HvJ EU 29 april 2004, C-456/01, ECLI:EU:C:2004:258
Tekst
Gevoegde zaken C‑456/01 P en C‑457/01 P
Henkel KGaA
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 – Driedimensionale vormen van was‑ of afwasmiddeltabletten – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken zonder onderscheidend vermogen – Driedimensionale merken die uit vorm van waar bestaan – Onderscheidend vermogen – Beoordelingscriteria
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)
2. Hogere voorziening – Middelen – Toetsing door Hof van beoordeling van aan Gerecht voorgelegde gegevens – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting – Toepassing van criteria ter beoordeling van onderscheidend vermogen van gemeenschapsmerken op concrete gevallen
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
3. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Afzonderlijk onderzoek van verschillende weigeringsgronden – Uitlegging van weigeringsgronden tegen achtergrond van algemeen belang dat aan elk van die gronden ten grondslag ligt
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub b)
4. Gemeenschapsmerk – Merk dat zijn wezenlijke functie niet vervult – Ontbreken van algemeen belang om daaraan bescherming te verlenen waarin verordening nr. 40/94 voorziet
(Verordening nr. 40/94 van de Raad)
1. De criteria ter beoordeling van het onderscheidend vermogen, in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, van driedimensionale merken bestaande uit de vorm van de waar zelf, verschillen niet van de voor andere categorieën merken te hanteren criteria. Evenwel is bij de toepassing van deze criteria de perceptie van het relevante publiek in het geval van een driedimensionaal merk bestaande uit de vorm en de kleuren van de waar zelf, niet noodzakelijkerwijs dezelfde als bij een woord‑ of beeldmerk dat bestaat uit een van het uiterlijk van de erdoor aangeduide waar onafhankelijk teken. De gemiddelde consument is immers niet gewend om de herkomst van de waar bij gebreke van enig grafisch of tekstueel element af te leiden uit de vorm ervan of uit die van de verpakking, en in het geval van een dergelijk driedimensionaal merk zou het dus moeilijker kunnen zijn om het onderscheidend vermogen vast te stellen dan in het geval van een woord‑ of beeldmerk.
In deze omstandigheden wordt de kans groter dat de als merk aangevraagde vorm van een waar elk onderscheidend vermogen mist naarmate deze vorm een grotere gelijkenis vertoont met de meest waarschijnlijke vorm van de betrokken waar. Alleen een merk dat op significante wijze afwijkt van de norm of van wat in de betrokken sector gangbaar is, en derhalve zijn essentiële functie als herkomstaanduiding vervult, heeft onderscheidend vermogen in de zin van deze bepaling.
(cf. punten 38‑39)
2. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert – behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de voorgelegde elementen – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
De wijze waarop de criteria ter beoordeling van het onderscheidend vermogen van gemeenschapsmerken in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 op de onderhavige gevallen zijn toegepast, en meer in het bijzonder de vaststelling dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument met betrekking tot de vorm en de kleuren van was‑ en afwasmiddeltabletten niet hoog is, aangezien dit dagelijkse verbruiksgoederen zijn, is een dergelijke beoordeling van de feiten.
(cf. punten 41, 56)
3. De in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk vermelde weigeringsgronden zijn onafhankelijk van elkaar en vereisen een afzonderlijk onderzoek. Voorts moeten deze weigeringsgronden worden uitgelegd tegen de achtergrond van het algemeen belang dat aan elk van die gronden ten grondslag ligt, en het algemeen belang dat bij het onderzoek van elk van deze weigeringsgronden in aanmerking wordt genomen, kan – en moet zelfs – andere overwegingen weerspiegelen naar gelang van de betrokken weigeringsgrond.
(cf. punten 45‑46)
4. Er is geen algemeen belang om de volledige bescherming waarin verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk voorziet, te verlenen aan een merk dat niet zijn wezenlijke functie vervult, te weten aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van oorsprong van de betrokken waar of dienst waarborgen in dier voege dat hij deze waar of dienst zonder gevaar voor verwarring kan onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst.
(cf. punt 48)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 29 april 2004(1)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 – Driedimensionale vormen van was- of afwasmiddeltabletten – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen”
rekwirante,
verweerder in eerste aanleg,
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 november 2003,
het navolgende
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
Skouris Cunha Rodrigues Puissochet
Schintgen Macken
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 28 september 2016, T-476/15, ECLI:EU:T:2016:568
- HvJ EU 10 november 2016, C-30/15, ECLI:EU:C:2016:849
- HvJ EU 10 juli 2014, C-421/13, ECLI:EU:C:2014:2070
- HvJ EU 25 juni 2015, C-147/14, ECLI:EU:C:2015:420
- Gerecht EU 25 november 2014, T-450/09, ECLI:EU:T:2014:983
- Gerecht EU 1 september 2021, T-96/20, ECLI:EU:T:2021:527
- Gerecht EU 25 november 2020, T-862/19, ECLI:EU:T:2020:561
- Gerecht EU 13 september 2016, T-408/15, ECLI:EU:T:2016:468
- HvJ EU 8 oktober 2020, C-456/19, ECLI:EU:C:2020:813
- Gerecht EU 13 november 2024, T-82/24, ECLI:EU:T:2024:821
- Gerecht EU 24 mei 2023, T-2/21, ECLI:EU:T:2023:278
- Gerecht EU 19 december 2019, T-501/18, ECLI:EU:T:2019:879
- Gerecht EU 13 december 2018, T-102/18, ECLI:EU:T:2018:932
- Gerecht EU 21 april 2015, T-359/12, ECLI:EU:T:2015:215