Gerecht EU 17 juli 2024, T-761/21, ECLI:EU:T:2024:477
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
17 juli 2024 ( *1 )
„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten met betrekking tot de aankoop van vaccins door de Commissie in het kader van de COVID‑19‑pandemie – Gedeeltelijke weigering van toegang – Uitzondering inzake de bescherming van persoonsgegevens – Uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van een derde – Motiveringsplicht – Voorzienbaar, niet louter hypothetisch risico dat het gestelde belang wordt geschaad – Evenredigheidsbeginsel”
In zaak T‑761/21,
Fabien Courtois, wonende te Rueil-Malmaison (Frankrijk), en de andere verzoekers van wie de namen zijn vermeld in de bijlage ( 1 ), vertegenwoordigd door A. Durand en T. Saint‑Martin, advocaten,
verzoekers,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Ehrbar, G. Gattinara en A. Spina als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, C. Mac Eochaidh (rapporteur) en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,
griffier: H. Eriksson, administrateur,
gezien de stukken, en met name:
– het op 6 december 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
– het op 1 maart 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoek van de Commissie om afdoening zonder beslissing,
– de op 6 april 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde aanpassingsmemorie,
– de op 29 april 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen van de Commissie over de aanpassingsmemorie,
– de beschikking van 7 juli 2022 waarbij het Gerecht heeft besloten het onderzoek van het verzoek om afdoening zonder beslissing te voegen met de zaak ten gronde,
– de repliek en de dupliek, respectievelijk neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 oktober en 5 december 2022,
– de beschikking van 2 maart 2023 waarbij het Gerecht de Commissie bij wege van maatregel van instructie heeft gelast bepaalde documenten volledig over te leggen;
na de terechtzitting van 18 oktober 2023, tijdens welke verzoekers afstand hebben gedaan van een van hun middelen, ontleend aan onbevoegdheid van de auteur van de handeling,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoekers – Fabien Courtois en de andere natuurlijke personen waarvan de namen zijn vermeld in de bijlage – nietigverklaring van besluit C(2022) 1359 final van de Europese Commissie van 28 februari 2022, dat is vastgesteld krachtens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43), waarbij hun gedeeltelijke toegang is verleend tot bepaalde documenten met betrekking tot de aankoop van vaccins door de Commissie in het kader van de COVID‑19‑pandemie alsmede tot de Franse taalversie van dat besluit, die op 31 maart 2022 is medegedeeld.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 14 april 2020 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EU) 2020/521 tot activering van noodhulp uit hoofde van verordening (EU) 2016/369, en tot wijziging van de bepalingen ervan rekening houdend met de uitbraak van COVID-19 (PB 2020, L 117, blz. 3) vastgesteld. Bij die verordening heeft de Raad de noodhulp geactiveerd waarin is voorzien in verordening (EU) 2016/369 van de Raad van 15 maart 2016 betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie (PB 2016, L 70, blz. 1), als een van de maatregelen die de gehele Europese Unie in staat moest stellen de door de COVID‑19‑pandemie veroorzaakte crisis in een geest van solidariteit het hoofd te bieden, gelet op de beperkingen in verband met de snelle verspreiding van het virus en aangezien de omvang en het transnationale karakter van de verspreiding en de gevolgen ervan een alomvattende aanpak noodzakelijk maakten.
3 Op 17 juni 2020 heeft de Commissie mededeling COM(2020) 245 final, „Strategie van de Europese Unie voor COVID-19-vaccins”, gepubliceerd. Deze strategie diende om de ontwikkeling, de vervaardiging en de verspreiding van COVID‑19-vaccins te versnellen, en bestond uit twee pijlers. De eerste pijler behelsde de zorg voor een toereikende vaccinproductie in de Unie en dus voor een toereikende bevoorrading van de lidstaten door via het noodhulpinstrument, zoals dat bij verordening 2020/521 was geactiveerd, vervroegde-aankoopovereenkomsten te sluiten met vaccinproducenten. De tweede pijler behelsde een aanpassing van het regelgevingskader van de Unie aan de toenmalige urgentie en gebruikmaking van de op dat tijdstip door de regelgeving geboden flexibiliteit om de vaccins sneller te ontwikkelen, sneller goed te keuren en sneller ter beschikking te stellen zonder daarbij de kwaliteitsnormen, de veiligheid en de werkzaamheid van de vaccins uit het oog te verliezen.
4 Met het oog hierop heeft de Commissie gespecificeerd dat de lidstaten vanaf het begin bij de procedure zouden worden betrokken en dat alle deelnemende lidstaten vertegenwoordigd zouden zijn in een „Steering Committee” (stuurgroep) (hierna: „stuurgroep”), die de Commissie zou bijstaan bij alle aspecten van de vervroegde‑aankoopovereenkomsten voordat deze zouden worden ondertekend. De Commissie heeft tevens verklaard dat een „Joint Negotiation Team” (gezamenlijk onderhandelingsteam) (hierna: „gezamenlijk onderhandelingsteam”), bestaande uit de Commissie en een klein aantal deskundigen uit de lidstaten, verantwoordelijk zou zijn voor de onderhandelingen over de vervroegde‑aankoopovereenkomsten die namens alle deelnemende lidstaten dienden te worden gesloten. De Commissie heeft ook verklaard dat zij verantwoordelijk zou zijn voor het aanbestedingsproces namens de lidstaten en voor de gesloten vervroegde‑aankoopovereenkomsten.
5 Volgens de Commissie moest het voorgestelde kader worden gezien als een „verzekeringspolis”, waarbij een deel van het risico van de farmaceutische industrie zou worden overgeheveld naar de overheid. In ruil daarvoor zouden de lidstaten er zeker van zijn dat zij billijke, betaalbare toegang tot het vaccin zouden krijgen indien het zou worden gevonden.
6 Bij brief van 24 mei 2021 aan de voorzitter van de Commissie en per e‑mail van dezelfde datum aan het secretariaat‑generaal van de Commissie, die 15 juni 2021 is geregistreerd onder referentienummer GESTDEM 2021/3395, hebben twee advocaten „in naam en voor rekening van de eerste 86000 indieners van de petitie op het online platform ‚https://dejavu/legal/’” (hierna: „petitie”), die zij vertegenwoordigden en waartoe verzoekers behoorden, overeenkomstig verordening nr. 1049/2001 verzocht om toegang tot een bepaald aantal documenten betreffende de aankoop, door de Commissie en voor rekening van de lidstaten van de Unie, van vaccins in het kader van de COVID‑19‑pandemie (hierna: „oorspronkelijk verzoek”). De brief bevatte ook een verzoek om informatie.
7 Het oorspronkelijke verzoek had in het bijzonder betrekking op de door de Commissie ondertekende aankoopovereenkomsten met vaccinproducenten, de identiteit van de vertegenwoordigers van de Unie die hadden deelgenomen aan de onderhandelingen met deze producenten en de verklaringen inzake directe of indirecte belangen tussen deze vertegenwoordigers en de genoemde producenten, en was opgesteld met het oog op de volgende documenten: „1. Alle overeenkomsten ondertekend door de Europese Commissie met toepassing van [verordening 2020/521] en in het bijzonder de overeenkomsten met: Pfizer-Biontech; Moderna; Johnson & Johnson; Astrazeneca. Met dien verstande: (a) onder overeenkomst wordt verstaan elke intentieverklaring, eenvoudige bestelbon, memorandum of understanding, contract, overeenkomst, bijlage, eenzijdige of wederkerige toezegging; (b) elk document moet worden medegedeeld ZONDER wijziging, leesbeperking, redigering of verhulling van de daarin vervatte informatie, of gedeeltelijke of ingekorte mededeling. 2. De lijst, benoemingsbesluiten en volledige identiteit van de vertegenwoordigers van de Europese Unie bij de contractonderhandelingen (voornaam, ACHTERNAAM, professionele activiteiten of functie binnen de instelling). 3. Verklaringen van directe of indirecte belangen tussen de vertegenwoordigers van de Europese Unie bedoeld in punt 2 hierboven en de producenten, investeerders en financiers van vaccins en andere geneesmiddelen.”
8 Bij brief van 30 juli 2021 heeft de directeur-generaal van het directoraat‑generaal (DG) Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie (hierna: „DG Gezondheid”) geantwoord op het oorspronkelijke verzoek en laten weten dat zij 46 documenten had geïdentificeerd die beantwoordden aan dit verzoek, namelijk vier vervroegde‑aankoopovereenkomsten en drie aankoopovereenkomsten die door de Commissie waren gesloten met AstraZeneca, Pfizer‑BioNTech, Janssen en Moderna, 17 zogeheten „draft term sheets” (ontwerpmemoranda van overeenstemming) en 22 verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten. Zij heeft aangegeven dat gedeeltelijke toegang was verleend tot de bovengenoemde vervroegde‑aankoopovereenkomsten en aankoopovereenkomsten, waarvan gedeeltelijk bewerkte versies openbaar waren gemaakt op een van haar internetpagina’s. De passages waren onleesbaar gemaakt op grond van uitzonderingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, de bescherming van de commerciële belangen van de ondernemingen en de bescherming van het besluitvormingsproces van de instellingen bedoeld in respectievelijk artikel 4, lid 1, onder b), artikel 4, lid 2, eerste streepje, en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001. Deze passages zouden commercieel gevoelige informatie bevatten over met name de ondernemingen, hun onderaannemers en gelieerde vennootschappen, waaronder wetenschappelijke informatie over de vaccins, de prijs, het tijdschema voor de toepassing van de vaccins, de productiecapaciteit, de knowhow en de betrokkenheid van deskundigen en partners, commerciële strategieën en andere informatie van commerciële waarde. Gedeeltelijke toegang was ook verleend tot de verklaringen inzake afwezigheid van belangenconflicten, waarvan slechts één exemplaar aan verzoekers was doorgezonden, aangezien deze documenten alleen verschilden wat betreft de naam van de ondertekenaar, de handtekening en de datum van ondertekening. De informatie was onleesbaar gemaakt op grond van de uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001. De Commissie heeft daarentegen aangegeven dat de toegang tot de 17 ontwerpmemoranda van overeenstemming volledig moest worden geweigerd op grond van uitzonderingen inzake de bescherming van de commerciële belangen van de ondernemingen en de bescherming van het besluitvormingsproces van de instellingen bedoeld in artikel 4, lid 2, eerste streepje, en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, en in het geval van zes van deze ontwerpmemoranda van overeenstemming ook op grond van de uitzondering inzake de bescherming van gerechtelijke procedures bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van deze verordening.
9 Op 13 augustus 2021 hebben verzoekers op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 een confirmatief verzoek ingediend, waarin de Commissie werd verzocht haar standpunt met betrekking tot alle documenten waartoe de toegang gedeeltelijk of volledig was geweigerd (hierna: „confirmatief verzoek”) te herzien.
10 Op 24 september 2021 heeft de Commissie verzoekers medegedeeld dat zij nog steeds niet kon antwoorden op hun confirmatief verzoek. Op die dag heeft het uitblijven van een antwoord op het confirmatief verzoek overeenkomstig artikel 8, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 een stilzwijgend besluit tot afwijzing van dat verzoek (hierna: „stilzwijgend afwijzingsbesluit”) opgeleverd.
11 Op 28 februari 2022 heeft de Commissie, na overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 de betrokken farmaceutische ondernemingen (hierna: „betrokken ondernemingen”) te hebben geraadpleegd, krachtens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 besluit C(2022) 1359 vastgesteld (hierna: „uitdrukkelijk besluit”), dat op 1 maart 2022 in de Engelse taalversie ervan aan verzoekers is betekend. De Commissie heeft medegedeeld dat het uitdrukkelijke besluit omwille van de snelheid in de Engelse taalversie ervan was betekend en dat op korte termijn een Franse taalversie ervan aan verzoekers zou worden toegezonden.
12 In het uitdrukkelijke besluit heeft de Commissie opgemerkt dat het secretariaat‑generaal bij de beoordeling van het confirmatief verzoek het antwoord van DG Gezondheid op het oorspronkelijke verzoek opnieuw heeft onderzocht, dat de lijst van documenten die beantwoordt aan het verzoek om toegang tot documenten naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek was gewijzigd en dat het aantal geïdentificeerde documenten 66 bedroeg.
13 Concreet hield deze wijziging in dat alle 17 documenten die eerder door DG Gezondheid waren geïdentificeerd als ontwerpmemoranda van overeenstemming, waartoe de toegang naar aanleiding van het oorspronkelijke verzoek volledig was geweigerd (zie punt 8 hierboven), werden geschrapt en nieuwe documenten werden toegevoegd, waartoe gedeeltelijke toegang werd verleend, waaronder vervroegde‑aankoopovereenkomsten, aankoopovereenkomsten en 31 brieven die deel uitmaakten van de briefwisseling tussen de Commissie en de lidstaten. Bovendien werd ruimere gedeeltelijke toegang verleend tot de vier vervroegde‑aankoopovereenkomsten en de drie aankoopovereenkomsten waarvoor naar aanleiding van het oorspronkelijke verzoek reeds gedeeltelijke toegang was verleend.
14 Aldus is bij het uitdrukkelijke besluit gedeeltelijke toegang verleend tot de volgende vervroegde‑aankoopovereenkomsten en aankoopovereenkomsten (hierna: „betrokken overeenkomsten”): – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en AstraZeneca [referentie Ares(2020)4849918, document 1]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Sanofi-GSK [referentie Ares(2020)5034184, document 2]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Janssen Pharmaceutica [referentie Ares(2020)5806059, document 3]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Pfizer‑BioNTech [referentie Ares(2021)256798, document 4]; – de aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Pfizer‑BioNTech [referentie Ares(2021)1601544, document 5]; – de tweede aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Pfizer‑BioNTech, delen 1 en 2 [referentie Ares(2021)3404228, document 6]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en CureVac [referentie Ares(2021)256728, document 7]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Moderna [referentie Ares(2021)256592, document 8]; – de aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Moderna [referentie Ares(2021)1601566, document 9]; – bijlage I bij de aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Moderna [referentie Ares(2021)7098313, document 10]; – bijlage II bij de aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Moderna [referentie Ares(2021)5602046, document 11]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Novavax [referentie Ares(2021)6475411, document 12]; – de vervroegde-aankoopovereenkomst tussen de Commissie en Valneva [referentie Ares(2021)7403909, document 13].
15 Voorts is gedeeltelijke toegang verleend tot de volgende documenten: – het proces-verbaal van de eerste stuurgroepsbijeenkomst in het kader van de gemeenschappelijke aanpak van de Unie voor de aankoop van COVID‑19‑vaccins van 18 juni 2020 [referentie Ares(2020)6521773, document 14]; – de brief van de Oostenrijkse federale minister aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid betreffende het herziene ontwerpakkoord voor de COVID‑19‑vaccins en het in de stuurgroep benoemde lid [referentie Ares(2020)3225023, document 15]; – de brief van de Tsjechische minister van Volksgezondheid betreffende het akkoord voor de aankoop van vaccins [referentie Ares(2020)3225220, document 16]; – de brief van Ierland betreffende het akkoord en het in de stuurgroep benoemde lid voor de vervroegde overeenkomsten voor de aankoop van COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3225086, document 17]; – het antwoord van de Republiek Kroatië op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid aan de minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3247430, document 18]; – de e‑mail van de Republiek Kroatië van 15 september 2020 betreffende een vervanging [referentie Ares(2020)3247430, document 19]; – de brief van het Koninkrijk Denemarken in antwoord op de brief aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid door de minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3225169, document 20]; – de antwoordbrief van de Duitse federale minister aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid betreffende het ontwerpakkoord voor de vaccins [referentie Ares(2020)3225035, document 21]; – het antwoord van de Italiaanse Republiek op het ontwerpakkoord voor de COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3225266, document 22]; – de brief aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid van de Luxemburgse minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3225162, document 23]; – de brief van de Bulgaarse minister van Volksgezondheid aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid [referentie Ares(2020)3225058, document 24]; – de e‑mail van de Republiek Cyprus betreffende het in de stuurgroep benoemde lid [referentie Ares(2020)3247154, document 25]; – de e‑mail van de Republiek Cyprus van 1 september 2020 betreffende de kort tevoren benoemde kandidaten [referentie Ares(2020)4551254, document 26]; – de e‑mail van de Republiek Cyprus van 4 september 2020 betreffende de benoeming van een extra lid [referentie Ares(2020)3247154, document 27]; – het antwoord van de Franse Republiek op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid aan de minister van Solidariteit en Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3225074, document 28]; – de brief van de Litouwse minister van Volksgezondheid aan het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid [referentie Ares(2020)3225332, document 29]; – het antwoord van de Letse minister van Volksgezondheid op de brief betreffende de aankoop van COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3196684, document 30]; – het antwoord van de Republiek Slovenië op de brief betreffende de aankoop van COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3224440, document 31]; – het antwoord van de permanente vertegenwoordiging van de Republiek Estland betreffende het herziene ontwerpakkoord voor COVID-19 [referentie Ares(2020)3224457, document 32]; – het antwoord van de Helleense Republiek op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid aan de minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3247097, document 33]; – het antwoord van de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk Spanje op de brief van 16 juni 2020 betreffende het herziene ontwerpakkoord voor de COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3224489, document 34]; – het antwoord van de Portugese minister van Volksgezondheid op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid betreffend de instemming met ontwerpakkoord voor de aankoop van vaccins [referentie Ares(2020)3225012, document 35]; – het antwoord van de Finse minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid betreffende de COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3150427, document 36]; – de antwoordbrief van Hongarije betreffende de samenwerking op het gebied van de aankoop van COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3177860, document 37]; – het antwoord van de Republiek Malta op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid betreffende het herziene ontwerpakkoord voor de COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3225207, document 38]; – het antwoord van Roemenië op het ontwerpakkoord voor de COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3225251, document 39]; – het antwoord van de Slowaakse Republiek op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid aan de minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3247222, document 40]; – het antwoord van het Koninkrijk Zweden op de brief van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor gezondheid aan de minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3247528, document 41]; – het antwoord van het Koninkrijk der Nederlanden op de brief met het kopje „Vertaald akkoord inzake COVID‑19‑vaccins” [referentie Ares(2020)3726636, document 42]; – de brief van de Belgische minister van Volksgezondheid [referentie Ares(2020)3225236, document 43]; – de intentiebrief van de Republiek Polen met het oog op toetreding tot het initiatief‑akkoord betreffende COVID‑19‑vaccins [referentie Ares(2020)3225179, document 44]; – de verklaringen van afwezigheid van belangen, ondertekend door elk benoemd lid van het gezamenlijk onderhandelingsteam [referentie Ares(2021)4288779, documenten 45 tot en met 66, waarvan reeds een exemplaar was medegedeeld in antwoord op het oorspronkelijke verzoek].
16 De Commissie heeft in het uitdrukkelijke besluit aangegeven dat de uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu van toepassing was op alle betrokken overeenkomsten en de andere documenten die in de punten 14 en 15 hierboven zijn opgesomd en dat, wat de betrokken overeenkomsten betreft, de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van ondernemingen eveneens van toepassing was.
17 Op 31 maart 2022 is de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit aan verzoekers medegedeeld.
II. Conclusies van partijen
18 Verzoekers verzoeken het Gerecht: – het stilzwijgende afwijzingsbesluit nietig te verklaren; – het uitdrukkelijke besluit nietig te verklaren; – de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit van 31 maart 2022 nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
19 De Commissie verzoek het Gerecht: – vast te stellen dat niet meer hoeft te worden beslist over het beroep tegen het stilzwijgende afwijzingsbesluit; – het beroep, zoals aangepast, tegen het uitdrukkelijke besluit ongegrond te verklaren; – het beroep tegen de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit van 31 maart 2022 niet‑ontvankelijk te verklaren; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
A. Procesbevoegdheid van verzoekers
20 In haar opmerkingen over de aanpassingsmemorie en in haar dupliek heeft de Commissie bepaalde bedenkingen geuit met betrekking tot de procesbevoegdheid van alle verzoekers. In dit verband heeft zij betoogd dat moeilijk met zekerheid kon worden vastgesteld of alle verzoekers inderdaad behoorden tot de oorspronkelijke 86000 ondertekenaars van de petitie, in wier naam en namens wie het oorspronkelijke verzoek was ingediend.
21 Bij maatregel tot organisatie van de procesgang, betekend op 7 juli 2022, heeft het Gerecht van de verzoekers het bewijs verlangd dat ten minste één van hen behoorde tot de groep van 86000 ondertekenaars van de petitie in wier naam en voor wier rekening het oorspronkelijke verzoek was ingediend, en dat alle verzoekers wel degelijk procesbevoegd waren.
22 In antwoord op deze maatregel tot organisatie van de procesgang hebben verzoekers het overzicht van de elektronische handtekeningen van de indieners van de petitie overgelegd, waarin voor elk van hen is aangegeven op welke datum de ondertekening van de petitie is bevestigd.
23 In casu heeft ten minste één van de verzoekers, te weten Courtois, de ondertekening van de petitie op een datum die voorafging aan de indiening van het oorspronkelijke verzoek naar behoren bevestigd; deze bevestiging heeft namelijk plaatsgevonden op 24 februari 2021. Bijgevolg is Courtois procesbevoegd voor het onderhavige beroep.
24 Volgens vaste rechtspraak, die is gebaseerd op proceseconomische overwegingen, behoeft, wanneer één enkel beroep is ingesteld en een van de verzoekende partijen procesbevoegdheid heeft, niet te worden onderzocht of de andere verzoekende partijen procesbevoegd zijn (zie in die zin arrest van 23 september 2015, ClientEarth en International Chemical Secretariat/ECHA, T‑245/11, EU:T:2015:675, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Bijgevolg hoeft niet te worden nagegaan of elk van de andere verzoekers van wie de namen voorkomen op het overzicht van de handtekeningen van de indieners van de petitie, procesbevoegdheid heeft.
B. Voorwerp van het geding
26 Het stilzwijgende afwijzingsbesluit dat aanvankelijk het voorwerp vormde van het door verzoekers ingestelde beroep tot nietigverklaring, is na de neerlegging van het beroep vervangen door het uitdrukkelijke besluit. Deze vervanging heeft verzoekers ertoe gebracht hun aanvankelijke conclusies en de middelen tot staving van deze conclusies overeenkomstig artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan te passen.
27 Na de aanpassing van hun conclusies hebben verzoekers verzocht om nietigverklaring van de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit dat op 31 maart 2022 aan hen is medegedeeld.
28 De Commissie heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanpassing van verzoekers’ conclusies en middelen, maar stelt dat de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit slechts een confirmatieve vertaling is van de voor beroep vatbare handeling; die handeling is het uitdrukkelijke besluit dat op 28 februari 2022 in de Engelse taal is vastgesteld en op 1 maart 2022 is betekend.
29 Ter terechtzitting heeft de Commissie gepreciseerd dat de latere mededeling van de Franse taalversie van het uitdrukkelijke besluit, zoals vereist door artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 24, vierde alinea, VWEU en artikel 2 van verordening nr. 1 van de Raad van 6 oktober 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 1), ertoe had kunnen leiden dat de termijn om de handeling aan te vechten opnieuw begon te lopen. Verzoekers van hun kant hebben naar eigen zeggen geconcludeerd tot nietigverklaring van het uitdrukkelijke besluit in beide taalversies ervan om te voorkomen dat zij in een „procedurele hinderlaag” zouden lopen. Zij hebben benadrukt dat zij het Gerecht hebben verzocht om een beslissing ten gronde over het beroep en niet over de kwestie van de taalversie van het uitdrukkelijke besluit, en dat zij niet hadden verzocht om de termijn voor de indiening van hun aanpassingsmemorie opnieuw te doen ingaan.
30 Dienaangaande zij erop gewezen dat wanneer een stilzwijgend besluit tot weigering is ingetrokken ten gevolge van een naderhand vastgesteld uitdrukkelijk besluit, geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan op het beroep voor zover het is gericht tegen dat stilzwijgende besluit (arrest van 2 juli 2015, Typke/Commissie, T‑214/13, EU:T:2015:448, punt 36; zie in die zin ook arrest van 2 oktober 2014, Strack/Commissie, C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punten 88 en 89). Bijgevolg behoeft op het onderhavige beroep niet meer te worden beslist wat betreft de in het verzoekschrift en in de repliek genoemde vordering tot nietigverklaring van het stilzwijgende afwijzingsbesluit.
31 Bovendien hebben partijen zich niet beroepen op een verschil tussen de Franse en de Engelse taalversie van het uitdrukkelijke besluit. Het Gerecht heeft evenmin een dergelijke discrepantie vastgesteld, met uitzondering van het derde inleidende punt in elk van deze taalversies, waarin de mededeling van de Franse taalversie wordt toegelicht. Bijgevolg bestaat dus slechts één uitdrukkelijk besluit, vastgesteld in twee taalversies.
32 In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de tweede en het derde vordering van verzoekers in feite hetzelfde beogen, namelijk nietigverklaring van het uitdrukkelijke besluit (hierna: „bestreden besluit”). Deze vorderingen zullen derhalve tezamen worden behandeld.
C. Ten gronde
33 Om de door verzoekers aangevoerde middelen te behandelen heeft het Gerecht de Commissie bij beschikking van 2 maart 2023 gelast om, ten eerste, de betrokken overeenkomsten waartoe zij bij het bestreden besluit gedeeltelijk de toegang had geweigerd en, te tweede, de 17 documenten die door DG Gezondheid waren geïdentificeerd als ontwerpmemoranda van overeenstemming waartoe de toegang volledig was geweigerd in antwoord op het oorspronkelijke verzoek en die in het bestreden besluit waren geschrapt van de lijst van documenten die waren geïdentificeerd naar aanleiding van het verzoek om toegang tot documenten, volledig over te leggen. Daarbij is gepreciseerd dat deze documenten overeenkomstig artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering niet aan verzoekers zouden worden medegedeeld. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan. De overlegging van deze documenten heeft het Gerecht in staat gesteld de gegrondheid van het beroep met kennis van zaken te onderzoeken.
34 Ter ondersteuning van hun beroep, zoals aangepast, voeren verzoekers in wezen vier middelen aan, ontleend aan, ten eerste, de onvolledigheid van de lijst van documenten waarvan is vastgesteld dat zij binnen de reikwijdte van het verzoek om toegang tot documenten vallen; ten tweede, de niet‑toepasselijkheid van de twee uitzonderingen die de Commissie heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de gedeeltelijke weigering van toegang tot de gevraagde documenten; ten derde, een hoger openbaar belang dat volledige toegang tot de gevraagde documenten gebiedt, en, ten vierde, schending van het evenredigheidsbeginsel.
1. Eerste middel: onvolledigheid van de lijst van documenten waarvan is vastgesteld dat zij binnen de reikwijdte van het verzoek om toegang tot de documenten vallen
35 Het betoog van verzoekers in het kader van het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.
36 Met het eerste onderdeel verwijten verzoekers de Commissie dat zij in het bestreden besluit de 17 als ontwerpmemoranda van overeenstemming geïdentificeerde documenten die DG Gezondheid naar aanleiding van het oorspronkelijke verzoek had vermeld, heeft geschrapt van de lijst van documenten die beantwoordden aan het verzoek om toegang tot documenten.
37 Met het tweede onderdeel betogen verzoekers dat de Commissie, door alleen modeldocumenten of bewerkte versies van essentiële informatie uit de gevraagde documenten mede te delen, het beginsel van toegang van het publiek tot documenten niet heeft geëerbiedigd, de uitzonderingen op het verzoek om toegang tot documenten onjuist heeft uitgelegd en niet uit de doeken heeft gedaan hoe de toegang tot die documenten de beweerdelijk beschermde belangen zou kunnen schaden.
38 De Commissie bestrijdt dit betoog.
39 Met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel, zoals uiteengezet in de punten 8, 12 en 13 hierboven, blijkt uit het dossier dat DG Gezondheid naar aanleiding van het oorspronkelijke verzoek 46 documenten had geïdentificeerd die beantwoordden aan dat verzoek, waaronder 17 documenten die waren geïdentificeerd als ontwerpmemoranda van overeenstemming waartoe de toegang was geweigerd. Naar aanleiding van het confirmatief verzoek is de lijst van aan het oorspronkelijke verzoek beantwoordende documenten aangevuld tot 66 documenten, maar de 17 hierboven genoemde documenten zijn geschrapt, omdat de Commissie van mening was dat zij per vergissing waren opgenomen. Volgens de Commissie vielen zij niet binnen de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek, omdat zij hoofdzakelijk als voorbereidende documenten moesten worden beschouwd.
40 In casu volstaat het vast te stellen dat verzoekers toegang hebben gevraagd tot enkel de door de Commissie „ondertekende overeenkomsten” (zie punt 7 hierboven), zodat hun verzoek om toegang niet aldus kan worden opgevat dat het ook betrekking had op de voorbereidende documenten vóór de ondertekening van die overeenkomsten, die in het bestreden besluit zijn aangeduid onder het opschrift „Ontwerpmemoranda van overeenstemming”, die verwijzen naar enkel ontwerpen of voorlopige documenten voor de opstelling van later tussen de partijen overeen te komen contractuele bedingen.
41 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de verduidelijking in punt 1, onder a), van het verzoek om toegang tot documenten, volgens welke „onder overeenkomst wordt verstaan elke intentieverklaring, eenvoudige bestelbon, memorandum of understanding, contract, overeenkomst, bijlage, eenzijdige of wederkerige toezegging”. Al deze begrippen verwijzen immers naar documenten die het onderwerp zijn geweest van een juridisch bindende wilsuiting en die noodzakelijkerwijs een vaste en onherroepelijke verbintenis uitdrukken. Geen ervan kan op enige wijze worden gelijkgesteld met een voorbereidend document, zoals een louter ontwerp of voorlopig document dat bedoeld is om contractuele bedingen op te stellen die vervolgens het onderwerp zullen zijn van onderhandelingen en van een definitieve overeenkomst tussen de partijen.
42 Bijgevolg bevat de opvatting van de Commissie in het bestreden besluit van de omvang van het verzoek om toegang tot de documenten geen beoordelingsfout.
43 Voorts verloopt de procedure voor toegang tot documenten van de instellingen volgens de artikelen 7 en 8 van verordening nr. 1049/2001 in twee etappen. Bijgevolg is het antwoord op een oorspronkelijk verzoek in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 enkel een eerste standpuntbepaling die na de indiening van een confirmatief verzoek overeenkomstig artikel 7, lid 2, van deze verordening aan een nieuw onderzoek kan worden onderworpen (zie in die zin arresten van 2 oktober 2014, Strack/Commissie, C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 december 2018, Arca Capital Bohemia/Commissie, T‑440/17, EU:T:2018:898, punten 17‑19).
44 Hieruit volgt dat de Commissie in het stadium van het bestreden besluit met recht de 17 betrokken documenten kon schrappen van de lijst van documenten waarvan was vastgesteld dat zij beantwoordden aan het verzoek om toegang. Geen van deze documenten kwam immers overeen met een door de Commissie „ondertekende overeenkomst”.
45 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
46 Voor zover verzoekers met de algemene en abstracte verwijten in het tweede onderdeel van het eerste middel opkomen tegen de gedeeltelijke of volledige weigering om toegang te verlenen tot bepaalde documenten of delen van documenten, waaronder verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten en de betrokken overeenkomsten, vormen deze verwijten een overlapping met het tweede en het derde middel van het beroep. Derhalve wordt verwezen naar de punten 47 tot en met 214 hieronder.
2. Tweede middel: niet‑toepasselijkheid van de twee uitzonderingen die de Commissie heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de weigering om toegang tot de gevraagde documenten te verlenen
47 Tot staving van het tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betogen verzoekers dat de twee uitzonderingen die de Commissie heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de weigering om toegang tot de gevraagde documenten te verlenen, namelijk de uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu en de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van ondernemingen, in casu niet van toepassing waren.
a) Eerste onderdeel van het tweede middel: niet‑toepasselijkheid van de uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu [artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001]
48 In het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel, dat betrekking heeft op de gedeeltelijke weigering van toegang tot de verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten, betogen verzoekers dat de Commissie niet heeft aangetoond op welke wijze de openbaarmaking van de identiteit van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam concreet inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer of de integriteit van die leden. Dienaangaande betogen verzoekers dat de Commissie, door louter op basis van een vermoeden en zonder afweging van de betrokken belangen te handelen, de bewijslast heeft omgekeerd.
49 Verzoekers betogen dat de noodzaak van de doorzending van de gevraagde gegevens, die zijn opgenomen in de verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten waartoe gedeeltelijke toegang is verleend, voortvloeit uit de noodzaak om te controleren of de personen die over de overeenkomsten hebben onderhandeld belangenconflicten hebben, en uit het recht op en de toegenomen behoefte van de burgers aan informatie en transparantie, in het bijzonder met betrekking tot de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam die met een publiek mandaat of althans met een publieke taak waren belast.
50 De Commissie bestrijdt dit betoog.
51 De Commissie is van mening dat de door verzoekers in het confirmatief verzoek aangevoerde overwegingen niet volstaan om aan te tonen dat de doorzending van de betrokken persoonsgegevens in casu noodzakelijk was. Zij voegt daaraan toe dat verzoekers, na de openbaarmaking van de geanonimiseerde versies van de verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten, konden nagaan dat de betrokken ambtenaren voldeden aan de verplichtingen die verbonden zijn aan elke procedure die van toepassing is op overheidsopdrachten in de Unie. Zij betoogt ook dat er geen sprake is van omkering van de bewijslast, maar dat gegevens als de gevraagde niet openbaar gemaakt dienen te worden, aangezien er redenen zijn om aan te nemen dat de betrokken openbaarmaking de legitieme belangen van de betrokkenen zou kunnen schaden, zoals in casu, met name in het geval van ambtenaren die geen beslissingsbevoegdheid binnen hun instelling hebben of geen hoge positie in de hiërarchie innemen. Bovendien merkt de Commissie op dat verzoekers in het stadium van de mededeling van de punten van bezwaar nieuwe argumenten hebben aangevoerd om aan te tonen dat het noodzakelijk is om de persoonsgegevens door te zenden die zij bij de vaststelling van het bestreden besluit niet heeft kunnen onderzoeken.
52 Van belang is eraan te herinneren dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat volgens artikel 15, lid 3, VWEU een recht van toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie heeft, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld. Verordening nr. 1049/2001 heeft, ingevolge overweging 4 en artikel 1 ervan, tot doel het recht van toegang van het publiek tot documenten maximaal zijn beslag te geven (arresten van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 111, en 28 juni 2012, Commissie/Agrofert Holding, C‑477/10 P, EU:C:2012:394, punt 53; zie in die zin ook arrest van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 40).
53 Het uitgangspunt van een zo ruim mogelijk recht van toegang tot documenten is niettemin onderworpen aan bepaalde beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen. Verordening nr. 1049/2001, met name overweging 11 en artikel 4 ervan, voorziet namelijk in een uitzonderingsregeling op grond waarvan instellingen en organen documenten niet openbaar mogen maken wanneer openbaarmaking deze belangen zou ondermijnen (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 111; 28 juni 2012, Commissie/Agrofert Holding, C‑477/10 P, EU:C:2012:394, punt 53, en 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 40).
54 Aangezien de uitzonderingen van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 afwijken van het beginsel van de ruimst mogelijke toegang van het publiek tot documenten, dienen zij strikt te worden uitgelegd en toegepast (zie in die zin arresten van 21 juli 2011, Zweden/MyTravel en Commissie, C‑506/08 P, EU:C:2011:496, punt 75, en 3 juli 2014, Raad/In ’t Veld, C‑350/12 P, EU:C:2014:2039, punt 48).
55 Ingevolge artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 weigeren de instellingen van de Unie de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Unieregelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.
56 Volgens de rechtspraak volgt hieruit dat wanneer een verzoek ertoe strekt toegang te krijgen tot persoonsgegevens in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39), de bepalingen van die verordening in volle omvang van toepassing worden (zie naar analogie arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA, C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Persoonsgegevens kunnen overeenkomstig verordening nr. 1049/2001 dus enkel aan een derde worden doorgezonden wanneer deze doorzending voldoet aan de in artikel 9, lid 1, onder a) of b), van verordening 2018/1725 gestelde voorwaarden en bovendien een rechtmatige verwerking vormt die voldoet aan de in artikel 5 van die verordening gestelde voorwaarden (zie naar analogie arrest van 2 oktober 2014, Strack/Commissie, C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punt 104).
58 Dienaangaande bepaalt artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 dat persoonsgegevens uitsluitend worden doorgezonden aan ontvangers die in de Unie zijn gevestigd en geen instellingen of organen van de Unie zijn indien de ontvanger aantoont dat de doorzending van de gegevens noodzakelijk is voor een specifiek doel in het openbaar belang, en de verwerkingsverantwoordelijke, indien er reden bestaat om aan te nemen dat de legitieme belangen van de betrokkene kunnen worden geschaad de verschillende belangen die aan de orde zijn tegen elkaar afweegt en aantoont dat de doorzending van persoonsgegevens voor dit specifieke doel evenredig is.
59 Uit de bewoordingen van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 volgt dus dat de doorzending van persoonsgegevens afhankelijk wordt gesteld van de vervulling van meerdere cumulatieve voorwaarden.
60 De persoon die om toegang verzoekt, moet eerst aantonen dat de doorzending van persoonsgegevens noodzakelijk is voor een specifiek doel in het openbaar belang. Om aan deze voorwaarde te voldoen, moet worden aangetoond dat de doorzending van persoonsgegevens de geschiktste maatregel is onder de mogelijke maatregelen om het door de verzoeker nagestreefde doel te bereiken en dat de doorzending evenredig is aan dat doel, wat meebrengt dat de verzoeker uitdrukkelijke en legitieme rechtvaardigingen moet geven [zie arrest van 19 september 2018, Chambre de commerce et d’industrie métropolitaine Bretagne‑Ouest (port de Brest)/Commissie, T‑39/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:560, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Bijgevolg brengt de toepassing van de voorwaarde inzake de noodzaak van de doorzending van persoonsgegevens voor een specifiek doel in het openbaar belang de erkenning mee van een uitzondering op de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde regel dat de verzoeker niet verplicht is de redenen voor zijn verzoek om toegang te vermelden (arrest van 15 juli 2015, Dennekamp/Parlement, T‑115/13, EU:T:2015:497, punt 55).
61 Pas wanneer dat is aangetoond, staat het vervolgens aan de betrokken instelling om na te gaan of er geen reden bestaat om aan te nemen dat de betrokken doorzending de rechtmatige belangen van de betrokkene zou kunnen schaden en, zo ja, op controleerbare wijze de verschillende betrokken belangen af te wegen om te beoordelen of de gevraagde doorzending van de persoonsgegevens evenredig is (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA, C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 De onderhavige zaak moet in het licht van deze overwegingen worden geanalyseerd.
63 In het onderhavige geval was de Commissie van mening dat verzoekers geen specifieke noodzaak in het openbaar belang hadden aangetoond die de doorzending van de persoonsgegevens rechtvaardigt, met name „gezien de openbaarmaking van de anonieme versie van de verklaringen inzake afwezigheid van belangenconflicten”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat er redenen waren om aan te nemen dat openbaarmaking van de persoonsgegevens de rechtmatige belangen van de betrokkenen zou schaden, aangezien er een reëel en niet hypothetisch risico zou bestaan dat openbaarmaking inbreuk zou maken op hun persoonlijke levenssfeer en hen zou blootstellen aan ongevraagde externe contacten, gezien de gevoelige aard van het onderwerp.
64 De Commissie is daarom tot de slotsom gekomen dat de toegang tot de persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 moest worden geweigerd.
65 Om te beginnen moet dus worden nagegaan of verzoekers hebben aangetoond dat de persoonsgegevens van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam moesten worden doorgegeven.
66 In dat verband moet worden aanvaard dat in het confirmatief verzoek om toegang enkel werd verwezen naar het feit dat de „personeelsleden, ambtenaren, gemachtigde vertegenwoordigers of anderen” van de Unie die over de betrokken overeenkomsten hadden onderhandeld, „belast waren met een taak van algemeen belang” waarvan zij niet onkundig konden zijn gezien de media-aandacht voor het onderwerp, en dat transparantie een kwestie van het nastreven van het algemeen belang was, gelet op het uitzonderlijke karakter van de spoedprocedure en de sluiting van de betrokken overeenkomsten. In dat verzoek had dus duidelijker aangegeven kunnen worden dat verzoekers wilden nagaan of de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam onpartijdig waren.
67 Niettemin moet worden opgemerkt dat in het confirmatief verzoek om toegang de voorwaarden van het oorspronkelijke verzoek werden herhaald. Bovendien hebben verzoekers in het oorspronkelijke verzoek vragen aan de Commissie gesteld om te achterhalen „wie de personen waren die door de Commissie waren gemachtigd […] om met de vaccinproducenten te onderhandelen” en „wat de directe of indirecte belangenvermenging was tussen de vaccinproducenten, de investeerders of [de] financiers die met de partijen verbonden waren”.
68 Toen verzoekers vroegen om de doorzending aan hen van informatie over de identiteit van deze leden en over hun mogelijke banden met de vaccinproducenten, kon de Commissie dan ook begrijpen dat verzoekers het in punt 66 hierboven genoemde doel nastreefden, namelijk de verificatie van de onpartijdigheid van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam.
69 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoekers wel degelijk argumenten hebben aangevoerd om de noodzaak van de doorgifte van persoonsgegevens aan te tonen. Het betoog van de Commissie dat verzoekers zich voor het eerst voor het Gerecht op een dergelijk specifiek doel in het openbaar belang hebben beroepen, moet derhalve worden afgewezen.
70 Blijkens overweging 2 van verordening nr. 1049/2001 kan met openheid een grotere legitimiteit en meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid worden gegeven aan de instellingen van de Unie ten opzichte van de Unieburgers binnen een democratisch systeem (zie arrest van 22 januari 2020, PTCTherapeutics International/EMA, C‑175/18 P, EU:C:2020:23, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien kan een specifiek doel in het openbaar belang in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 volgens overweging 28 van die verordening verband houden met de transparantie van de instellingen en organen van de Unie.
71 In die context zou de transparantie van het proces dat de Commissie heeft gevolgd tijdens de onderhandelingen met de fabrikanten van COVID‑19-vaccins en de sluiting van de betrokken overeenkomsten namens de lidstaten, inderdaad een specifiek doel in het openbaar belang in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 kunnen vormen, aangezien het kan bijdragen tot het vergroten van het vertrouwen van de burgers van de Unie in de door die instelling gepropageerde vaccinatiestrategie, en bijgevolg met name tot het bestrijden van de verspreiding van onjuiste informatie over de voorwaarden voor de onderhandelingen over en de sluiting van die overeenkomsten (zie in die zin arresten van 7 september 2022, Saure/Commissie, T‑448/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:525, punt 45, en 7 september 2022, Saure/Commissie, T‑651/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:526, punt 46), met name door de burgers van de Unie in staat te stellen na te gaan of er sprake is van een belangenconflict tussen de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam en deze vaccinfabrikanten.
72 Voorts heeft het algemene karakter van de rechtvaardiging voor de doorgifte van persoonsgegevens geen rechtstreekse gevolgen voor de vraag of de doorzending noodzakelijk is om het door de verzoeker nagestreefde doel te bereiken (arrest van 15 juli 2015, Dennekamp/Parlement, T‑115/13, EU:T:2015:497, punt 61).
73 Gelet op deze elementen is het Gerecht van oordeel dat verzoekers voldoende hebben aangegeven welk specifiek doel in het openbaar algemeen belang zij nastreefden en waarom de betrokken persoonsgegevens moesten worden doorgezonden. Alleen op basis van de namen, de voornamen en de professionele activiteiten of functie binnen de instelling van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam hadden verzoekers immers kunnen nagaan of deze leden zich in een situatie van belangenconflict bevonden.
74 Wat vervolgens het risico van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen betreft, dient te worden opgemerkt dat de Commissie van mening was dat de openbaarmaking van de identiteit van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen kon vormen doordat zij aan ongevraagde externe contacten zouden worden blootgesteld, met name gezien de gevoelige aard van het behandelde onderwerp.
75 In dit verband moet worden gewezen op een tegenstrijdigheid in de argumenten die verzoekers aanvoeren om deze beoordeling in twijfel te trekken. Enerzijds betogen zij namelijk dat openbaarmaking van de identiteit van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam, gelet op hun taak van openbaar belang, geen enkel risico van ongevraagde externe contacten meebrengt. Anderzijds stellen zij dat deze leden vanwege de aard van hun functie blootstaan aan ongevraagde externe verzoeken.
76 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de Commissie zich niet heeft gebaseerd op de aard van de door de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam uitgevoerde taak voor het oordeel dat zij zouden worden blootgesteld aan ongevraagde externe contacten, maar op hun betrokkenheid bij de onderhavige zaak, namelijk het sluiten van overeenkomsten voor de productie en de aankoop van COVID‑19‑vaccins.
77 Verzoekers betwisten niet de bijzondere context waarin de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam moesten werken, namelijk een periode die werd gekenmerkt door een enorme vraag naar COVID‑19‑vaccins en, tegelijkertijd, door wantrouwen van sommige burgers van de Unie jegens de door de Commissie gepropageerde vaccinatiestrategie. In deze omstandigheden was de blootstelling van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam aan ongevraagde externe contacten na de openbaarmaking van hun identiteit niet louter hypothetisch.
78 Het door verzoekers aangevoerde feit dat zij niet verzochten om openbaarmaking van informatie betreffende de adressen van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam of informatie die binnen de werkingssfeer van artikel 10 van verordening 2018/1725 valt, doet hieraan niet af, aangezien openbaarmaking van de identiteit van een persoon de mogelijkheid opent om speurwerk naar die persoon te verrichten en aldus dergelijke informatie te vergaren.
79 Aangezien verzoekers hadden aangetoond dat de persoonsgegevens moesten worden doorgegeven en de Commissie met recht had geoordeeld dat er een risico van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen bestond, was het aan de Commissie om de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.
80 Dienaangaande blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie rekening heeft gehouden, om te beginnen, met de technische rol die de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam in de aanbestedingsprocedure hebben gespeeld en, voorts, met het feit dat verzoekers toegang tot informatie hebben gehad dankzij de gedeeltelijke openbaarmaking van het in de contractuele documenten besproken onderwerp en de openbaarmaking van de anonieme versie van de verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten en eerbiediging van de vertrouwelijkheid.
81 Hiermee heeft de Commissie echter niet uitgelegd hoe het louter technische karakter van de rol van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam voorrang moest krijgen op het doel dat verzoekers zich hadden gesteld, namelijk na te gaan of er sprake was van belangenconflicten bij deze leden.
82 Dienaangaande wordt in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk melding gemaakt van de in het onderhavige beroep aangevoerde aanvullende overwegingen die in wezen betrekking hebben op de afweging van de verschillende tegenstrijdige belangen en in het bijzonder op de eventuele positie van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam in een hiërarchie (zie punt 51 hierboven).
83 Voorts is het juist dat verzoekers op de hoogte waren van met name de inhoud van de door de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam ondertekende verklaring van afwezigheid van belangenconflicten.
84 Zonder openbaarmaking van de identiteit van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam kan evenwel het door verzoekers nagestreefde specifieke doel in het openbaar belang, namelijk de burgers van de Unie in staat stellen om zich ervan te vergewissen dat er geen belangenconflict bestaat tussen de leden van dit team en de vaccinproducenten, niet worden bereikt. Het enkele feit dat alle leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam een verklaring van afwezigheid van belangenconflicten hebben ondertekend, stelt de burgers immers niet in staat om zich er zelf van te vergewissen dat deze leden hun taak in volledige onafhankelijkheid hebben uitgevoerd.
85 Uit al het voorgaande volgt dat verzoekers, anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft overwogen, hebben aangetoond dat de toegang tot de namen en voornamen van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam noodzakelijk was om een specifiek doel in het openbaar belang te bereiken, en dat derhalve in casu is voldaan aan de eerste van de in artikel 9, lid 1, onder b), van verordening 2018/1725 gestelde voorwaarden om de doorzending van die informatie toe te staan. Bovendien heeft de Commissie onvoldoende rekening gehouden met de verschillende omstandigheden van het onderhavige geval om de in het geding zijnde belangen naar behoren af te wegen.
86 Daarentegen lijkt de openbaarmaking van de datum waarop deze verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten zijn ondertekend en van de handgeschreven ondertekeningen van de leden van het gezamenlijke team niet noodzakelijk om hun onpartijdigheid te verifiëren.
87 De argumenten van de Commissie doen hieraan niet af.
88 Ten eerste had de verzoekende partij in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 april 2022, Saure/Commissie (T‑506/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:225), anders dan in de onderhavige zaak, haar verzoek om toegang niet gemotiveerd met de noodzaak om zich ervan te vergewissen dat er geen belangenconflict bestond tussen de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam, van wie sommigen lid waren van de stuurgroep, en de vaccinproducenten. De op dit arrest gebaseerde argumenten van de Commissie moeten derhalve opzij worden geschoven.
89 Ten tweede kan de Commissie verzoekers niet met vrucht verwijten dat zij geen enkel specifiek element hebben aangevoerd dat de onafhankelijkheid van de leden van het gezamenlijke onderhandelingsteam in twijfel kan trekken.
90 De Commissie merkt inderdaad terecht op dat het Hof in het arrest van 16 juli 2015 in de zaak ClientEarth en PAN Europe/EFSA (C‑615/13 P, EU:C:2015:489), pas nadat het had vastgesteld dat de beweringen van de verzoekers werden gestaafd door feitelijk bewijsmateriaal dat wees op de banden die een aantal door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) geselecteerde deskundigen onderhield met industriële kringen – banden die ten grondslag lagen aan de beschuldigingen van partijdigheid aan het adres van die autoriteit en haar deskundigen – het besluit van de EFSA nietig heeft verklaard waarbij de toegang was geweigerd tot de namen van de deskundigen die individuele opmerkingen hadden ingediend in het kader van de voorbereiding van een ontwerprichtsnoer.
91 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, waren de verzoekende partijen echter op de hoogte gebracht van de namen van de betrokken deskundigen en hadden zij toegang gekregen tot hun belangenverklaringen (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA, C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 58). In casu waren verzoekers echter niet op de hoogte van de identiteit van de deskundigen die door de in het gezamenlijke onderhandelingsteam vertegenwoordigde lidstaten waren benoemd, zodat zij geen aanwijzingen konden leveren die hun onpartijdigheid in twijfel konden trekken.
92 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden toegewezen.
b) Tweede onderdeel van het tweede middel: niet‑toepasselijkheid van de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van ondernemingen (artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001)
93 Met het tweede onderdeel van het tweede middel, dat betrekking heeft op de betrokken overeenkomsten, betogen verzoekers dat de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van een onderneming zich niet verzet tegen de openbaarmaking van bepaalde informatie die op grond van die uitzondering onleesbaar is gemaakt, waarbij het in het bijzonder gaat om juridische en wetenschappelijke informatie bestaande uit bedingen over de eigenschappen van vaccins, bedingen over de procedures voor de kwaliteitscontrole van producten, bedingen over aansprakelijkheid en schadevergoeding en bedingen over onderaannemers.
94 Verzoekers verwijten de Commissie hiermee dat zij in het bestreden besluit – om zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de in punt 93 hierboven vermelde bedingen en inzonderheid die betreffende de schadevergoeding – een aantal argumenten ten onrechte heeft aangevoerd, namelijk de gevoelige aard van de informatie, de vrees voor nadelige gevolgen in verband met de openbaarmaking van de gegevens, de vrees voor gerechtelijke stappen, het risico dat bepaalde vaccinproducenten een concurrentievoordeel zou worden verschaft of dat de reputatie van de vaccinproducenten die de betrokken overeenkomsten met de Commissie hebben gesloten bij de consumenten en de handelspartners wordt aangetast.
95 De Commissie is van mening dat deze beweringen de motivering in het bestreden besluit niet kunnen aantasten.
96 Ingevolge artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 weigeren de instellingen de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.
97 In dit kader zij eraan herinnerd dat uit de tekst zelf van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 blijkt dat een gewone ondermijning van de betrokken belangen kan rechtvaardigen dat in voorkomend geval een van de aldaar genoemde uitzonderingen wordt toegepast, zonder dat die ondermijning een bepaalde graad van ernst moet vertonen (arrest van 22 januari 2020, PTC Therapeutics International/EMA, C‑175/18 P, EU:C:2020:23, punt 90).
98 Naast de rechtspraak waarnaar in de punten 52 tot en met 54 hierboven al is verwezen, blijkt uit de rechtspraak dat de uitzonderingsregeling van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 en met name lid 2 ervan berust op een afweging tussen in een bepaalde situatie tegengestelde belangen, namelijk enerzijds de belangen die door de openbaarmaking van de betrokken documenten worden gediend en anderzijds de belangen die daardoor worden bedreigd. De beslissing op een verzoek om toegang tot documenten hangt af van het antwoord op de vraag welk belang in het concrete geval voorrang moet krijgen (arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 42, en 23 september 2015, ClientEarth en International Chemical Secretariat/ECHA, T‑245/11, EU:T:2015:675, punt 168).
99 Wat het begrip commerciële belangen betreft, moet erop worden gewezen dat verordening nr. 1049/2001 dit begrip niet definieert, behalve voor zover in deze verordening wordt gepreciseerd dat deze belangen de intellectuele eigendom van een bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen omvatten. Bovendien zij eraan herinnerd dat een weigering om toegang te verlenen tot een document waarvan om openbaarmaking is verzocht, in beginsel niet kan worden gerechtvaardigd met het enkele argument dat het document in kwestie onder een commerciële activiteit valt. De betrokken instelling dient uit te leggen in welk opzicht de toegang tot het document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van de commerciële belangen, en aan te tonen dat het risico op een ondermijning redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch is (zie in die zin arresten van 3 juli 2014, Raad/In ’t Veld, C‑350/12 P, EU:C:2014:2039, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 februari 2018, CEE Bankwatch Network/Commissie, T‑307/16, EU:T:2018:97, punten 103‑105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 Bovendien moet worden opgemerkt dat niet elke informatie over een onderneming en haar zakenrelaties kan worden geacht te vallen onder de bescherming die overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 aan commerciële belangen moet worden verleend, omdat anders het algemene beginsel dat het publiek zo ruim mogelijk toegang moet krijgen tot documenten die bij de instellingen berusten, zou worden uitgehold (zie arrest van 9 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, T‑516/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:759, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die bescherming kan echter wel betrekking hebben op commercieel gevoelige informatie, zoals informatie over de commerciële strategieën van ondernemingen, hun verkoopcijfers, hun marktaandelen of hun commerciële relaties (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Commissie/Agrofert Holding, C‑477/10 P, EU:C:2012:394, punten 54‑56, en 9 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, T‑516/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:759, punten 82 en 83).
101 Ten slotte strekt de verplichting voor de instelling om haar besluit tot weigering van toegang tot een document te motiveren in het kader van de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 ertoe de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te kunnen nagaan of het besluit gegrond is dan wel mogelijkerwijs een gebrek vertoont op basis waarvan de rechtmatigheid ervan kan worden betwist, en de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van het besluit te toetsen. De omvang van deze verplichting is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de context waarin zij is vastgesteld (zie arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102 In het licht van deze overwegingen moet dit onderdeel worden onderzocht.
103 Voor zover verzoekers in deze context betogen dat de uitzondering inzake de bescherming van commerciële belangen niet kan worden toegepast wegens de context waarin de betrokken overeenkomsten zijn gesloten, merkt het Gerecht in verband daarmee op dat de betrokken ondernemingen, die alle particuliere farmaceutische ondernemingen zijn, commerciële activiteiten uitoefenen in het kader waarvan zij op de interne markt en op internationale markten aan mededinging bloot zijn gesteld, en dat deze context hen ertoe brengt hun belangen op deze markten te beschermen.
104 Volgens de rechtspraak kan een onderneming die in handen is van de overheid commerciële belangen hebben die op dezelfde wijze kunnen worden beschermd als die van een particuliere onderneming (zie in die zin arrest van 27 februari 2018, CEE Bankwatch Network/Commissie, T‑307/16, EU:T:2018:97, punt 108), zodat hetzelfde a fortiori geldt voor een particuliere onderneming, ook al helpt zij taken van algemeen belang uit te voeren (arrest van 5 december 2018, Falcon Technologies International/Commissie, T‑875/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:877, punt 49).
105 De enkele omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben deelgenomen aan de uitvoering van taken van algemeen belang, met name aan de ontwikkeling van COVID-19-vaccins, via voorschotten of voorschotten uit openbare middelen, is als zodanig dus niet van dien aard dat hun commerciële belangen niet in aanmerking komen voor bescherming.
106 Bovendien merkt het Gerecht op dat de betrokken overeenkomsten van groot belang zijn en waarschijnlijk gevoelige vertrouwelijke informatie bevatten over de betrokken ondernemingen en hun zakenrelaties in de zin van de in punt 100 hierboven genoemde rechtspraak.
107 Hieruit volgt dat de context waarin de betrokken overeenkomsten zijn gesloten zich niet verzet tegen toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001.
1) Gedeeltelijke weigering van toegang tot de bedingen over de eigenschappen van vaccins en de kwaliteitscontrole
108 Met hun eerste grief betwisten verzoekers in wezen dat de in het bestreden besluit verstrekte motivering juist is en toereikend om te rechtvaardigen dat de toegang tot de bedingen over de eigenschappen van vaccins en de kwaliteitscontrole op grond van de uitzondering inzake de bescherming van commerciële belangen in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 gedeeltelijk is geweigerd.
109 In dat verband wijzen verzoekers op het feit dat document 13 is weggelaten uit bijlage V met betrekking tot de eigenschappen van vaccins en dat de documenten 4 en 6 zijn weggelaten uit beding I.6.13, getiteld „Kwaliteitstests en -controles”, met betrekking tot de kwaliteitscontrole.
110 Verzoekers betogen dat de bedingen over de eigenschappen van de vaccins en de procedures voor de kwaliteitscontrole onleesbaar zijn gemaakt zonder dat een commercieel belang dit kon rechtvaardigen. Bovendien heeft de Commissie niet aangetoond hoe de openbaarmaking van de procedures voor de kwaliteitscontrole van de vaccins de industriële capaciteit van de betrokken ondernemingen zou kunnen ondermijnen. Openbaarmaking van deze bedingen zou het mogelijk maken om de noodzakelijke garanties voor de kwaliteit van de vaccins te bieden en de doelstellingen van de Unie na te streven. Volgens verzoekers kan de bescherming van de commerciële belangen of concurrentiebelangen van deze ondernemingen niet zwaarder wegen dan het recht op leven.
111 De Commissie bestrijdt dit betoog.
i) Motivering van het bestreden besluit
112 In punt 2.2.2 van het bestreden besluit, dat betrekking heeft op de risico’s in verband met de organisatie en de industriële capaciteit van de betrokken ondernemingen, heeft de Commissie aangegeven dat bepaalde onleesbaar gemaakte passages niet‑openbare elementen bevatten die rechtstreeks verband houden met de knowhow inzake de productie van het vaccin. Indien de details van het product en de door de betrokken ondernemingen ontwikkelde technologie openbaar zouden worden gemaakt, zouden deze kunnen worden gebruikt door hun concurrenten en met name door degenen die dezelfde technologie zouden gebruiken om hun eigen producten te ontwikkelen, waardoor hun industriële inspanningen teniet zouden worden gedaan, hun positie op de markt zou worden geschaad en de uitvoering van de betrokken overeenkomsten zelf in gevaar zou komen.
113 Als concrete voorbeelden van bedingen die tot deze categorie zouden behoren, heeft de Commissie verwezen naar bepaalde delen van de definitie van „product” (product) in document 7 en de definitie van „vaccin” (vaccine) of „aangepast vaccin” (adapted vaccine) in document 5. Zij heeft ook gewezen op de informatie in de bijlagen bij de betrokken overeenkomsten met betrekking tot de „voorwaarden voor de vervaardiging van vaccins” (specification of the product), waaronder bijlage IV bij document 7. Ten slotte heeft zij gewezen op de bedingen over het leveringsproces wanneer daaruit technische bijzonderheden van het productieproces zouden kunnen worden geëxtrapoleerd. In dit verband heeft zij bij wijze van voorbeeld een beding genoemd over de opslag, het vervoer en de inontvangstneming van het product in document 4 en een bijlage bij dat document met betrekking tot de leveringsvoorwaarden en de koelketen, alsmede het gehele tweede deel van document 6.
114 Bovendien heeft de Commissie erop gewezen dat bij de beoordeling van de vraag of de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van toepassing was, rekening was gehouden met verschillende factoren, waaronder de specifieke situatie van elke vaccinproducent op de markt, zijn eigen kenmerken, zijn relaties met andere marktdeelnemers, zijn markt- en ondernemingsstrategieën en het gebruik dat zijn concurrenten van de openbaar gemaakte informatie zouden kunnen maken.
115 Uit deze overwegingen volgt dat de Commissie toelichtingen heeft verstrekt – vergezeld van concrete voorbeelden, zonder de inhoud van de onleesbaar gemaakte informatie bekend te maken, omdat anders de uitzondering ter bescherming van de commerciële belangen haar wezenlijke doel zou hebben gemist – wat betreft de aard van de onleesbaar gemaakte bedingen over de knowhow van de betrokken ondernemingen en de voorwaarden voor de vervaardiging van vaccins. Deze toelichtingen betreffen de bedingen over de „eigenschappen” van de vaccins en de „kwaliteitscontrole”, voor zover deze laatste de door verzoekers genoemde voorwaarden voor de productie van vaccins omvat.
116 Ook heeft de Commissie omstandig uitgelegd hoe de openbaarmaking ervan de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen concreet en daadwerkelijk kon schaden.
117 Bovendien is de Commissie, ook al dient zij de redenen te vermelden die rechtvaardigen dat in de betrokken zaak een van de in verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzonderingen op het recht op toegang wordt toegepast, er niet toe gehouden inlichtingen te verstrekken die verder gaan dan nodig is om degene die om toegang verzoekt in staat te stellen de redenen voor haar besluit te begrijpen en het Gerecht in staat te stellen de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen (arrest van 30 januari 2008, Terezakis/Commissie, T‑380/04, niet gepubliceerd, EU:T:2008:19, punt 119).
118 Het Gerecht wijst erop dat verzoekers pas in het stadium van de aanpassingsmemorie hebben verwezen naar de bedingen over de eigenschappen van de vaccins, met name in document 13, en naar het beding „Kwaliteitstests en -controles” in de documenten 4 en 6.
119 Hieruit volgt dat de motivering in het bestreden besluit verzoekers in staat stelt de redenen te begrijpen waarom de Commissie in de betrokken overeenkomsten bedingen onleesbaar heeft gemaakt die betrekking hebben op commercieel gevoelige informatie die niet openbaar is en die verband houdt met de knowhow van de betrokken ondernemingen en de voorwaarden voor de vervaardiging van de vaccins, met inbegrip van de eigenschappen van de vaccins, en de Unierechter in staat stelt zijn toezicht op de rechtmatigheid van die weglatingen uit te oefenen in de zin van de in de punten 101 en 117 hierboven aangehaalde rechtspraak.
120 De grief dat het bestreden besluit op dit punt ontoereikend is gemotiveerd, moet dan ook worden afgewezen.
ii) Juistheid van de motivering van het bestreden besluit
121 Wat de gegrondheid betreft van de redenen die de Commissie heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de gedeeltelijke doorhaling van de betrokken informatie, moet worden nagegaan of de Commissie plausibele verklaringen heeft gegeven voor het feit dat toegang tot die informatie de bescherming van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen concreet en daadwerkelijk zou kunnen ondermijnen en voor het feit dat de gestelde ondermijning als redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch kon worden beschouwd (zie in die zin arrest van 25 november 2020, Bronckers/Commissie, T‑166/19, EU:T:2020:557, punt 58).
122 Overeenkomstig de in de punten 97 en 99 hierboven aangehaalde rechtspraak hoeft de Commissie niet aan te tonen dat er een concreet gevaar bestaat dat de bescherming van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen wordt geschaad.
123 Het volstaat dat het bestreden besluit tastbare elementen bevat waaruit kan worden afgeleid dat het risico dat de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen worden geschaad op de datum van de vaststelling ervan redelijkerwijze voorzienbaar en niet louter hypothetisch was, en melding maakt van het bestaan, op die datum, van objectieve redenen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat die ondermijning bij openbaarmaking van de door verzoekers gevraagde informatie zou plaatsvinden (zie in die zin arrest van 7 juni 2011, Toland/Parlement, T‑471/08, EU:T:2011:252, punten 78 en 79).
124 Zoals in punt 112 hierboven is aangegeven, blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie de volledige toegang tot de bedingen over de knowhow van de betrokken ondernemingen heeft geweigerd om niet te riskeren dat commercieel gevoelige elementen worden onthuld die mogelijk zouden worden gebruikt door hun concurrenten, in een periode die werd gekenmerkt door een enorme vraag naar COVID-19-vaccins en in een zeer concurrerende context.
125 Na de volledige versie van document 13 te hebben geraadpleegd constateert het Gerecht dat bijlage V daarbij het kopje „Target product profile” (target product profile) draagt en de kenmerken schetst van een vaccin dat nog in ontwikkeling is. Bovendien is het algemeen bekend dat het door deze onderneming ontwikkelde vaccin pas na de vaststelling van het bestreden besluit een vergunning voor het in de handel brengen ervan heeft verkregen. Bovendien blijkt uit het antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aan de Commissie dat de leveringen in het kader van diezelfde aankoopovereenkomst pas in het derde kwartaal van 2022 zijn begonnen, dat wil zeggen na de datum van de vaststelling van het bestreden besluit.
126 Net de Commissie wijst het Gerecht er voorts op dat beding I.6.13, getiteld „Kwaliteitstests en -controles”, die in de documenten 4, 5 en 6 onleesbaar is gemaakt, geen betrekking heeft op de wettelijke verplichtingen van de Unie inzake de kwaliteitscontrole van een geneesmiddel, maar op een contractuele verbintenis betreffende de interne organisatie van die fabrikant in verband met de productievoorwaarden van het vaccin. In elk geval blijkt uit beding I.6.5 van deze documenten, waartoe de Commissie toegang heeft verleend, dat de betrokken onderneming alle voorwaarden van de vergunningen voor het in de handel brengen van haar producten moet naleven.
127 Hieruit volgt dat de Commissie in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat de volledige openbaarmaking van de bedingen over de knowhow van de betrokken ondernemingen de concurrenten van deze ondernemingen commercieel gevoelige informatie over hun producten en technologieën kan verschaffen (zie in die zin arrest van 12 oktober 2022, Saure/Commissie, T‑524/21, EU:T:2022:632, punten 99‑102).
128 Hieruit volgt dat de uitleg van de Commissie in het bestreden besluit over het bestaan van een redelijkerwijs voorzienbaar en niet‑hypothetisch gevaar voor ondermijning van de bescherming van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen door de openbaarmaking van de bedingen over de knowhow van de betrokken ondernemingen, en met name van bijlage V bij document 13 en van beding I.6.13 van de documenten 4, 5 en 6, gegrond is.
129 Gelet op het voorgaande moet de eerste grief van het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
2) Gedeeltelijke weigering van toegang tot de bedingen over schadeloosstelling
130 Met een tweede grief betwisten verzoekers in wezen dat de gedeeltelijke weigering van toegang tot de bedingen over aansprakelijkheid en schadeloosstelling op grond van de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 correct en toereikend was gemotiveerd.
131 Ten eerste betwisten verzoekers de in het bestreden besluit aangevoerde overwegingen dat een volledige openbaarmaking van de bedingen over aansprakelijkheid en schadeloosstelling zou kunnen leiden tot een groot aantal abusieve, ongerechtvaardigde rechtsvorderingen. Volgens verzoekers zijn deze overwegingen hypothetisch en speculatief, zoals blijkt uit het gebruik van de voorwaardelijke wijs in het bestreden besluit.
132 Ten tweede betogen verzoekers dat de hypothese dat de volledige openbaarmaking van de betrokken bedingen de concurrenten van de betrokken onderneming inzage in de „zwakke punten” van de dekking van haar aansprakelijkheid en een concurrentievoordeel zou verschaffen, niet is bewezen en niet zwaarder kan wegen dan het recht op leven en de vergoeding van schade veroorzaakt door mogelijk gebrekkige vaccins.
133 Ten derde betwisten verzoekers dat de volledige openbaarmaking van de betrokken bedingen gevolgen zou hebben voor de algemene reputatie van de betrokken ondernemingen. De door de Commissie aangevoerde elementen zijn hypothetisch. Volgens verzoekers wordt de reputatie van de betrokken ondernemingen aangetast door de „verdenking van de onvergoedbaarheid” van de schade als gevolg van gebrekkige producten en het feit dat deze bedingen niet openbaar worden gemaakt. Bovendien betreffen de gevraagde documenten veeleer juridische en wetenschappelijke elementen dan informatie van commercieel belang.
134 De Commissie bestrijdt deze argumentatie.
135 De Commissie stelt dat de betrokken bedingen van even groot economisch en financieel belang zijn als elk ander kostenelement voor de betrokken onderneming en voorwerp zijn geweest van individuele onderhandelingen.
136 Ten eerste is de Commissie van mening dat het aantal beroepen tot schadevergoeding tegen de betrokken onderneming door de volledige openbaarmaking van de betrokken bedingen zou toenemen, aangezien deze openbaarmaking het instellen van schadevorderingen zou kunnen aanmoedigen en de eiser dan meer argumenten zou hebben om aan te tonen dat het vaccin gebrekkig was. Zij benadrukt dat, anders dan verzoekers betogen, het beschermde commerciële belang er niet in bestaat de betrokken ondernemingen van aansprakelijkheid te vrijwaren.
137 Ten tweede betoogt de Commissie dat in het bestreden besluit rechtens genoegzaam wordt uiteengezet waarom een volledige openbaarmaking van de betrokken bedingen negatieve commerciële gevolgen zou hebben voor de betrokken ondernemingen, in het bijzonder door concurrenten een concurrentievoordeel te verschaffen en de omvang te onthullen van het financiële risico dat zij in het kader van de betrokken overeenkomsten hebben aanvaard.
138 Ten derde betwist de Commissie verzoekers’ betoog dat de juridische of wetenschappelijke elementen niet van commercieel belang zijn. In dat verband benadrukt zij dat de voorwaarden van de in de betrokken overeenkomsten opgenomen financiële verplichtingen of de wetenschappelijke gegevens commercieel gevoelige informatie kunnen zijn.
i) Motivering van het bestreden besluit
139 De Commissie heeft in punt 2.2.1 van het bestreden besluit aangegeven dat de informatie die op grond van de in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen onleesbaar was gemaakt, commercieel gevoelige informatie over met name aansprakelijkheid en schadeloosstelling betrof. Zij heeft opgemerkt dat indien deze informatie volledig zou worden bekendgemaakt, de concurrenten van de betrokken onderneming zouden weten welk voordeel de onderneming precies uit de onderhandelingen heeft gehaald.
140 Daarna is de Commissie in punt 2.2.4 allereerst ingegaan op de niet‑contractuele aansprakelijkheid jegens derden van de betrokken ondernemingen, met name wegens ongewenste effecten van het vaccin, en op de bedingen over de eventuele schadeloosstelling, te weten de terugbetaling, door de lidstaten, van de betrokken ondernemingen voor het geval dat deze ondernemingen op grond van hun niet-contractuele aansprakelijkheid zouden worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan derden. Vervolgens is zij ingegaan op verschillende aspecten van de contractuele aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen.
141 Zo heeft de Commissie gepreciseerd dat volledige openbaarmaking van de betrokken bedingen de commerciële belangen van die ondernemingen in drie opzichten kon schaden.
142 Ten eerste zou een nauwkeurige kennis van de grenzen van de aansprakelijkheid van de betrokken onderneming strategisch gedrag jegens haar mogelijk maken, aangezien zij geconfronteerd zou kunnen worden met de economische gevolgen van talrijke abusieve en ongerechtvaardigde rechtsvorderingen die uitsluitend tot doel hebben schadevergoeding voor het gebruik van haar vaccin te ontvangen. Ten tweede zou een volledige openbaarmaking van de bedingen over schadeloosstelling van de betrokken ondernemingen door de lidstaten, en in het bijzonder van de bedingen tot vaststelling van de precieze voorwaarden waaronder die schadeloosstelling is uitgesloten, de concurrenten van de betrokken onderneming – inclusief de concurrenten die geen vaccins produceren – onvermijdelijk inzicht geven in de „zwakke punten” van de dekking van haar aansprakelijkheid en hun een concurrentievoordeel geven dat zij zouden kunnen uitbuiten. Ten derde zou nauwkeurige kennis van de grenzen van de aansprakelijkheid van de betrokken onderneming ook gevolgen hebben voor haar algemene reputatie bij de consumenten en haar potentiële handelspartners. Volgens de Commissie verklaren deze redenen waarom bepaalde passages over de afwijking van het beding inzake de schadeloosstelling – te weten de voorwaarden waaronder een bepaalde onderneming niet zal worden vergoed – niet openbaar kunnen worden gemaakt. Zij heeft in dit verband bij wijze van voorbeeld verwezen naar de onleesbaar gemaakte passages in beding I.12 van document 4.
143 Vervolgens heeft de Commissie erop gewezen dat sommige bedingen over de contractuele aansprakelijkheid een commerciële dimensie hadden die door de betrokken onderneming was beoordeeld en waarover zij had onderhandeld, waarvan de openbaarmaking haar concurrenten informatie zou opleveren over haar interne capaciteit en strategie, vooral omdat deze informatie het mogelijk zou maken precies te weten hoeveel de beëindiging van een overeenkomst de onderneming zou kosten. De Commissie heeft dit geïllustreerd met een aantal specifieke bedingen.
144 De Commissie heeft verduidelijkt dat de onleesbaar gemaakte informatie commercieel gevoelig was. Ten eerste zou na een openbaarmaking van deze informatie precies kunnen worden bepaald welke kosten niet-nakoming van de overeenkomst zou kunnen meebrengen voor de betrokken ondernemingen. Ten tweede zou de openbaarmaking van die informatie nadelig kunnen zijn voor de betrokken ondernemingen, aangezien hun concurrenten daardoor een zeer realistisch beeld zouden krijgen van de daadwerkelijk met de betrokken overeenkomst behaalde winst, terwijl diezelfde ondernemingen ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit met kopers uit derde landen onderhandelden over overeenkomsten voor de levering van COVID-19-vaccins, waarbij de concurrentie er een op wereldschaal was. De Commissie heeft er ook op gewezen dat dit potentiële conflict met de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen des te schadelijker was daar bepaalde overeenkomsten op het punt stonden te worden uitgevoerd, zoals ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit met name het geval was voor de documenten 5 en 6.
145 Tot slot heeft de Commissie benadrukt dat in deze context bij de beoordeling van de gevolgen van openbaarmaking van de betrokken bedingen krachtens verordening nr. 1049/2001 rekening moest worden gehouden met de wereldmarkt waarop de betrokken ondernemingen actief waren. Zij heeft erop gewezen dat bij de beoordeling van de vraag of de uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van toepassing was, rekening was gehouden met verschillende factoren, waaronder de specifieke situatie van elke vaccinproducent op de markt, zijn kenmerken, zijn relaties met andere marktdeelnemers, zijn markt- en ondernemingsstrategieën en het gebruik dat zijn concurrenten van de openbaar gemaakte informatie zouden kunnen maken. Zij is tot de slotsom gekomen dat een volledige openbaarmaking van de met de betrokken ondernemingen gesloten overeenkomsten hun commerciële belangen zou schaden, voornamelijk doordat hun concurrentievermogen op de wereldmarkten in gevaar zou komen.
146 Uit een en ander volgt dat de Commissie uitleg heeft gegeven over het commercieel gevoelige karakter van de in de bedingen over aansprakelijkheid en schadevergoeding vervatte informatie. Ook heeft zij rechtens genoegzaam uiteengezet hoe de volledige openbaarmaking van deze bedingen volgens haar de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen concreet en daadwerkelijk zou kunnen schaden, zowel tussen de ondernemingen onderling als tussen deze ondernemingen en derde concurrenten.
147 Hieruit volgt dat de motivering van het bestreden besluit verzoekers in staat stelt de specifieke redenen te begrijpen waarom de Commissie in de betrokken overeenkomsten de bedingen over de contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen gedeeltelijk onleesbaar heeft gemaakt, alsook de bedingen over de eventuele vergoeding door de lidstaten van eventuele verplichtingen van de betrokken ondernemingen in geval van niet-contractuele aansprakelijkheid, en de Unierechter in staat stelt de rechtmatigheid van die onleesbaar gemaakte passages te toetsen in de zin van de in de punten 101 en 117 hierboven aangehaalde rechtspraak.
148 Bijgevolg moet de grief dat het bestreden besluit dienaangaande ontoereikend is gemotiveerd, worden afgewezen.
ii) Juistheid van de motivering van het bestreden besluit
149 Wat de gegrondheid betreft van de redenen die de Commissie heeft om de gedeeltelijke doorhaling van de bedingen over aansprakelijkheid en schadevergoeding te rechtvaardigen, moet worden nagegaan of de Commissie, overeenkomstig de in de punten 97, 99, 121 en 123 hierboven aangehaalde rechtspraak, plausibele verklaringen heeft gegeven voor de vaststelling dat toegang tot die informatie de bescherming van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen concreet en daadwerkelijk zou kunnen ondermijnen en voor de vaststelling dat de gestelde ondermijning als redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch kon worden beschouwd.
– Bedingen over contractuele aansprakelijkheid
150 Zoals in de punten 143 tot en met 145 hierboven is aangegeven, blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie in casu de volledige toegang heeft geweigerd tot de bedingen over de contractuele aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen om het risico te vermijden dat beweerdelijk commercieel gevoelige informatie zou worden onthuld over de vastgestelde risico’s van de uitvoering van de betrokken overeenkomsten en over de financiële drempels die deze ondernemingen bij die risico’s hadden aanvaard, in een periode waarin er een enorme vraag naar COVID-19-vaccins bestond en waarin onderhandelingen met kopers uit derde landen gaande of op zijn minst te verwachten waren.
151 Na de volledige versies van de betrokken overeenkomsten te hebben geraadpleegd stelt het Gerecht vast dat de bedingen over de aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen in geval van schending, opzegging of opschorting van die overeenkomsten – met name wegens te late of ontbrekende leveringen – onderling verschillen. Bovendien betwisten verzoekers noch de context van de enorme vraag naar COVID-19-vaccins noch de omstandigheid dat onderhandelingen met kopers uit derde landen gaande of op zijn minst te verwachten waren.
152 Bijgevolg heeft de Commissie in het bestreden besluit met recht geoordeeld dat de volledige openbaarmaking van die bedingen de concurrenten van de betrokken ondernemingen en derde afnemers commercieel gevoelige informatie zou kunnen verschaffen over kostenelementen, over de interne capaciteiten en strategieën van die ondernemingen en over de door hun aanvaarde financiële drempels (zie in die zin arrest van 12 oktober 2022, Saure/Commissie, T‑524/21, EU:T:2022:632, punten 99‑102).
153 Uit het voorgaande volgt dat de uitleg van de Commissie in het bestreden besluit over het bestaan van een redelijkerwijs voorzienbaar en niet-hypothetisch risico dat de bescherming van de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen zou worden aangetast indien de bedingen over hun contractuele aansprakelijkheid volledig openbaar zouden worden gemaakt, juist is.
– Bedingen over schadeloosstelling
154 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens de artikelen 1 en 12 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bedingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29), de producent aansprakelijk is voor de schade die veroorzaakt wordt door een gebrek in zijn product, en die aansprakelijkheid niet bij overeenkomst ten aanzien van de gelaedeerde kan worden uitgesloten of beperkt. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, mochten de Commissie en de lidstaten dus, zolang richtlijn 85/374 niet was gewijzigd, niet afwijken van de bepalingen van deze richtlijn.
155 Voorts verbiedt niets in richtlijn 85/374 een derde, in casu een lidstaat, om de schadevergoeding terug te betalen die een producent heeft betaald wegens een gebrek in zijn product.
156 Bovendien merkt het Gerecht op dat artikel 6, derde alinea, van de overeenkomst van 16 juni 2020 inzake de aankoop van COVID‑19‑vaccins tussen de Commissie en de lidstaten op 7 september 2020 is gepubliceerd op de website van de Commissie en volledig openbaar is gemaakt als bijlage bij de betrokken overeenkomsten, met uitzondering van document 1. Dat beding voorziet in een mechanisme waarbij de lidstaten de betrokken ondernemingen vergoeden voor de economische kosten – te weten de eventuele schadevergoedingen – waarmee ondernemingen normaal gezien kunnen worden geconfronteerd uit hoofde van hun aansprakelijkheid voor hun vaccins. Evenzo staat in mededeling COM(2020) 245 final van de Commissie van 17 juni 2020, genoemd in punt 3 hierboven, te lezen dat dit mechanisme moest worden opgevat als een „verzekeringspolis”, waarbij een deel van het economisch risico dat bij de farmaceutische industrie lag, werd overgeheveld naar de overheid; in ruil daarvoor waren de lidstaten er zeker van dat zij billijke en betaalbare toegang tot een vaccin zouden krijgen zodra het zou worden gevonden.
157 Uit het voorgaande blijkt ten eerste dat het mechanisme voor schadeloosstelling van de betrokken ondernemingen door de lidstaten geen enkele invloed heeft op de aansprakelijkheidsregeling van die ondernemingen uit hoofde van richtlijn 85/374, en ten tweede dat deze informatie reeds tot het publieke domein behoorde toen het oorspronkelijke verzoek om toegang werd ingediend en het bestreden besluit werd vastgesteld.
158 Na de volledige versies van de betrokken overeenkomsten te hebben geraadpleegd constateert het Gerecht dat de vervroegde‑aankoopovereenkomsten en de aankoopovereenkomsten weliswaar alle een beding over schadeloosstelling bevatten – zoals was voorzien in artikel 6 van de tussen de Commissie en de lidstaten op 16 juni 2020 gesloten overeenkomst betreffende de aankoop van COVID‑19‑vaccins – maar dat de details van die bedingen niet identiek zijn. In dit verband merkt het Gerecht op dat er verschillen bestaan met betrekking tot, ten eerste, de exacte situaties waarvoor was overeengekomen dat de schadeloosstelling door de lidstaat niet zou worden toegepast, ook al komen de meeste van deze situaties in de betrokken overeenkomsten in grote lijnen overeen; ten tweede, de temporele of materiële werkingssfeer van de eventuele compensatie, en, ten derde, de manier waarop de verdediging tegen eventuele schadevorderingen en de tenuitvoerlegging van een eventuele compensatie zouden worden georganiseerd.
159 Na deze preciseringen moet nog worden onderzocht of de Commissie terecht heeft geweigerd ruimere of zelfs volledige toegang tot de bedingen over schadeloosstelling te geven.
160 In dit verband kan niet worden ingestemd met de eerste in het bestreden besluit aangevoerde grond, namelijk dat een nauwkeurige kennis van de grenzen van de aansprakelijkheid van de betrokken onderneming strategisch gedrag jegens haar mogelijk zou maken doordat zij de economische gevolgen zou kunnen ondervinden van talrijke abusieve en ongerechtvaardigde rechtszaken die enkel zouden worden ingesteld om een schadevergoeding wegens het gebruik van haar vaccin te verkrijgen.
161 Schadevorderingen brengen voor een vennootschap inderdaad ongetwijfeld hoge kosten mee, of het nu gaat om economische middelen, tijd of personeel, zelfs wanneer dergelijke vorderingen uiteindelijk ongegrond worden verklaard, maar het recht van derden die mogelijk schade lijden door een gebrekkig vaccin om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de betrokken ondernemingen berust op de nationale wettelijke regeling ter omzetting van richtlijn 85/374. Dat recht van beroep staat los van het bestaan en de inhoud van de schadeloosstellingsbedingen.
162 Bovendien kan het belang dat de betrokken ondernemingen erbij hebben om dergelijke vorderingen te vermijden – gesteld dat zij daadwerkelijk een vaccin met gebreken zouden hebben geproduceerd en in omloop gebracht – niet worden gekwalificeerd als een commercieel belang, en is dat hoe dan ook geen belang dat bescherming verdient, met name gelet op het recht van eenieder op vergoeding van de schade die hij heeft geleden door een product met gebreken (zie naar analogie arrest van 15 december 2011, CDC Hydrogene Peroxide/Commissie, T‑437/08, EU:T:2011:752, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het belang dat de betrokken ondernemingen erbij hebben om te voorkomen dat zij worden geconfronteerd met hogere kosten die uit een gerechtelijke procedure voortvloeien, is evenmin een belang dat wordt beschermd door artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 (zie in die zin arrest van 28 juni 2019, Intercept Pharma en Intercept Pharmaceuticals/EMA, T‑377/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:456, punten 55 en 56).
163 Bovendien bevat het bestreden besluit geen enkel element waaruit kan worden afgeleid dat een ruimere openbaarmaking van de regeling tot vergoeding van de betrokken ondernemingen aan de basis zou kunnen liggen van vorderingen die tegen deze ondernemingen worden ingesteld. Het doel van dergelijke vorderingen is immers altijd om de producent van het vaccin te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade, ongeacht de identiteit van de entiteit die de betaalde schadevergoeding uiteindelijk draagt.
164 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat uit de eerste reden die in het bestreden besluit is aangevoerd om de ruimere openbaarmaking van het schadeloosstellingsbeding te weigeren, niet blijkt dat er sprake is van een voorzienbaar en niet louter hypothetisch risico voor de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen, zoals de in punt 99 hierboven aangehaalde rechtspraak nochtans vereist.
165 De tweede reden die in het bestreden besluit wordt gegeven om de volledige openbaarmaking van de bedingen over schadeloosstelling te weigeren, en in het bijzonder van de bedingen met de precieze voorwaarden waaronder een vergoeding door de lidstaat is uitgesloten, is dat een dergelijke openbaarmaking de concurrenten van de betrokken onderneming – inclusief de concurrenten die geen vaccins produceren – onvermijdelijk inzicht zou geven in de „zwakke punten” van de dekking van haar aansprakelijkheid en hun een concurrentievoordeel zou opleveren dat zij bijvoorbeeld zouden kunnen gebruiken in reclameadvertenties en vergelijkende reclame.
166 In dit verband zij eraan herinnerd dat de reden waarom de bedingen over schadeloosstelling in de betrokken overeenkomsten zijn opgenomen – namelijk het compenseren van de risico’s die de betrokken ondernemingen lopen door de kortere ontwikkelingstijd van de vaccins – reeds vóór de vaststelling van het bestreden besluit tot het publieke domein behoorde.
167 Bovendien bevatten alle betrokken overeenkomsten een schadeloosstellingsbeding, waarin trouwens in grote lijnen de belangrijkste specifieke situaties worden opgesomd waarin schadeloosstelling van de betrokken onderneming door de lidstaat uitgesloten is.
168 Aangezien alle betrokken ondernemingen om een welbepaalde en legitieme reden aanspraak konden maken op een schadeloosstellingsbeding, wijst niets in het bestreden besluit erop dat het risico dat de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen zouden worden geschaad – met name doordat zij een concurrentievoordeel jegens elkaar zouden verkrijgen – in geval van een ruimere openbaarmaking van dat beding op het tijdstip van de vaststelling ervan redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch was.
169 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat uit de tweede reden die in het bestreden besluit is aangevoerd om de ruimere openbaarmaking van het schadeloosstellingsbeding te weigeren, niet blijkt dat er sprake was van een voorzienbaar en niet louter hypothetisch risico voor de commerciële belangen van de betrokken ondernemingen, zoals de in punt 99 hierboven aangehaalde rechtspraak nochtans vereist.
170 Wat de derde reden betreft die in het bestreden besluit is aangevoerd om de volledige openbaarmaking van het schadeloosstellingsbeding – en met name van de voorwaarden waaronder schadevergoeding door de lidstaat uitgesloten was – te weigeren, namelijk dat een nauwkeurige kennis van de grenzen van de aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen negatieve gevolgen zou hebben voor hun reputatie bij de consument en bij hun eventuele handelspartners, moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoekers stellen, een aantasting van de reputatie van een onderneming duidelijk afbreuk doet aan haar commerciële belangen, aangezien de reputatie van elke marktdeelnemer essentieel is voor de verwezenlijking van zijn economische activiteiten op de markt (zie in die zin arrest van 5 december 2018, Falcon Technologies International/Commissie, T‑875/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:877, punten 51 en 53).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 17 november 2022, C-54/21, ECLI:EU:C:2022:888
- Gerecht EU 12 oktober 2022, T-524/21, ECLI:EU:T:2022:632
- Gerecht EU 25 november 2020, T-166/19, ECLI:EU:T:2020:557
- Gerecht EU 6 februari 2020, T-485/18, ECLI:EU:T:2020:35
- HvJ EU 22 januari 2020, C-175/18, ECLI:EU:C:2020:23
- Gerecht EU 11 december 2018, T-440/17, ECLI:EU:T:2018:898
- Gerecht EU 27 februari 2018, T-307/16, ECLI:EU:T:2018:97
- Gerecht EU 5 februari 2018, T-718/15, ECLI:EU:T:2018:66
- Gerecht EU 23 september 2015, T-245/11, ECLI:EU:T:2015:675
- HvJ EU 16 juli 2015, C-612/13, ECLI:EU:C:2015:486
- HvJ EU 16 juli 2015, C-615/13, ECLI:EU:C:2015:489
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-115/13, ECLI:EU:T:2015:497
- Gerecht EU 7 juli 2015, T-677/13, ECLI:EU:T:2015:473
- Gerecht EU 2 juli 2015, T-214/13, ECLI:EU:T:2015:448
- HvJ EU 2 oktober 2014, C-127/13, ECLI:EU:C:2014:2250
- Gerecht EU 25 september 2014, T-306/12, ECLI:EU:T:2014:816
- HvJ EU 27 februari 2014, C-365/12, ECLI:EU:C:2014:112
- HvJ EU 14 november 2013, C-514/11, ECLI:EU:C:2013:738
- HvJ EU 28 juni 2012, C-404/10, ECLI:EU:C:2012:393
- HvJ EU 28 juni 2012, C-477/10, ECLI:EU:C:2012:394