Gerecht EU 22 november 2018, T-603/16, ECLI:EU:T:2018:820

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

22 november 2018 ( *1 )

„Openbare dienst – Ambtenaren op proef – Proeftijd – Verlenging van de proeftijd – Ontslag aan het einde van de proeftijd – Artikel 34 van het Statuut – Misbruik van bevoegdheid – Motiveringsplicht – Artikel 25, lid 2, van het Statuut – Recht om te worden gehoord – Artikel 90, lid 2, van het Statuut – Aansprakelijkheid – Vormvereisten – Regel van overeenstemming tussen het verzoekschrift en de klacht – Ontvankelijkheid – Materiële schade – Immateriële schade – Causaal verband”

In zaak T‑603/16,

Zoher Brahma, wonende te Thionville (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Tymen, advocaat,

verzoekende partij,

tegen

Hof van Justitie van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Inghelram en L. Tonini Alabiso, vervolgens door J. Inghelram en Á. Almendros Manzano als gemachtigden,

verwerende partij,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende in de eerste plaats tot nietigverklaring van het besluit van 17 juli 2015 waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft beslist om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen en per 31 juli 2015 over te gaan tot ontslag, alsook van het besluit van 16 maart 2016 van het klachtencomité houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen het besluit van 17 juli 2015, en in de tweede plaats tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker zou hebben geleden als gevolg van deze besluiten,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz (rapporteur) en N. Półtorak, rechters,

griffier: M. Marescaux, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 november 2017,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

III. In rechte

A. Vordering tot nietigverklaring

[omissis]

8. Eerste middel betreffende de schending van de op grond van artikel 34 van het Statuut toegestane maximumduur van de proeftijd

182 Verzoeker voert aan dat zijn proeftijd de op grond van artikel 34 van het Statuut toegestane maximumduur van vijftien maanden heeft overschreden en dat deze overschrijding de nietigverklaring van het besluit om hem niet in vaste dienst aan te stellen met zich brengt, alsmede zijn aanstelling in vaste dienst. Volgens verzoeker hebben de zeven maanden dat hij met ziekteverlof was geen invloed op de berekening van de duur van zijn proeftijd, zodat zijn proeftijd zestien en een halve maand heeft geduurd in plaats van de maximaal vijftien maanden die zijn toegestaan op grond van artikel 34 van het Statuut.

183 Bovendien is verzoeker van mening dat niet alleen het besluit om hem niet in vaste dienst aan te stellen, maar ook het eerste rapport over de proeftijd na afloop van de proeftijd is opgesteld, hetgeen in strijd is met artikel 34 van het Statuut. Aangezien het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn voornemen om verzoeker te ontslaan niet kenbaar heeft gemaakt vóór het einde van de proeftijd, meent hij aanspraak te kunnen maken op een aanstelling in vaste dienst. Daarenboven is verzoeker van mening dat zijn proeftijd in werkelijkheid heeft voortgeduurd tot 5 mei 2015, de datum waarop het tweede rapport over de proeftijd is opgesteld, zodat zijn proeftijd meer dan zeventien maanden heeft geduurd. Om die redenen is dus ook sprake van schending van artikel 34, lid 4, van het Statuut op grond waarvan de nietigverklaring van het besluit om hem niet in vaste dienst aan te stellen is gerechtvaardigd.

184 Het Hof van Justitie van de Europese Unie betwist artikel 34 van het Statuut te hebben geschonden. Het Hof is van mening dat bij de uitlegging van artikel 34, lid 1, tweede alinea, laatste zin, van het Statuut niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt. Uit de context van deze bepaling blijkt dat de proeftijd minimaal negen maanden moet bedragen. Bovendien is het doel van deze bepaling de geschiktheid en het gedrag van de ambtenaar op proef te kunnen beoordelen, zodat de instelling bij de aanwerving is verzekerd van de medewerking van ambtenaren die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen.

185 Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat het in casu om een bijzonder geval waarin de Uniewetgever bij de vaststelling van artikel 34 van het Statuut niet heeft voorzien. Door de lange ziekteperiode van zeven maanden tijdens de beginperiode van de proeftijd zou verzoeker niet kunnen profiteren van de minimumduur van de proeftijd van negen maanden indien de proeftijd met slechts zes maanden was verlengd om het totaal van vijftien maanden te behalen. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie had verzoeker, indien de proeftijd was verlengd tot 28 februari 2015 ofwel tot vijftien maanden te rekenen vanaf het begin van zijn proeftijd, slechts over een periode van acht maanden kunnen worden beoordeeld. Indien verzoekers standpunt wordt aanvaard, betekent dit dat voorbij wordt gegaan aan de doelstelling die wordt nagestreefd met de vaststelling van een minimumduur van de proeftijd, namelijk het garanderen dat, met het oog op artikel 27 van het Statuut, alleen een ambtenaar op proef die heeft aangetoond aan de hoogste eisen te voldoen, in vaste dienst kan worden aangesteld. Bovendien kan dit standpunt ertoe leiden dat in een geval als het onderhavige het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht is een ambtenaar op proef te ontslaan, omdat hij niet heeft kunnen aantonen dat hij aan deze eisen voldoet, terwijl hij dit mogelijk had gekund indien hij daadwerkelijk over een proeftijd van negen maanden had beschikt. Een dergelijk gevolg is duidelijk in strijd met de belangen van ambtenaren op proef die hun proeftijd onvrijwillig hebben moeten onderbreken vanwege een in artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut genoemde reden, en benadeelt hen ten opzichte van ambtenaren op proef die wel een proeftijd van negen maanden hebben gehad, of zelfs een proeftijd van vijftien maanden. Overigens wijst het Hof van Justitie van de Europese Unie erop dat verzoeker in de opmerkingen over het eerste rapport over de proeftijd heeft erkend dat hij belang had bij een proeftijd die langer was dan de maximumduur van vijftien maanden en dat hij het besluit tot verlenging van 1 oktober 2014 niet heeft betwist.

186 In ieder geval is het Hof van Justitie van de Europese Unie van mening dat zelfs al zou de duur van verzoekers proeftijd niet in overeenstemming zijn met artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, deze onregelmatigheid er als zodanig niet toe kan leiden dat hij in vaste dienst wordt aangesteld of dat het besluit om hem niet in vaste dienst aan te stellen wordt nietig verklaard zonder dat rekening wordt gehouden met zijn professionele kwaliteiten.

187 Wat betreft verzoekers bewering dat de proeftijd in werkelijkheid zelfs tot 5 mei 2015 heeft voortgeduurd, stelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het gedrag van verzoeker in het tweede rapport over de proeftijd is beoordeeld tot 15 april 2015, overeenkomstig het besluit om de proeftijd tot die datum te verlengen. Overigens is het Hof van mening dat een vertraging bij de opstelling van het eindrapport over de proeftijd de geldigheid van het rapport of, in voorkomend geval, van het besluit om de betrokken ambtenaar niet in vaste dienst aan te stellen, niet kan aantasten.

188 Gezien de argumenten van partijen dient in herinnering te worden gebracht dat verzoeker met zijn proeftijd is begonnen op 1 december 2013, dat hij met ziekteverlof was van 13 januari 2014 tot 17 augustus 2014 en dat zijn proeftijd bij besluit van 1 oktober 2014 is verlengd tot 15 april 2015 vanwege zijn ziekteverzuim. Verzoeker leidt uit deze feiten af dat zijn proeftijd van 1 december 2013 tot 15 april 2015 liep en dat deze dus zestien en een halve maand heeft geduurd.

189 Volgens de bewoordingen van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut mag de totale duur van de proeftijd in geen geval meer bedragen dan vijftien maanden. Op grond van een letterlijke uitlegging van deze bepaling rechtvaardigt geen enkele verhindering van de ambtenaar op proef om zijn werkzaamheden te verrichten tijdens de proeftijd, een verlenging daarvan tot meer dan vijftien maanden, te rekenen vanaf de begindatum van zijn proeftijd.

190 De context noch de met het Statuut nagestreefde doelstellingen, waarmee ook rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van een van de bepalingen ervan (zie in die zin arresten van 18 november 1999, Pharos/Commissie,C‑151/98 P, EU:C:1999:563, punt 19, en 14 juli 2016, Letland/Commissie,T‑661/14, EU:T:2016:412, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak), doen afbreuk aan deze uitlegging van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut.

191 Wat betreft de met artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut nagestreefde doelstelling heeft het Hof geoordeeld dat de vaststelling van een maximumduur van de proeftijd tot doel heeft ten eerste om de periode te beperken waarin de arbeidsverhouding wordt gekenmerkt door een bepaalde mate van onzekerheid, zowel in het belang van de instelling als van de ambtenaar op proef, en ten tweede om te bepalen over welke periode het functioneren van de ambtenaar moet worden beoordeeld door het tot aanstelling bevoegd gezag (arrest van 14 februari 2007, Fernández Ortiz/Commissie, F‑1/06, EU:F:2007:25, punt 53).

192 Deze doelstelling bevestigt de bovengenoemde uitlegging van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut. Door de maximumduur van de proeftijd, ongeacht de verhinderingen van de ambtenaar op proef, vast te stellen op vijftien maanden – te rekenen vanaf het begin ervan –, maakt het Statuut in het belang van de rechtszekerheid definitief een einde aan de precaire arbeidsverhouding tussen de ambtenaar op proef en de instelling en stelt het de maximumperiode vast waarmee het tot aanstelling bevoegd gezag rekening kan houden bij de beoordeling van het functioneren van de ambtenaar.

193 Aan bovengenoemde uitlegging van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut wordt geen afbreuk gedaan door de tweeledige doelstelling van de proeftijd, namelijk in de eerste plaats dat de instellingen tijdens de proeftijd kunnen beoordelen of de aangeworven ambtenaren uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en integriteit aan de hoogste eisen voldoen overeenkomstig artikel 27 van het Statuut (zie in die zin arrest van 6 november 2014, DH/Parlement, F‑4/14, EU:F:2014:241, punt 52), en in de tweede plaats dat de ambtenaren op proef tijdens de proeftijd hun geschiktheid kunnen aantonen voor het vervullen van de hun uit hoofde van hun functie opgedragen taken, alsmede hun prestaties en hun gedrag in de dienst (zie in die zin arresten van 5 maart 1997, Rozand-Lambiotte/Commissie, T‑96/95, EU:T:1997:25, punt 95, en 18 oktober 2007, Krcova/Hof van Justitie, F‑112/06, EU:F:2007:178, punt 48). Deze doelstellingen van beoordelen en aantonen van de geschiktheid van de ambtenaar op proef sluiten immers niet uit dat de periode voor de uitvoering in de tijd wordt beperkt. Zelfs wanneer de ambtenaar op proef tijdens de proeftijd wegens ziekte, moederschapsverlof of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kunnen de doelstellingen van beoordelen en aantonen van de geschiktheid van de ambtenaar op proef, het ontbreken van een maximumduur van de proeftijd niet rechtvaardigen, aangezien deze doelstellingen moeten voldoen aan het rechtmatige belang van de rechtszekerheid. Vanwege dit belang heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzien in een maximumduur voor de proeftijd.

194 Wat betreft de context, verzet artikel 34, lid 1, eerste alinea, van het Statuut zich niet tegen de in punt 189 van dit arrest genoemde uitlegging van de tweede alinea van diezelfde bepaling.

195 Artikel 34, lid 1, eerste alinea, van het Statuut bepaalt dat elke ambtenaar een proeftijd van negen maanden dient te volbrengen, voordat hij in vaste dienst kan worden aangesteld.

196 Hoewel het juist is dat deze bepaling voorziet in een proeftijd van in beginsel negen maanden, kan daaruit niet worden afgeleid dat, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie echter wel doet, de periode waarover de ambtenaar op proef zijn geschiktheid moet kunnen aantonen en de instelling die moet kunnen beoordelen, minimaal negen maanden moet duren.

197 Op grond van artikel 34, lid 3, van het Statuut wordt immers uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de proeftijd een beoordeling opgesteld betreffende de geschiktheid van de ambtenaar op proef. Deze beoordeling, die de basis vormt van het besluit tot aanstelling in vaste dienst of ontslag van de ambtenaar op proef, heeft bijgevolg noodzakelijkerwijs betrekking op de geschiktheid van die ambtenaar op proef over een periode van minder dan negen maanden. Het feit dat geen rekening wordt gehouden met de geschiktheid van de ambtenaar op proef over de periode na het opstellen van het rapport over de proeftijd, doet in beginsel geen afbreuk aan de geldigheid van het besluit om hem al dan niet in vaste dienst aan te stellen.

198 Op grond van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut heeft het tot aanstelling bevoegd gezag voorts de bevoegdheid om de in de eerste alinea van deze bepaling bedoelde duur van de proeftijd van negen maanden te verlengen, wanneer de ambtenaar op proef tijdens deze periode wegens ziekte, moederschapsverlof of ongeval gedurende een aaneengesloten periode van ten minste één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten. Hieruit volgt dat wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag, in de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid en om geldige redenen die de geschiktheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van de ambtenaar op proef betreffen, een dergelijke verlenging weigert ondanks de omstandigheid dat de ambtenaar op proef gedurende een aaneengesloten periode van één maand of langer was verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten, de geschiktheid van deze ambtenaar op proef moet worden aangetoond en beoordeeld over een periode van minder dan negen maanden.

199 Bovendien is het zo dat wanneer de verhindering van de ambtenaar op proef om zijn werkzaamheden te verrichten minder dan een maand duurt of geen aaneengesloten periode van ten minste één maand betreft, het tot aanstelling bevoegd gezag, eveneens op grond van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, de proeftijd van negen maanden niet kan verlengen ondanks deze verhindering. In een dergelijk geval moet de geschiktheid van deze ambtenaar op proef ook worden aangetoond en beoordeeld over een periode van minder dan negen maanden.

200 Ten slotte kan het tot aanstelling bevoegd gezag op grond van artikel 34, lid 2, van het Statuut tijdens de proeftijd op elk willekeurig moment een beoordeling opstellen in geval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef, zodat in een dergelijk geval de geschiktheid van de ambtenaar op proef wordt beoordeeld over een periode van minder dan negen maanden.

201 Hoewel een ambtenaar op proef gehouden is om een proeftijd van negen maanden te volbrengen voordat hij in vaste dienst kan worden aangesteld, is het dus niet vereist dat hij zijn werkzaamheden daadwerkelijk gedurende de gehele periode van negen maanden verricht en dat het aantonen en beoordelen van zijn geschiktheid betrekking heeft op de daadwerkelijke uitoefening van zijn werkzaamheden gedurende een periode van minimaal negen maanden. Een ambtenaar op proef heeft geen recht op de volle negen maanden om zijn geschiktheid aan te tonen (conclusie van advocaat-generaal Warner in de zaak Van de Roy/Commissie, 92/75, EU:C:1976:19, blz. 357). Hij heeft alleen het recht om te eisen dat hij in staat wordt gesteld het bewijs van zijn kunnen te leveren (zie in die zin arrest van 1 april 1992, Kupka-Floridi/ESC, T‑26/91, EU:T:1992:53, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dientengevolge verzet artikel 34, lid 1, eerste alinea, van het Statuut zich niet tegen de in punt 189 van dit arrest genoemde uitlegging van de tweede alinea van diezelfde bepaling.

202 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat verzoekers proeftijd is begonnen op 1 december 2013, zodat deze op grond van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut uiterlijk op 28 februari 2015 moest eindigen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft niet aangegeven verzoekers geschiktheid niet te kunnen beoordelen tijdens deze periode en heeft evenmin de rechtmatigheid van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut ter discussie gesteld. Aldus heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, door verzoekers proeftijd te verlengen tot 15 april 2015 omdat hij tijdens die proeftijd wegens ziekte zeven maanden afwezig was, artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut geschonden.

203 Aan dit oordeel wordt geen afbreuk gedaan door de door het Hof van Justitie van de Europese Unie aangevoerde omstandigheid dat verzoeker niet is opgekomen tegen het besluit van 1 oktober 2014 waarbij zijn proeftijd werd verlengd tot 15 april 2015 vanwege zijn afwezigheid wegens ziekte tijdens zijn oorspronkelijke proeftijd. Tegen een tussenhandeling kan immers geen beroep worden ingesteld indien vaststaat dat de onrechtmatigheid daarvan kan worden aangevoerd tot staving van een beroep tegen het definitieve besluit ter voorbereiding waarvan deze handeling is verricht [zie beschikking van 14 mei 2012, Sepracor Pharmaceuticals (Ireland)/Commissie, C‑477/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:292, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het besluit van 1 oktober 2014 vormt een handeling ter voorbereiding van het besluit om betrokkene niet in vaste dienst aan te stellen, en de schending van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut kan worden aangevoerd tot staving van een beroep tegen dit definitieve besluit dat voor verzoeker bezwarend is en waartegen hij in casu is opgekomen.

204 Overigens leidt verzoeker uit de opstelling van het tweede rapport over de proeftijd en het besluit om hem na de maximale proeftijd van vijftien maanden niet in vaste dienst aan te stellen, ten onrechte af dat zijn proeftijd automatisch is verlengd tot de datum waarop deze besluiten zijn vastgesteld. Een dergelijke uitlegging is immers in strijd met de op grond van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut toegestane maximumduur van de proeftijd. Ook al moet het rapport over de proeftijd in beginsel een maand vóór het einde van de proeftijd worden opgesteld zodat het besluit om de ambtenaar op proef in vaste dienst aan te stellen of te ontslaan zoveel mogelijk samenvalt met de einddatum van de proeftijd of de verlenging daarvan, het feit dat deze besluiten zijn vastgesteld na afloop van de proeftijd tast niet hun geldigheid aan en leidt niet tot een stilzwijgende verlenging van de proeftijd tot de dag waarop zij zijn vastgesteld. Zo is geoordeeld dat een vertraging bij de opstelling van het rapport aan het einde van de proeftijd weliswaar een onregelmatigheid vormt gelet op de vereisten van het Statuut, doch dat deze vertraging, hoe betreurenswaardig die ook is, niet de geldigheid van het rapport in het geding kan brengen, of eventueel van het besluit waarbij de instelling de ambtenaar op proef ontslaat of zijn proeftijd verlengt (arresten van 12 juli 1973, di Pillo/Commissie, 10/72 en 47/72, EU:C:1973:84, punt 5, 8 oktober 1981, Tither/Commissie, 175/80, EU:C:1981:221, punt 13, en 11 december 2014, CZ/ESMA, F‑80/13, EU:F:2014:266, punt 35). De betrokken termijn van een maand vormt geen opzeggingstermijn, maar beoogt te garanderen dat de ambtenaar op proef zijn opmerkingen kan maken voordat de instelling een besluit neemt om de betrokkene al dan niet in zijn functie te handhaven op een datum die zoveel mogelijk samenvalt met de afloop van de proeftijd (zie in die zin arrest van 11 december 2014, CZ/ESMA, F‑80/13, EU:F:2014:266, punt 35).

205 Om bovengenoemde redenen dient het eerste middel, betreffende de schending van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, te worden aanvaard.

206 Hieruit volgt dat het besluit om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen moet worden nietig verklaard. Dit besluit is immers gebaseerd op elementen die dateren van na 28 februari 2015, de datum waarop de proeftijd van verzoeker op grond van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut had moeten eindigen. Deze bepaling bevat een essentiële voorwaarde voor de aanstelling in vaste dienst, namelijk de periode waarover het functioneren van de ambtenaar op proef door de instelling moet worden beoordeeld met het oog op het al dan niet in vaste dienst aanstellen van die ambtenaar. De door het tot aanstelling bevoegd gezag in aanmerking genomen elementen die dateren van na 28 februari 2015, vormen dus noodzakelijkerwijs de feitelijke grondslag op basis waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag, gebruikmakend van zijn ruime beoordelingsmarge, het besluit heeft genomen om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen.

207 Zo blijkt uit het tweede rapport over de proeftijd waarop het besluit om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen is gebaseerd, dat zijn gedrag bij de organisatie van de terechtzitting van 18 maart 2015 in aanmerking is genomen om zijn gebrek aan onderscheidingsvermogen en gezond verstand te illustreren alsmede zijn onvermogen om zich aan te passen in situaties die afwijken van de normale gang van zaken. Ditzelfde gedrag heeft in het tweede rapport over de proeftijd gediend als voorbeeld van de negatieve invloed van zijn aanwezigheid op de arbeidsverhoudingen binnen zijn dienst. De onverklaarde afwezigheid van verzoeker bij de Engelse les van 24 maart 2015 en het aantal wijzigingen in het urenregistratiesysteem met betrekking tot verzoeker tijdens de periode van 1 januari tot 17 april 2015, zijn in het tweede rapport over de proeftijd in aanmerking genomen om zijn gebrek aan organisatietalent aan te tonen en de invloed die dit op de omgeving heeft gehad. De snelheid waarmee verzoeker transcripties van terechtzittingen maakte tussen 27 maart en 27 april 2015, zijn afwezigheid op kantoor op 17 april 2015 en de door hem bijgewoonde terechtzittingen van 10 en 17 maart 2015 zijn in aanmerking genomen in het tweede rapport over de proeftijd om de hoeveelheid door hem verrichte prestaties te beoordelen. Voorts is het gedrag van verzoeker in de dienst en in het bijzonder het gebrek aan vertrouwen van de leidinggevenden in hem in het tweede rapport over de proeftijd beoordeeld op basis van het aantal wijzigingen in het urenregistratiesysteem tussen 1 januari en 17 april 2015, de problemen van verzoeker bij de registratie van de uren op 24 maart en 14 april 2015 en de verlofaanvragen zonder voorgaande afstemming met zijn leidinggevende voor de week van 20 april 2015. Ten slotte is het tweede rapport over de proeftijd gebaseerd op het gedrag van verzoeker tijdens de voorbereiding van de terechtzitting van 18 maart 2015 om aan te geven dat hij moeite heeft met samenwerken en dat zijn houding ten opzichte van anderen ongepast is.

208 Hieruit volgt tevens dat het besluit tot afwijzing van de klacht moet worden nietig verklaard aangezien het klachtencomité heeft geoordeeld dat er geen sprake was van schending van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van het Statuut.

209 Aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag en het klachtencomité over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken bij de toetsing van de geschiktheid en de prestaties van een ambtenaar op proef aan het belang van de dienst, staat het niet aan het Gerecht om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de instelling voor wat betreft het resultaat van een proeftijd en de geschiktheid van een kandidaat voor een definitieve aanstelling in de openbare dienst van de Unie, daar zijn toezicht zich beperkt tot het nagaan of een kennelijk onjuiste beoordeling of misbruik van bevoegdheid ontbreekt (zie in die zin arresten van 25 maart 1982, Munk/Commissie, 98/81, EU:C:1982:111, punt 16, 5 april 1984, Alvarez/Parlement, 347/82, EU:C:1984:147, punt 16, en 5 maart 1997, Rozand-Lambiotte/Commissie, T‑96/95, EU:T:1997:25, punt 112).

210 Overigens is het vaste rechtspraak dat het in het kader van de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU niet aan het Gerecht staat zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit geldt ook voor de wettigheidstoetsing die het Gerecht verricht op grond van artikel 270 VWEU (zie in die zin arrest van 15 januari 2014, Stols/Raad, T‑95/12 P, EU:T:2014:3, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat het niet aan het Gerecht staat om te beoordelen of de in het besluit om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen vervatte beoordelingen die betrekking hebben op de periode van 1 december 2013 tot 28 februari 2015, voldoende zijn om het besluit om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen te rechtvaardigen.

211 Het besluit om verzoeker niet in vaste dienst aan te stellen en het besluit tot afwijzing van de klacht moeten derhalve om bovengenoemde redenen worden nietig verklaard.

212 In tegenstelling tot hetgeen verzoeker aanvoert, kan de nietigverklaring van deze besluiten er evenwel niet toe leiden dat hij in vaste dienst wordt aangesteld. De aanstelling in vaste dienst van een ambtenaar is immers slechts mogelijk met inachtneming van de in het Statuut voorziene vormvoorschriften en voorwaarden (zie in die zin arrest van 13 mei 1970, Fournier/Commissie, 18/69, EU:C:1970:37, punt 8). Geen enkele bepaling in het Statuut sanctioneert de overschrijding van die termijn met een aanstelling in vaste dienst zonder beoordeling. Een ambtenaar op proef kan derhalve niet in vaste dienst worden aangesteld, alleen doordat zijn proeftijd verstrijkt (zie in die zin arrest van 14 februari 2007, Fernández Ortiz/Commissie, F‑1/06, EU:F:2007:25, punt 53). [omissis]

HET GERECHT (Derde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het besluit van de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, van 17 juli 2015 waarbij Zoher Brahma na afloop van zijn proeftijd per 31 juli 2015 is ontslagen, wordt nietig verklaard.

2) Het besluit van het klachtencomité van 16 maart 2016 tot afwijzing van de klacht tegen het besluit van de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, van 17 juli 2015 waarbij Zoher Brahma na afloop van zijn proeftijd per 31 juli 2015 is ontslagen, wordt nietig verklaard.

3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.

4) Het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.

Frimodt Nielsen Kreuschitz Półtorak Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 november 2018. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in