Gerecht EU 13 november 2024, T-82/24, ECLI:EU:T:2024:821
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
13 november 2024 ( *1 )
„Uniemerk – Aanvraag voor Uniebeeldmerk RUSSIAN WARSHIP, GO F**K YOURSELF – Absolute weigeringsgrond – Geen onderscheidend vermogen – Artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 – Politieke slogan – Gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001”
In zaak T‑82/24,
Administration of the State Border Guard Service of Ukraine, gevestigd te Kiev (Oekraïne), vertegenwoordigd door P. Holý, advocaat,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Hanf als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl, waarnemend voor de president, I. Nõmm en G. Steinfatt (rapporteur), rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Administration of the State Border Guard Service of Ukraine, vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 1 december 2023 (zaak R 438/2023‑1) (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 16 maart 2022 heeft de rechtsvoorganger van verzoekster bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend voor het volgende beeldteken:
3 Het aangevraagde merk betrof waren en diensten die vallen onder de klassen 9, 14, 16, 18, 25, 28 en 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en die voor elk van deze klassen worden omschreven als volgt: – klasse 9: „Apparaten voor het navigeren, gidsen, volgen, plaats bepalen en het maken van kaarten; meet-, detectie-, bewakings‑ en regelapparaten; magneten en toestellen voor het magnetiseren en demagnetiseren; optische apparaten, versterkers en correctoren; opgenomen content; veiligheids-, beveiligings-, bewakings‑ en signaleringstoestellen; software voor gebruik als portemonnee voor downloadbare multimediabestanden die kunstwerken, tekst, audio en video bevatten in verband met de Russische militaire agressie tegen Oekraïne, geauthentiseerd door non-fungible tokens (NFT’s)”; – klasse 14: juwelen; edelstenen, parels en edele metalen, alsmede imitaties daarvan; sleutelhangers en sleutelkettingen, en bedeltjes daarvoor; tijdmeetinstrumenten; chronometrische instrumenten; keramische schijfjes voor gebruik als waardefiches; munten; verzamelmunten; herdenkingsmunten; herdenkingsschilden; herdenkingsbekers van edele metalen; sierartikelen, snuisterijen of juwelierswaren voor persoonlijk gebruik; sierlijke sleutelhangers van edele metalen; identificatiearmbanden [juwelierswaren]; identiteitsplaatjes van edele metalen; sets met verzamelmunten; niet-monetaire munten; kunstvoorwerpen van edele metalen”; – klasse 16: „zakken en artikelen voor verpakking, omwikkeling en bewaring van papier, karton of plastic; decoratiemateriaal en materialen voor kunst en media; onderzetters van papier; onderzetters van karton; vaandels van papier; slabbetjes van papier; placemats van karton; wegwerpservetten; papieren handdoeken; rollen keukenpapier; tafellopers van papier; tafelservetten van papier; papier en karton; drukwerken, kantoorbenodigdheden en schoolmateriaal; kunstwerken en beeldjes van papier en karton, en maquettes”; – klasse 18: „Bagage, tassen, knapzakken en andere draagtassen; paraplu’s en parasols; zelfklevende labels van leer, voor tassen; kaarthouders van kunstleder; kaarthouders van leder; kisten van leder of lederkarton; labels van leer; leder en kunstleder”; – klasse 25: „Kleding; schoeisel; hoofddeksels; delen van kleding, schoeisel en hoofdbedekking”; – klasse 28: „Uitrusting voor sport en lichamelijke oefening; speelgoed, spelletjes en speelgoed”; – klasse 41: „Publiceren, rapporteren en schrijven van teksten; onderwijs, entertainment en sport”.
4 Op 13 september 2022 is de overgang van het aangevraagde merk op verzoekster in het register ingeschreven.
5 Bij beslissing van 22 december 2022 heeft de onderzoeker de inschrijvingsaanvraag in haar geheel afgewezen op grond van artikel 7, lid 1, onder f), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van deze verordening.
6 Op 21 februari 2023 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.
7 Op 13 juni 2023 heeft de voorzitter en rapporteur van de eerste kamer van beroep verzoekster meegedeeld dat het betrokken teken na een vooronderzoek van de zaak en onverminderd de toepasselijkheid van artikel 7, lid 1, onder f), van verordening 2017/1001 elk onderscheidend vermogen leek te missen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening. Verzoekster heeft op 13 juli 2023 haar opmerkingen ingediend.
8 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen omdat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen miste voor de betrokken waren en diensten en de inschrijving ervan dus krachtens artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 moest worden geweigerd.
Conclusies van partijen
9 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO te verwijzen in de kosten.
10 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.
In rechte
11 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: ten eerste, schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, ten tweede, schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur, en ten derde, schending van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001.
Eerste middel: schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001
12 Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 onjuist heeft toegepast door vast te stellen dat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen miste voor alle betrokken waren en diensten.
13 Volgens artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 wordt inschrijving geweigerd van merken die elk onderscheidend vermogen missen. Artikel 7, lid 2, van die verordening bepaalt dat artikel 7, lid 1, ook van toepassing is indien de weigeringsgronden slechts in een deel van de Europese Unie bestaan.
14 Het onderscheidend vermogen van een merk in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 houdt in dat dit merk het mogelijk maakt de waar of dienst waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en dus deze waar of dienst van die van andere ondernemingen te onderscheiden [zie arrest van 8 februari 2011, Paroc/BHIM (INSULATE FOR LIFE), T‑157/08, EU:T:2011:33, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
15 Het onderscheidend vermogen van een merk moet worden beoordeeld met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, en uitgaande van de perceptie van het merk door het relevante publiek [zie arrest van 25 september 2014, Giorgis/BHIM – Comigel (Vorm van twee verpakte bekers), T‑474/12, EU:T:2014:813, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
16 Tekens die onderscheidend vermogen missen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 worden geacht ongeschikt te zijn om de wezenlijke functie van het merk te vervullen, te weten de herkomst van de waar of dienst aan te geven zodat de consument die de waar heeft verkregen of aan wie de dienst is verleend, bij een latere aankoop of opdracht die keuze kan herhalen in geval van een positieve ervaring, of een andere keuze kan maken in geval van een negatieve ervaring [arrest van 27 februari 2002, Eurocool Logistik/BHIM (EUROCOOL), T‑34/00, EU:T:2002:41, punt 37; zie ook arresten van 15 september 2009, Wella/BHIM (TAME IT), T‑471/07, EU:T:2009:328, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 maart 2024, Quality First/EUIPO (MORE-BIOTIC), T‑243/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:162, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
Relevant publiek
17 In punt 26 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de waren en diensten waarop het aangevraagde merk betrekking heeft hoofdzakelijk bestonden uit courante consumptiegoederen en -diensten die in de eerste plaats voor het grote publiek zijn bestemd, hoewel sommige van deze waren en diensten ook voor vakmensen bestemd kunnen zijn. Afhankelijk van de kenmerken van de betrokken waren en diensten varieert het aandachtsniveau van het relevante publiek tussen laag en hoog.
18 Deze beoordelingen, die overigens door verzoekster niet worden betwist, behoeven niet ter discussie te worden gesteld.
Onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk
19 In de punten 27 tot en met 37 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de zin waarop het aangevraagde merk betrekking heeft, een van de symbolen was van de strijd van Oekraïne tegen de Russische bezetting. Volgens de kamer van beroep wordt deze zin geassocieerd met een soldaat van het Oekraïense leger, alsook met het land en met de historische context waarin hij is uitgesproken. Het relevante publiek ziet dus enkel de politieke boodschap die door deze zin wordt overgebracht en zal het teken niet opvatten of onthouden als merk, te weten als een aanduiding van de commerciële herkomst van de erdoor aangeduide waren en diensten. Integendeel, het betrokken teken zal door het relevante publiek worden opgevat als een aanmoediging, in die zin dat het dapperheid zou promoten in een context van extreme tegenspoed, en niet als het promoten van een onderneming of een handelaar. Het gaat dus om een politieke slogan zonder onderscheidend vermogen. In dit verband is de identiteit van verzoekster irrelevant. Volgens de kamer van beroep zal de in het Russisch en het Engels uitgedrukte boodschap door het Russischtalige publiek van de Unie worden begrepen. De Engelse zin bevat Engelse basiswoorden die gemakkelijk kunnen worden begrepen door elke Russischtalige die een elementaire kennis van het Engels heeft.
20 In de eerste plaats stelt verzoekster dat de kamer van beroep ten eerste het aangevraagde merk ten onrechte als „politieke slogan” heeft aangemerkt. Het merk is een oorlogskreet die de Oekraïense grenswachter op het Slangeneiland uitte op 24 februari 2022, de eerste dag van de grootschalige Russische invasie in Oekraïne. Het gaat dus veeleer om een originele zin die in verbinding kan worden gebracht met één bron en met een welbepaald tijdstip. Ten tweede is het aangevraagde merk weliswaar vervolgens gebruikt om steun te winnen voor Oekraïne, omdat het op zo een unieke wijze verband houdt met het antwoord van Oekraïne op de militaire agressie van de Russische Federatie, maar zou het niet passend zijn om, bij de beoordeling of een dergelijk teken onderscheidend vermogen heeft, strengere criteria toe te passen dan die welke gelden voor andere soorten tekens. Dat een teken als een politieke slogan wordt beschouwd, betekent niet dat deze slogan automatisch elk onderscheidend vermogen mist voor alle waren of diensten. Het relevante publiek van de Unie is gewend om politieke slogans te associëren met de oorsprong van waren of diensten, zelfs zonder dat deze slogans door gebruik ervan onderscheidend vermogen hebben verkregen.
21 In de tweede plaats voert verzoekster aan dat het aangevraagde merk intrinsiek onderscheidend vermogen heeft voor elke categorie van waren en diensten waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, aangezien een gemiddelde consument van de Unie niet weet wat het teken in de vreemde taal betekent en en deze uitdrukking vóór de indiening van de merkaanvraag niet of nauwelijks heeft gehoord. De drie weken die zijn verstreken tussen de gebeurtenis die heeft geleid tot de in het aangevraagde merk overgenomen zin en de indiening van de merkaanvraag, volstonden dus niet opdat het teken op grote schaal werd gebruikt of werd opgevat als een teken zonder onderscheidend vermogen op het tijdstip van indiening van de inschrijvingsaanvraag. Door het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk niet te beoordelen voor de specifieke waren en diensten waarop het betrekking heeft, is de kamer van beroep volgens verzoekster tot een onjuiste slotsom gekomen wat de toepassing van de rechtspraak inzake reclameslogans op het onderhavige geval betreft. De kamer van beroep heeft de rechtspraak inzake reclameslogans immers ten onrechte toegepast, hoewel het aangevraagde merk geen intrinsieke reclamefunctie heeft en dus geen verkoopbevorderende formulering is. Zij heeft het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk dus niet beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.
22 In de derde plaats had de kamer van beroep volgens verzoekster rekening moeten houden met de omstandigheid dat het aangevraagde merk rechtstreeks en ondubbelzinnig wordt geassocieerd met de Oekraïense grenswachter die de in dit merk overgenomen zin heeft uitgesproken, alsook met verzoekster. Uit de praktijk van het EUIPO blijkt dat bij merken die bestaan uit politieke slogans, de identiteit van de merkaanvrager in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van deze merken, teneinde te voorkomen dat andere ondernemingen het publiek misleiden. Door in casu te oordelen dat de identiteit van de merkaanvrager geen enkele invloed had op de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk, heeft de kamer van beroep geen rekening gehouden met een van de cruciale omstandigheden van het concrete geval.
23 Verzoekster betoogt dat wanneer een teken zo nauw en ondubbelzinnig wordt geassocieerd met bepaalde natuurlijke personen of rechtspersonen die achter de creatie van het teken staan of aan de oorsprong ervan liggen, het relevante publiek die personen beschouwt als de commerciële herkomst van de waren of diensten waarop dat teken is aangebracht, en het teken associeert met die personen. Wegens de symbolische betekenis ervan kan de consument van de Unie logischerwijs het aangevraagde merk niet associëren met een andere bron dan met de Oekraïense Staat en de verdedigers ervan. Wanneer een gemiddelde consument een waar koopt die onder het aangevraagde merk wordt verkocht, legt hij dus een mentaal verband tussen de waar en de persoon die de zin heeft uitgesproken, en gelooft hij dat hij met de aankoop van die waar Oekraïne ondersteunt. Dit is een gebruikelijke denkwijze van de relevante consument, aangezien hij in de loop der jaren aan soortgelijke praktijken van verschillende organisaties is blootgesteld.
24 Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.
25 In de eerste plaats stelt verzoekster tevergeefs dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door het aangevraagde merk als een „politieke slogan” aan te merken.
26 Zoals de kamer van beroep in punt 31 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet, werd de in het aangevraagde merk overgenomen zin immers onmiddellijk na het eerste gebruik ervan op grote schaal gebruikt om steun te verkrijgen voor Oekraïne en was hij dus zeer snel een symbool geworden van de strijd van Oekraïne tegen de agressie van de Russische Federatie. Zo is deze zin herhaaldelijk gebruikt in een politieke context teneinde steun aan Oekraïne uit te drukken en te bevorderen. Een dergelijke situatie stemt volledig overeen met de definitie van een „politieke slogan”, die verzoekster zelf in punt 22 van het verzoekschrift heeft aangevoerd, dat wil zeggen een uitdrukking die in een politieke of sociale context wordt gebruikt om een idee of doel te herhalen, teneinde het publiek of een doelgroep binnen dat publiek te overtuigen.
27 Verzoekster voert weliswaar aan dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin geen politieke slogan is omdat deze zin integendeel een expressieve reactie is op onmiddellijk dreigend levensgevaar, maar dit neemt niet weg dat deze zin direct na de gebeurtenis die tot deze reactie heeft geleid een politieke slogan is geworden in de in punt 26 hierboven aangegeven betekenis.
28 Verzoekster verwijt de kamer van beroep eveneens ten onrechte dat zij heeft geoordeeld dat een politieke slogan noodzakelijkerwijs en automatisch elk onderscheidend vermogen mist. De kamer van beroep heeft in punt 31 van de bestreden beslissing inderdaad vastgesteld dat, gelet op het feit dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin onmiddellijk een politieke slogan was geworden, ervan moest worden uitgegaan dat het teken verband hield met de historische gebeurtenis in het kader waarvan deze zin was uitgesproken. Vervolgens heeft zij evenwel onder verwijzing naar de bijzonderheden van het aangevraagde merk uiteengezet dat de consument enkel de politieke boodschap zal zien die duidelijk uit het teken blijkt, zodat dit merk door het relevante publiek niet zal worden opgevat als een aanduiding van de commerciële herkomst van de erdoor aangeduide waren en diensten. Hieruit volgt dat de kamer van beroep geen automatische redenering heeft toegepast, in die zin dat elke politieke slogan noodzakelijkerwijs elk onderscheidend vermogen mist, en evenmin strengere criteria heeft toegepast dan voor tekens die niet uit politieke slogans bestaan.
29 In de tweede plaats dient – ten eerste – te worden geoordeeld dat, zoals de kamer van beroep in punt 36 van de bestreden beslissing terecht heeft vastgesteld, het deel van het relevante publiek dat het Russisch machtig is de betekenis van de in het aangevraagde merk opgenomen Russische zin zal begrijpen. Het teken bevat bovendien een zin die bestaat uit Engelse basiswoorden en die gemakkelijk zal worden begrepen door het Engelstalige deel van het relevante publiek, te weten met name het relevante publiek van Ierland en Malta, alsook door het deel van het relevante publiek dat basiskennis van het Engels heeft.
30 De in het aangevraagde merk overgenomen zin werd zeer intensief gebruikt in een niet-commerciële context en zal door het relevante publiek noodzakelijkerwijs zeer nauw met deze context worden geassocieerd. Zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt, is de in het aangevraagde merk overgenomen zin namelijk zeer snel een van de symbolen van de strijd van Oekraïne tegen de Russische agressie geworden, waarbij dit symbool wordt geassocieerd met een soldaat van het Oekraïense leger en dus met Oekraïne. Gezien de uitgebreide media-aandacht voor deze gebeurtenis zal deze zin geassocieerd worden met dit recente historische moment, dat goed bekend is bij de gemiddelde consument in de Unie.
31 Wat het verwijt betreft dat de kamer van beroep bepaalde beweringen heeft gedaan zonder deze met bewijzen te staven, dient eraan te worden herinnerd dat niets het EUIPO ervan weerhoudt om bij zijn beoordeling rekening te houden met algemeen bekende feiten [zie in die zin arrest van 13 april 2011, Smart Technologies/BHIM (WIR MACHEN DAS BESONDERE EINFACH), T‑523/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:175, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Verzoekster heeft niet betwist dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin onmiddellijk na de gebeurtenis van 24 februari 2022 op grote schaal via de media is verspreid, zodat hij snel het symbool is geworden van de strijd van Oekraïne tegen de Russische agressie. Verzoekster heeft immers enkel gesteld dat drie weken niet voldoende waren om het betrokken teken op grote schaal te gebruiken en dat niets aantoonde dat dit teken in de drie weken na de Russische invasie in Oekraïne intensief in de Unie was gebruikt. Zij heeft echter wel erkend dat het nieuws van die invasie toen een belangrijk thema in de media was. In de inschrijvingsaanvraag die is ingediend op 16 maart 2022, te weten op de datum die volgens de rechtspraak [zie in die zin arrest van 21 mei 2014, Bateaux mouches/BHIM (BATEAUX-MOUCHES), T‑553/12, niet gepubliceerd,EU:T:2014:264, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak] het relevante tijdstip is voor de beoordeling of er een absolute weigeringsgrond bestaat, heeft verzoeksters rechtsvoorganger bovendien zelf opgemerkt dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin een symbolische zin was die wereldwijd beroemd was geworden in de drie weken na het begin van de militaire agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne.
32 Ten tweede faalt eveneens verzoeksters kritiek dat de kamer van beroep de rechtspraak inzake reclameslogans ten onrechte heeft toegepast, hoewel het aangevraagde merk geen intrinsieke reclamefunctie heeft en dus geen verkoopbevorderende formulering is. Deze kritiek vloeit namelijk voort uit een onjuiste lezing van de bestreden beslissing.
33 Het is juist dat de kamer van beroep in de punten 22 tot en 24 van de bestreden beslissing de rechtspraak inzake reclameslogans in herinnering heeft gebracht. Zij heeft deze rechtspraak echter geenszins rechtstreeks toegepast op het onderhavige geval. Zij heeft veeleer uit deze rechtspraak het beginsel afgeleid dat het relevante publiek weinig aandacht besteedt aan een teken dat niet meteen een aanwijzing geeft over de herkomst of de bestemming van hetgeen het wenst te kopen, aangezien het dit teken niet als merk zal opvatten of onthouden; dit beginsel heeft zij op het onderhavige geval toegepast. In punt 31 van de bestreden beslissing heeft zij tevens gepreciseerd dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin een van de symbolen is van de strijd van Oekraïne voor vrijheid en tegen de Russische bezetting, en in punt 33 van de bestreden beslissing dat de consument enkel de politieke boodschap ziet die duidelijk uit het aangevraagde merk blijkt. Voorts heeft zij in punt 34 van de bestreden beslissing gepreciseerd dat het aangevraagde merk niet wordt opgevat als het promoten van een onderneming of handelaar, maar hooguit als het promoten van dapperheid in een context van extreme tegenspoed.
34 Hieruit volgt dat de kamer van beroep het aangevraagde merk niet als een reclameslogan heeft beschouwd.
35 Voorts heeft de kamer van beroep geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het algemene beginsel dat het relevante publiek weinig aandacht besteedt aan een teken dat niet meteen een aanwijzing geeft over de herkomst van de betrokken waren en diensten, aangezien het dit teken niet als merk zal opvatten of onthouden, ook van toepassing is op tekens waarvan de kernboodschap van politieke aard is.
36 Gelet op de in punt 16 hierboven in herinnering gebrachte wezenlijke functie van een merk, kan een teken deze functie niet vervullen indien de gemiddelde consument bij het zien van het teken daarin niet de aanduiding van de herkomst van de waar of de dienst ziet, maar enkel een politieke boodschap.
37 Ten derde is het zo dat als dezelfde weigeringsgrond wordt ingebracht voor een categorie of een groep van waren of diensten, de bevoegde autoriteit kan volstaan met een globale motivering voor alle betrokken waren of diensten [zie arrest van 21 maart 2014, FTI Touristik/BHIM (BigXtra), T‑81/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:140, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In de rechtspraak is weliswaar gepreciseerd dat een dergelijke mogelijkheid enkel geldt voor waren en diensten die zodanig rechtstreeks en concreet met elkaar verbonden zijn dat zij een categorie of groep van waren of diensten vormen die voldoende homogeen is, maar in die rechtspraak is er ook op gewezen dat bij de beoordeling of de waren en diensten onderling een voldoende rechtstreeks en concreet verband vertonen en kunnen worden ingedeeld in categorieën of groepen die voldoende homogeen zijn, rekening moet worden gehouden met het doel van dit onderzoek, namelijk de beoordeling in concreto van de vraag of het merk waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft al dan niet onder een van de absolute weigeringsgronden valt [zie arrest van 13 mei 2020, Koenig & Bauer/EUIPO (we’re on it), T‑156/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:200, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Ook moet de indeling van de betrokken waren en diensten in een of meerdere groepen of categorieën met name gebeuren op basis van de gemeenschappelijke kenmerken die relevant zijn voor de analyse of een bepaalde absolute weigeringsgrond kan worden tegengeworpen aan het aangevraagde merk voor die waren en diensten (zie arrest van 13 mei 2020, we’re on it, T‑156/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:200, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een dergelijke beoordeling in concreto moet worden verricht voor het onderzoek van elke inschrijvingsaanvraag en, in voorkomend geval, voor elk van de verschillende eventueel toepasselijke absolute weigeringsgronden (arrest van 17 mei 2017, EUIPO/Deluxe Entertainment Services Group, C‑437/15 P, EU:C:2017:380, punt 33).
38 In casu heeft de kamer van beroep in de punten 34 en 37 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het aangevraagde merk door het relevante publiek niet zal worden opgevat als aanduiding van een commerciële herkomst. Bovendien heeft zij in punt 36 van de bestreden beslissing gepreciseerd dat de in het aangevraagde merk overgenomen zin in de eerste plaats zal worden uitgelegd als een politieke boodschap en dat deze perceptie voor alle door dit merk aangeduide waren of diensten dezelfde is.
39 Hieruit volgt dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat de door het aangevraagde merk aangeduide waren en diensten een voldoende homogene groep vormden, in het licht van de absolute weigeringsgrond die zich volgens haar tegen inschrijving van dat merk verzet.
40 Aangezien de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk door het relevante publiek niet zal worden opgevat als aanduiding van een commerciële herkomst, maar als een politieke boodschap ter bevordering van de steun aan de strijd van Oekraïne tegen de militaire agressie van de Russische Federatie, kon zij alle door het aangevraagde merk aangeduide waren en diensten op goede gronden in één enkele categorie samenbrengen, ook al vertonen deze inherent verschillende kenmerken.
41 Gelet op de specificiteit van het aangevraagde merk en de identieke perceptie ervan door het relevante publiek voor alle waren en diensten waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, heeft de kamer van beroep dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat deze waren en diensten deel uitmaken van één enkele groep waarop de door haar vastgestelde weigeringsgrond op dezelfde wijze van toepassing was.
42 In de derde plaats moet volgens vaste rechtspraak het onderscheidend vermogen van een merk in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 worden beoordeeld met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd en uitgaande van de perceptie van het merk door het relevante publiek (zie arrest van 29 april 2004, Henkel/BHIM, C‑456/01 P en C‑457/01 P, EU:C:2004:258, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Verzoeksters argument dat het aangevraagde merk rechtstreeks en ondubbelzinnig wordt geassocieerd met de Oekraïense grenswachter die de in dit merk overgenomen zin heeft uitgesproken, en het merk dus door het relevante publiek zal worden opgevat als een teken met onderscheidend vermogen waarmee kan worden aangeduid dat de waren en diensten afkomstig zijn van verzoekster, valt hoogstens onder de toepassing van artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001, en niet van artikel 7, lid 1, onder b), van deze verordening, aangezien haar analyse inhoudt dat eigenschappen worden beoordeeld die het aangevraagde merk door het gebruik ervan bij het relevante publiek had kunnen verwerven, zodat dit publiek de betrokken waren en diensten zou identificeren als afkomstig van verzoekster. Een dergelijk argument kan dus niet in aanmerking worden genomen in het kader van de beoordeling van het intrinsieke onderscheidend vermogen [zie in die zin arrest van 24 september 2019, Crédit Mutuel Arkéa/EUIPO – Confédération nationale du Crédit mutuel (Crédit Mutuel), T‑13/18, EU:T:2019:673, punt 62]. Verzoekster heeft zich echter niet beroepen op artikel 7, lid 3, van verordening 2017/1001 en evenmin gesteld dat het aangevraagde merk onderscheidend vermogen had verkregen door het gebruik ervan in de zin van deze bepaling.
44 Uit een en ander volgt dat de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk elk onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001.
45 Derhalve moet verzoeksters eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur
46 Volgens verzoekster heeft de kamer van beroep het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden omdat zij andere criteria voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk heeft toegepast dan die welke in het verleden zijn gehanteerd bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van soortgelijke tekens, met name politieke slogans.
47 Aangezien de kamer van beroep heeft aangevoerd dat het aangevraagde merk niet-onderscheidend was geworden voor om het even welke waren of diensten omdat het intensief was gebruikt in een niet-commerciële context, hadden de soortgelijke merken bestaande uit politieke slogans of andere tekens die intensief werden gebruikt in een niet-commerciële, politieke of historische context, evenmin mogen worden ingeschreven voor waren of diensten van enige aard.
48 Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.
49 Het EUIPO moet bij de uitoefening van zijn bevoegdheden de algemene beginselen van het Unierecht naleven, onder meer het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur [arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 73, en beschikking van 12 december 2013, Getty Images (US)/BHIM, C‑70/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:875, punt 41; zie ook arrest van 4 juli 2018, Deluxe Entertainment Services Group/EUIPO (deluxe), T‑222/14 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2018:402, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50 Hoewel het EUIPO in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur rekening moet houden met beslissingen die reeds zijn genomen inzake soortgelijke aanvragen en zeer aandachtig moet onderzoeken of er al dan niet een beslissing in dezelfde zin moet worden genomen, dient de toepassing van deze beginselen te worden verzoend met het wettigheidsbeginsel. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van gelijkheid in geval van onwettigheid, en kan de aanvrager van een merk zich niet in zijn voordeel beroepen op een eventuele onwettigheid die in het voordeel van een derde speelt, teneinde een identieke beslissing te krijgen. Overigens moet, omwille van de rechtszekerheid en met het oog op behoorlijk bestuur, elke inschrijvingsaanvraag strikt en volledig worden onderzocht teneinde te voorkomen dat een merk ten onrechte wordt ingeschreven. Een dergelijk onderzoek moet dus in elk concreet geval plaatsvinden. Of een teken als merk wordt ingeschreven, hangt namelijk af van specifieke criteria die gelden naargelang van de feitelijke omstandigheden van elk specifiek geval en aan de hand waarvan moet worden nagegaan of een weigeringsgrond op het betrokken teken van toepassing is [zie arresten van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punten 73‑77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 februari 2019, Bayer Intellectual Property/EUIPO (Afbeelding van een hart), T‑123/18, EU:T:2019:95, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat deze overwegingen ook gelden wanneer het teken waarvan inschrijving is aangevraagd, op dezelfde wijze is samengesteld als een merk waarvan de inschrijving reeds is aanvaard en dat betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor de inschrijving van het betrokken teken is aangevraagd [beschikking van 12 december 2013, Getty Images (US)/BHIM, C‑70/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:875, punt 45].
52 Bijgevolg moet de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamer van beroep, die op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten, uitsluitend worden beoordeeld op basis van verordening 2017/1001, zoals uitgelegd door de Unierechter, en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk van het EUIPO, die de Unierechter hoe dan ook niet kan binden [zie arresten van 26 april 2007, Alcon/BHIM, C‑412/05 P, EU:C:2007:252, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 juni 2019, Agencja Wydawnicza Technopol/EUIPO (200 PANORAMICZNYCH e.a.), T‑117/18 – T‑121/18, EU:T:2019:447, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Zoals blijkt uit punt 44 hierboven, is de kamer van beroep in casu terecht op basis van een volledig en concreet onderzoek en rekening houdend met de relevante omstandigheden van het concrete geval tot de slotsom gekomen dat het aangevraagde merk onder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 viel, zodat verzoekster zich ter weerlegging van deze slotsom niet met succes kan beroepen op eerdere beslissingen van het EUIPO of op een beslissingspraktijk van het EUIPO die de kamer van beroep niet zou hebben gevolgd.
54 Gelet op een en ander moet het tweede middel worden afgewezen.
Derde middel: schending van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001
55 Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 heeft geschonden omdat ze heeft geweigerd om in de bestreden beslissing de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder f), van deze verordening – waarop de onderzoeker zijn afwijzende beslissing van 22 december 2022 had gebaseerd – te onderzoeken.
56 Verzoekster betwist niet dat de kamer van beroep het recht heeft om een nieuwe weigeringsgrond aan te voeren. Zij is evenwel van mening dat zij recht heeft op een beslissing van de kamer van beroep over de gegrondheid van de door de onderzoeker in aanmerking genomen gronden, aangezien zij tijd en moeite heeft geïnvesteerd om het beroep in te stellen en officiële taksen heeft betaald om deze beslissing te laten heroverwegen. Het bestaan van een dergelijk recht wordt bevestigd door overweging 30 van verordening 2017/1001.
57 Het EUIPO betwist verzoeksters argumenten.
58 Artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 bepaalt dat de kamer van beroep, na het onderzoek van het beroep ten gronde, uitspraak doet op het beroep en daarbij de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen. Uit deze bepaling volgt dat de kamer van beroep, wanneer bij haar beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij de onderzoeker inschrijving heeft geweigerd, de merkaanvraag opnieuw volledig ten gronde kan onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk [zie arrest van 13 februari 2019, Nemius Group/EUIPO (DENTALDISK), T‑278/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:86, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. De kamer van beroep is bevoegd om de inschrijvingsaanvraag opnieuw aan alle in artikel 7 van verordening 2017/1001 vermelde absolute weigeringsgronden te toetsen, zonder beperkt te zijn door de redenering van de onderzoeker en zonder dat zij op dit punt een specifieke motivering moet geven [zie in die zin arrest van 17 januari 2017, Netguru/EUIPO (NETGURU), T‑54/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:9, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
59 Volgens artikel 95, lid 1, van verordening 2017/1001 moeten de onderzoekers van het EUIPO en, in beroep, de kamers van beroep van het EUIPO bij het onderzoek naar absolute weigeringsgronden bovendien de relevante feiten ambtshalve onderzoeken teneinde uit te maken of het aangevraagde merk onder een van de weigeringsgronden van artikel 7 van deze verordening valt. Hieruit volgt dat de bevoegde instanties van het EUIPO hun beslissingen kunnen baseren op feiten die door de aanvrager niet zijn aangevoerd [arresten van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C‑25/05 P, EU:C:2006:422, punt 50, en 21 april 2015, Louis Vuitton Malletier/BHIM – Nanu-Nana (Weergave van een grijs ruitmotief), T‑360/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:214, punt 59], mits het recht van de aanvrager om te worden gehoord wordt geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 13 februari 2019, DENTALDISK, T‑278/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:86, punt 31). Op grond van artikel 70, lid 2, van verordening 2017/1001 kan de kamer van beroep van het EUIPO dienaangaande „zo dikwijls als nodig de partijen, binnen een door de kamer te stellen termijn, [verzoeken] te antwoorden op mededelingen […] van de kamer zelf”.
60 In casu is verzoekster bij mededeling van 13 juni 2023 (zie punt 7 hierboven) ervan op de hoogte gesteld dat het teken ook elk onderscheidend vermogen leek te missen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 en werd haar verzocht dienaangaande opmerkingen in te dienen. De kamer van beroep heeft in de bestreden beslissing naar behoren rekening gehouden met deze opmerkingen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit punt 32 ervan. Hieruit volgt dat verzoeksters recht om te worden gehoord in casu is geëerbiedigd.
61 Na een volledig en specifiek onderzoek van de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk heeft de kamer van beroep bij de bestreden beslissing verzoeksters beroep tegen de afwijzing van deze aanvraag door de onderzoeker verworpen op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001, en geoordeeld dat niet meer behoefde te worden onderzocht of de inschrijving van het aangevraagde merk ook moest worden geweigerd krachtens artikel 7, lid 1, onder f), van deze verordening.
62 Aldus heeft de kamer van beroep gebruikgemaakt van de haar bij artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 toegekende ruime beoordelingsbevoegdheid en heeft zij de bevoegdheden van de onderzoeker uitgeoefend om de inschrijvingsaanvraag opnieuw volledig ten gronde te onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk.
63 Uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening 2017/1001 blijkt dat het bestaan van een van de in deze bepaling genoemde absolute weigeringsgronden voldoende is om het betrokken teken niet als Uniemerk te kunnen inschrijven [zie arrest van 2 maart 2022, Pluscard Service/EUIPO (PLUSCARD), T‑669/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:106, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 Aangezien de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk onder de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 viel, heeft zij geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat niet meer hoefde te worden onderzocht of de inschrijving van het aangevraagde merk ook moest worden geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder f), van deze verordening.
65 Bijgevolg moet het derde middel ongegrond worden verklaard, zodat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
66 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
67 Daar het EUIPO alleen heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen indien er een terechtzitting wordt gehouden, dient elke partij bij gebreke van een terechtzitting te worden verwezen in haar eigen kosten.
HET GERECHT (Derde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Administration of the State Border Guard Service of Ukraine en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) dragen elk hun eigen kosten.
Škvařilová-Pelzl Nõmm Steinfatt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 november 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 24 september 2019, T-13/18, ECLI:EU:T:2019:673
- Gerecht EU 26 juni 2019, T-117/18, ECLI:EU:T:2019:447
- Gerecht EU 14 februari 2019, T-123/18, ECLI:EU:T:2019:95
- Gerecht EU 25 september 2014, T-474/12, ECLI:EU:T:2014:813
- Gerecht EU 13 april 2011, T-523/09, ECLI:EU:T:2011:175
- HvJ EU 10 maart 2011, C-51/10, ECLI:EU:C:2011:139
- Gerecht EU 8 februari 2011, T-157/08, ECLI:EU:T:2011:33
- Gerecht EU 15 september 2009, T-471/07, ECLI:EU:T:2009:328
- HvJ EU 26 april 2007, C-412/05, ECLI:EU:C:2007:252
- HvJ EU 22 juni 2006, C-25/05, ECLI:EU:C:2006:422
- HvJ EU 29 april 2004, C-456/01, ECLI:EU:C:2004:258
- Gerecht EU 27 februari 2002, T-34/00, ECLI:EU:T:2002:41