Gerecht EU 14 januari 2026, T-64/25, ECLI:EU:T:2026:10
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
14 januari 2026 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk Leone – Relatieve nietigheidsgrond – Recht op een oudere naam naar Oostenrijks recht – Artikel 60, lid 2, onder a), van verordening (EU) 2017/1001”
In zaak T‑64/25,
Lisa Leone, wonende te Wenen (Oostenrijk),
Giorgio Leone, wonende te Wenen,
Leone & Leone OG, gevestigd te Wenen,
vertegenwoordigd door F.‑M. Orou, advocaat,
verzoekers,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Stoyanova-Valchanova als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO:
Incom, gevestigd te Ajdovščina (Slovenië),
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: I. Gâlea, president, T. Tóth (rapporteur) en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoekers, Lisa Leone, Giorgio Leone en Leone & Leone OG, vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 27 november 2024 (zaak R 971/2023‑2) (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 19 januari 2022 hebben verzoekers bij het EUIPO een vordering ingediend strekkende tot nietigverklaring van het Uniemerk dat was ingeschreven na een op 26 februari 2020 ingediende aanvraag voor het woordteken Leone.
3 De door het litigieuze merk aangeduide waren waarvoor om nietigverklaring werd verzocht behoorden tot klasse 30 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en bestonden voornamelijk uit roomijs en diverse ijsproducten.
4 De vordering tot nietigverklaring werd ingediend op grond van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), in samenhang met bepalingen van de Oostenrijkse wettelijke regeling, te weten § 43 van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (Oostenrijks burgerlijk wetboek), § 9 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet inzake oneerlijke mededinging) van 22 november 1984 (BGBl. 448/1984) (hierna: „Oostenrijkse federale wet inzake oneerlijke mededinging”) en § 12 van het Markenschutzgesetz (merkenwet) van 30 november 1970 (BGBl. 260/1970) (hierna: „Oostenrijkse merkenwet”).
5 De vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op de volgende oudere rechten die krachtens het Oostenrijkse recht zijn beschermd: – het recht op de naam Leone, de familienaam van Lisa en Giorgio Leone, die zij in het kader van hun handelstransacties gebruiken; – het recht op de maatschappelijke benaming Leone & Leone OG, een vennootschap naar Oostenrijks recht, ingeschreven op 27 september 2012, waarvan Lisa en Giorgio Leone de vennoten zijn en die als maatschappelijk doel de productie en de verkoop van ijs heeft; – het recht op de naam Leones, die sinds 28 oktober 2013 in het kader van handelstransacties wordt gebruikt en op verzoekers’ ijssalons en op de door hen in de handel gebrachte waren is aangebracht.
6 Op 9 maart 2023 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring in haar geheel afgewezen. Zij was in essentie van oordeel dat de door verzoekers overgelegde bewijzen niet aantoonden dat het belang of de omvang van het gebruik van de geclaimde namen in het kader van hun in punt 5 hierboven genoemde handelsactiviteiten in de roomijssector volstond om aan te tonen dat zij een „beschermingswaardig belang” hadden waaraan afbreuk kon worden gedaan, zoals het toepasselijke Oostenrijkse recht vereist. De nietigheidsafdeling heeft dus geoordeeld dat er geen gevaar bestond dat het relevante publiek het litigieuze merk economisch of anderszins associeert met verzoekers.
7 Op 8 mei 2023 hebben verzoekers bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.
8 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep dat beroep verworpen op grond dat de door verzoekers aangevoerde oudere rechten die in punt 5 hierboven zijn vermeld binnen de werkingssfeer van artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 en dus buiten de werkingssfeer van artikel 60, lid 2, onder a), vielen, zodat de op laatstgenoemde bepaling gebaseerde vordering tot nietigverklaring ongegrond was.
Conclusies van partijen
9 Verzoekers verzoeken het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO te verwijzen in de kosten.
10 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekers te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.
In rechte
11 Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekers twee middelen aan: ten eerste, schending van artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001 en, ten tweede, schending van artikel 60, lid 2, onder a), van deze verordening.
12 Allereerst dient het tweede middel te worden onderzocht.
13 Met het tweede middel betogen verzoekers dat de kamer van beroep artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 heeft geschonden. Ten eerste heeft zij immers ten onrechte geoordeeld dat deze bepaling betrekking heeft op de bescherming van namen als een kenmerk van de persoonlijkheid, maar niet in het kader van het commerciële gebruik ervan, en is zij dus afgeweken van het arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:452). Ten tweede heeft zij geen rekening gehouden met verzoekers’ uitleg over het nationale recht en evenmin met de bewijzen betreffende het aanzienlijke commerciële gebruik van de geclaimde namen en is zij ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het door hen overgelegde bewijs niet aantoonde dat „[hun] beschermingswaardige belangen [waren] aangetast”.
14 Het EUIPO is van mening dat de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat de door verzoekers aangevoerde oudere rechten niet binnen de werkingssfeer van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 vallen. Deze rechten hadden moeten worden ingeroepen op grond van artikel 60, lid 1, onder c), juncto artikel 8, lid 4, van die verordening, waaronder niet-ingeschreven merken en andere in het economische verkeer gebruikte tekens vallen, zoals hoofdzakelijk handelsnamen, maatschappelijke benamingen, domeinnamen en andere tekens die kunnen dienen als commerciële identificatiemiddelen of om een economische activiteit van de houder ervan aan te duiden. De door verzoekers gekozen benadering leidt daarentegen tot omzeiling van het Unierecht. Een dergelijke benadering stelt hen namelijk in staat om zich te beroepen op een recht op commerciële identificatiemiddelen zonder te moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 8, lid 4, van die verordening en met name aan de voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd van een gebruik van meer dan alleen plaatselijke betekenis.
15 Wat ten eerste in het bijzonder de maatschappelijke benaming Leone & Leone OG en de naam Leones betreft, die respectievelijk een vennootschap en een onderneming identificeren, stelt het EUIPO dat het gaat om „typische” rechten die vallen onder artikel 60, lid 1, onder c), juncto artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001. Deze vaststelling vindt met name steun in § 9 van de Oostenrijkse federale wet inzake oneerlijke mededinging en in de §§ 12 en 32 van de Oostenrijkse merkenwet, voor zover deze bepalingen uitdrukkelijk verwijzen naar de bescherming van „commerciële identificatiemiddelen”. Bovendien stelt het EUIPO dat het feit dat verzoekers zelf aanspraak maken op bescherming tegen „verwarring van toewijzing”, te weten een situatie waarin het relevante publiek zou worden misleid wat betreft de commerciële herkomst van de relevante waren, betekent dat de aangevoerde oudere rechten daadwerkelijk de functie vervullen van „tekens die worden aangevoerd als commerciële identificatiemiddelen”. Wat ten tweede de familienaam Leone betreft, hebben verzoekers zich niet beroepen op deze naam om daarmee een specifieke persoon te identificeren, maar hebben zij in werkelijkheid aanspraak gemaakt op bescherming van het teken bestaande in die naam wanneer het in het economische verkeer wordt gebruikt.
Opmerkingen vooraf
16 Artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 bepaalt: „Het Uniemerk wordt op vordering bij het [EUIPO] of bij reconventionele vordering in een inbreukprocedure [...] nietig verklaard wanneer het gebruik ervan verboden kan worden op grond van de Uniewetgeving of van het nationale recht inzake de bescherming van een ander ouder recht, met name van een a) recht op de naam; b) recht op een afbeelding; c) auteursrecht; d) recht van industriële eigendom.”
17 Uit artikel 16, lid 1, onder c), van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening [2017/1001] en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) volgt dat in geval van een vordering tot nietigverklaring krachtens artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001, de eiser met name het volgende verstrekt: bewijsmateriaal betreffende de verkrijging, het voortbestaan en de beschermingsomvang van het betrokken oudere recht alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de eiser gerechtigd is tot het indienen van de vordering, waaronder, indien op het oudere recht een beroep wordt gedaan op grond van het recht van een lidstaat, een duidelijke omschrijving van de inhoud van het nationale recht waarop een beroep wordt gedaan onder bijvoeging van publicaties van de bepalingen of rechtspraak ter zake.
18 De verzoeker dient aan het EUIPO niet alleen de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden die overeenkomstig de nationale wetgeving waarvan hij de toepassing vraagt, zijn gesteld om het gebruik van een Uniemerk krachtens een ouder recht te kunnen verbieden, maar ook de gegevens waaruit de inhoud van deze wetgeving blijkt (arresten van 5 juli 2011, Edwin/BHIM,C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 50, en 30 juni 2015, Gambling Commission/BHIM, T‑404/10 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:445, punt 29).
19 Wanneer een vordering tot nietigverklaring van een Uniemerk is gebaseerd op een ouder recht dat door een regel van nationaal recht wordt beschermd, is het aan de bevoegde instanties van het EUIPO om het gezag en de strekking te beoordelen van de gegevens die de verzoeker ten bewijze van de inhoud van deze regel heeft overgelegd. Het Gerecht verricht een volledige toetsing met betrekking tot die beoordeling (arrest van 30 juni 2015, Gambling Commission/BHIM, T‑404/10 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:445, punt 30; zie ook in die zin arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM,C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punten 51 en 52).
20 In omstandigheden waarin het EUIPO mogelijkerwijs rekening moet houden met in het bijzonder het nationale recht van de lidstaat waarin een ouder recht wordt beschermd waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd, moet het bovendien ambtshalve, met de middelen die hem nuttig lijken, inlichtingen inwinnen over het nationale recht van de betrokken lidstaat wanneer deze inlichtingen nodig zijn voor de beoordeling van de voorwaarden voor toepassing van de betrokken nietigheidsgrond, en in het bijzonder voor de beoordeling van de juistheid van de aangevoerde feiten of van de bewijskracht van de overgelegde stukken [arrest van 20 januari 2021, Jareš Procházková en Jareš/EUIPO – Elton Hodinářská (MANUFACTURE PRIM 1949), T‑656/18, niet gepubliceerd, EU:T:2021:17, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Deze verplichting om ambtshalve inlichtingen over het nationale recht in te winnen rust in voorkomend geval op het EUIPO wanneer het reeds beschikt over aanwijzingen inzake het nationale recht, hetzij in de vorm van beweringen betreffende de inhoud ervan hetzij in de vorm van overgelegde gegevens waarvan de bewijskracht werd aangevoerd [arrest van 20 maart 2013, El Corte Inglés/BHIM – Chez Gerard (CLUB GOURMET), T‑571/11, EU:T:2013:145, punt 41; zie ook arrest van 2 december 2020, Monster Energy/EUIPO – Nanjing aisiyou Clothing (Weergave van een klauwachtige kras), T‑35/20, niet gepubliceerd, EU:T:2020:579, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
21 In casu dient vooraf te worden gepreciseerd dat de kamer van beroep in punt 20 van de bestreden beslissing om redenen van proceseconomie heeft beslist om zich niet uit te spreken over de vraag of iedere verzoeker individueel aanspraak kon maken op elk betrokken ouder recht. Zij heeft in de punten 47 tot en met 50 van de bestreden beslissing geoordeeld dat, voor zover alle door verzoekers aangevoerde oudere rechten binnen de werkingssfeer van artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 en dus buiten de werkingssfeer van artikel 60, lid 2, onder a), ervan vallen, de op laatstgenoemde bepaling gebaseerde vordering tot nietigverklaring in haar geheel moest worden afgewezen. Of verzoekers de vordering tot nietigverklaring konden indienen, is in het onderhavige geding dus niet aan de orde. Bijgevolg zijn de argumenten van verzoekers die ertoe strekken dit aan te tonen, niet ter zake dienend.
22 Voorts moet worden vastgesteld dat de in punt 5 hierboven genoemde oudere rechten in de eerste plaats betrekking hebben op de familienaam Leone, die samenvalt met de naam van de onderneming die actief is op het gebied van de productie en de verkoop van roomijs en die in handen is van Lisa en Giorgio Leone als natuurlijke personen met de Oostenrijkse nationaliteit. In de tweede plaats zien deze rechten op Leone en Leone OG, te weten de maatschappelijke benaming van de Oostenrijkse vennootschap waarvan Lisa en Giorgio Leone eigenaar zijn en waarvan het maatschappelijke doel de productie en de verkoop van roomijs is. In de derde plaats hebben deze rechten betrekking op Leones, met name het embleem van de winkels van verzoekers in Wenen (Oostenrijk) voor de verkoop van roomijs.
23 Na deze precisering dienen de argumenten van verzoekers te worden onderzocht, waarmee zij in essentie in de eerste plaats opkomen tegen de uitlegging die de kamer van beroep aan artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 heeft gegeven, en in de tweede plaats tegen de beoordelingen van die kamer met betrekking tot het nationale recht.
Uitlegging van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001
24 In punt 30 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep vastgesteld dat verzoekers hun vordering tot nietigverklaring hadden gebaseerd op de drie in punt 5 hierboven genoemde oudere rechten naar Oostenrijks recht en de nietigheidsgrond van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met de in punt 4 hierboven vermelde Oostenrijkse wettelijke regeling, hadden aangevoerd.
25 In de punten 31 en 32 en 47 tot en met 49 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep, na te hebben verwezen naar artikel 5, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1), geoordeeld dat artikel 5, lid 4, onder a), van die richtlijn de „in het economische verkeer gebruikte rechten” omvat, terwijl artikel 5, lid 4, onder b), van deze richtlijn „andere rechten dan de in het economische verkeer gebruikte oudere rechten” omvat, zoals het „recht op een naam”. De kamer van beroep heeft daaraan toegevoegd dat dit onderscheid ook voorkomt in, enerzijds, artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, waarin wordt verwezen naar artikel 8, lid 4, van deze verordening, en anderzijds, artikel 60, lid 2, onder a), van die verordening. Zij heeft geoordeeld dat, aangezien dit onderscheid was opgenomen in verordening 2017/1001, de kwalificatie van het aangevoerde recht naar nationaal recht niet doorslaggevend was. Aangezien artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 betrekking heeft op namen als „persoonlijkheidsrecht”, is de op deze bepaling gebaseerde vordering tot nietigverklaring van verzoekers dus ongegrond.
26 Verzoekers betwisten deze stelling waarop de bestreden beslissing hoofdzakelijk is gebaseerd en die in essentie inhoudt dat een vordering tot nietigverklaring in het kader waarvan een „recht op de naam” wordt aangevoerd die in het „economische verkeer” wordt gebruikt, niet kan worden gebaseerd op artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001.
27 Volgens de rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 10 juli 2014, D. en G., C‑358/13 en C‑181/14, EU:C:2014:2060, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Wat in de eerste plaats de in punt 16 hierboven in herinnering gebrachte bewoordingen van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de woorden „recht op de naam” geen enkele steun bieden aan de restrictieve uitlegging volgens welke deze bepaling enkel betrekking heeft op dit recht als een kenmerk van de persoonlijkheid en niet op de vermogensrechtelijke exploitatie van de naam (zie in die zin arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM,C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 33).
29 Bovendien bepaalt noch artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001, noch enige andere bepaling van Unierecht de inhoud van het „recht op de naam” of de voorwaarden waaronder het gebruik van een Uniemerk op basis daarvan kan worden verboden. Die bepaling verwijst in dit verband daarentegen naar het nationale recht, hetgeen duidelijk blijkt uit de woorden „het nationale recht inzake de bescherming van een ander ouder recht”.
30 Het EUIPO kan dus een Uniemerk op vordering van de belanghebbende nietig verklaren wanneer het gebruik ervan verboden kan worden op grond van met name een door een nationaal recht beschermd recht op de naam [arresten van 14 mei 2009, Fiorucci/BHIM – Edwin (ELIO FIORUCCI), T‑165/06, EU:T:2009:157, punt 41, en 29 juni 2017, Cipriani/EUIPO – Hotel Cipriani (CIPRIANI), T‑343/14, EU:T:2017:458, punt 73].
31 Bovendien sluiten de bewoordingen „recht op de naam” in de zin van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 niet a priori uit dat dit recht naar nationaal recht niet alleen betrekking kan hebben op een familienaam, maar ook op handelsnamen – zoals de maatschappelijke benaming van een vennootschap of rechtspersoon of de naam waaronder een onderneming optreedt, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit – of een bedrijfsembleem. Deze vaststelling geldt des te meer omdat, bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie, de bescherming van de handelsnaam onder het nationale recht valt (arrest van 10 juli 2025, Purefun Group,C‑365/24, EU:C:2025:558, punt 31).
32 Wat in de tweede plaats de contextuele uitlegging betreft, moet worden vastgesteld dat de structuur van artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 zich verzet tegen de uitlegging die de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft gegeven.
33 Volgens de rechtspraak van het Hof kan krachtens artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 een Uniemerk immers nietig worden verklaard op vordering van een belanghebbende die „een ander ouder recht” doet gelden. Ter precisering van de aard van een dergelijk ouder recht somt deze bepaling vier rechten op. Door het gebruik van de bijwoordelijke bepaling „met name” wordt er evenwel op gewezen dat het geen uitputtende lijst betreft. Onder de gegeven voorbeelden wordt naast het recht op de naam en het recht op een afbeelding melding gemaakt van het auteursrecht en het recht van industriële eigendom (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM,C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 34).
34 Uit deze niet-limitatieve opsomming blijkt dat de als voorbeeld aangehaalde rechten belangen van verschillende aard beogen te beschermen. Voor bepaalde van deze rechten, zoals het auteursrecht en het industriële-eigendomsrecht, worden de economische aspecten zowel door de nationale rechtsorden als door het Unierecht beschermd tegen commerciële aantasting (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 35).
35 Wanneer een recht op de naam wordt aangevoerd, is het derhalve niet mogelijk om op grond van de formulering en de structuur van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 de toepassing van deze bepaling te beperken tot de loutere gevallen waarin de inschrijving van een Uniemerk in strijd is met een recht dat uitsluitend beoogt de naam als kenmerk van de persoonlijkheid van de belanghebbende te beschermen (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 36).
36 Voorts voeren de bewoordingen „een ander ouder recht” in artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 een onderscheid in tussen de in dat lid opgesomde rechten, waaronder het „recht op de naam”, en de rechten als bedoeld in artikel 60, lid 1, van die verordening, waaronder artikel 60, lid 1, onder c), dat verwijst naar artikel 8, lid 4, van deze verordening, en dus naar „een niet-ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken”.
37 Ten eerste verwijst artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001 naar „een niet-ingeschreven merk”. Deze uitdrukking, gelezen in het licht van artikel 4 van deze verordening – dat tekens beschrijft die een Uniemerk kunnen vormen – en met name van artikel 4, onder a), van die verordening, moet aldus worden opgevat dat zij een teken aanduidt dat ertoe strekt waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen en aldus de commerciële herkomst van waren of diensten te waarborgen.
38 Hoewel artikel 4 van verordening 2017/1001 bepaalt dat „namen van personen” merken kunnen vormen, neemt dit niet weg dat als aanduiding van de commerciële herkomst van de waren of diensten die erdoor worden aangeduid, een merk dat in een naam van een persoon bestaat, een andere functie heeft dan een naam van een persoon als zodanig, die wordt gebruikt om een bepaalde persoon te identificeren [zie in die zin arrest van 14 mei 2009, Fiorucci/BHIM – Edwin (ELIO FIORUCCI), T‑165/06, EU:T:2009:157, punten 47 en 48; zie ook in die zin en naar analogie arrest van 30 maart 2006, Emanuel, C‑259/04, EU:C:2006:215, punt 48].
39 Ten tweede heeft artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001 ook betrekking op „een ander in het economische verkeer gebruikt teken”. In dit verband kan een maatschappelijke benaming, een handelsnaam of een bedrijfsembleem onder bepaalde voorwaarden ook fungeren als een teken dat dient om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Volgens de rechtspraak strekt een maatschappelijke benaming, een handelsnaam of een bedrijfsembleem op zich echter niet tot onderscheiding van waren of diensten. Een maatschappelijke benaming heeft namelijk tot doel een vennootschap te identificeren, terwijl een handelsnaam of een bedrijfsembleem ertoe dient een onderneming aan te duiden. Wanneer het gebruik van een maatschappelijke benaming, een handelsnaam of een bedrijfsembleem beperkt is tot het identificeren van een vennootschap of tot het aanduiden van een onderneming, kan dit niet worden aangemerkt als gebruik „voor waren of diensten” als bedoeld in artikel 4 van verordening 2017/1001 [arrest van 18 juli 2017, Savant Systems/EUIPO – Savant Group (SAVANT), T‑110/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:521, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het teken dat de maatschappelijke benaming vormt kan echter op zodanige wijze worden gebruikt dat een verband wordt gelegd tussen dit teken en de in de handel gebrachte waren of verrichte diensten. Voor zover aan deze voorwaarde is voldaan, sluit het feit dat een woordelement als handelsnaam van de onderneming wordt gebruikt namelijk niet uit dat het als merk kan worden gebruikt en zijn wezenlijke functie vervult die erin bestaat waren of diensten aan te duiden, of als teken dat de houder ervan het recht geeft om het gebruik van een merk te verbieden, in de zin van artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001 [arrest van 26 juli 2023, Guma Holdings/EUIPO – XTB (XTRADE), T‑67/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:436, punt 54].
40 Hieruit volgt dat namen, met inbegrip van handelsnamen, onder de uitdrukking „niet-ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken” in de zin van artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, kunnen vallen wanneer deze in het economische verkeer worden gebruikt als tekens die dienen om waren of diensten aan te duiden en aldus de commerciële herkomst van deze waren of diensten te waarborgen.
41 Dergelijke namen, die met name in het economische verkeer worden gebruikt om een persoon of onderneming als zodanig te identificeren, vallen daarentegen niet onder die definitie en kunnen vallen binnen de werkingssfeer van het „recht op de naam” in de zin van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001, waarvan de precieze inhoud en de voorwaarden voor de handhaving van dat recht uitsluitend worden bepaald aan de hand van het toepasselijke nationale recht.
42 Anders dan de kamer van beroep heeft geoordeeld, berust het onderscheid tussen de oudere rechten bedoeld in artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, enerzijds, en artikel 60, lid 2, onder a), van deze verordening anderzijds dus niet op de omstandigheid dat de oudere rechten al dan niet worden gebruikt in het economische verkeer of in handelstransacties, maar op het verschil in aard dat kenmerkend is voor de respectieve nietigheidsgronden waarop die bepalingen betrekking hebben.
43 Voor zover de kamer van beroep heeft geoordeeld dat artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 geen betrekking heeft op oudere rechten wanneer deze in het economische verkeer worden gebruikt en zich hierbij heeft gebaseerd op artikel 5, lid 4, onder a) en b), van richtlijn 2015/2436, moet daarbij nog worden opgemerkt dat deze bepaling luidt als volgt: „Elke lidstaat kan bepalen dat een merk niet wordt ingeschreven of, indien ingeschreven, nietig kan worden verklaard indien en voor zover: a) rechten op een niet-ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken verkregen zijn vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving van het jongere merk of in voorkomend geval vóór de datum van het ten behoeve van die merkaanvraag ingeroepen voorrangsrecht, en dat niet-ingeschreven merk of dat andere teken de houder ervan het recht verleent om het gebruik van een jonger merk te verbieden; b) het gebruik van het merk kan worden verboden op grond van een ander ouder recht dan de in lid 2 en de in het onderhavige lid, onder a), vermelde rechten, met name van: i) een recht op een naam; ii) een recht op een portret; iii) een auteursrecht; iv) een recht van industriële eigendom.”
44 Naast de omstandigheid dat deze nietigheidsgronden facultatief zijn voor de lidstaten – hetgeen voortvloeit uit het gebruik van het woord „kan” in artikel 5, lid 4, van richtlijn 2015/2436 –, waardoor hun dus de mogelijkheid wordt gelaten om deze in hun wetgeving te handhaven of in te voeren, maakt deze bepaling een soortgelijk onderscheid als in punt 36 hierboven is opgemerkt.
45 De in punt 25 hierboven weergegeven uitlegging van de kamer van beroep, volgens welke artikel 5, lid 4, onder b), van richtlijn 2015/2436 betrekking heeft op „andere rechten dan de in het economische verkeer gebruikte oudere rechten”, strookt daarentegen niet met de bewoordingen van deze bepaling, die – net als artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 – enkel de in artikel 5, lid 4, onder a), van richtlijn 2015/2436 vermelde „niet-ingeschreven merken of andere in het economische verkeer gebruikte tekens” concreet uitsluit.
46 Wat in de derde plaats de uitlegging betreft op basis van de doelstellingen van de regeling, dient te worden opgemerkt dat de vaststelling in de punten 42 en 44 hierboven steun vindt in de doelstelling en de opzet van verordening 2017/1001. De regels inzake het Uniemerk beogen namelijk in het bijzonder bij te dragen aan het stelsel van onvervalste mededinging in de Unie, waarin elke onderneming, teneinde haar clientèle aan zich te binden door de kwaliteit van haar waren of diensten, tekens als merk moet kunnen inschrijven die de consument in staat stellen deze waren of diensten zonder gevaar voor verwarring te onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst (zie arrest van 12 september 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, heeft dus betrekking op het geval waarin een niet-ingeschreven merk of een ander in het economische verkeer gebruikt teken conflicteert met een Uniemerk. Dit conflict heeft dus betrekking op tekens van dezelfde aard en met dezelfde wezenlijke functie, te weten waren en diensten van een onderneming onderscheiden van die van andere ondernemingen. Dat conflict wordt met name geacht de mededinging op de interne markt niet te kunnen vervalsen wanneer het niet-ingeschreven merk of ander teken niet in het economische verkeer wordt gebruikt of slechts van plaatselijke betekenis is. Dit is een voorwaarde waarvan de naleving wordt getoetst aan de hand van de uniforme normen die zijn vastgesteld bij verordening 2017/1001 en die in overeenstemming zijn met de beginselen die ten grondslag liggen aan het bij die verordening ingevoerde stelsel.
48 Artikel 60, lid 2, van verordening 2017/1001 heeft daarentegen, zoals in de punten 32 tot en met 34 hierboven is opgemerkt, betrekking op gevallen waarin een Uniemerk conflicteert met andere rechten van verschillende aard die een andere functie hebben dan het onderscheiden van waren en diensten van een onderneming van die van andere ondernemingen. Artikel 60, lid 2, onder a), van deze verordening heeft dus in het bijzonder betrekking op een geval waarin het „recht op de naam”, die in voorkomend geval in het economische verkeer wordt gebruikt om een persoon of onderneming als zodanig te identificeren, wordt beschermd tegen mogelijke commerciële aantasting als gevolg van het bestaan van een Uniemerk. In een dergelijk geval vloeien de inhoud en de voorwaarden voor het doen gelden van een dergelijk recht ten aanzien van een later Uniemerk, krachtens de verwijzing in die bepaling voort uit de nationale wettelijke regeling die de bescherming ervan regelt.
49 In dit verband moeten de aan artikel 14, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 ontleende argumenten van het EUIPO die ertoe strekken de werkingssfeer van het „recht op de naam” te beperken, worden afgewezen. Het is juist dat artikel 14, lid 1, onder a), van deze verordening bepaalt dat een Uniemerk „de houder niet het recht [verleent] een derde te verbieden om in het economische verkeer gebruik te maken van [...] de naam of het adres van de derde, indien het om een natuurlijke persoon gaat”. Artikel 14, lid 2, van deze verordening bepaalt dat een dergelijk gebruik moet plaatsvinden „volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel”. Deze bepaling heeft juist tot doel te waarborgen dat een merk niet kan worden gebruikt om een natuurlijke persoon te verbieden zijn naam te gebruiken [arrest van 26 juli 2023, Rada Perfumery/EUIPO – Prada (RADA PERFUMES), T‑439/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:441, punt 68]. Evenwel dient allereerst te worden opgemerkt dat artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 – zoals in punt 31 hierboven is aangegeven – niet alleen verwijst naar het recht op de naam van „natuurlijke personen”, maar een neutrale formulering bevat wat de inhoud van het „recht op de naam” betreft, waarbij in dit verband wordt verwezen naar het nationale recht.
50 Bovendien heeft artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 betrekking op het geval waarin een ouder recht op de naam en een later Uniemerk conflicteren, terwijl artikel 14, lid 1, onder a), van deze verordening de omvang van de door het Uniemerk verleende uitsluitende rechten preciseert door de mogelijkheid voor de houder van dat merk om een natuurlijke persoon te verbieden zijn naam in het economische verkeer te gebruiken, te beperken. Deze twee bepalingen hebben dus een verschillende werkingssfeer.
51 Ten slotte moet, in tegenstelling tot wat het EUIPO suggereert, worden opgemerkt dat de kamer van beroep zich niet heeft gebaseerd op een concrete beoordeling van de door verzoekers overgelegde bewijzen betreffende de wijze waarop de namen die ten grondslag liggen aan de vordering tot nietigverklaring zijn gebruikt wanneer zij heeft geoordeeld dat deze namen in het kader van het gebruik ervan uitsluitend de aard hadden van tekens die ertoe strekken de door hen in de handel gebrachte waren te onderscheiden, en niet om een natuurlijke of rechtspersoon, of een onderneming, als zodanig te identificeren. Bijgevolg kan bij het Gerecht geen aanvullende motivering worden aangevoerd of substitutie van gronden worden verricht om de eventueel ontoereikende motivering in de bestreden beslissing aan te vullen. Indien de kamer van beroep de bestreden beslissing op dergelijke overwegingen had willen baseren, had zij dit uitdrukkelijk moeten doen [zie in die zin arrest van 5 oktober 2022, Puma/EUIPO – CMS (CMS Italy), T‑711/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:604, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bescherming krachtens artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 zich niet kon uitstrekken tot het „recht op de naam” op de enkele grond dat de aangevoerde namen met name in het economische verkeer werden gebruikt, zonder overeenkomstig de in de punten 17 tot en met 20 hierboven aangehaalde rechtspraak met name de juistheid van de aangevoerde feiten te onderzoeken teneinde concreet de aard vast te stellen van de oudere rechten die als grondslag voor de vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen, noch de inhoud van die rechten en de voorwaarden die voortvloeien uit de nationale wettelijke regeling waarvan om toepassing wordt verzocht, om het gebruik van een Uniemerk te kunnen verbieden.
Beoordeling van de kamer van beroep betreffende het nationale recht
53 Het is ook passend om de bezwaren te onderzoeken die verzoekers hebben gemaakt tegen de motivering van de bestreden beslissing volgens welke de door hen verstrekte informatie over het nationale recht in geen geval aldus kan worden uitgelegd dat de ingeroepen oudere rechten kunnen worden beschermd als „recht op de naam” in de zin van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met het ingeroepen Oostenrijkse nationale recht.
54 De kamer van beroep heeft in de punten 37 tot en met 42 van de bestreden beslissing in essentie geoordeeld dat § 43 van het Oostenrijkse burgerlijk wetboek betrekking heeft op gevallen waarin het persoonlijke gebruik van de naam wordt belemmerd. Wanneer „particulieren” in eigen naam handelstransacties verrichten, verkrijgt die naam een „secundaire betekenis” en wordt die niet meer als een „gewone familienaam” beschouwd. Volgens de kamer van beroep wordt de bescherming van in het economische verkeer gebruikte namen en andere tekens dus beheerst door de §§ 12 en 32 van de Oostenrijkse merkenwet en § 9, lid 1, van de Oostenrijkse federale wet inzake oneerlijke mededinging, waarbij deze nationale bepalingen relevant zijn voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van verordening 2017/1001. Ten eerste kon volgens de kamer van beroep § 43 van het Oostenrijkse burgerlijk wetboek dus enkel worden ingeroepen om het „recht op de naam” te doen gelden indien en voor zover er geen bijzondere bescherming van de naam bestond krachtens het merkenrecht en de houder van de naam zijn naam niet in het economische verkeer gebruikte. Ten tweede kunnen de andere bovengenoemde bepalingen van het Oostenrijkse recht niet worden ingeroepen ter bescherming van een recht op de naam in de zin van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001, aangezien die bepalingen uitdrukkelijk verwijzen naar met name de bescherming van „commerciële identificatiemiddelen” in het „economische verkeer”, hetgeen overeenkomt met rechten die onder artikel 8, lid 4, van die verordening vallen.
55 Evenwel dient te worden vastgesteld dat deze overwegingen van de kamer van beroep uitgaan van dezelfde onjuiste premisse als die welke in punt 52 hierboven is vastgesteld, namelijk dat het gebruik van een naam in het economische verkeer volstaat om bescherming ervan krachtens artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 uit te sluiten.
56 De beoordeling van de bepalingen van nationaal recht die de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft verricht, kan dus niet de vaststelling staven dat het recht op de naam naar Oostenrijks recht niet binnen de werkingssfeer van artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 valt.
57 Gelet op een en ander moet het tweede middel dus worden toegewezen en moet de bestreden beslissing worden vernietigd, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het eerste middel.
Kosten
58 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekers te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer), rechtdoende, verklaart:
1) De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 27 november 2024 (zaak R 971/2023‑2) wordt vernietigd.
2) Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.
Gâlea Tóth Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 januari 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 10 juli 2025, C-365/24, ECLI:EU:C:2025:558
- HvJ EU 12 september 2019, C-104/18, ECLI:EU:C:2019:724
- Gerecht EU 29 juni 2017, T-343/14, ECLI:EU:T:2017:458
- HvJ EU 5 juli 2011, C-263/09, ECLI:EU:C:2011:452
- Gerecht EU 14 mei 2009, T-165/06, ECLI:EU:T:2009:157
- HvJ EU 30 maart 2006, C-259/04, ECLI:EU:C:2006:215