Gerecht EU 27 november 2024, ECLI:EU:T:2024:869

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)

27 november 2024 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van rentederivaten in euro – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Schending van de motiveringsplicht – Gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit bij arrest van het Gerecht – Wijzigingsbesluit – Geldboeten – Verjaring – Basisbedrag – Waarde van de verkopen – Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Gelijke behandeling – Evenredigheid – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑561/21,

HSBC Holdings plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

HSBC Bank plc, gevestigd te Londen,

HSBC Continental Europe, gevestigd te Parijs (Frankrijk),

vertegenwoordigd door M. Demetriou en D. Bailey, barristers, C. Angeli, M. Giner Asins en C. Chevreste, advocaten, en M. Simpson, solicitor,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Baumé, P. Berghe en M. Farley als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: K. Kowalik-Bańczyk, president, E. Buttigieg (rapporteur) en G. Hesse, rechters,

griffier: M. Zwozdziak-Carbonne, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– de beslissing van 21 december 2021 om de behandeling overeenkomstig artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te schorsen tot de uitspraak in zaak C‑883/19 P, HSBC Holdings e.a./Commissie,

– het arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C‑883/19 P, EU:C:2023:11), en de opmerkingen van partijen dienaangaande in repliek en dupliek,

– de arresten van 20 december 2023, JPMorgan Chase e.a./Commissie (T‑106/17, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2023:832), en 20 december 2023, Crédit agricole en Crédit agricole Corporate and Investment Bank/Commissie (T‑113/17, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2023:847), en de opmerkingen van partijen dienaangaande,

na de terechtzitting van 25 januari 2024,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, HSBC Holdings plc, HSBC Bank plc en HSBC Continental Europe (hierna gezamenlijk: „HSBC”), ten eerste nietigverklaring van artikel 1 van besluit C(2021) 4600 final van de Commissie van 28 juni 2021 tot wijziging van besluit C(2016) 8530 final van de Commissie van 7 december 2016 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.39914 – Rentederivaten in euro (EIRD)] (hierna: „besluit van 2021”) en nietigverklaring van artikel 2, onder b), van besluit C(2016) 8530 final van de Commissie van 7 december 2016 betreffende een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.39914 – Rentederivaten in euro (EIRD)] (hierna: „besluit van 2016”), zoals gewijzigd, en ten tweede, subsidiair, verlaging van de hun bij het besluit van 2021 opgelegde geldboete. [omissis]

Conclusies van partijen

16 Verzoeksters verzoeken het Gerecht in wezen: – artikel 1 van het besluit van 2021 en artikel 2, onder b), van het besluit van 2016, zoals gewijzigd, nietig te verklaren; – subsidiair, de hun opgelegde geldboete aanzienlijk te verlagen tot een bedrag dat het Gerecht passend acht; – de Commissie te verwijzen in hun kosten of, subsidiair, in een passend deel van die kosten.

17 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

[omissis]

Vordering tot nietigverklaring van artikel 1 van het besluit van 2021 en artikel 2, onder b), van het besluit van 2016, zoals gewijzigd

Eerste middel: overschrijding van de verjaringstermijn voor de oplegging van een geldboete aan HSBC

36 In het kader van het eerste middel betogen verzoeksters dat het besluit van 2021 is vastgesteld na het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003. Zij betogen in wezen dat de instelling van de hogere voorziening in zaak C‑806/19 P door de Commissie (zie punt 8 hierboven) niet tot gevolg heeft gehad dat deze verjaringstermijn overeenkomstig artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 is geschorst, aangezien de Commissie op dat moment reeds van plan was een nieuw besluit ten aanzien van HSBC vast te stellen zonder de uitkomst van de procedure in hogere voorziening af te wachten. Volgens verzoeksters had de Commissie de hogere voorziening niet mogen instellen met als enige doel de verjaringstermijn te schorsen om extra tijd te verkrijgen om in de tussentijd een nieuw besluit vast te stellen. Deze hogere voorziening, die is ingesteld met een ongeschikt doel, was zonder voorwerp en heeft de verjaringstermijn niet geschorst.

37 Bovendien, gesteld al dat de door de Commissie ingestelde hogere voorziening de verjaringstermijn vanaf 31 oktober 2019 zou hebben geschorst, is deze schorsing volgens verzoeksters hoe dan ook geëindigd toen de brief van 8 mei 2020 werd verzonden en de commissaris voor mededinging HSBC ervan op de hoogte bracht dat hij het college van commissarissen wilde voorstellen een nieuw besluit aan HSBC te richten (zie punt 9 hierboven). Volgens verzoeksters heeft de Commissie op die datum laten blijken dat zij ondanks de aanhangige hogere voorziening niet „verhinderd” was om te handelen. Haar belang bij de uitkomst van de hogere voorziening is verdwenen toen zij stappen heeft ondernomen om een nieuw besluit ten aanzien van HSBC vast te stellen.

38 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

39 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 25 van verordening nr. 1/2003 beoogt een regeling in te voeren betreffende de termijnen waarbinnen de Commissie, zonder afbreuk te doen aan het fundamentele vereiste van rechtszekerheid, geldboeten en dwangsommen mag opleggen aan ondernemingen waartegen procedures inzake toepassing van de mededingingsregels van de Unie lopen (arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 38). Deze bepaling is het resultaat van het streven van de Uniewetgever om, bij de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden, twee doelstellingen te verzoenen die maatregelen in tegengestelde zin kunnen vergen, namelijk enerzijds de noodzaak om de rechtszekerheid te waarborgen door te voorkomen dat na verloop van tijd geconsolideerde situaties tot in het oneindige aan de orde kunnen worden gesteld, en anderzijds het vereiste om de naleving van het recht te verzekeren door inbreuken op het recht van de Unie te vervolgen, vast te stellen en te bestraffen (zie in die zin arrest van 9 november 2022, Ferriere Nord/Commissie, T‑667/19, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2022:692, punt 354 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Overeenkomstig artikel 25, leden 2, 3 en 5, van verordening nr. 1/2003 verjaart de bevoegdheid van de Commissie om een geldboete op te leggen, in het geval van handelingen van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk, ten laatste tien jaar na de dag waarop de voortdurende of voortgezette inbreuk is beëindigd. Bovendien bepaalt artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 dat de verjaring wordt geschorst zolang het besluit van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Krachtens lid 5 van dit artikel wordt de verjaringstermijn van tien jaar verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst.

41 In casu staat tussen partijen vast dat de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003 is ingegaan op 27 maart 2007, te weten op de datum waarop de aan verzoeksters verweten enkele voortdurende inbreuk is beëindigd. De Commissie heeft het besluit van 2016 vastgesteld op 7 december 2016, dat wil zeggen negen jaar, acht maanden en tien dagen nadat de inbreuk was beëindigd. Tussen partijen staat eveneens vast dat de verjaringstermijn krachtens artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 is geschorst vanaf 17 februari 2017, de datum waarop het beroep in zaak T‑105/17 is ingesteld, dat wil zeggen negen jaar, tien maanden en twintig dagen nadat de inbreuk was beëindigd, en wel tot de uitspraak van het arrest in die zaak op 24 september 2019. Op die datum beschikte de Commissie, gelet op de maximale verjaringstermijn van tien jaar van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003, over één maand en elf dagen om een nieuw besluit houdende oplegging van een geldboete vast te stellen.

42 Op 31 oktober 2019, te weten één maand en zeven dagen na de uitspraak van het arrest van 24 september 2019, HSBC Holdings e.a./Commissie (T‑105/17, EU:T:2019:675), heeft de Commissie de hogere voorziening in zaak C‑806/19 P ingesteld.

43 Het besluit van 2021 is vastgesteld op 28 juni 2021, terwijl de procedure in zaak C‑806/19 P betreffende de door de Commissie ingestelde hogere voorziening aanhangig was bij het Hof.

44 Om te bepalen of de verjaring was ingetreden op het tijdstip van de vaststelling van het besluit van 2021, zoals verzoeksters stellen, moet, gelet op de argumenten die zij dienaangaande aanvoeren, ten eerste worden nagegaan of de door de Commissie ingestelde hogere voorziening in zaak C‑806/19 P tot gevolg heeft gehad dat de betrokken verjaringstermijn is geschorst en ten tweede of deze eventuele schorsing voortduurde tot de vaststelling van dit besluit. Het wordt immers niet betwist dat de verjaringstermijn nog niet was verstreken toen de Commissie de hogere voorziening instelde.

45 In dit verband zij eraan herinnerd dat de verjaringstermijn krachtens artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 is geschorst zolang het besluit van de Commissie onderworpen is aan een procedure bij een van de rechterlijke instanties van de Unie. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat de verjaringstermijn in de zin van deze bepaling kan worden geschorst als daaraan een, in casu aanwezige, objectieve omstandigheid ten grondslag ligt die betrekking heeft op het loutere bestaan van een aanhangige gerechtelijke procedure (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a.,C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Anders dan in wezen blijkt uit de argumenten van verzoeksters, stelt deze bepaling deze opschorting niet afhankelijk van enige subjectieve voorwaarde, zoals een „doel” dat met de instelling van het beroep wordt nagestreefd of het „voornemen” van de partij die het beroep heeft ingesteld.

46 In dit verband zij er tevens aan herinnerd dat artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 de Commissie beschermt tegen de gevolgen van de verjaring in situaties waarin zij de beslissing van de Unierechter moet afwachten in procedures waarvan zij het verloop niet in de hand heeft, voordat zij weet of de bestreden handeling al dan niet onwettig is (zie in die zin arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie,C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punten 144 en 151).

47 Bij de „verhindering” van de Commissie om te handelen, naar welk begrip in de rechtspraak wordt verwezen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 144) en waarop verzoeksters zich beroepen, gaat het er niet om dat het voor de Commissie volstrekt onmogelijk is om voorbereidende handelingen te verrichten, zoals in casu, voor de eventuele vaststelling van een nieuw besluit ter naleving van een arrest van het Gerecht waarin haar besluit onwettig wordt verklaard. Dit begrip „verhindering” heeft betrekking op een objectieve omstandigheid betreffende het loutere bestaan van een aanhangige gerechtelijke procedure op grond waarvan er onzekerheid blijft bestaan over de rechtmatigheid van het besluit van de Commissie.

48 In casu heeft de Commissie, door de hogere voorziening in zaak C‑806/19 P in te stellen, het Hof verzocht om te beoordelen of artikel 2, onder b), van het besluit van 2016 rechtmatig is, wat volgens het oordeel van het Gerecht in het arrest van 24 september 2019, HSBC Holdings e.a./Commissie (T‑105/17, EU:T:2019:675), niet het geval was. Zolang de procedure betreffende deze hogere voorziening aanhangig was, bleef het onzeker of deze bepaling van het besluit van 2016 rechtmatig was.

49 Zoals verzoeksters in wezen betogen, veronderstelt het bestaan van procesbelang volgens vaste rechtspraak inderdaad dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirerende partij kan zijn (zie arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hoewel het ontbreken van een dergelijk procesbelang op het tijdstip van de instelling van het beroep, gesteld al dat dit zou zijn aangetoond, ertoe zou kunnen leiden dat een hogere voorziening niet-ontvankelijk wordt verklaard en hoewel het verdwijnen van een procesbelang in de loop van het geding ertoe zou kunnen leiden dat de Unierechter vaststelt dat op het beroep niet hoeft te worden beslist, kan een dergelijke omstandigheid evenwel niet ertoe leiden dat de wegens de inleiding van een procedure in hogere voorziening aangevangen schorsing van de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen, met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. Het is immers het feit zelf dat bij het Gerecht of het Hof een beroep aanhangig is, dat de schorsing rechtvaardigt, en niet de slotsom waartoe die rechterlijke instanties in hun eindbeslissing komen (zie in die zin arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 153).

50 Hieruit volgt dat, anders dan verzoeksters betogen, de instelling van de hogere voorziening door de Commissie tot gevolg heeft gehad dat de verjaring van haar bevoegdheid om hun geldboeten op te leggen is geschorst totdat het Hof een eindbeslissing in die zaak had gegeven (zie in die zin arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punten 147 en 157), waarbij het niet van belang is welke stappen zij gelijktijdig met de aanhangige procedure in hogere voorziening heeft ondernomen om het besluit van 2021 vast te stellen.

51 Hoe dan ook kunnen verzoeksters zich er niet met succes op beroepen dat de Commissie vanaf 8 mei 2020, de datum waarop zij haar voornemen kenbaar heeft gemaakt om een nieuw besluit ten aanzien van HSBC vast te stellen, geen belang meer had bij de uitkomst van haar hogere voorziening. Het Hof heeft immers erkend dat enkel het formuleren van een voorstel voor een handeling waarmee wordt voldaan aan een arrest van het Gerecht op zich niet aldus kan worden uitgelegd dat de Commissie het betrokken arrest definitief en formeel aanvaardt en dat dit op zich niet impliceert dat de Commissie helemaal geen belang meer heeft bij de hogere voorziening en de beslechting van het geding (zie in die zin arresten van 8 januari 2002, Frankrijk/Monsanto en Commissie, C‑248/99 P, EU:C:2002:1, punt 31, en 13 juni 2013, Versalis/Commissie, C‑511/11 P, EU:C:2013:386, punt 125).

52 Evenzo toont het enkele feit dat de Commissie na de uitspraak van het arrest van 24 september 2019, HSBC Holdings e.a./Commissie (T‑105/17, EU:T:2019:675), stappen heeft ondernomen om een nieuw besluit vast te stellen, in casu niet aan dat zij elk belang bij de vaststelling van de wettigheid van artikel 2, onder b), van het besluit van 2016 zou hebben verloren, aangezien dit belang blijft bestaan tot de eindbeslissing van het Hof, of ten minste tot dat nieuwe besluit is vastgesteld. Het feit dat de Commissie na de vaststelling van het besluit van 2021 haar hogere voorziening in zaak C‑806/19 P (zie punt 14 hierboven) heeft ingetrokken, doet niets af aan deze conclusie.

53 Bovendien moet worden opgemerkt dat een definitief en formeel standpunt van de Commissie alleen in een besluit van het college van commissarissen kan zijn vervat, en dat lag niet voor bij de verstrekte informatie of de intentieverklaringen van de commissaris voor mededinging over de vaststelling van een dergelijk besluit, zoals de Commissie terecht in herinnering heeft gebracht in de brief van 8 mei 2021 aan verzoeksters.

54 Gelet op een en ander was de uitoefening door de Commissie van haar sanctiebevoegdheid voor de inbreukmakende gedragingen van verzoeksters niet verjaard toen het besluit van 2021 op 28 juni 2021 werd vastgesteld, aangezien de procedure in hogere voorziening in zaak C‑806/19 P aanhangig was bij het Hof.

55 Het eerste middel moet dus worden afgewezen. [omissis]

Kosten

252 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) HSBC Holdings plc, HSBC Bank plc en HSBC Continental Europe worden verwezen in de kosten.

Kowalik-Bańczyk Buttigieg Hesse Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 27 november 2024. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken