Gerecht EU 1 oktober 2025, T-600/23, ECLI:EU:T:2025:927

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

1 oktober 2025 ( *1 )

„Energie – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2015/1222 – Verordening (EU) 2019/943 – Biedzoneoverschrijdende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer – Vaststelling van gemeenschappelijke regionale methodologieën voor de berekening van de day-ahead- en intradaycapaciteit – Voorstellen van de transmissiesysteembeheerders van de regio voor de capaciteitsberekening CORE – Interne kritische netwerkelementen – Economische efficiëntie – Vermogensoverdrachtverdelingsfactor – Beslissing van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)”

In de zaken T‑600/23 en T‑612/23,

Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen (BNetzA), gevestigd te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door U. Karpenstein en K. Reiter, advocaten,

verzoekster in zaak T‑600/23,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden, bijgestaan door R. Bierwagen, advocaat,

verzoekster in zaak T‑612/23,

tegen

Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet, E. Tremmel en M. Povh als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet en T. Scharf als gemachtigden,

interveniënte in zaak T‑612/23,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), I. Nõmm, D. Kukovec en R. Meyer, rechters,

griffier: S. Jund, administrateur,

gezien de stukken,

na de gemeenschappelijke terechtzitting op 4 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroepen krachtens artikel 263 VWEU verzoeken Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen (BNetzA) en de Bondsrepubliek Duitsland het Gerecht om beslissing A-003‑2019 R van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 7 juli 2023, die op 26 juli 2023 op de website van dit laatste is bekendgemaakt (hierna: „bestreden beslissing”) nietig te verklaren.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Artikel 18, lid 5, van verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 bepaalde dat de Europese Commissie richtsnoeren kon vaststellen in verband met, onder meer, lid 3, onder d), van dit artikel. Door de verwijzing naar artikel 8, lid 6, onder g), van deze verordening omvatten deze richtsnoeren met name voorschriften voor capaciteitstoewijzing en congestiebeheer.

3 Op grond van artikel 18, lid 3, onder b), en lid 5, van verordening nr. 714/2009 heeft de Commissie verordening (EU) 2015/1222 van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24) vastgesteld. Deze bevatte een reeks vereisten inzake biedzoneoverschrijdende (hierna: „zoneoverschrijdende”) capaciteitstoewijzing en congestiebeheer op de day-ahead- en intradaymarkten in de elektriciteitssector. Tot deze vereisten behoorde met name de vaststelling van gemeenschappelijke methodologieën voor de berekening van de zoneoverschrijdende day-ahead- en intradaycapaciteit (hierna: „capaciteitsberekening”) in elk van de capaciteitsberekeningsregio’s, overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, afdeling 3 („Methodologieën voor capaciteitsberekening”), van verordening 2015/1222. Artikel 20, dat in deze afdeling was opgenomen, bevatte de regels voor de invoering van een „stroomgebaseerde” capaciteitsberekeningsmethodologie. Luidens artikel 2, tweede alinea, punt 9, van verordening 2015/1222 kan dat worden omschreven als een „capaciteitsberekeningsmethode waarbij uitwisseling van energie tussen [zones] beperkt is door vermogensoverdrachtverdelingsfactoren en beschikbare marges in kritische netwerkelementen”. In de capaciteitsberekeningsregio die bestaat uit België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije (hierna: „CORE-gebied”) wordt een stroomgebaseerde aanpak gevolgd.

4 Overeenkomstig artikel 9, lid 1, en artikel 20, lid 2, van verordening 2015/1222 moesten de transmissiesysteembeheerders (hierna: „TSB’s”) van elke capaciteitsberekeningsregio een voorstel formuleren voor een capaciteitsberekeningsmethodologie voor hun respectieve regio’s en dit ter goedkeuring voorleggen aan de betrokken nationale regulerende instanties (hierna: „NRI’s”).

5 Overeenkomstig artikel 9, leden 10 en 12, van verordening 2015/1222 moesten de betrokken NRI’s vervolgens trachten overeenstemming te bereiken en een besluit te nemen over de voorstellen van de TSB’s of, in voorkomend geval, een op verzoek van die NRI’s gewijzigde versie daarvan. Artikel 9, leden 11 en 12, van verordening 2015/1222 bepaalde dat wanneer de betrokken NRI’s er niet in waren geslaagd een dergelijke overeenstemming te bereiken, ACER een besluit diende vast te stellen over de voorstellen van de TSB’s of de gewijzigde versie ervan, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2009, L 211, blz. 1).

6 De TSB’s van het CORE-gebied hebben op 15 september 2017 voorstellen voor gemeenschappelijke capaciteitsberekeningsmethodologieën voor hun regio ter goedkeuring aan de NRI’s van dat gebied voorgelegd.

7 Aangezien de NRI’s van het CORE-gebied geen overeenstemming hadden bereikt over de voorgestelde methodologieën, is de kwestie aan ACER voorgelegd. ACER heeft bij beslissing nr. 02/2019 van 21 februari 2019 (hierna: „oorspronkelijke beslissing”) gewijzigde versies goedgekeurd van de gemeenschappelijke regionale capaciteitsberekeningsmethodologieën voor het CORE-gebied, die zijn opgenomen in de bijlagen I en II bij die beslissing (hierna: „litigieuze methodologieën”).

8 Op 23 april 2019 heeft BNetzA, als bevoegde NRI in Duitsland, de oorspronkelijke beslissing op basis van artikel 19 van verordening nr. 713/2009 aangevochten bij de raad van beroep van ACER.

9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 mei 2019, heeft de Bondsrepubliek Duitsland beroep tot nietigverklaring van de oorspronkelijke beslissing ingesteld. Dit beroep is ingeschreven onder zaaknummer T‑283/19.

10 Op 5 juni 2019 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie verordening (EU) 2019/943 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54) vastgesteld. Luidens overweging 1 van deze verordening werd hiermee overgegaan tot herschikking van verordening nr. 714/2009, die krachtens artikel 70 van die verordening werd ingetrokken. Verordening 2019/943 is op 14 juni 2019 bekendgemaakt en is overeenkomstig artikel 71, lid 1, ervan op 4 juli 2019 in werking getreden. Volgens artikel 71, lid 2, eerste alinea, van verordening 2019/943 moest deze verordening in beginsel toepassing vinden met ingang van 1 januari 2020. In afwijking hiervan waren de artikelen 14 en 15 van deze verordening overeenkomstig artikel 71, lid 2, tweede alinea, ervan evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding ervan. Hetzelfde gold voor artikel 16 van verordening 2019/943, met het oog op de toepassing van artikel 14, lid 7, en artikel 15, lid 2, van deze verordening.

11 De raad van beroep van ACER heeft bij beslissing A-003‑2019 van 11 juli 2019 het beroep van BNetzA tegen de oorspronkelijke beslissing ongegrond verklaard.

12 Op 21 september 2019 heeft BNetzA bij het Gerecht beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van de oorspronkelijke beslissing en tot nietigverklaring van beslissing A-003‑2019. Dit beroep is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T‑631/19.

13 Bij arrest van 7 september 2022, BNetzA/ACER (T‑631/19, EU:T:2022:509), heeft het Gerecht beslissing A-003‑2019 nietig verklaard en het beroep van BNetzA voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht heeft die beslissing nietig verklaard op grond dat de raad van beroep daarin blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet na te gaan of de litigieuze methodologieën voldeden aan de vereisten van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943, die BNetzA in haar beroep bij die raad specifiek had ingeroepen, aangezien die reeds van toepassing waren (zie punt 10 hierboven).

14 Na het arrest van 7 september 2022, BNetzA/ACER (T‑631/19, EU:T:2022:509), heeft de raad van beroep van ACER bij de bestreden beslissing de oorspronkelijke beslissing bevestigd. Hij stelde daarbij met name vast dat de litigieuze methodologieën voldeden aan de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943.

15 Artikel 5, lid 8, van de litigieuze methodologieën, gelezen in het licht van lid 7 van dat artikel, bepaalt dat het voorstel voor een lijst van de interne kritische netwerkelementen (hierna: „KNE’s”) (en de daaraan verbonden risico’s), dat de TSB’s van het CORE-gebied overeenkomstig de leden 5 en 6 van dat artikel indienen en om de twee jaar bijwerken, ten minste het volgende moet bevatten: „a) een lijst van de voorgestelde interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) waarvan de maximale zoneoverschrijdende vermogensoverdrachtverdelingsfactor ten minste gelijk is aan de drempel voor [opname] van lid 7[, namelijk 5 % of hoger]; b) een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel […] voor [opname] […] tot 10 % of hoger, en c) voor elk voorgesteld intern KNE (en de daaraan verbonden risico’s) een analyse waaruit blijkt dat de opname van dit element in de capaciteitsberekening de economisch meest efficiënte oplossing is om de congestie op dat element aan te pakken, waarbij onder meer de volgende alternatieve oplossingen in aanmerking kunnen worden genomen: i) toepassing van corrigerende maatregelen ii) herziening van de biedzoneconfiguratie; iii) investeringen in netwerkinfrastructuur in combinatie met een van beide bovengenoemde oplossingen; of iv) een combinatie van bovengenoemde oplossingen.”

16 Bovendien bepaalt artikel 5, lid 8, van de litigieuze methoden dat de TSB’s van het CORE-gebied, alvorens de onder c) bedoelde analyse uit te voeren, gezamenlijk overleg moeten plegen met de NRI’s van dat gebied en deze moeten raadplegen over de methodologie, de aannames en de bij die analyse te hanteren criteria.

17 Artikel 5, lid 9, van de litigieuze methodologieën bepaalt dat de door de TSB’s van het CORE-gebied ingediende voorstellen voor lijsten van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) ook moeten aantonen dat die TSB’s de in lid 8 van dat artikel genoemde alternatieve oplossingen voldoende op voorhand zorgvuldig hebben bestudeerd, rekening houdend met de hun toegekende uitvoeringstermijn, zodat deze kunnen worden toegepast of uitgevoerd op het moment dat de NRI’s van dat gebied hun besluit nemen over die voorstellen.

Conclusies van partijen

18 In zaak T‑600/23 verzoekt BNetzA het Gerecht: – de bestreden beslissing nietig te verklaren; – ACER te verwijzen in de kosten.

19 In zaak T‑612/23 verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland het Gerecht: – primair, de bestreden beslissing nietig te verklaren, voor zover artikel 5, leden 8 en 9, van de litigieuze methodologieën daarbij in stand wordt gelaten; – subsidiair, voor het geval dat de leden 8 en 9 van artikel 5 van de litigieuze methodologieën onlosmakelijk verbonden zijn met de overige bepalingen van artikel 5 of met alle overige bepalingen van die methodologieën, al die bepalingen nietig te verklaren; – ACER te verwijzen in de kosten.

20 ACER verzoekt het Gerecht in zaak T‑600/23 en, ondersteund door de Commissie, in zaak T‑612/23 in essentie: – de beroepen te verwerpen; – BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

In rechte

21 Na partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht besloten om de zaken T‑600/23 en T‑612/23 overeenkomstig artikel 68, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering te voegen voor het onderhavige arrest.

Voorwerp van het geding

22 Bij een globale lezing van het verzoekschrift in zaak T‑600/23 blijkt dat BNetzA, net als de Bondsrepubliek Duitsland in zaak T‑612/23, slechts om nietigverklaring van de bestreden beslissing verzoekt voor zover daarbij artikel 5, lid 8, onder b) en c), en lid 9, van de litigieuze methodologieën is vastgesteld, waarbij aan de TSB’s van het CORE-gebied bepaalde vereisten worden opgelegd waaraan zij moeten voldoen wanneer zij voorstellen om een intern netwerkelement en de daaraan verbonden risico’s op te nemen in de lijst van KNE’s en risico’s die als inputgegevens moeten worden opgenomen in de capaciteitsberekening (hierna: „litigieuze bepalingen”).

23 Uit punt 5 van het verzoekschrift in zaak T‑600/23 blijkt namelijk dat „[het] beroep is gericht tegen een specifiek onderdeel van de [oorspronkelijke] beslissing: het mechanisme van artikel 5, leden 5 tot en met 9, van [die] beslissing”. BNetzA is van mening dat „dit mechanisme onrechtmatig [is] aangezien het de toepassing van de capaciteitsberekening op interne netwerkelementen onmogelijk of minstens moeilijker maakt dan bij wet is bepaald”. Voorts blijkt uit de punten 13 en 14 van dit verzoekschrift, onder het opschrift „Voorwerp van het beroep”, dat BNetzA weliswaar formeel „nietigverklaring van de bestreden beslissing” vordert, maar daarbij preciseert dat „[het] […] aangevoerde middel betrekking heeft op het bij artikel 5, leden 5 tot en met 9, van de [oorspronkelijke beslissing] ingestelde mechanisme, dat bij de bestreden beslissing is bevestigd”. Meer bepaald geeft BNetzA in punt 14 van het verzoekschrift aan dat „er geen middelen tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd voor zover daarbij de andere bepalingen van de [oorspronkelijke] beslissing waartegen [zij] beroep bij de raad van beroep [had] ingesteld, worden bevestigd” en dat „[zij] van mening blijft dat deze andere bepalingen onrechtmatig zijn”, maar „zich ervoor hoedt deze in het kader van het onderhavige beroep aan te vechten omdat dat geen praktisch nut heeft”. Ook het onderdeel „Samenvatting van het middel” van het verzoekschrift bevestigt dat het gehele betoog van BNetzA is gericht tegen „het bij artikel 5, leden 5 tot en met 9, van de [oorspronkelijke] beslissing ingestelde mechanisme”.

24 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat zowel het beroep in zaak T‑600/23 als het beroep in zaak T‑612/23 strekt tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, voor zover daarbij de litigieuze bepalingen zijn vastgesteld.

Ten gronde

25 BNetzA voert ter ondersteuning van haar beroep één middel aan, dat in wezen betrekking heeft op schending van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, aangezien de uitlegging die de raad van beroep in de litigieuze bepalingen van de bestreden beslissing aan deze artikelen heeft gegeven niet in overeenstemming is met die artikelen en met verschillende bepalingen van primair Unierecht en verschillende beginselen van Unierecht, te weten artikel 194 VWEU, artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel dat essentiële onderdelen aan de wetgever zijn voorbehouden, de beginselen van institutioneel evenwicht, toedeling van bevoegdheid, gelijke behandeling, het beginsel dat „niemand rechtens tot het onmogelijke is gehouden” en het rechtszekerheidsbeginsel.

26 De Bondsrepubliek Duitsland voert ter ondersteuning van haar beroep vijf middelen aan. Het eerste, primair aangevoerde middel betreft schending van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222. De volgende, subsidiair aangevoerde middelen zijn respectievelijk gebaseerd op schending van de artikelen 32 tot en met 34, artikel 25 en artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 (tweede middel), schending van artikel 21, lid 2, onder a), en artikel 22 van verordening (EU) 2017/1485 van de Commissie van 2 augustus 2017 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende het beheer van elektriciteitstransmissiesystemen (PB 2017, L 220, blz. 1) (derde middel), schending van het evenredigheidsbeginsel (vierde middel) en onbevoegdheid van ACER en schending van de formele vereisten die voortvloeien uit de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), zoals gewijzigd (vijfde middel).

27 BNetzA, in haar enige middel, en de Bondsrepubliek Duitsland, in haar eerste middel, betogen dat de litigieuze bepalingen berusten op een onjuiste uitlegging door de raad van beroep van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, volgens welke die bepalingen zich er niet tegen verzetten dat een TSB, wanneer deze voorstelt om een intern netwerkelement (en de daaraan verbonden risico’s) op te nemen in de lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die in aanmerking worden genomen bij de capaciteitsberekening, ten eerste in overeenstemming met het in artikel 5, lid 8, onder c), van de litigieuze methodologieën genoemde criterium van economische efficiëntie moet aantonen dat de opname van dat element in die berekening de economisch meest efficiënte oplossing is om de congestie op dat element aan te pakken, rekening houdend met andere beschikbare oplossingen zoals corrigerende maatregelen, herziening van de biedzoneconfiguratie of investeringen in netwerkinfrastructuur, en ten tweede een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel voor opname tot 10 % of hoger moet verstrekken (hierna: „litigieuze uitlegging”).

28 Volgens BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland is de litigieuze uitlegging niet verenigbaar met een letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, waaruit duidelijk blijkt dat alle interne netwerkelementen (en de daaraan verbonden risico’s) die door de zoneoverschrijdende handel worden beïnvloed in de capaciteitsberekening moeten worden opgenomen, ongeacht of die elementen al dan niet structureel overbelast zijn.

29 In dit verband moet vooraf worden opgemerkt dat artikel 5, lid 8, van de litigieuze methodologieën bepaalt dat het voorstel voor een lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) dat de TSB’s van het CORE-gebied ter goedkeuring moeten voorleggen aan de NRI’s van dat gebied of, bij gebrek aan overeenstemming tussen deze laatsten of op hun gezamenlijk verzoek, aan ACER, behalve de lijst van de voorgestelde interne KNE’s met een bijbehorende vermogensoverdrachtverdelingsfactor (power transfer distribution factor; hierna: „PTDF”) van ten minste 5 % [artikel 5, lid 8, onder a)], ook een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel voor opname tot 10 % of hoger [artikel 5, lid 8, onder b)] en een analyse van de economisch meest efficiënte oplossing om congestie aan te pakken [artikel 5, lid 8, onder c)] moet bevatten. Tevens moet worden opgemerkt dat artikel 5, lid 9, van de litigieuze methodologieën de TSB’s in essentie verplicht om bij de indiening van het betrokken voorstel aan te tonen dat zij de in lid 8 van dat artikel genoemde alternatieve oplossingen voldoende op voorhand zorgvuldig hebben bestudeerd, zodat deze kunnen worden toegepast of uitgevoerd op het moment dat de NRI’s van dat gebied hun besluit nemen over dat voorstel. Hieruit volgt dat de litigieuze bepalingen de TSB’s met het oog op de opname van een intern netwerkelement op de lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die bij de capaciteitsberekening in aanmerking moeten worden genomen, vereisten (hierna: „litigieuze vereisten”) opleggen die verder gaan dan de mededeling van de lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die voldoen aan het criterium van de PTDF, als bedoeld in artikel 5, lid 8, onder a), van die methodologieën.

30 Overigens zij eraan herinnerd dat artikel 14 van verordening 2019/943 de regels vastlegt voor de herziening van biedzones, om te voorkomen dat zij structurele congestie op lange termijn in het transmissienet bevatten. Artikel 15 van die verordening biedt een kader voor de mogelijkheid voor lidstaten met vastgestelde structurele congestie op hun netwerken om in samenwerking met hun NRI’s actieplannen te ontwikkelen om geleidelijk en uiterlijk op 31 december 2025 de minimale capaciteitsniveaus te bereiken die de TSB’s beschikbaar moeten stellen voor zoneoverschrijdende handel. Artikel 16 van deze verordening regelt de minimale capaciteitsniveaus en bepaalt met name dat bij de stroomgebaseerde aanpak die minimumcapaciteit, namelijk 70 %, bepaalt welk minimumaandeel van de capaciteit van een zoneoverschrijdend of intern KNE met inachtneming van de operationele veiligheidsgrenzen moet worden gebruikt voor gecoördineerde capaciteitsberekening in het kader van verordening 2015/1222, rekening houdend met onvoorziene omstandigheden. Het resterende deel van de capaciteit, namelijk 30 %, kan worden gebruikt voor betrouwbaarheidsmarges, lusstromen en interne stromen.

31 Daarnaast bepaalt artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 dat de gecoördineerde capaciteitscalculator bij die berekening geen rekening houdt met de KNE’s die niet op significante wijze worden beïnvloed door de zoneoverschrijdende handel.

32 Tegen deze achtergrond moet worden nagegaan of de litigieuze uitlegging in strijd is met de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 omdat deze ACER de mogelijkheid biedt om de litigieuze vereisten op te nemen in de litigieuze methodologieën, zoals BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland in wezen betogen.

33 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen van met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 maart 2023, ACER/Aquind, C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 In de eerste plaats moet worden onderzocht of uit de bewoordingen van de bepalingen van de verordeningen 2019/943 en 2015/1222 blijkt dat ACER de litigieuze vereisten in de litigieuze methodologieën kon opnemen zonder daarmee fouten te maken.

35 BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland betogen in wezen dat uit niets in de bewoordingen van de bepalingen van de verordeningen 2019/943 en 2015/1222 blijkt dat een intern netwerkelement dat op significante wijze wordt beïnvloed door de zoneoverschrijdende handel slechts in de capaciteitsberekening kan worden opgenomen indien er een analyse van de economische efficiëntie en een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel voor opname wordt verricht.

36 ACER betwist dat de litigieuze vereisten onverenigbaar zijn met een letterlijke uitlegging van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222.

37 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat artikel 2 („Definities”) van verordening 2019/943 in punt 69 bepaalt dat onder KNE moet worden verstaan „een netwerkelement, binnen een [zone], dan wel tussen [zones], waarmee in het capaciteitsberekeningsproces rekening wordt gehouden om de hoeveelheid elektriciteit die [tussen zones] kan worden uitgewisseld, te beperken”. Zoals BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland terecht opmerken, vloeit uit deze definitie niet voort dat in de context van verordening 2019/943 andere vereisten inzake de kwalificatie van interne netwerkelementen (en de daaraan verbonden risico’s) dan de significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel in de litigieuze methodologieën kunnen worden opgenomen en er zo toe kunnen leiden dat bepaalde elementen die de handel tussen zones aanzienlijk beperken wegens de structurele congesties daarop, niet als kritisch worden beschouwd en worden uitgesloten van de capaciteitsberekening en van de toepassing van de regels voor de berekening van die capaciteit.

38 Overigens bevestigt artikel 16, lid 4, van verordening 2019/943 dat de maximale zoneoverschrijdende capaciteit die ter beschikking van de marktdeelnemers moet worden gesteld, niet alleen betrekking heeft op de „interconnecties”, maar ook op de „transmissienetwerken waarmee grensoverschrijdende capaciteit wordt verzorgd”, te weten alle interne netwerkelementen die een aanzienlijke impact hebben op die capaciteit en deze aldus kunnen beperken.

39 Ten tweede wordt deze uitlegging van verordening 2019/943 bevestigd door artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, waarin is bepaald dat „elke gecoördineerde capaciteitscalculator […] bij de berekening van zoneoverschrijdende capaciteit […] geen rekening [houdt] met kritische netwerkelementen die volgens de [capaciteitsberekeningsmethodologie] niet op significante wijze zijn beïnvloed door veranderingen in de nettoposities van de [zones]”.

40 In dit verband is de berekening van de PTDF een wiskundig instrument dat bij de stroomgebaseerde aanpak wordt gebruikt om de invloed van de zoneoverschrijdende handel op de KNE’s te meten, zoals met name blijkt uit artikel 2, tweede alinea, punt 9, artikel 21, lid 1, onder b), punt v), en artikel 29, lid 7, onder b), c) en f), van verordening 2015/1222. In artikel 2, punt 22, van verordening (EU) nr. 543/2013 van de Commissie van 14 juni 2013 betreffende de toezending en publicatie van gegevens inzake de elektriciteitsmarkten en houdende wijziging van bijlage I bij verordening (EG) nr. 714/2009 (PB 2013, L 163, blz. 1) wordt de PTDF gedefinieerd als een representatie van de fysieke stroom in een kritisch netwerkelement, geïnduceerd door de variatie van de nettopositie van een biedzone. Zoals ACER ter terechtzitting heeft erkend en zoals volgt uit artikel 5, lid 7 en lid 8, onder a), van de litigieuze methodologieën, heeft de raad van beroep in de bestreden beslissing het voorstel van de TSB’s aanvaard om ervan uit te gaan dat een intern netwerkelement waarvan de PTDF minder dan 5 % bedroeg, niet voldeed aan het criterium van significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel.

41 Hieruit volgt dat, zoals de Unierechter reeds heeft verduidelijkt, bij de huidige stand van het Unierecht moet worden geoordeeld dat de KNE’s alle interne netwerkelementen omvatten die voldoen aan het criterium van significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel, zoals gemeten aan de hand van hun PTDF (zie in die zin arresten van 25 september 2024, CRE/ACER, T‑446/21, niet gepubliceerd, EU:T:2024:647, punt 51; 25 september 2024, RTE/ACER, T‑472/21, niet gepubliceerd, EU:T:2024:648, punt 52, en 25 september 2024, BNetzA/ACER, T‑485/21, EU:T:2024:653, punt 47).

42 Zoals BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland terecht opmerken, volgt uit de bewoordingen van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 niet dat interne netwerkelementen die op significante wijze worden beïnvloed door de zoneoverschrijdende handel, zoals gemeten aan de hand van hun PTDF, in het kader van de in artikel 21 van die verordening bedoelde capaciteitsberekeningsmethodologie als niet-kritisch kunnen worden beschouwd en kunnen worden uitgesloten van de capaciteitsberekening en van de toepassing van de regels voor de berekening van die capaciteit op grond dat zij niet voldoen aan aanvullende vereisten, die met name tot doel hebben rekening te houden met de structurele overbelasting van die elementen.

43 Ten derde kan ACER niet worden gevolgd in zijn betoog dat de verwijzing in de tekst van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), tweede volzin, van verordening 2019/943 naar „het op grond van artikel 18[, lid 5,] van [verordening nr. 714/2009] vastgestelde richtsnoer betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer” en dus, in wezen, naar verordening 2015/1222 het mogelijk maakte om de kwalificatie van „interne netwerkelementen” als „kritisch” en, bijgevolg, hun opname in de capaciteitsberekening en de toepassing op die elementen van de regels voor de berekening van die capaciteit, afhankelijk te stellen van aanvullende vereisten zoals inachtneming van het criterium van economische efficiëntie of de uitvoering van een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel voor opname tot 10 % of hoger.

44 Voor zover ACER vooral naar de Franse versie van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), tweede volzin, van verordening 2019/943 verwijst en BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland naar de Duitse versie ervan, moet allereerst in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers eenvormig worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een Unierechtelijke bepaling, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling dus worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie beschikking van 2 december 2022, Compania Naţională de Transporturi Aeriene Tarom, C‑229/22, EU:C:2022:978, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten van 21 maart 2024, Cobult, C‑76/23, EU:C:2024:253, punt 25, en 5 september 2024, BIOR, C‑344/23, EU:C:2024:696, punt 45).

45 In casu moet in de verschillende taalversies van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), tweede volzin, van verordening 2019/943 worden nagegaan wat er grammaticaal gezien juist „overeenkomstig het op grond van artikel 18, lid 5, van [verordening nr. 714/2009] vastgestelde richtsnoer betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer” moet worden bepaald. Afgezien van de Duitse, de Bulgaarse en de Tsjechische taalversie van deze bepaling – die grammaticaal gezien eerder verwijzen naar de „uitvalsituaties” die de KNE’s treffen dan naar de KNE’s zelf, zoals ACER stelt – kunnen de andere taalversies aldus worden opgevat dat zij globaal verwijzen naar het eerste zinsdeel en dus naar de bepaling van de capaciteit, met inachtneming van de operationele-veiligheidsgrenzen van elk KNE (rekening houdend met uitvalsituaties), waarvan een marge van 70 % ter beschikking moet worden gehouden voor de zoneoverschrijdende handel (hierna: „MACZT van 70 %”).

46 De meeste taalversies van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van verordening 2019/943 bevestigen dus de uitlegging die BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland aan deze bepaling geven, volgens welke de Uniewetgever in die bepaling heeft willen verwijzen naar de bepaling van de capaciteit, met inachtneming van de operationele-veiligheidsgrenzen van elk KNE (rekening houdend met uitvalsituaties), waarvan een aanzienlijk deel, te weten de MACZT van 70 %, ter beschikking moest worden gehouden voor de zoneoverschrijdende handel. Daarentegen blijkt uit geen van deze versies dat de TSB’s, de NRI’s of ACER op grond van deze bepaling de kwalificatie van „interne netwerkelementen” als „kritisch” en, bijgevolg, hun opname in de capaciteitsberekening en de toepassing op die elementen van de regels voor de berekening van die capaciteit afhankelijk konden stellen van aanvullende vereisten, zoals ACER stelt.

47 Deze uitlegging vindt steun in de voorbereidende werkzaamheden van verordening 2019/943 (documenten ST 5834/18 REV 4, ST 5834/18 REV 5 en ST 5070/19), die publiek toegankelijk zijn. Aangezien daarin in essentie wordt gerefereerd aan verordening 2015/1222 verwijzen deze duidelijk naar de bepaling van de capaciteit, met inachtneming van de operationele-veiligheidsgrenzen van elk KNE (rekening houdend met uitvalsituaties), en niet alleen naar de uitvalsituaties of de KNE’s.

48 Voor zover partijen tevens verzoeken om de inhoud van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van verordening 2019/943 te lezen in het licht van overweging 31 van deze verordening, zij er vervolgens aan herinnerd dat de bewoordingen van een overweging van een wetgevingshandeling van de Unie weliswaar kunnen worden gebruikt om een bepaling van die handeling te verduidelijken en een belangrijk interpretatief element vormen (zie arrest van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C‑418/18 P, EU:C:2019:1113, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar dat de considerans van een wetgevingshandeling van de Unie volgens vaste rechtspraak op zichzelf geen bindende rechtskracht heeft en niet kan worden aangevoerd om van de bepalingen zelf van die handeling af te wijken, en evenmin om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan (contra legem) (zie arrest van 19 juni 2014, Karen Millen Fashions, C‑345/13, EU:C:2014:2013, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 In casu kan de inhoud van overweging 31 van verordening 2019/943 dus niet leiden tot een uitlegging contra legem van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van deze verordening, dat, overeenkomstig de bevinding waartoe de uniforme uitlegging in punt 46 hierboven heeft geleid, verwijst naar de bepaling van de capaciteit, met inachtneming van de operationele-veiligheidsgrenzen van elk KNE (rekening houdend met uitvalsituaties), waarvan een aanzienlijk deel, te weten de MACZT van 70 %, ter beschikking moet worden gehouden voor de zoneoverschrijdende handel.

50 Afgezien van de Duitse versie bevestigen de versies van overweging 31 van verordening 2019/943 in alle andere talen van de Unie, ook in de Bulgaarse en de Tsjechische versie, overigens dat de Uniewetgever door in essentie aan verordening 2015/1222 te refereren heeft willen verwijzen naar de bepaling van de capaciteit, met inachtneming van de operationele veiligheidsgrenzen van elk KNE (rekening houdend met uitvalsituaties), waarvan een aanzienlijk deel, te weten de MACZT van 70 %, ter beschikking moet worden gehouden voor de zoneoverschrijdende handel.

51 Hieraan moet worden toegevoegd dat het door ACER aangevoerde feit dat in de versies in alle talen van de Unie, met uitzondering van de Duitse, wordt aangegeven dat deze capaciteit moet worden bepaald „overeenkomstig of na afloop van het selectieproces overeenkomstig [verordening 2015/1222]”, niet impliceert dat de bepaling van die capaciteit op de litigieuze vereisten kan worden gebaseerd. Integendeel, deze indirecte verwijzing naar het selectieproces van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, waarnaar in punt 39 hierboven wordt verwezen, geeft uitdrukking aan de wil van de Uniewetgever om de in die bepaling gekozen benadering te volgen bij de selectie van de KNE’s, te weten een benadering die is gebaseerd op het criterium van een significante beïnvloeding van de interne netwerkelementen door de zoneoverschrijdende handel, zoals gemeten aan de hand van hun PTDF. Uit die verwijzing volgt dus niet dat de kwalificatie van de „interne netwerkelementen” als „kritisch” en dus hun opname in de capaciteitsberekening en de toepassing op die elementen van de regels voor de berekening van die capaciteit, afhankelijk kan worden gesteld van andere vereisten dan een significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel.

52 Gelet op het voorgaande kan ACER dus niet op goede gronden stellen dat uit de bewoordingen van artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van verordening 2019/943, gelezen in het licht van overweging 31 van die verordening, volgt dat andere vereisten dan een significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel in de litigieuze methodologieën kunnen worden opgenomen om te bepalen welke interne netwerkelementen als „kritisch” moeten worden beschouwd en als zodanig moeten worden opgenomen in de lijst van de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die in aanmerking worden genomen bij de capaciteitsberekening en waarop de regels voor die berekening worden toegepast.

53 Voor zover ACER opmerkt dat artikel 21 („Methodologie voor capaciteitsberekeningen”) van verordening 2015/1222, die de Commissie heeft vastgesteld als gedelegeerde van de Uniewetgever, slechts de elementen vastlegt die deze methodologie, met name in het geval van de stroomgebaseerde aanpak, „minimaal” moet bevatten, zonder uit te sluiten dat deze methodologie andere elementen kan bevatten waarin die bepaling niet uitdrukkelijk voorziet, moet bovendien worden vastgesteld dat dit niet betekent dat in de litigieuze methodologieën iets kan worden gewijzigd aan de criteria die in de relevante regels zijn vastgesteld om te bepalen welke interne netwerkelementen als „kritisch” kunnen worden beschouwd en als zodanig kunnen worden opgenomen in de lijst van de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die in aanmerking worden genomen bij de capaciteitsberekening en waarop de regels voor die berekening worden toegepast.

54 Ten slotte kan uit het feit dat, ten eerste, artikel 21, lid 4, van verordening 2015/1222 bepaalt dat alle TSB’s in elke capaciteitsberekeningsregio, voor zover mogelijk en uiterlijk op 31 december 2020, geharmoniseerde capaciteitsberekeningsinputs moeten gebruiken, met name in het geval van de stroomgebaseerde aanpak, en, ten tweede, de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) waarmee overeenkomstig artikel 2, punt 69, van verordening 2019/943 in het capaciteitsberekeningsproces rekening wordt gehouden om de hoeveelheid elektriciteit die tussen zones kan worden uitgewisseld, te beperken, inputgegevens zijn voor het in artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder b), van verordening 2019/943 genoemde „[proces voor de berekening van de capaciteit die beschikbaar is] voor door zoneoverschrijdende uitwisseling teweeggebrachte stromen”, dat is vastgesteld door de overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening 2015/1222 vastgestelde stroomgebaseerde capaciteitsberekeningsmethodologie, niet worden geconcludeerd dat de selectie van de interne netwerkelementen die als „kritisch” moeten worden beschouwd en als zodanig moeten worden opgenomen in de lijst van de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die in aanmerking worden genomen bij de capaciteitsberekening en waarop de regels voor deze berekening worden toegepast, afhankelijk kan worden gesteld van andere vereisten dan significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel.

55 In dit verband verschilt de situatie van die van de technische toepassing door de TSB’s, de NRI’s of ACER – door bepaling van de relevante PTDF waarmee in het kader van de litigieuze methodologieën rekening moet worden gehouden – van het criterium van significante beïnvloeding door de zoneoverschrijdende handel dat de Uniewetgever en, na delegatie, de Commissie, in artikel 2, punt 69, van verordening 2019/943 en in artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 hebben geformuleerd. ACER heeft in punt 112 van de oorspronkelijke beslissing zelf opgemerkt dat het criterium van significante beïnvloeding een belangrijk element was met het oog het opstellen van de definitieve lijst van de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die in aanmerking moeten worden genomen bij de capaciteitsberekening, zoals artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222 uitdrukkelijk vereist.

56 Verordening 2015/1222 bevat echter geen uitdrukkelijke grondslag – die gelijkwaardig is aan artikel 29, lid 3, onder b), ervan als grondslag voor het criterium van significante beïnvloeding – om te rechtvaardigen dat in het kader van deze methodologie ook een criterium wordt vastgesteld dat aangeeft onder welke voorwaarde interne netwerkelementen die de hoeveelheid elektriciteit die tussen zones kan worden uitgewisseld beperken, moeten worden opgenomen in de lijst van de KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) waarmee rekening wordt gehouden in het capaciteitsberekeningsproces, en, bijgevolg, om te rechtvaardigen dat ACER de litigieuze vereisten vaststelt. Overigens hebben ACER en de raad van beroep in de punten 109 en 112 van de oorspronkelijke beslissing en in de punten 47, 48 en 52 van de bestreden beslissing als grondslag voor het criterium van economische efficiëntie slechts verwezen naar punt 1.7 van bijlage I bij verordening nr. 714/2009, waarvan de raad van beroep in punt 46 van de bestreden beslissing terecht heeft vastgesteld dat het geen geldige rechtsgrondslag voor dat criterium meer kon vormen, aangezien het niet langer van toepassing was (zie in die zin arrest van 7 september 2022, BNetzA/ACER, T‑631/19, EU:T:2022:509, punten 76‑85).

57 In dit verband zij eraan herinnerd dat de in artikel 9, lid 7, en artikel 20, lid 2, van verordening 2015/1222 bedoelde gemeenschappelijke methodologieën tot doel hebben dat de TSB’s een gecoördineerde capaciteitsberekeningsmethodologie voor een regio bepalen. Volgens artikel 21, lid 1, van die verordening moet het door de TSB’s opgestelde voorstel voor een methodologie „minimaal” bepaalde elementen omvatten, waaronder met name „methodologieën voor de berekening van de inputs voor de capaciteitsberekening”, die de in artikel 21, lid 1, onder a), i) tot en met iv), van verordening 2015/1222 genoemde aspecten moeten omvatten. Het betreft hierbij de bepaling van de betrouwbaarheidsmarge, de bepaling van de operationele veiligheidsgrenzen, de voor de capaciteitsberekening relevante onvoorziene omstandigheden en de eventueel te gebruiken toewijzingsbeperkingen, de bepaling van de veranderingssleutels betreffende opwekking en de bepaling van corrigerende maatregelen die bij de capaciteitsberekening moeten worden overwogen.

58 In casu moet worden opgemerkt dat de litigieuze methodologieën deze bepalingen ten uitvoer brengen. Meer in het bijzonder is artikel 5 van die methodologieën, dat de litigieuze vereisten bevat, opgenomen in titel 3 ervan, die de inputgegevens voor de capaciteitsberekening betreft. Dat artikel beoogt dus uitvoering te geven aan artikel 21, lid 1, onder a), van verordening 2015/1222 en heeft blijkens het opschrift ervan tot doel dat de TSB’s interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) opstellen, wat luidens artikel 4, lid 8, van deze methodologieën de eerste stap in het capaciteitsberekeningsproces vormt.

59 Zoals in punt 29 hierboven is aangegeven, bepaalt artikel 5, lid 8, van de litigieuze methodologieën dat het voorstel voor een lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die de TSB’s van het CORE-gebied moeten voorleggen, behalve de lijst van de voorgestelde interne KNE’s met een bijbehorende PTDF van ten minste 5 %, ook een effectbeoordeling van de verhoging van de drempel voor opname tot 10 % of hoger en een analyse van de economisch meest efficiënte oplossing om congestie aan te pakken moet bevatten.

60 De verplichting om in het voorstel voor een lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) een dergelijke effectbeoordeling en een dergelijke analyse op te nemen, gaat verder dan de parameters waarin artikel 21, lid 1, onder a), van verordening 2015/1222 voorziet voor de berekening van de inputgegevens voor de capaciteitsberekening en strookt niet met de doelstellingen van die bepaling. Dergelijke effectbeoordelingen en analyses zouden op lange termijn weliswaar relevant kunnen blijken om structurele congesties aan te pakken, maar dat neemt niet weg dat zij geen inputgegevens voor de capaciteitsberekening vormen en als zodanig geen rol spelen in het capaciteitsberekeningsproces. Dat proces is hoofdzakelijk gebaseerd op een door de TSB’s opgestelde lijst van de KNE’s die beantwoorden aan de definitie die de Uniewetgever in artikel 2, punt 69, van verordening 2019/943 heeft gegeven. Die vaststelling geldt om dezelfde redenen ook met betrekking tot de in artikel 5, lid 9, van de litigieuze methodologieën neergelegde verplichting om bij de indiening van het voorstel voor een lijst van interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) aan te tonen dat de in lid 8 van dat artikel genoemde alternatieve oplossingen voldoende op voorhand zorgvuldig zijn bestudeerd.

61 Hieruit volgt dat niet uit de bewoordingen van de bepalingen van de verordeningen 2019/943 en 2015/1222 blijkt dat ACER de litigieuze vereisten in de litigieuze methodologieën kon opnemen zonder daarmee fouten te maken.

62 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de context van de bepalingen van verordening 2019/943 bevestigt dat de litigieuze vereisten niet in de litigieuze methodologieën konden worden opgenomen.

63 BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland betogen in wezen dat uit een contextuele uitlegging van de bepalingen van verordening 2019/943 volgt dat de opname in de capaciteitsberekening van de interne netwerkelementen die worden beïnvloed door de zoneoverschrijdende handel niet afhankelijk kan worden gesteld van een criterium van economische efficiëntie.

64 ACER is van mening dat een contextuele uitlegging van de bepalingen van verordening 2019/943 in het licht van de basisregel die de Uniewetgever in artikel 16, lid 8, eerste alinea, eerste volzin, van verordening 2019/943 heeft geformuleerd, bevestigt dat het de litigieuze vereisten in de litigieuze methodologieën mocht opnemen. Volgens deze regel mogen de TSB’s geen beperking opleggen aan de zoneoverschrijdende capaciteit om interne congestieproblemen aan te pakken. Dat wordt volgens ACER ook bevestigd door de definitie van het begrip „biedzone” in artikel 2, punt 65, van verordening 2019/943, en door de regels voor die zones die in artikel 14, lid 1, van deze verordening zijn vervat. ACER stelt dat de invoeging van de litigieuze vereisten in de litigieuze methodologieën juist noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat deze basisregel werd nageleefd.

65 In dit verband moet worden opgemerkt dat de in de eerste volzin van artikel 16, lid 8, eerste alinea, van verordening 2019/943 geformuleerde basisregel luidens artikel 16, lid 8, eerste alinea, tweede volzin, en artikel 16, lid 8, eerste alinea, onder a) en b), van deze verordening wordt geacht te zijn nageleefd mits, voor grenzen met een stroomgebaseerde aanpak, het niveau van beschikbare capaciteit voor zoneoverschrijdende handel de MACZT van 70 % bereikt, waarbij het resterende maximumbedrag van 30 % kan worden gebruikt voor de betrouwbaarheidsmarges, lusstromen en interne stromen. De Uniewetgever heeft aldus een vermoeden ingevoerd dat TSB’s die de MACZT van 70 % bereiken hun verplichting naleven om geen beperking op te leggen aan de zoneoverschrijdende capaciteit om interne congestieproblemen aan te pakken.

66 Zo heeft de Uniewetgever in overweging 27, vierde en zesde volzin, van verordening 2019/943 duidelijk uitgelegd dat er in deze verordening „duidelijke minimumniveaus voor de beschikbare capaciteit voor grensoverschrijdende handel [moesten] worden vastgesteld om de effecten van lusstromen (loop flows) en interne congesties op de grensoverschrijdende handel te beperken en marktdeelnemers een voorspelbare capaciteitswaarde te geven”, en dat „“[het] resterende deel van de capaciteit [kon] worden gebruikt voor betrouwbaarheidsmarges, lusstromen en interne stromen”.

67 Aan het in punt 65 hierboven vermelde vermoeden wordt niet afgedaan door de definitie van het begrip „biedzone”, noch door de regels voor die zones die in artikel 2, punt 65, en artikel 14, lid 1 van verordening 2019/943 zijn vervat en waarvan ACER de inhoud aanvoert.

68 Het is juist dat uit artikel 2, punt 65, en artikel 14, lid 1, van verordening 2019/943 volgt dat „marktdeelnemers [binnen een biedzone] in staat [moeten] zijn energie uit te wisselen zonder capaciteitstoewijzing” en dat die zones in beginsel „[…] [geen] structurele congestie [mogen omvatten]”.

69 Niettemin wordt in artikel 14, lid 1, derde volzin, van verordening 2019/943 gepreciseerd in welke gevallen structurele congestie toelaatbaar blijft. Dat is met name het geval wanneer „die structurele congesties niet leiden tot vermindering van zoneoverschrijdende handelscapaciteit overeenkomstig de vereisten van artikel 16”. Daarnaast bepaalt artikel 14, lid 1, vierde volzin, van die verordening dat de configuratie van biedzones in de Unie zodanig moet worden vastgesteld dat de economische efficiëntie en de zoneoverschrijdende handelsmogelijkheden overeenkomstig artikel 16 worden gemaximaliseerd, terwijl de voorzieningszekerheid in stand wordt gehouden. Zoals reeds opgemerkt in punt 65 hierboven bepaalt artikel 16, lid 8, van verordening 2019/943 echter dat de TSB’s in het CORE-gebied worden geacht die maximalisering van de economische efficiëntie en de zoneoverschrijdende handelsmogelijkheden niet op onrechtmatige wijze te ondermijnen wanneer zij de MACZT van 70 % bereiken en met de resterende 30 % interne congestieproblemen beheren.

70 Bovendien heeft de Uniewetgever in artikel 15 van verordening 2019/943, waarnaar artikel 16, lid 8, van deze verordening verwijst, bepaald dat lidstaten met vastgestelde structurele congestie overeenkomstig artikel 14, lid 7, van die verordening kunnen besluiten om in samenwerking met hun NRI een actieplan te ontwikkelen dat een concreet tijdschema bevat (hierna: „lineair traject”) voor de vaststelling van maatregelen om die congestie te verminderen, waarmee hun TSB’s uiterlijk op 31 december 2025 de MACZT van 70 % moeten kunnen bereiken.

71 Op 28 december 2019 heeft de Bondsrepubliek Duitsland een „actieplan voor de biedzone” die door haar TSB’s wordt gecontroleerd (Aktionplan Gebotszone) aan de Commissie en aan ACER voorgelegd. Volgens artikel 15, lid 2, tweede alinea, derde volzin, van verordening 2019/943 moet de Bondsrepubliek Duitsland er tijdens de periode van uitvoering van dat actieplan slechts voor zorgen dat de capaciteit die beschikbaar is gesteld voor zoneoverschrijdende handel in overeenstemming met artikel 16, lid 8, van die verordening ten minste gelijk is aan de waarde van het lineair traject, onder meer door middel van corrigerende maatregelen in het CORE-gebied.

72 Zoals ACER ter terechtzitting in antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht heeft erkend, hebben de Bondsrepubliek Duitsland en haar TSB’s zich tot op heden grotendeels hebben gehouden aan het lineaire traject waarin hun actieplan voorziet, zodat zij overeenkomstig het vermoeden van artikel 16, lid 8, eerste volzin, van verordening 2019/943 moeten worden geacht te hebben voldaan aan de basisregel dat zij geen beperking mogen opleggen aan de zoneoverschrijdende capaciteit om interne congestieproblemen aan te pakken.

73 In dit verband zij eraan herinnerd dat de TSB’s op grond van artikel 16, lid 4, van verordening 2019/943 slechts verplicht zijn tot het nemen van corrigerende maatregelen – zoals compensatiehandel of redispatching, als bedoeld in artikel 2, punt 26, van verordening 2019/943, die worden gebruikt voor het maximaliseren van de beschikbare capaciteit voor zoneoverschrijdende handel – om de in lid 8 van dat artikel bedoelde minimumcapaciteit te bereiken, namelijk de MACZT van 70 % of, indien er een actieplan loopt, de waarde van het lineaire traject.

74 Bovendien mag overeenkomstig artikel 15 van verordening 2019/943, zoals ook blijkt uit overweging 31, zesde volzin, van die verordening en zoals de raad van beroep in punt 60 van de bestreden beslissing zelf heeft erkend, tegen de wil van de betrokken lidstaat geen herziening van de biedzoneconfiguratie kunnen plaatsvinden indien de minimumcapaciteit, te weten de MACZT van 70 % of de waarde van het lineaire traject, wordt bereikt.

75 Hieruit volgt dat wanneer de TSB’s de minimumcapaciteit bereiken, toepassing van het criterium van economische efficiëntie, voor zover dit vereist dat zij nagaan of een herziening van de configuratie van hun zone of het gebruik van corrigerende maatregelen geen economisch efficiëntere oplossing is dan capaciteitstoewijzing om congesties op hun interne netwerkelementen aan te pakken, in de praktijk volstrekt irrelevant is aangezien de lidstaat noch de betrokken TSB’s daartoe wettelijk verplicht zijn. Ter terechtzitting heeft ACER dat in antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht over de mogelijke herziening van de configuratie van een biedzone overigens erkend.

76 Bijgevolg bevestigt het onderzoek van de context van de bepalingen van verordening 2019/943 dat ACER de litigieuze vereisten niet zonder fouten in de litigieuze methodologieën kon opnemen.

77 In de derde plaats moet worden onderzocht of een teleologische uitlegging van de bepalingen van de verordeningen 2019/943 en 2015/1222 bevestigt dat de litigieuze vereisten niet in de litigieuze methodologieën mochten worden opgenomen.

78 BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland zijn van mening dat de litigieuze uitlegging niet verenigbaar is met een teleologische uitlegging van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222.

79 ACER betoogt daarentegen dat een teleologische uitlegging van de bepalingen van verordening 2019/943 in het licht van de doelstelling die de Uniewetgever met deze verordening heeft nagestreefd, bevestigt dat de litigieuze vereisten in de litigieuze methodologieën mochten worden opgenomen. Net als laatstgenoemde verordening hadden die vereisten namelijk tot doel de goede werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen door ervoor te zorgen dat systematisch werd gekozen voor de economisch meest efficiënte en meest kosteneffectieve oplossingen. BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland stellen dat deze argumenten ongegrond zijn.

80 Zelfs indien uit een globale lezing van de verschillende bepalingen van verordening 2019/943 blijkt dat deze verordening een algemene regel bevat volgens welke in het kader van de toepassing van de regels die de goede werking van de interne elektriciteitsmarkt moeten waarborgen, moet worden gekozen voor de meest kosteneffectieve oplossingen – zoals ACER stelt – en dit laatste op grond van die regel de litigieuze vereisten mocht opnemen in de litigieuze methodologieën, dan nog moet eraan worden herinnerd dat een algemene regel kan worden beperkt of uitgesloten, en wel volgens het beginsel dat de bijzondere regel afwijkt van de algemene regel (lex specialis derogat legi generali), wanneer er bijzondere regels bestaan die specifieke materies beheersen (arrest van 14 juli 2005, Le Voci/Raad, T‑371/03, EU:T:2005:290, punt 122). Bijzondere bepalingen hebben dus voorrang boven de algemene regels in de situaties die zij specifiek beogen te regelen (zie arrest van 22 april 2016, Italië en Eurallumina/Commissie, T‑60/06 RENV II en T‑62/06 RENV II, EU:T:2016:233, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hoe dan ook moeten de bepalingen inzake capaciteitstoewijzing en congestiebeheer in de artikelen 15 en 16 van verordening 2019/943 als bijzondere regels dus voorrang hebben boven de algemene regel waarop ACER zich beroept.

81 Zoals BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland terecht opmerken, blijkt daarenboven uit de ontstaansgeschiedenis van verordening 2019/943, waarbij verordening nr. 714/2009 is herschikt, dat de Uniewetgever de bijzondere regels van de artikelen 15 en 16 van die verordening heeft vastgesteld hoewel hij volledig op de hoogte was van aanbeveling nr. 02/2016 van ACER van 11 november 2016 betreffende gemeenschappelijke methodologieën voor capaciteitsberekening en deling van de kosten van redispatching en compensatiehandel, alsook van de toelichting van de Commissie bij haar voorstel COM (2016) 861 final van 30 november 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interne markt voor elektriciteit, waarin ervoor werd gepleit om op het gebied van capaciteitstoewijzing en congestiebeheer systematisch voor de meest kosteneffectieve oplossingen te kiezen, zoals volgens hen volgt uit punt 1.7 van bijlage I bij verordening nr. 714/2009.

82 Zoals blijkt uit artikel 16, lid 8, van verordening 2019/943, gelezen in het licht van overweging 27, vierde en zesde volzin, van deze verordening, heeft de Uniewetgever rekening houdend met de verschillende betrokken belangen, in die verordening een evenwichtigere aanpak willen toepassen dan die welke in de aanbeveling van ACER en het voorstel van de Commissie was voorgesteld, door onder meer de TSB’s te verplichten om een minimumniveau van zoneoverschrijdende capaciteit in acht te nemen dat overeenkomt met de MACZT van 70 % of, in voorkomend geval en uiterlijk tot en met 31 december 2025, de waarde van het lineaire traject, en hen tegelijkertijd toe te staan de resterende 30 % te gebruiken om met name interne congestieproblemen aan te pakken.

83 ACER kan dus niet op goede gronden stellen dat het op grond van een algemene regel die pleit voor de meest kosteneffectieve oplossingen, door middel van de litigieuze vereisten de werkingssfeer van de artikelen 15 en 16 van verordening 2019/943 mocht beperken, en het enkele feit dat er in casu economisch efficiëntere oplossingen bestonden dan die welke de Uniewetgever heeft gekozen, kon niet rechtvaardigen dat deze laatste buiten beschouwing werden gelaten.

84 Hieruit volgt dat een teleologische uitlegging van de bepalingen van de verordeningen 2019/943 en 2015/1222 bevestigt dat ACER de litigieuze vereisten niet zonder fouten in de litigieuze methodologieën kon opnemen.

85 Uit een en ander volgt dat de litigieuze uitlegging in strijd is met de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en met artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, aangezien het op grond van deze bepalingen niet toegestaan was de litigieuze vereisten – die verplichtingen opleggen die verder gaan dan de enkele mededeling van de lijst van de interne KNE’s (en de daaraan verbonden risico’s) die voldoen aan het criterium van de PTDF, als bedoeld in artikel 5, lid 8, onder a), van de litigieuze methodologieën – in die methodologieën op te nemen.

86 Bijgevolg moeten het enige middel van BNetzA en het eerste middel van de Bondsrepubliek Duitsland worden aanvaard en moeten de litigieuze bepalingen van de bestreden beslissing op die grond nietig worden verklaard, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de andere grieven en argumenten van BNetzA ter ondersteuning van haar enige middel of van de Bondsrepubliek Duitsland ter ondersteuning van haar eerste middel, die zijn gebaseerd op schending van de artikelen 14 tot en met 16 van verordening 2019/943 en van artikel 29, lid 3, onder b), van verordening 2015/1222, en op de andere, subsidiair aangevoerde middelen van de Bondsrepubliek Duitsland.

Kosten

87 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

88 Aangezien ACER in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vorderingen van BNetzA en de Bondsrepubliek Duitsland te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1) De zaken T‑600/23 en T‑612/23 worden gevoegd voor het arrest.

2) Beslissing A-003‑2019_R van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 7 juli 2023 wordt nietig verklaard voor zover daarbij artikel 5, lid 8, onder b) en c), en lid 9, van de gemeenschappelijke regionale methodologieën voor de berekening van de day-ahead- en intradaycapaciteit voor de capaciteitsberekeningsregio bestaande uit België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije, die zijn opgenomen in de bijlagen I en II bij beslissing nr. 02 van ACER van 21 februari 2019, is vastgesteld.

3) ACER wordt verwezen in de kosten.

Papasavvas Škvařilová-Pelzl Nõmm Kukovec Meyer Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 oktober 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestalen: Duits en Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken