Gerecht EU 6 mei 2026, T-87/25, ECLI:EU:T:2026:316
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
6 mei 2026 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor kleding en accessoires voor heren, dames en kinderen met een licentie van Pierre Cardin – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld – Geldboete – Onjuiste rechtsopvatting – Evenredigheid – Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑87/25,
Westfälisches Textilwerk Adolf Ahlers Stiftung & Co. KG, gevestigd te Herford (Duitsland), vertegenwoordigd door U. Itzen, N. Andree, A. Pliego Selie en S. Prüfer, advocaten,
verzoekster
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Domecq, A. Keidel en I. Naglis als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Kowalik‑Bańczyk, president, R. da Silva Passos (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 11 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar krachtens artikel 263 VWEU ingestelde beroep verzoekt verzoekster, Westfälisches Textilwerk Adolf Ahlers Stiftung & Co. KG, primair in essentie om nietigverklaring van artikel 2, eerste alinea, onder b), en artikel 3 van besluit C(2024) 8150 final van de Commissie van 28 november 2024 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (AT.40642 – Pierre Cardin) (hierna: „bestreden besluit”) en subsidiair om verlaging van de aan haar opgelegde geldboete.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Nadat op 25 maart 2019 een klacht werd ingediend, heeft de Europese Commissie op grond van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) in het bestreden besluit vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2008 tot 31 maart 2021 (hierna: „inbreukperiode”) Pierre Cardin Evolution en Société de Gestion Pierre Cardin (hierna: „Pierre Cardin-vennootschappen”) alsook verzoekster hadden deelgenomen aan mededingingsregelingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen aangaande de verkoop van producten van het merk Pierre Cardin.
3 Tijdens de inbreukperiode was verzoekster de moederonderneming van een groep ondernemingen (hierna: „Ahlers-groep”) en had zij aldus indirect het meerderheidsbelang in het stemgerechtigde kapitaal van Ahlers AG en haar dochterondernemingen (hierna: „Ahlers AG”). Ahlers AG had in die periode de meerderheid van het kapitaal van verschillende dochterondernemingen in handen.
4 Tijdens de inbreukprocedure was de hoofdactiviteit van de Ahlers-groep de productie en verdeling van kleding in Europa, voornamelijk onder het merk Pierre Cardin.
5 Eind april 2023 heeft Ahlers AG een verzoek ingediend tot opening van een insolventieprocedure, waarna voorlopige curatoren zijn aangesteld.
6 Op 15 juli 2023 werd er voor Ahlers AG een formele insolventieprocedure geopend, waardoor de zeggenschap over de insolvente ondernemingen werd overgedragen aan de curatoren. Diezelfde dag hebben de curatoren de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG verkocht en deze onomkeerbaar overgedragen aan een derde, onafhankelijke investeerder.
7 Na contacten tussen de curatoren en de diensten van de Commissie hebben die diensten de curatoren bij brief van 18 juli 2023 op de hoogte gebracht van hun voornemen om geen boete op te leggen aan de koper van Alhers AG, als haar economische opvolger. Zij hebben echter aangegeven dat die mededeling in dat stadium van het onderzoek voor de Commissie geen formeel en bindend karakter had.
8 Op 18 maart 2024 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot verlaging van de geldboete die haar eerder door de Commissie was verstrekt. Ter ondersteuning van dit verzoek beriep verzoekster zich op punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening [nr. 1/2003] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2) en voerde zij aan dat zij niet in staat was om te betalen.
9 Op dit verzoek heeft de Commissie in de overwegingen 508 tot en met 519 van het bestreden besluit in essentie geantwoord dat de omzet die overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 in overweging moet worden genomen voor de berekening van het maximumbedrag van de boete, de geconsolideerde omzet van verzoekster is in het boekjaar dat voorafging aan de vaststelling van het bestreden besluit, welk boekjaar liep tussen 1 december 2022 en 30 november 2023. De omzet die de Commissie voor de berekening van het maximum heeft gehanteerd, omvatte dus niet alleen de omzet die verzoekster in die periode had behaald maar ook de omzet die Ahlers AG tot 15 juli 2023 had behaald.
10 In het bestreden besluit heeft de Commissie in overweging 531 voorts het volgende aangegeven: „Op basis van de in bijlage I beschreven bewijsstukken en om te voorkomen dat een boete wordt opgelegd die de economische levensvatbaarheid van Ahlers ernstig in gevaar zou brengen, dient het aan [verzoekster] op te leggen eindbedrag overeenkomstig punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten te worden verminderd tot 3500000 EUR. Dat is een vermindering met ongeveer 66,09 %.”
11 In artikel 1 van het bestreden besluit is de Commissie tot de bevinding gekomen dat verzoekster en de Pierre Cardin-vennootschappen inbreuk hadden gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk die de gehele Europese Economische Ruimte (EER) bestreek en die bestond uit mededingingsregelingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden om de mededinging binnen de interne markt te verstoren.
12 In artikel 2, eerste alinea, onder b), van het bestreden besluit heeft de Commissie verzoekster vanwege de vastgestelde inbreuk een boete van 3500000 EUR opgelegd.
13 Bij een aan het bestreden besluit gehechte brief heeft de Commissie geantwoord op het verzoek tot verlaging van de geldboete (zie punt 8 hierboven). Zij heeft in artikel 3 van het bestreden besluit dan ook besloten dat verzoekster de boete in termijnen mocht betalen op voorwaarde dat het bedrag van 250000 EUR binnen drie maanden na de datum van het besluit zou worden voldaan. Het resterende bedrag moest in drie jaarlijkse termijnen worden betaald: 750000 EUR moet uiterlijk op 30 juni 2026 worden betaald, 1000000 EUR uiterlijk op 30 juni 2027 en 1500000 EUR uiterlijk op 30 juni 2028. Daarbij moest voor elk van die termijnen ook rente worden betaald, berekend over de uitstaande bedragen voor de periode tot de dag van betaling.
14 Volgens artikel 5 van het bestreden besluit was het besluit alleen aan verzoekster en de Pierre Cardin-vennootschappen gericht, en niet aan Ahlers AG.
Conclusies van partijen
15 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – primair in essentie artikel 2, eerste alinea, onder b), en artikel 3 van het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair het aan haar opgelegde boetebedrag te verlagen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
16 De Commissie verzoekt het Gerecht: – primair het beroep te verwerpen; – subsidiair een naar zijn oordeel passend bedrag vast te stellen voor het boetebedrag dat aan verzoekster moet worden opgelegd; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
17 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekster met dit beroep de in het bestreden besluit opgenomen bevindingen van de Commissie dat haar gedrag een schending van het Unierecht inzake mededinging oplevert, niet in twijfel trekt. Zij betwist evenmin de beoordeling van de Commissie in de bij het bestreden besluit gevoegde brief aangaande het onvermogen van verzoekster om te betalen (zie de punten 8 en 13 hieronder).
18 Met dit beroep beoogt verzoekster namelijk enkel dat het bestreden besluit nietig wordt verklaard wat betreft het bedrag van de boete die haar overeenkomstig artikel 2, eerste alinea, onder b), en artikel 3 van dat besluit is opgelegd. Verzoekster verzoekt bijgevolg dat het bestreden besluit gedeeltelijk nietig wordt verklaard of, subsidiair, dat het Gerecht in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht het boetebedrag verlaagt, zodat het niet 10 % van haar omzet in het volledige boekjaar dat voorafging aan de vaststelling van het bestreden besluit overschrijdt.
Primaire vordering
19 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, namelijk dat de Commissie op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste beoordeling en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden door bij de bepaling van het boetebedrag ten onrechte het maximumbedrag van 10 % van de jaarlijkse omzet toe te passen. Met haar eerste grief betoogt zij in essentie dat de Commissie er geen rekening mee heeft gehouden dat het maximumbedrag van de boete – 10 % van de omzet – afzonderlijk van toepassing is op onderscheiden economische eenheden. Met haar tweede grief stelt zij dat, toen het bestreden besluit werd vastgesteld, Ahlers AG geen onderdeel uitmaakte van dezelfde economische eenheid als zijzelf. Met haar derde grief stelt zij dat de Commissie in het bestreden besluit een fout heeft gemaakt door bij de berekening van het maximumbedrag van de aan haar opgelegde boete rekening te houden met de omzet van Ahlers AG. Met haar vierde grief betoogt zij dat de in het bestreden besluit aangehaalde rechtspraak geen steun biedt voor de aanpak van de Commissie, en met haar vijfde grief dat de aanpak van de Commissie tot een onjuist resultaat leidt, aangezien die aanpak tot een onevenredig boetebedrag leidt, zonder dat dit wordt gerechtvaardigd door overwegingen met betrekking tot de noodzaak om de doeltreffendheid van de sancties op het gebied van de mededinging te waarborgen.
Eerste vier grieven van het enige middel: fouten die de Commissie volgens verzoekster heeft gemaakt door bij de berekening van het maximumbedrag van de opgelegde boete te oordelen dat verzoekster en Ahlers AG deel uitmaakten van één economische eenheid en door bij de berekening van dat maximumbedrag rekening te houden met de omzet van Ahlers AG
20 Met de eerste vier grieven van het enige middel, die samen behandeld moeten worden, verwijt verzoekster de Commissie in essentie dat zij bij de berekening van het aan haar opgelegde maximumbedrag geen rekening heeft gehouden met het feit dat Ahlers AG en zijzelf geen deel meer uitmaakten van dezelfde economische eenheid toen het bestreden besluit werd vastgesteld. De Commissie heeft volgens verzoekster aldus een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door bij de berekening van dat maximumbedrag rekening te houden met de geconsolideerde omzet van verzoekster en bijgevolg door rekening te houden met de omzet van Ahlers AG voor het berekenen van het door artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voorgeschreven maximale boetebedrag.
21 Verzoekster benadrukt om te beginnen dat uit de rechtspraak voortvloeit dat met de vaststelling van het maximumbedrag van de boete op 10 % van de omzet wordt beoogd te voorkomen dat een boete onevenredig is in verhouding tot de omvang van de beboete onderneming, zodat de economische levensvatbaarheid van die onderneming niet ernstig in gevaar wordt gebracht, aangezien dit ertoe zou kunnen leiden dat zij van de markt wordt verdrongen.
22 Voorts betoogt verzoekster ten eerste dat uit de bewoordingen van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 volgt dat het op 10 % van de omzet vastgestelde maximumbedrag van de boete voor elke betrokken onderneming afzonderlijk moet worden berekend met betrekking tot de economische eenheid zoals die bestaat op het moment waarop het besluit tot oplegging van een boete wordt vastgesteld, en dat de Commissie in dit verband geen beoordelingsmarge heeft. Verzoekster beroept zich in het bijzonder op de arresten van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), en 25 november 2020, Commissie/GEA Group (C‑823/18 P, EU:C:2020:955), en betoogt dat indien vóór de vaststelling van het besluit waarbij een boete wordt opgelegd een economische eenheid die eerder bestond is gewijzigd, het maximumbedrag van de boete afzonderlijk moet worden toegepast op elk van de economische eenheden en moet worden berekend op basis van de omzet die elk van hen heeft behaald. Volgens verzoekster is dit in casu het geval, aangezien op 15 juli 2023, dus vóór de vaststelling van het bestreden besluit, een formele insolventieprocedure werd geopend en op diezelfde dag de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG aan een derde werden overgedragen. Bijgevolg is volgens verzoekster met het bestreden besluit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geschonden doordat bij de vaststelling van het maximumbedrag van een verkeerde omzet is uitgegaan.
23 Ten tweede betoogt verzoekster dat zij als aandeelhouder van Ahlers AG op grond van het Duitse insolventierecht geen macht had om de insolventieprocedure en de verkoopprocedure te beïnvloeden. Volgens verzoekster moeten de curatoren de activa van de vennootschap verkopen om de schuldeisers te voldoen. In casu zijn de schuldeisers van Ahlers AG niet volledig voldaan, waardoor er geen overschot was dat aan haar als aandeelhouder van Ahlers AG kon worden uitgekeerd. Verzoekster geeft verder aan dat de Commissie nauw betrokken was bij de verkoop van Ahlers AG en had bevestigd dat er noch ten aanzien van de overgedragen activa noch ten aanzien van de koper daarvan een boete zou worden opgelegd.
24 Ten derde betoogt verzoekster dat uit de rechtspraak voortvloeit dat wanneer een moederonderneming haar dochteronderneming verkoopt, de tot dan toe tussen hen bestaande economische eenheid kan worden doorbroken. Hieromtrent stelt zij dat, hoewel de verkoop in casu plaatsvond via een overdracht van zowel activa als aandelen en Ahlers AG als vennootschap in liquidatie juridisch gezien bleef bestaan, moet worden vastgesteld dat de activa en aandelen die zij in deze vennootschap bezat, alsmede haar aandelen in de niet-insolvente dochterondernemingen, en daarmee de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG, definitief werden overgedragen aan de koper, zodat deze onherroepelijk aan verzoekster zijn onttrokken.
25 Ten vierde betoogt verzoekster dat de rechtspraak die in punt 10.3.5 van het bestreden besluit wordt aangehaald, in het bijzonder het arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie (C‑702/19 P, EU:C:2020:857), in casu niet van toepassing is, aangezien die rechtspraak alleen betrekking heeft op de vaststelling van het boekjaar dat relevant is om het maximumbedrag van de boete te berekenen. Verzoekster stelt dat de Commissie dus een fout heeft gemaakt door die rechtspraak als rechtvaardiging te gebruiken om ten onrechte de omzet van een andere economische eenheid, Ahlers AG, in aanmerking te nemen voor de berekening van het maximumbedrag van de aan haar opgelegde boete. Met andere woorden, verzoekster stelt dat het maximumbedrag van 10 % moet worden vastgesteld op basis van ten eerste de relevante economische eenheid en ten tweede het relevante referentiejaar dat betrekking heeft op deze economische eenheid. Volgens de rechtspraak mogen deze twee opeenvolgende stappen niet door elkaar worden gehaald, aangezien dit in strijd zou zijn met artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, aldus verzoekster.
26 De Commissie betwist deze argumenten.
27 Vastgesteld moet worden dat met de eerste vier grieven van het enige middel verzoekster in essentie opkomt tegen het feit dat de Commissie in het bestreden besluit het maximumbedrag van 10 % niet heeft berekend op basis van de omzet die elk van de vennootschappen van de groep afzonderlijk heeft gerealiseerd, maar op basis van de geconsolideerde omzet van die groep, waaronder ook de omzet van Ahlers AG, hoewel bij de vaststelling van het bestreden besluit de twee ondernemingen geen deel meer uitmaakten van dezelfde economische eenheid. Verweerster stelt dus dat de Commissie, door te oordelen dat het boekjaar dat liep van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 het relevante „voorafgaande boekjaar” in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 was, een fout heeft begaan bij de berekening van het maximumbedrag van de aan haar opgelegde boete. De Commissie had volgens verzoekster namelijk enkel rekening moeten houden met de omzet die zij in die periode realiseerde, zonder ook de omzet van Ahlers AG in de berekening op te nemen.
28 In de eerste plaats zij er, wat betreft de aansprakelijkheid van verzoekster voor de inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, die is bestraft middels het bestreden besluit, aan herinnerd dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat de Commissie geldboeten kan opleggen aan ondernemingen die inbreuk maken op artikel 101 VWEU, zonder dat de boete voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming groter is dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.
29 Noch in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003, noch in de rechtspraak wordt echter bepaald welke natuurlijke of rechtspersoon de Commissie aansprakelijk dient te stellen voor de inbreuk en dient te bestraffen door oplegging van een geldboete (zie arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑516/15 P, EU:C:2017:314, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Volgens vaste rechtspraak kan het inbreukmakende gedrag van een dochteronderneming aan de moederonderneming worden toegerekend, inzonderheid wanneer deze dochteronderneming ondanks het bezit van een eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moederonderneming gegeven instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten. In een dergelijke situatie maken de moederonderneming en haar dochteronderneming namelijk deel uit van dezelfde economische eenheid en vormen zij bijgevolg één onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie (zie arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑516/15 P, EU:C:2017:314, punten 52 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat de moederonderneming waaraan het inbreukmakende gedrag van haar dochteronderneming is toegerekend, persoonlijk wordt veroordeeld wegens een overtreding van de mededingingsregels van de Unie die zij wordt geacht zelf te hebben begaan omdat zij een beslissende invloed uitoefende op haar dochteronderneming, die haar in staat stelde om het marktgedrag van die onderneming te bepalen (zie arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑516/15 P, EU:C:2017:314, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Het mededingingsrecht van de Unie berust namelijk op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid van de economische eenheid die dat recht heeft geschonden. Als de moederonderneming deel uitmaakt van deze economische eenheid, wordt zij dan ook geacht persoonlijk en – met de andere rechtspersonen waaruit die eenheid bestaat – hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de gepleegde inbreuk (zie arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑516/15 P, EU:C:2017:314, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Uit de rechtspraak volgt ook dat wanneer er meerdere natuurlijke of rechtspersonen – zoals een moederonderneming en een dochteronderneming – zijn die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het inbreukmakende gedrag van de betrokken onderneming, de Commissie vrij kan kiezen of dat gedrag aan een van hen of aan elk van hen tegelijkertijd moet worden toegerekend (zie in die zin arrest van 25 oktober 2011, Uralita/Commissie, T‑349/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:622, punten 58-60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu zij eraan herinnerd dat de Commissie in overweging 474 van het bestreden besluit heeft overwogen, zonder door verzoekster te zijn weersproken, dat Ahlers AG en een andere onderneming hun gedrag in zaken die betrekking hadden op de producten van het merk Pierre Cardin niet zelfstandig hadden bepaald, maar in alle wezenlijke opzichten instructies van verzoekster hadden uitgevoerd. Volgens de Commissie vormden deze ondernemingen voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst één economische eenheid met verzoekster.
35 Er moet dus worden vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in het bestreden besluit bestrafte inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zie punt 2 hierboven) en voorts dat verzoekster tijdens de gehele inbreukperiode en ook tijdens een deel van het boekjaar dat door de Commissie in aanmerking werd genomen voor de berekening van de aan verzoekster opgelegde boete, namelijk tussen 1 december 2022 en 15 juli 2023, de moederonderneming van de Ahlers-groep was en dus indirect de meerderheid had in het kapitaal van Ahlers AG (zie de punten 3 en 9 hierboven).
36 Verzoekster betwist niet dat de omstandigheid dat er voor Ahlers AG een formele insolventieprocedure is geopend en dat de bedrijfsactiviteiten van deze vennootschap op 15 juli 2023 aan een derde zijn overdragen (zie punt 6 hierboven) haar aansprakelijkheid voor de in het bestreden besluit vastgestelde en bestrafte inbreuk niet tenietdoet.
37 Ongeacht het feit dat de insolventieprocedure is geopend en dat de bedrijfsactiviteiten vervolgens zijn overgedragen, wat als gevolg had dat verzoekster en Ahlers AG bij de vaststelling van het bestreden besluit geen deel meer uitmaakten van dezelfde economische eenheid, betwist verzoekster namelijk niet dat de Commissie haar in het bestreden besluit als verantwoordelijk voor de vastgestelde inbreuk heeft aangemerkt, zonder haar echter hoofdelijk aansprakelijk te stellen samen met Ahlers AG.
38 De Commissie heeft in artikel 1 van het bestreden besluit aldus vastgesteld dat verzoekster en twee andere ondernemingen – namelijk de Pierre Cardin-vennootschappen – artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst hadden geschonden. Derhalve heeft zij verzoekster aansprakelijk gesteld voor de inbreuk, maar geen aansprakelijkheid vastgesteld waar het ging om Ahlers AG. Bovendien moet worden geconstateerd dat verzoekster met dit beroep haar verantwoordelijkheid voor de betrokken inbreuk niet betwist en dus niet om nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit verzoekt. Zij betwist ook niet dat Ahlers AG in dit artikel van het bestreden besluit niet wordt genoemd en dat dit besluit niet aan die vennootschap gericht was (zie de punten 17 en 18 hierboven).
39 In de tweede plaats is aan de orde of de Commissie, ten eerste, in het bestreden besluit terecht als relevant „voorafgaand boekjaar” in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 het boekjaar heeft genomen dat liep van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023, en of zij, ten tweede, bij de berekening van het maximumbedrag van de boete alleen de omzet van verzoekster in die periode in aanmerking had mogen nemen dan wel, zoals zij in het bestreden besluit heeft gedaan, ook de omzet van Ahlers AG.
40 Hierbij moet worden vastgesteld dat de Commissie er in overweging 515 van het bestreden besluit op heeft gewezen dat verzoekster, Ahlers AG en een andere onderneming tijdens de inbreukperiode één economische eenheid vormden en dat Ahlers AG in het boekjaar dat liep van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 het grootste deel van de omzet van verzoekster had gerealiseerd. Met betrekking tot de toepassing van het maximum van 10 % van de omzet heeft de Commissie overwogen dat als de omzet van Ahlers AG in aanmerking werd genomen tot en met 15 juli 2023 – de datum van de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van deze vennootschap aan een derde –, de boete evenredig was, gelet op de economische situatie van verzoekster tijdens de inbreukperiode. In deze context heeft de Commissie bovendien opgemerkt dat de lagere omzet die door de andere ondernemingen dan Ahlers AG en dus voornamelijk door verzoekster vanaf 16 juli 2023 na de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG aan een derde werd behaald, een weerspiegeling vormde van de economische situatie van verzoekster tijdens de resterende maanden van het boekjaar dat liep van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023, maar geen getrouw beeld gaf van haar situatie over het hele boekjaar of in de inbreukperiode. De Commissie merkte ook nog op dat als de totale jaaromzet van Ahlers AG over 2023 niet in aanmerking was genomen bij de berekening van de boete, dit ertoe zou hebben geleid dat zij het boetebedrag op een veel te laag niveau zou hebben vastgesteld, waardoor deze elk afschrikkend effect zou hebben verloren.
41 Wat daarnaast de omzet betreft die in aanmerking moet worden genomen om het maximumbedrag van de aan verzoekster opgelegde boete te berekenen, volgt uit de rechtspraak dat de bovengrens voor de geldboeten die is voorgeschreven in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, waarvan de inhoud is weergegeven in punt 28 hierboven, beoogt te vermijden dat geldboeten worden opgelegd waarvan kan worden voorzien dat de ondernemingen, gelet op hun omvang, zoals die – zij het ook benaderend en onvolkomen – wordt aangegeven door hun totale omzet, die niet zullen kunnen betalen. Het gaat dus om een grens die gelijkelijk geldt voor alle ondernemingen, die betrekking heeft op de omvang van elk van die ondernemingen en die beoogt buitensporig hoge en onevenredige geldboeten te vermijden (zie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Deze doelstelling moet echter samengaan met de noodzaak om de geldboete voldoende afschrikkende werking te geven, wat rechtvaardigt dat de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming in aanmerking worden genomen, dat wil zeggen de totale middelen van de inbreukmaker (zie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Het is immers de beoogde impact op de betrokken onderneming die rechtvaardigt dat de omvang en de totale middelen van die onderneming in aanmerking worden genomen om te garanderen dat de geldboete voldoende afschrikkende werking heeft, waarbij de sanctie niet verwaarloosbaar mag zijn gelet op met name de financiële capaciteit van deze onderneming (zie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve blijkt het gerechtvaardigd om bij de beoordeling van de financiële middelen van een onderneming waaraan een inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht wordt toegerekend, de omzet van alle vennootschappen waarop de betrokken onderneming beslissende invloed kan uitoefenen, in aanmerking te nemen (zie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien is de Commissie, zoals zij betoogt, niet verplicht om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de kwetsbare financiële situatie van een onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 327 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Om het „voorafgaande boekjaar” in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 te bepalen moet de Commissie dus in elk concreet geval en gelet op de context en de doelen van de bij verordening nr. 1/2003 ingestelde sanctieregeling beoordelen wat de beoogde weerslag op de betrokken onderneming is, met name door rekening te houden met een omzet die de werkelijke economische situatie van die onderneming weergeeft in het tijdvak waarin de inbreuk is begaan (zie arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In casu moet, waar het in de eerste plaats gaat om het relevante „boekjaar” in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en de vaststelling daarvan als de periode van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 (eerste in punt 39 hierboven vermelde vraag), worden opgemerkt dat de Commissie in voetnoot 827 van het bestreden besluit heeft aangegeven dat deze referentieperiode overeenkwam met het boekjaar van Ahlers AG en verzoekster, hetgeen deze laatste overigens niet betwist.
46 Aangezien het bestreden besluit is vastgesteld op 28 november 2024, moet worden geoordeeld dat de Commissie in overweging 511 van het bestreden besluit terecht tot de bevinding is gekomen dat het „voorafgaande boekjaar” in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de periode van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 bestreek. Verzoekster bevestigt overigens zelf dat de keuze van de Commissie om dat jaar als referentiejaar te nemen voor de berekening van het maximumbedrag van 10 % van de omzet in casu niet ter discussie staat.
47 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de Commissie bij de berekening van het maximumbedrag van de boete alleen de omzet van verzoekster in aanmerking had moeten nemen of, zoals zij in het bestreden besluit heeft gedaan, ook die van Ahlers AG (tweede in punt 39 hierboven vermelde vraag), moet worden vastgesteld dat verzoekster het in het bestreden besluit gehanteerde bedrag aan omzet niet betwist, maar enkel het feit dat de Commissie bij de berekening van het maximumbedrag van de boete haar geconsolideerde omzet in aanmerking heeft genomen, waaronder ook de omzet die Ahlers AG tussen 1 december 2022 en 15 juli 2023 had gerealiseerd, en zich niet uitsluitend op haar omzet heeft gebaseerd.
48 Bovendien zij eraan herinnerd dat, zoals de Commissie in de overwegingen 511 en 512 van het bestreden besluit heeft opgemerkt zonder weersproken te worden door verzoekster, de omzet van Ahlers AG tijdens de periode van 1 december 2022 tot en met 15 juli 2023 – de datum van de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG aan een derde – deel uitmaakte van de geconsolideerde omzet van verzoekster.
49 De binnen het Unierecht geldende regels inzake boekhoudkundige consolidatie hebben tot doel om een getrouw beeld van het vermogen, de financiële situatie en de resultaten van alle vennootschappen binnen een groep te geven. Artikel 22, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19) legt daarom de verplichting tot opstelling van financiële overzichten op aan iedere moederonderneming die met name de meerderheid van de stemrechten in een dochteronderneming bezit, het recht heeft om de meerderheid van de leden van het bestuurs‑ of toezichthoudend orgaan van een dergelijke onderneming te benoemen of te ontslaan, of het recht heeft om „overheersende invloed” op een dergelijke onderneming uit te oefenen (zie naar analogie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 54).
50 Hieruit volgt dat wanneer – zoals in casu – rechtens genoegzaam is aangetoond dat een inbreuk kan worden toegerekend aan een vennootschap die aan het hoofd staat van een groep, de Commissie bij de beoordeling van de financiële capaciteit van die onderneming de geconsolideerde jaarrekeningen ervan in aanmerking mag nemen, aangezien deze als een relevante beoordelingsfactor kunnen worden beschouwd (arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 55).
51 Bovendien zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat het ernstig afbreuk zou doen aan de doeltreffendheid van de sancties waarin verordening nr. 1/2003 voorziet, indien zou worden aanvaard dat een onderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, ervoor kan zorgen dat het maximumbedrag dat deze geldboete in geen geval mag overschrijden aanzienlijk lager uitvalt door vóór de vaststelling van het besluit waarbij haar een geldboete wordt opgelegd, een deel van haar activiteiten over te dragen aan een derde (arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 104).
52 Aangezien overeenkomstig de in punt 44 hierboven aangehaalde rechtspraak de in het voorafgaande boekjaar gerealiseerde omzet in de zin van artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 de werkelijke economische situatie van de onderneming tijdens de inbreukperiode moet weergeven, kan de Commissie in casu niet worden verweten de geconsolideerde omzet van verzoekster als moederonderneming, dus inclusief de omzet van haar dochteronderneming Ahlers AG tussen 1 december 2022 en 15 juli 2023, in aanmerking te hebben genomen. Verzoekster betwist namelijk niet dat zij tijdens de inbreukprocedure, tot 15 juli 2023, één economische eenheid vormde met Ahlers AG, waarover zij een „overheersende invloed” uitoefende.
53 Verder moet worden opgemerkt dat het boetebedrag, zoals is aangegeven in punt 40 hierboven, in de onderhavige zaak verwaarloosbaar zou zijn geweest in verhouding tot de ernst van de inbreuk, de duur ervan en de onrechtmatige winst die gedurende de gehele periode van de inbreuk werd gemaakt, indien de Commissie dat bedrag uitsluitend had berekend op basis van de door verzoekster gerealiseerde omzet.
54 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de Commissie, zoals zij ook opmerkt, voor de berekening van het maximumbedrag van de aan verzoekster opgelegde boete als referentieperiode ook het boekjaar had kunnen nemen dat liep van 1 december 2021 tot en met 30 november 2022, wat voor verzoekster ongunstiger zou zijn geweest. De Commissie had namelijk ook kunnen overwegen dat, zoals is aangegeven in punt 44 hierboven, dat boekjaar de werkelijke economische situatie van de onderneming tijdens de inbreukperiode het best weergaf, aangezien het ging om het laatste volledige boekjaar waarin Ahlers AG en verzoekster één economische eenheid vormden, zoals gedurende de gehele periode van de inbreuk het geval was geweest.
55 Bovendien falen de door verzoekster aangevoerde argumenten, inclusief die welke ter terechtzitting zijn aangevoerd, dat de berekening van het maximumbedrag van de aan haar in het bestreden besluit opgelegde boete zich niet verdraagt met de rechtspraak van het Hof die met name voortvloeit uit de arresten van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), en 25 november 2020, Commissie/GEA Group (C‑823/18 P, EU:C:2020:955).
56 Het Hof heeft in de punten 53, 57 en 58 van het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), immers geoordeeld dat in het geval waarin een moederonderneming en haar dochteronderneming niet langer een onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen op de datum van vaststelling van een besluit waarbij hun een geldboete wegens schending van de mededingingsregels wordt opgelegd, elk van hen recht heeft op toepassing van het plafond van 10 % van de omzet en dat de moederonderneming in die omstandigheden geen aanspraak kan maken op het voordeel van het op haar voormalige dochteronderneming toepasselijke plafond. Het Hof heeft dus het argument verworpen dat uit het begrip „hoofdelijke aansprakelijkheid” volgt dat een moederonderneming niet mag worden veroordeeld tot betaling van een hogere geldboete dan de geldboete die is opgelegd aan haar dochteronderneming.
57 Daarnaast heeft het Hof er in de punten 75, 77, 79 en 80 van het arrest van 25 november 2020, Commissie/GEA Group (C‑823/18 P, EU:C:2020:955), overigens onder verwijzing naar de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), eerst aan herinnerd dat wanneer twee afzonderlijke rechtspersonen, zoals een moederonderneming en haar dochteronderneming, niet langer een onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen op de datum van vaststelling van een besluit waarbij hun een geldboete wordt opgelegd, zij recht hebben op individuele toepassing van het maximum van 10 % van de omzet. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de berekening van dat maximum voor elk van de twee rechtspersonen correct was. Die berekening was door de Commissie afzonderlijk uitgevoerd op basis van de omzet in het boekjaar dat voorafging aan de vaststelling van het bestreden besluit in die zaak en resulteerde erin dat de moederonderneming als enige aansprakelijk was voor een gedeelte van de opgelegde boete.
58 Daarentegen is het in casu zo dat, afgezien van de Pierre Cardin-vennootschappen, alleen de moederonderneming, dus verzoekster, schuldig is bevonden aan de inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zie punt 11 hierboven). Aldus heeft enkel verzoekster als moederonderneming, en niet Ahlers AG als voormalige dochteronderneming, in het bestreden besluit, dat aan haar was gericht, een boete opgelegd gekregen voor schending van de mededingingsregels van het Unierecht (zie de punten 12 en 14 hierboven).
59 Uit het voorgaande vloeit dus voort dat verzoekster niet terecht kan stellen dat de Commissie bij de berekening van de tussen 1 december 2022 en 15 juli 2023 gerealiseerde omzet uitsluitend rekening had moet houden met de omzet die zij in deze periode heeft gerealiseerd, zonder rekening te houden met de omzet van haar dochteronderneming Ahlers AG.
60 De Commissie heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor de berekening van de aan verzoekster opgelegde maximumboete rekening te houden met de geconsolideerde omzet van verzoekster over het boekjaar dat liep van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023, welke omzet in overeenstemming met de in punt 44 hierboven aangehaalde rechtspraak bijgevolg ook betrekking had op die van Ahlers AG tot 15 juli 2023, de datum waarop de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG aan een derde werden overgedragen (zie punt 6 hierboven). Die omzet weerspiegelde namelijk de werkelijke economische situatie van verzoekster tijdens de inbreukperiode.
61 De eerste, de tweede, de derde en de vierde grief van het enige middel moeten dus ongegrond worden verklaard.
Vijfde grief van het enige middel: onevenredigheid van de boete
62 Met de vijfde grief van het enige middel betoogt verzoekster dat de aanpak van de Commissie in het bestreden besluit leidt tot een onevenredig boetebedrag en dat overwegingen met betrekking tot de noodzaak om de doeltreffendheid van de sancties op het gebied van de mededinging te waarborgen niet als rechtvaardiging kunnen worden aangevoerd.
63 Ten eerste betoogt verzoekster dat de Commissie voor het boekjaar van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 een maximum boetebedrag van ongeveer 10,4 miljoen EUR had vastgesteld, terwijl zij een omzet van ongeveer 3,7 miljoen EUR had, wat een maximumboete van minder dan 400000 EUR zou rechtvaardigen. Zij is van mening dat het door de Commissie vastgestelde maximumbedrag van de boete meer dan 10 % van haar omzet bedraagt en onevenredig is in verhouding tot haar omvang als betrokken onderneming ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit.
64 Ten tweede stelt verzoekster dat een dergelijke uitkomst niet kan worden gerechtvaardigd door overwegingen met betrekking tot de doeltreffendheid van sancties op het gebied van mededingingsverstorende praktijken. Verzoekster betoogt dat de rechtspraak aangaande het referentiejaar dat relevant is voor de toepassing van het maximumbedrag van 10 % onder meer tot doel heeft om de doeltreffendheid van de op dat gebied opgelegde sancties te waarborgen, namelijk door te voorkomen dat de betrokken ondernemingen het maximumbedrag van een boete willekeurig kunnen verlagen, bijvoorbeeld door een doelbewuste herstructurering of de verkoop van activa aan derden. Volgens verzoekster is er in casu echter geen probleem met de doeltreffendheid, aangezien i) de insolventie van Ahlers AG het gevolg was van diverse, externe factoren en ongunstige marktomstandigheden en ii) de verkoop en overdracht van de bedrijfsactiviteiten van Ahlers AG aan een derde een normaal gevolg was van de insolventieprocedure.
65 De Commissie betwist deze argumenten.
66 Vastgesteld moet worden dat verzoekster met haar vijfde grief in essentie de evenredigheid van de aan haar opgelegde boete ter discussie stelt. Zij betoogt in dit verband slechts dat het maximumbedrag van de boete ten onrechte is berekend op basis van de geconsolideerde omzet die zij als moederonderneming van Ahlers AG tot 15 juli 2023, de datum waarop de bedrijfsactiviteiten van deze vennootschap aan een derde werden overgedragen, in het boekjaar van 1 december 2022 tot en met 30 november 2023 had gerealiseerd.
67 Onder deze omstandigheden moet de vijfde grief ongegrond worden verklaard op grond van de reeds in de punten 27 tot 61 hierboven genoemde bevindingen.
68 Derhalve faalt de vijfde grief van het enige middel en daarmee het middel in zijn geheel.
Subsidiaire vordering
69 Wat de tweede, subsidiaire vordering van verzoekster (zie punt 15 hierboven) betreft, die strekt tot verlaging van het boetebedrag, moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht die de Unierechter overeenkomstig artikel 261 VWEU bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 werd verleend, verder gaat dan het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie en hem de mogelijkheid biedt om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arrest van 11 juli 2019, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, T‑582/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:497, punt 361 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 De uitoefening van deze toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht komt er bovendien niet op neer dat het toezicht ambtshalve wordt uitgeoefend, en de procedure wordt gevoerd op tegenspraak. Het staat in beginsel aan de verzoekende partij om middelen tegen het bestreden besluit aan te voeren en bewijzen ter onderbouwing van die middelen aan te dragen (zie arrest van 11 juli 2019, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, T‑582/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:497, punt 362 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster, wat het boetebedrag betreft, met haar tweede vordering slechts subsidiair om verlaging van dat bedrag verzoekt (zie punt 15 hierboven), zonder echter specifieke argumenten ter onderbouwing van dat verzoek aan te voeren. In die omstandigheden is geen enkele grief die ter onderbouwing van de primaire vordering is aangevoerd gegrond. Verzoekster voldoet niet aan de eis die is genoemd in de in punt 70 hierboven aangehaalde rechtspraak en die erop ziet dat verzoekster middelen aanvoert en bewijzen aandraagt ter onderbouwing van haar verzoek.
72 Het door verzoekster in haar tweede vordering geformuleerde verzoek tot verlaging van het boetebedrag moet dus worden afgewezen.
73 Het beroep moet dan ook in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
Kosten
74 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in alle kosten.
HET GERECHT (Derde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Westfälisches Textilwerk Adolf Ahlers Stiftung & Co. KG wordt verwezen in de kosten.
Kowalik-Bańczyk da Silva Passos Cassagnabère Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 mei 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 november 2020, C-823/18, ECLI:EU:C:2020:955
- HvJ EU 22 oktober 2020, C-702/19, ECLI:EU:C:2020:857
- HvJ EU 27 april 2017, C-516/15, ECLI:EU:C:2017:314
- HvJ EU 26 november 2013, C-58/12, ECLI:EU:C:2013:770
- HvJ EU 26 november 2013, C-50/12, ECLI:EU:C:2013:771
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-349/08, ECLI:EU:T:2011:622
- HvJ EU 28 juni 2005, C-189/02, ECLI:EU:C:2005:408