, en uit de beschrijving ervan blijkt geenszins dat de bescherming alleen wordt gevraagd voor de combinatie van de zes specifieke kleuren en de schikking ervan, die bovendien onduidelijk is. Deze bewering is dus niet ter zake dienend.

122 In dit verband dient te worden gepreciseerd dat het Uniemerkenrecht geen rechtspraak bevat die vergelijkbaar is met die welke van toepassing is in de afzonderlijke context van het modellenrecht van de Unie, waarin de verschijningsvorm het doorslaggevende element is van het voorwerp van de bescherming (zie arrest van 8 maart 2018, DOCERAM,C‑395/16, EU:C:2018:172, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens deze rechtspraak is het model geldig in het geval waarin een specifieke schikking van de kenmerken wordt gekozen voor andere doeleinden dan de noodzaak om een technische functie te vervullen, en met name voor sierdoeleinden, maar biedt het enkel bescherming aan deze specifieke schikking en niet aan de uitsluitend functionele uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel waarop deze schikking betrekking heeft [zie in die zin arrest van 18 november 2020, Tinnus Enterprises/EUIPO – Mystic Products en Koopman International (Installaties voor vloeistofvoorziening), T‑574/19, EU:T:2020:543, punten 25 en 26]. In het Uniemerkenrecht daarentegen staat het feit dat de combinatie van uitsluitend functionele elementen een algemene esthetische waarde heeft of bijdraagt tot het creëren van een sierimago van het aangevraagde merk, niet in de weg aan de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 (zie punt 42 hierboven) noch aan de overeenkomstige nietigheidsgrond.

123 De kamer van beroep heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in essentie vast te stellen dat het wezenlijke kenmerk dat verband houdt met het feit dat elk vlak (en elk klein blokje) van de kubus kan worden onderscheiden door zes verschillende kleuren die een contrasterend effect creëren, functioneel was, dat wil zeggen noodzakelijk om de technische uitkomst van het litigieuze merk te verkrijgen.

124 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

Derde onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling van de „legpuzzels”

125 Met het derde onderdeel van het enige middel, dat meer in het bijzonder betrekking heeft op „legpuzzels” (in de enge zin van „jigsaw puzzles” in het Engels) van klasse 28, verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 ten onrechte heeft toegepast, omdat, ten eerste, de vorm van de Rubik’s Cube geen „afbeelding” is en, ten tweede, de technische uitkomst waarop de kamer van beroep haar beoordeling heeft gebaseerd (zie punt 52 hierboven), namelijk in wezen het laten draaien van reeds in elkaar gezette elementen, niet die is van een legpuzzel, die tot doel heeft het compleet maken van een afbeelding door individuele elementen in elkaar te zetten die in elkaar passen.

126 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters betoog.

127 In de punten 88 tot en met 90 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de nietigheidsafdeling had geoordeeld dat „driedimensionale puzzels”, waarvoor de drie wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk noodzakelijk werden geacht om een technische uitkomst te verkrijgen, identiek waren aan of deel uitmaakten van de ruimere categorieën „speelgoed, spellen, speelgoederen, driedimensionale puzzels” van klasse 28. Met betrekking tot legpuzzels (in de enge zin van “jigsaw puzzles” in het Engels) was de nietigheidsafdeling van mening dat niet kon worden uitgesloten dat de driedimensionale vorm bestaande uit blokjes van verschillende kleuren kan dienen om de technische uitkomst te verkrijgen die erin bestaat op deze blokjes te drukken teneinde ze in een bepaalde positie met dezelfde kleuropeenvolging in elkaar te zetten. De kamer van beroep heeft opgemerkt dat het bij haar ingestelde beroep enkel deze motivering met betrekking tot de legpuzzels betwistte en heeft erkend dat de uitleg die de nietigheidsafdeling dienaangaande had gegeven, onbegrijpelijk was. Zij heeft evenwel vastgesteld dat de conclusie dat de door het litigieuze merk beschermde vorm noodzakelijk was om de technische uitkomst van de legpuzzels te verkrijgen, moest worden bevestigd. Volgens de letterlijke betekenis ervan is een legpuzzel een spel dat bestaat uit het in elkaar zetten van stukjes in de vorm van – doorgaans onregelmatige – mozaïeken die in elkaar passen, waarbij elk stukje doorgaans een deel van een afbeelding voorstelt, zodat de stukjes nadat zij in elkaar zijn gezet een volledige afbeelding vormen. De kamer van beroep heeft geoordeeld dat, ook al is een Rubik’s Cube misschien niet het eerste voorbeeld van een legpuzzel dat bij iemand opkomt, niets in de voorstelling van het teken de mogelijkheid uitsluit om de kubus uit elkaar te halen en opnieuw in elkaar te zetten om de perfecte combinatie te verkrijgen, waarbij de roosterstructuur noodzakelijk is om de verschillende blokjes van elkaar te scheiden en de kleuren noodzakelijk zijn om aan te geven in welke volgorde de blokjes weer in elkaar moeten worden gezet.

128 De kamer van beroep heeft in wezen geoordeeld dat het litigieuze merk in strijd met artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 was ingeschreven voor alle waren waarop de inschrijving betrekking had, met inbegrip van de legpuzzels.

129 In dit verband staat vast dat het onderhavige onderdeel van het enige middel geen betrekking heeft op „driedimensionale puzzels” (in de zin van „mechanische puzzels” of „mechanical puzzles” in het Engels), maar enkel op de aanduiding van „legpuzzels” (in de enge zin van „jigsaw puzzles” in het Engels), dat wil zeggen waren die meestal uit twee dimensies bestaan, ook al bestaan er ook in drie dimensies.

130 Hoewel de toepassing van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94, dat betrekking heeft op vormen en dus op driedimensionale waren, op een dergelijke aanduiding van typisch tweedimensionale waren verwarrend kan lijken, ligt de oorzaak daarvan in eerste instantie bij de keuze van deze aanduiding door verzoekster (of haar rechtsvoorganger).

131 Er zij aan herinnerd dat regel 2, lid 2, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening [nr. 40/94] (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals deze bepaling in casu van toepassing is, preciseert dat de opgave van waren en diensten waarvoor een merk wordt aangevraagd, zodanig wordt geformuleerd dat daaruit duidelijk de aard van die waren en diensten blijkt.

132 Hieruit volgt dat degene die om inschrijving van een teken als Uniemerk verzoekt, in zijn aanvraag de opgave van waren of diensten waarvoor de aanvraag wordt ingediend dient te vermelden en voor elk van deze waren of deze diensten een beschrijving dient te geven waaruit duidelijk de aard ervan blijkt [zie arrest van 6 april 2017, Nanu-Nana Joachim Hoepp/EUIPO – Fink (NANA FINK), T‑39/16, EU:T:2017:263, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

133 Dit vereiste van duidelijkheid is overigens bevestigd door de rechtspraak van het Hof, volgens welke de waren of diensten waarvoor een Uniemerk wordt aangevraagd, door de aanvrager voldoende duidelijk en nauwkeurig moeten worden omschreven opdat de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers louter op basis daarvan de omvang van de merkbescherming kunnen bepalen (arrest van 19 juni 2012, Chartered Institute of Patent Attorneys,C‑307/10, EU:C:2012:361, punt 64).

134 In casu moet worden opgemerkt dat de aanduiding „jigsaw puzzles” in het Engels (taal van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk) voor waren van klasse 28 op twee verschillende manieren kan worden uitgelegd. Ten eerste kan deze aanduiding, zoals verzoekster heeft gedaan, restrictief worden uitgelegd als een tweedimensionale „afbeelding”. De indiening van een driedimensionaal merk voor dergelijke tweedimensionale waren lijkt echter niet aannemelijk. Ten tweede kan deze aanduiding ruimer worden uitgelegd als een verwijzing naar zowel „jigsaw puzzles” als afbeeldingen (twee dimensies) als „jigsaw puzzles” met volume (drie dimensies), hetgeen aannemelijker is voor een driedimensionaal merk, het type merk dat door verzoekster (of haar rechtsvoorganger) is gekozen.

135 Vastgesteld moet worden dat de aanduiding „jigsaw puzzles” voor waren van klasse 28 waarop het litigieuze driedimensionale merk betrekking heeft, dubbelzinnig is omdat daarbij de twee voormelde uiteenlopende uitleggingen mogelijk zijn, zodat deze aanduiding niet voldoet aan het vereiste van duidelijkheid dat voortvloeit uit regel 2, lid 2, van verordening nr. 2868/95 alsook uit de rechtspraak.

136 Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak de merkhouder geen profijt mag trekken uit het feit dat hij zijn verplichting om de lijst van waren klaar en duidelijk aan te geven, niet is nagekomen (zie arrest van 6 april 2017, NANA FINK,T‑39/16, EU:T:2017:263, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

137 Bijgevolg mag de betrokken aanduiding niet aldus worden uitgelegd dat zij – in het belang van verzoekster – enkel de tweedimensionale „jigsaw puzzles” omvat, waardoor deze aanduiding aan de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 en de overeenkomstige nietigheidsgrond zou kunnen ontkomen. Deze aanduiding moet aldus worden uitgelegd dat zij ook de driedimensionale „jigsaw puzzles” omvat.

138 De driedimensionale „jigsaw puzzles” zijn noodzakelijk om de technische uitkomst van het litigieuze merk te verkrijgen (zie de punten 52 en 53 hierboven). Zoals de kamer van beroep in punt 90 van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld, sluit immers niets in de door verzoeksters rechtsvoorganger verstrekte voorstelling van dit merk de mogelijkheid uit om de kubus uit elkaar te halen en opnieuw in elkaar te zetten om de perfecte combinatie te verkrijgen, waarbij de roosterstructuur noodzakelijk is om de verschillende blokjes van elkaar te scheiden en de kleuren noodzakelijk zijn om aan te geven in welke volgorde de blokjes weer in elkaar moeten worden gezet.

139 De kamer van beroep heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door vast te stellen dat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening nr. 40/94 ook van toepassing was op „legpuzzels” („jigsaw puzzles” in het Engels) en door dus te oordelen dat het litigieuze merk onder de overeenkomstige nietigheidsgrond viel voor alle waren waarop de inschrijving betrekking had.

140 Het derde onderdeel van het enige middel moet derhalve worden afgewezen.

141 Gelet op een en ander moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

142 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

143 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het EUIPO en van interveniënte te worden verwezen in de kosten. Voorts kan met betrekking tot de kosten die deze laatste voor de kamer van beroep heeft gemaakt, worden volstaan met de opmerking dat punt 2 van het dictum van de bestreden beslissing geldig blijft wat die kosten betreft, aangezien het onderhavige arrest het beroep tegen die beslissing verwerpt [zie in die zin arrest van 28 februari 2019, Lotte/EUIPO – Générale Biscuit-Glico France (PEPERO original), T‑459/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:119, punt 194].

HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Spin Master Toys UK Ltd wordt verwezen in de kosten.

Costeira Kancheva Tichy-Fisslberger Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 2025. ondertekeningen

Inhoud

Voorgeschiedenis van het geding

Conclusies van partijen

In rechte

Opmerkingen vooraf

Type van het litigieuze merk

Technische uitkomst van het litigieuze merk

Eerste onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling bij de identificatie van de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk

Inleidende bewering inzake de wezenlijke kenmerken van het litigieuze merk

Hoofdgrief: het onderscheid door middel van zes kleuren kan niet worden geacht integrerend deel uit te maken van de vorm van het litigieuze merk

Tweede onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling bij de analyse van het functionele karakter van het litigieuze merk

Derde onderdeel van het enige middel: onjuiste beoordeling van de „legpuzzels”

Kosten

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in