Gerecht EU 12 oktober 2022, T-524/21, ECLI:EU:T:2022:632
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
12 oktober 2022 ( *1 )
„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Correspondentie van de Commissie met AstraZeneca en de Duitse autoriteiten met betrekking tot de hoeveelheden van en levertijden voor COVID-19-vaccins – Uitzondering inzake de bescherming van gerechtelijke procedures – Documenten die zijn overgelegd in het kader van een gerechtelijke procedure die was beëindigd toen het besluit tot weigering van toegang werd vastgesteld – Uitzondering betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu – Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde”
In zaak T‑524/21,
Hans-Wilhelm Saure, woonachtig te Berlijn (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Partsch, advocaat,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, K. Herrmann en A. Spina als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, C. Mac Eochaidh en J. Laitenberger, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 12 juli 2022,
het navolgende
Arrest ( 1 )
1 Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert Hans-Wilhelm Saure, verzoeker, nietigverklaring van ten eerste besluit C(2021) 5327 final van de Commissie van 13 juli 2021 tot afwijzing van het confirmatieve verzoek om toegang tot bepaalde documenten (hierna: „eerste bestreden besluit”) en ten tweede besluit C(2022) 870 final van de Commissie van 7 februari 2022 houdende weigering van de toegang tot bepaalde documenten (hierna: „tweede bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeker is een journalist die in dienst is van het Duitse dagblad Bild.
3 Per brief van 29 januari 2021 heeft hij de Europese Commissie overeenkomstig verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) verzocht om afschriften van al haar correspondentie vanaf 1 april 2020 met AstraZeneca plc of dochterondernemingen daarvan en met de federale kanselarij van de Bondsrepubliek Duitsland of het federale ministerie van Volksgezondheid van die lidstaat over voornoemde onderneming en de dochterondernemingen daarvan, met name wat betreft de hoeveelheden van en de levertermijnen voor de door die onderneming aangeboden vaccins tegen COVID-19. Dit verzoek is op 1 februari 2021 geregistreerd onder referentienummer GESTDEM 2021/0550.
4 Omdat verzoeker binnen de in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 vastgestelde en overeenkomstig lid 3 van datzelfde artikel verlengde termijn geen antwoord had ontvangen van de Commissie, heeft hij op 16 maart 2021 een confirmatief verzoek tot haar gericht.
5 De diensten van de Commissie hebben de ontvangst van dat confirmatieve verzoek op dezelfde dag bevestigd. Op 9 april 2021, dus nadat de termijn voor de behandeling van dat verzoek was verstreken, hebben die diensten verzoeker meegedeeld dat zijn verzoek nog werd onderzocht en dat de termijn werd verlengd tot 30 april 2021, dat wil zeggen bij het verstrijken van de extra vijftien werkdagen zoals bepaald in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1049/2001.
6 Op 23 april 2021 heeft de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, bij de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) een gerechtelijke procedure tegen AstraZeneca aangespannen met betrekking tot de uitvoering van de met die onderneming gesloten aankoopovereenkomst.
7 Op 30 april 2021 hebben de diensten van de Commissie verzoeker opnieuw meegedeeld dat het confirmatieve verzoek niet binnen de gestelde termijn kon worden beantwoord en hebben zij aangekondigd alles in het werk te zullen stellen om hem zo snel mogelijk te antwoorden. Op die datum gold het uitblijven van een antwoord op het confirmatieve verzoek – overeenkomstig artikel 8, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 – als een impliciet afwijzend besluit betreffende de gevraagde documenten. Verzoeker heeft tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld dat is geregistreerd onder zaaknummer T‑232/21. Dat beroep is afgewezen bij beschikking van 18 maart 2022, Saure/Commissie (T‑232/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:165).
8 Bij beschikking van 18 juni 2021 heeft de rechter in kort geding AstraZeneca in het kader van haar gerechtelijke procedure met de Unie veroordeeld tot levering van 50 miljoen extra doses vaccin aan de lidstaten van de Unie, volgens een verplicht tijdschema en onder verbeurte van een dwangsom.
9 Op 13 juli 2021 heeft de secretaris-generaal van de Commissie in antwoord op het confirmatieve verzoek van 16 maart 2021 het eerste bestreden besluit vastgesteld. In dit besluit werden met name verschillende documenten aangewezen met de vermelding dat de toegang ertoe moest worden geweigerd omdat zij vielen onder de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures, aangezien er een gerechtelijke procedure aanhangig was bij de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles.
10 Op 3 september 2021 heeft de Commissie in een persbericht meegedeeld dat de Unie en AstraZeneca een akkoord hadden bereikt waardoor er onder meer een einde was gekomen aan het geding dat aanhangig was bij de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles. Die rechter heeft bij vonnis van 15 oktober 2021 akte verleend van het feit dat afstand van geding was gedaan.
11 Gelet op de beëindiging van die gerechtelijke procedure heeft de secretaris-generaal van de Commissie, na het confirmatieve verzoek van 16 maart 2021 opnieuw te hebben onderzocht, overeenkomstig artikel 4, lid 7, van verordening nr. 1049/2001 op 7 februari 2022 het tweede bestreden besluit vastgesteld, waaruit blijkt dat dit het eerste bestreden besluit vervangt.
12 Ten eerste heeft de Commissie vermeld dat de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures van toepassing was op alle onderstaande documenten: – een bijlage bij de door AstraZeneca ingediende offerte (hierna „document nr. 1.2”); – een document van 12 juni 2020 dat met het oog op de onderhandelingen over en de sluiting van een financieringsovereenkomst was uitgewisseld tussen AstraZeneca en de regeringen van meerdere lidstaten (hierna: „document nr. 2”); – een ontwerp-financieringsovereenkomst die op 24 juni 2020 door AstraZeneca is toegezonden aan de regeringen van meerdere lidstaten (hierna: „document nr. 3”); – een document van 20 november 2020 betreffende de tweede termijnbetaling volgens de met AstraZeneca gesloten aankoopovereenkomst (hierna: „document nr. 5”); – de presentaties die AstraZeneca had gebruikt tijdens de stuurgroepbijeenkomsten van 4 december 2020 en 22 januari, 1, 11, 19 en 23 februari alsook 11 maart 2021 (hierna: „document nr. 6”); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een bijeenkomst van 7 december 2020 (hierna: „document nr. 7”); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een bijeenkomst van 19 januari 2021 (hierna: „document nr. 8”); – een document betreffende de leverdatums van de vaccins (hierna: „document nr. 9”) met vijf bijlagen (hierna: „documenten nrs. 9.1‑9.5”); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een stuurgroepbijeenkomst van 25 januari 2021 (hierna: „document nr. 10”).
13 Daarnaast heeft de Commissie de toegang tot de e-mails tussen de Commissie en AstraZeneca van 27 juli 2020 (hierna: „document nr. 11”) deels geweigerd op grond van de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures.
14 Ten tweede heeft de Commissie op grond van de in artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu de toegang tot bepaalde documenten gedeeltelijk geweigerd en in die documenten de persoonsgegevens van lagere vertegenwoordigers van AstraZeneca en de Commissie onleesbaar gemaakt. Het gaat om de volgende stukken: – de e-mail aan de Commissie houdende de offerte van AstraZeneca (hierna: „document nr. 1.1”); – de tussen 2 en 13 juli 2020 uitgewisselde e-mails tussen AstraZeneca, de Commissie en de Duitse regering (hierna: „document nr. 4”); – document nr. 11; – de op 27 augustus 2020 tussen AstraZeneca en de Commissie gesloten aankoopovereenkomst (hierna: „document nr. 12”).
15 Ten derde heeft de Commissie aangegeven dat de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering betreffende de bescherming van commerciële belangen rechtvaardigde dat slechts gedeeltelijk toegang werd verleend tot de volgende documenten: – de processen-verbaal van de stuurgroepbijeenkomsten van 4 december 2020 en 22 januari, 1, 11, 19 en 23 februari alsook 11 maart 2021 (hierna: „documenten nrs. 6.1‑6.6”); – document nr. 12.
16 Bovendien heeft de Commissie de toegang tot het document met de offerte van AstraZeneca (hierna: „document nr. 1”) geheel geweigerd omdat voor dit document op grond van de uitzondering betreffende de bescherming van commerciële belangen een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid gold.
17 Ten vierde heeft de Commissie volledige toegang verleend tot de twee bijlagen bij document nr. 11.
Conclusies van partijen
18 In het verzoekschrift concludeert verzoeker tot: – nietigverklaring van het eerste bestreden besluit; – verwijzing van de Commissie in de kosten.
19 In haar verzoek om de zaak af te doen zonder beslissing concludeert de Commissie tot: – vaststelling dat niet meer hoeft te worden beslist op het beroep; – verwijzing van elke partij in haar eigen kosten.
20 In de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift concludeert verzoeker tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit.
21 In het antwoord op de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift concludeert de Commissie tot: – verwerping van het aangepaste beroep; – verwijzing van verzoeker in de kosten.
In rechte
[omissis]
Vordering tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit
28 Ter ondersteuning van zijn verzoek tot nietigverklaring van het tweede bestreden besluit voert verzoeker drie middelen aan, die berusten op de stelling dat de drie uitzonderingen die de Commissie heeft ingeroepen om de weigering van toegang tot de gevraagde documenten te rechtvaardigen, niet van toepassing zijn.
Eerste middel: artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 is niet van toepassing
29 Verzoeker stelt dat de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures slechts kan worden toegepast zolang er een geding aanhangig is bij een rechter. De procedure bij de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles is beëindigd, zodat openbaarmaking van de gevraagde documenten niet meer kan leiden tot ondermijning van enigerlei gerechtelijke procedure in de zin van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001. Bovendien voert verzoeker aan dat artikel 871 bis van het Belgische Gerechtelijk Wetboek niet toestaat om van de duidelijke bewoordingen van dat artikel af te wijken.
30 De Commissie betoogt dat de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures zelfs na de sluiting van de gerechtelijke procedure van toepassing blijft, in casu op bepaalde documenten die in het kader van die procedure zijn overgelegd. Haars inziens was het nodig om de toegang tot de documenten in kwestie te weigeren teneinde met name te waarborgen dat de integriteit van de gerechtelijke procedure werd geëerbiedigd.
31 Zij beroept zich tevens op haar verplichting tot loyale samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten, op grond waarvan zij bepaalde documenten die in de loop van die procedure zijn overgelegd en die op grond van artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet openbaar mag maken.
32 Bovendien heeft verzoeker volgens de Commissie geen hoger openbaar belang aangevoerd op grond waarvan openbaarmaking van die documenten geboden zou zijn.
33 Volgens artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 moeten de instellingen de toegang tot een document weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van gerechtelijke procedures, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.
34 Bovendien zijn volgens de eerste volzin van artikel 4, lid 7, van verordening nr. 1049/2001 de in de leden 1 tot en met 3 vermelde uitzonderingen slechts van toepassing gedurende de periode waarin bescherming op grond van de inhoud van het document gerechtvaardigd is.
35 Hieruit volgt dat de toepassing van de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering aan de openbaarmaking van documenten slechts zo lang in de weg staat als het risico op ondermijning van een gerechtelijke procedure voortbestaat gelet op de inhoud van die documenten (zie in die zin arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Volgens de rechtspraak kan de bescherming van gerechtelijke procedures met name worden verklaard door de noodzaak om het beginsel van equality of arms (wapengelijkheid) en het beginsel van een goede rechtsbedeling te eerbiedigen (zie in die zin arrest van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie, C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541, punt 85).
37 Wat de eerbiediging van het beginsel van equality of arms betreft, is met name geoordeeld dat indien een publiek debat wordt gehouden over de inhoud van documenten waarin een instelling haar standpunt in het kader van een geding uiteenzet, de op die documenten geuite kritiek het door die instelling voor de betreffende rechterlijke instanties verdedigde standpunt op ongepaste wijze dreigt te beïnvloeden (zie arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Wat de goede rechtsbedeling en de integriteit van de gerechtelijke procedure betreft, wordt het feit dat rechterlijke werkzaamheden uitgesloten zijn van de werkingssfeer van het recht op toegang tot documenten, gerechtvaardigd door de noodzaak om gedurende de gehele gerechtelijke procedure te waarborgen dat de debatten tussen de partijen en de beraadslaging van de betreffende rechterlijke instantie over het aanhangige geding onverstoord verlopen, zonder druk van buitenaf op de rechterlijke werkzaamheden (zie arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 In casu zij opgemerkt dat de documenten waartoe de Commissie de toegang heeft geweigerd, betrekking hebben op de hoeveelheid en de levering van de door AstraZeneca vervaardigde vaccins, alsmede dat het gaat om documenten waarvan die instelling in het bezit was vóór 16 maart 2021, de datum waarop verzoeker een confirmatief verzoek om toegang heeft ingediend.
40 Deze documenten zijn pas later overgelegd in het kader van een gerechtelijke procedure die op 23 april 2021 bij de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles is ingesteld naar aanleiding van de levering van vaccins op grond van de met AstraZeneca gesloten aankoopovereenkomst. Deze procedure is op 15 oktober 2021 afgesloten. Op die datum heeft de nationale rechter akte verleend van het feit dat afstand van geding was gedaan, waardoor die procedure definitief is beëindigd.
41 Derhalve was op de datum waarop het tweede bestreden besluit werd vastgesteld, 7 februari 2022, de gerechtelijke procedure die de toepassing van de uitzondering betreffende de bescherming van een dergelijke procedure kon rechtvaardigen, afgesloten.
42 In dit verband zij eraan herinnerd dat een document dat niet is opgesteld in het kader van een specifieke gerechtelijke procedure, op grond van de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering kan worden beschermd indien het op de datum waarop het verzoek om toegang wordt beantwoord, is overgelegd in het kader van een dergelijke gerechtelijke procedure (arrest van 29 oktober 2020, Intercept Pharma en Intercept Pharmaceuticals/EMA, C‑576/19 P, EU:C:2020:873, punt 48).
43 Ten eerste volgt evenwel uit de ruime definitie van het begrip „document” in artikel 3, onder a), van verordening nr. 1049/2001, alsmede uit de formulering en het bestaan zelf van een uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures, dat de Uniewetgever de contentieuze activiteiten van de instellingen niet heeft willen uitsluiten van het recht van de burgers op toegang tot documenten, maar dienaangaande heeft voorgeschreven dat die instellingen weigeren de documenten betreffende een gerechtelijke procedure openbaar te maken wanneer deze openbaarmaking zou leiden tot ondermijning van de procedure waarop zij betrekking hebben (zie arrest van 27 februari 2015, Breyer/Commissie, T‑188/12, EU:T:2015:124, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Ten tweede volgt uit de eerste volzin van artikel 4, lid 7, van verordening nr. 1049/2001 dat alleen de inhoud van het gevraagde document relevant is om vast te stellen of een document onder een van de in de leden 1 tot en met 3 van datzelfde artikel neergelegde uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten valt (arrest van 29 oktober 2020, Intercept Pharma en Intercept Pharmaceuticals/EMA, C‑576/19 P, EU:C:2020:873, punt 36).
45 Uit de punten 43 en 44 hierboven vloeit voort dat de omstandigheid dat een document is overgelegd in het kader van een gerechtelijke procedure, slechts mogelijkerwijs met zich meebrengt dat het wordt beschermd op grond van de uitzondering die is neergelegd in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001, hetgeen overeenkomstig artikel 4, lid 7, van deze verordening moet worden nagegaan op basis van de inhoud van dat document.
46 Met andere woorden, om te beoordelen of – zoals verzoeker aanvoert – de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures de weigering van toegang tot de litigieuze documenten niet meer kon rechtvaardigen na afsluiting van de gerechtelijke procedure in kwestie, moet worden onderzocht of de Commissie – gelet op de inhoud van die documenten – heeft aangetoond dat de openbaarmaking ervan die procedure nog steeds zou ondermijnen.
47 In het onderhavige geval heeft de Commissie echter niet uiteengezet hoe de toegang tot de documenten in kwestie – gelet op hun inhoud – een gerechtelijke procedure die was afgesloten toen werd besloten om de toegang tot die documenten te weigeren, nog steeds concreet en daadwerkelijk kon ondermijnen.
48 Nu een dergelijke uiteenzetting op basis van een concreet onderzoek van de inhoud van de litigieuze documenten ontbreekt, heeft verzoeker terecht – in wezen – aangevoerd dat de openbaarmaking van een document dat is overgelegd in het kader van de gerechtelijke procedure in kwestie, de rechterlijke werkzaamheden van de aangezochte nationale rechter niet meer dreigt te ondermijnen, aangezien die activiteiten zijn voltooid met de beëindiging van de procedure. In beginsel kan openbaarmaking in die omstandigheden evenmin nog de verdediging van de opsteller van dat document schaden en aldus het beginsel van equality of arms schenden. Dat heeft de Commissie erkend ter terechtzitting, waar zij zich heeft geconcentreerd op de noodzaak om te waarborgen dat de integriteit van de gerechtelijke procedure wordt geëerbiedigd. Ten aanzien van dat laatste punt moet tevens worden geconstateerd dat de debatten tussen de partijen en de beraadslaging van de betrokken rechterlijke instantie met betrekking tot de zaak na afronding van de procedure ongestoord hebben kunnen plaatsvinden, zonder druk van buitenaf op de rechterlijke werkzaamheden.
49 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door punt 132 van het arrest van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie (C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541), waarnaar de Commissie ter terechtzitting heeft verwezen. In die zaak heeft het Hof namelijk geoordeeld dat een instelling de toegang tot in een afgesloten gerechtelijke procedure opgestelde memories kon weigeren indien na onderzoek van de inhoud van die memories bleek dat zij argumenten bevatten die waren gebruikt ter ondersteuning van het door die instelling in een soortgelijke, nog aanhangige procedure verdedigde juridische standpunt. In een dergelijk geval kan niet worden uitgesloten dat de openbaarmaking van die memories die laatste procedure ondermijnt.
50 In casu was er evenwel geen andere gerechtelijke procedure aanhangig of zelfs nog maar ophanden toen het tweede bestreden besluit werd vastgesteld.
51 Niettegenstaande deze constatering voert de Commissie aan dat zij, los van de inhoud van de litigieuze documenten, gehouden was om de toegang tot die documenten te weigeren teneinde te voldoen aan de uit artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek voortvloeiende vereisten.
52 In dat artikel staat onder meer het volgende te lezen: „De partijen […] die door hun deelname aan een gerechtelijke procedure, of door hun toegang tot de documenten die deel uitmaken van deze procedure, kennis hebben gekregen van een bedrijfsgeheim of een vermeend bedrijfsgeheim […] dat de rechter, op een met redenen omkleed verzoek van een belanghebbende partij of op eigen initiatief, als vertrouwelijk heeft aangemerkt, mogen dit bedrijfsgeheim of vermeende bedrijfsgeheim niet gebruiken of openbaar maken. De […] verplichting tot het bewaren van de vertrouwelijkheid blijft van kracht na beëindiging van de gerechtelijke procedure.”
53 Met andere woorden, een partij in een gerechtelijke procedure mag een bedrijfsgeheim of een vermeend bedrijfsgeheim waarvan zij kennis heeft gekregen door haar deelname aan de procedure niet openbaar maken, ook niet na beëindiging van deze procedure, indien de rechter heeft besloten dat dit geheim vertrouwelijk moet blijven.
54 De Commissie kan zich evenwel niet op dit artikel beroepen om de toepassing van artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 en bijgevolg de weigering van de toegang tot de documenten in kwestie te rechtvaardigen.
55 In de eerste plaats zij erop gewezen dat artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek strekt tot omzetting van artikel 9, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB 2016, L 157, blz. 1).
56 Deze richtlijn mag volgens overweging 11 ervan geen afbreuk doen aan de toepassing van Unie- of nationale regels die de openbaarmaking van informatie, waaronder bedrijfsgeheimen, aan het publiek of overheidsinstanties voorschrijven. De richtlijn mag ook geen afbreuk doen aan de toepassing van regels die het overheidsinstanties toestaan informatie te vergaren voor de uitvoering van hun taken, noch van regels die het overheidsinstanties toestaan deze informatie aan het publiek openbaar te maken of die hen hiertoe verplichten. Het gaat dan met name over regels inzake de openbaarmaking, door de instellingen en organen van de Unie of de nationale overheidsinstanties, van bedrijfsinformatie waarover zij beschikken krachtens de verplichtingen uit hoofde van onder meer verordening nr. 1049/2001.
57 Hieruit volgt dat de Commissie zich niet kan beroepen op een nationaalrechtelijke bepaling waarbij richtlijn 2016/943 wordt omgezet, om de krachtens verordening nr. 1049/2001 op haar rustende verplichtingen niet na te komen.
58 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie – zoals blijkt uit punt 39 hierboven en zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd – de litigieuze documenten niet bezit door haar deelname aan de gerechtelijke procedure in de zin van artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien zij reeds vóór de aanvang van die procedure in het bezit was van die documenten.
59 Voorts heeft de Commissie in het tweede bestreden besluit verwezen naar een beschikking van de nationale rechter waarbij deze had beslist dat bepaalde documenten die in het kader van die procedure waren opgesteld, vertrouwelijk moesten blijven overeenkomstig artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek.
60 Niettemin volgt in wezen uit de antwoorden van de Commissie op een maatregel tot organisatie van de procesgang, dat de aangezochte nationale rechter geen beslissing heeft gegeven op grond van dat artikel. De partijen zelf zijn namelijk overeengekomen dat bepaalde documenten die in de loop van die procedure waren opgesteld, vertrouwelijk zouden blijven op grond van dat artikel, waarmee zij overigens een beslissing van de rechter daarover beoogden te vervangen.
61 In zoverre moet met name worden vastgesteld dat partijen in het document waarmee zij de nationale rechter in kennis hebben gesteld van hun minnelijke schikking, de Tribunal de première instance francophone de Bruxelles in het dispositief van hun conclusies uitdrukkelijk hebben verzocht om hun „akte te verlenen van het feit dat de vertrouwelijkheidsverplichting als bedoeld in [hun] brieven […] overeenkomstig artikel 871 bis, [lid] 1, [derde] alinea, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing [zou blijven] nadat de gerechtelijke procedure [zou zijn] beëindigd”.
62 In zijn beslissing van 15 oktober 2021 heeft de nationale rechter zich evenwel beperkt tot het verlenen van „akte van de afstand van geding door verzoekende partijen” en „akte aan partijen van hun overeenkomst inzake de kosten”, zonder zich uit te spreken over de vordering waarbij partijen hem verzochten „akte te verlenen” van het feit dat bepaalde documenten na beëindiging van de procedure vertrouwelijk zouden blijven.
63 Uit de beschikking in kort geding van 18 juni 2021 volgt evenmin dat de rechter heeft besloten dat bepaalde documenten die tijdens de gerechtelijke procedure waren overgelegd, op grond van artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek als vertrouwelijk moesten worden aangemerkt. In deze beschikking wordt namelijk enkel vermeld dat „[p]artijen […] ter terechtzitting van 26 mei 2021 bij navraag [hebben] bevestigd dat de vermelding ‚vertrouwelijk’ die op bepaalde stukken en gedeelten van hun conclusies was aangebracht, er niet aan in de weg stond dat […] bepaalde passages in [deze] beschikking [werden opgenomen]”, zonder dat in die beschikking werd verwezen naar dat artikel of de inhoud ervan.
64 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Commissie het recht op toegang tot de documenten van deze instelling, dat alle Unieburgers rechtstreeks ontlenen aan artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1049/2001, niet kan beperken door middel van een eenvoudige overeenkomst met een derde onderneming. Evenzo zou een instelling, indien zij zich op een dergelijke overeenkomst kon beroepen om de toegang te weigeren tot documenten waarvan zij in het bezit is, feitelijk worden gemachtigd de verplichting te omzeilen die op haar rust om tot die documenten toegang te verlenen tenzij een van de door artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 beschermde belangen wordt ondermijnd.
65 Uit het voorgaande volgt eveneens dat de Commissie, aangezien partijen zelf zijn overeengekomen om bepaalde documenten als vertrouwelijk aan te merken, zonder enige andere tussenkomst van de nationale rechter dan die als bedoeld in de punten 61 tot en met 63 hierboven, zich niet op haar verplichting tot loyale samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten kan beroepen om te rechtvaardigen dat zij de toegang tot die documenten weigert.
66 In de derde plaats zij opgemerkt dat het doel van artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek – dat er immers in bestaat bedrijfsgeheimen te beschermen – verschilt van het doel dat wordt nagestreefd met artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001, dat beoogt de eerbiediging van het beginsel van equality of arms en dat van een goede rechtsbedeling en integriteit van de gerechtelijke procedure te waarborgen. Dat de litigieuze documenten bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen bevatten, kan dus hoe dan ook op zichzelf niet verklaren hoe de toegang tot die documenten de gerechtelijke procedure, die gesloten was toen het tweede bestreden besluit werd vastgesteld, concreet en daadwerkelijk zou kunnen blijven ondermijnen.
67 Zonder dat het uitgesloten is dat een document dat een bedrijfsgeheim bevat, onder een van de in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzonderingen valt, zoals de uitzondering betreffende de bescherming van commerciële belangen – hetgeen de betrokken instelling dient na te gaan op basis van de inhoud van het betreffende document – volstaat bijgevolg de omstandigheid dat een dergelijk bedrijfsgeheim is onthuld in een inmiddels beëindigde gerechtelijke procedure en door de partijen in het geding als vertrouwelijk is aangemerkt in de zin van artikel 871 bis van het Gerechtelijk Wetboek, op zichzelf niet als rechtvaardiging voor de toepassing van de in artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering op de documenten in kwestie.
68 Gelet op een en ander moet het eerste middel worden aanvaard. [omissis]
Derde middel: artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 is niet van toepassing
[omissis]
104 Aangezien het eerste middel moet worden aanvaard en de Commissie zich in het tweede bestreden besluit niet op een andere uitzondering heeft beroepen om te rechtvaardigen dat zij de toegang tot de documenten nrs. 1.2, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 9.1 tot en met 9.5, 10 en een deel van document nr. 11 heeft geweigerd, moet dat besluit nietig worden verklaard voor zover daarbij verzoeker de toegang tot die documenten wordt ontzegd.
105 Wat meer in het bijzonder document nr. 1.2 betreft, dat bestaat in een bijlage bij de offerte van AstraZeneca (document nr. 1), heeft de Commissie – blijkens punt 97 hierboven – in het tweede bestreden besluit vermeld dat voor de offerte en de bijlagen daarbij een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid gold dat inhield dat de openbaarmaking ervan de bescherming van de commerciële belangen van AstraZeneca zou ondermijnen. De Commissie heeft evenwel op een ter terechtzitting door het Gerecht gestelde vraag verduidelijkt dat zij zich voor document nr. 1.2 niet wenste te beroepen op de uitzondering betreffende de bescherming van commerciële belangen, omdat dit document uitsluitend viel onder de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures.
106 Daarentegen moet het onderhavige beroep worden verworpen voor zover het gericht is tegen de weigering, in het tweede bestreden besluit, om toegang te verlenen tot de documenten nrs. 1, 1.1, 4, 6.1 tot en met 6.6 en 12 en de gegevens in document nr. 11 waarop de uitzondering betreffende de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu van toepassing is. [omissis]
HET GERECHT (Achtste kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Op de vordering tot nietigverklaring van besluit C(2021) 5327 final van de Europese Commissie van 13 juli 2021 waarbij het confirmatieve verzoek om toegang tot bepaalde documenten is afgewezen, hoeft niet meer te worden beslist.
2) Besluit C(2022) 870 final van de Commissie van 7 februari 2022 wordt nietig verklaard voor zover daarbij aan Hans-Wilhelm Saure de toegang wordt geweigerd tot de volgende documenten: – een bijlage bij de door AstraZeneca ingediende offerte (document nr. 1.2); – een document van 12 juni 2020 dat met het oog op de onderhandelingen over en de sluiting van een financieringsovereenkomst was uitgewisseld tussen AstraZeneca en de regeringen van meerdere lidstaten (document nr. 2); – een ontwerp-financieringsovereenkomst die op 24 juni 2020 door AstraZeneca is toegezonden aan de regeringen van meerdere lidstaten (document nr. 3); – een document van 20 november 2020 betreffende de tweede termijnbetaling volgens de met AstraZeneca gesloten aankoopovereenkomst (document nr. 5); – de presentaties die AstraZeneca had gebruikt tijdens de stuurgroepbijeenkomsten van 4 december 2020 en 22 januari, 1, 11, 19 en 23 februari alsook 11 maart 2021 (document nr. 6); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een bijeenkomst van 7 december 2020 (document nr. 7); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een bijeenkomst van 19 januari 2021 (document nr. 8); – een document betreffende de leverdatums van de vaccins (document nr. 9) met vijf bijlagen (documenten nrs. 9.1‑9.5); – een presentatie die AstraZeneca had gebruikt tijdens een stuurgroepbijeenkomst van 25 januari 2021 (document nr. 10); – een deel van de e-mails tussen de Commissie en AstraZeneca van 27 juli 2020 (document nr. 11).
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
Svenningsen Mac Eochaidh Laitenberger Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 oktober 2022. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.