Gerecht EU 14 december 2022, T-530/21, ECLI:EU:T:2022:818

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)

14 december 2022 ( *1 )

„Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor een Uniebeeldmerk dat de elkaar overlappende hoofdletters ‚P’ en ‚L’ weergeeft – Ouder Uniebeeldmerk dat een gespiegelde combinatie van de elkaar overlappende hoofdletters ‚P’ en ‚L’ weergeeft – Ontvankelijkheid van het beroep bij de kamer van beroep – Procesbevoegdheid – Relatieve weigeringsgrond – Verwarringsgevaar – Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001]”

In zaak T‑530/21,

Pierre Lannier, gevestigd te Ernolsheim-lès-Saverne (Frankrijk), vertegenwoordigd door N. Boespflug, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Markakis als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Pierre Lang Trading GmbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk), vertegenwoordigd door A. Ginzburg, advocaat,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer),

ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, K. Kowalik-Bańczyk en G. Hesse (rapporteur), rechters,

griffier: G. Mitrev, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 9 september 2022,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Pierre Lannier, vernietiging van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 11 juni 2021 (zaak R 1915/2020‑5) (hierna: „bestreden beslissing”). [omissis]

Conclusies van partijen

10 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

11 Het EUIPO en interveniënte verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

[omissis]

Eerste middel: schending van artikel 67, artikel 68, lid 1, en artikel 94 van verordening 2017/1001 alsook van artikel 22, lid 1, en artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625

16 Verzoekster uit in wezen verschillende punten van kritiek op de beoordeling door de kamer van beroep in de bestreden beslissing met betrekking tot het antwoord van interveniënte op de haar door de griffie van de kamers van beroep meegedeelde tekortkoming. De kamer van beroep heeft het beroep ten onrechte ontvankelijk verklaard. Ter ondersteuning van haar betoog voert zij schending aan van artikel 67, artikel 68, lid 1, en artikel 94 van verordening 2017/1001 alsook van artikel 22, lid 1, en artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625.

17 Het EUIPO en interveniënte, Pierre Lang Trading GmbH, betwisten dit betoog.

18 In de eerste plaats dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster de kamer van beroep verwijt het beroep van interveniënte ontvankelijk te hebben verklaard.

19 Wat de omstandigheden betreft waarin de kamer van beroep de ontvankelijkheid van het bij haar ingestelde beroep heeft onderzocht, dient te worden gepreciseerd dat Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. op 2 maart 2017 oppositie heeft ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk krachtens artikel 41, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 46, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001]. Zoals in punt 6 hierboven is uiteengezet, werd ter ondersteuning van de oppositie de weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aangevoerd.

20 Bij op 4 april 2019 gesloten overnameovereenkomst is Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. met al haar materiële en immateriële activa, met inbegrip van al haar merken, overgenomen door de nieuw opgerichte onderneming PL Schmuckhandels GmbH, waarvan de vennootschapsnaam volgens het uittreksel uit het Oostenrijkse vennootschapsregister van 8 januari 2021 op 17 mei 2019 is gewijzigd in Pierre Lang Trading GmbH.

21 Op 31 juli 2020 heeft de oppositieafdeling de oppositie in haar geheel afgewezen.

22 Op 30 september 2020 is tegen de beslissing van de oppositieafdeling beroep ingesteld in de vorm van een door het EUIPO aan de belanghebbenden ter beschikking gesteld formulier. Op dit formulier was als naam van de verzoekende partij Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H vermeld.

23 Op 30 november 2020 is binnen de in artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 gestelde termijn een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep bij het EUIPO ingediend onder de naam Pierre Lang Europe Ges.m.b.H.

24 Na een brief van de griffie van de kamers van beroep waarin deze de verzoekende partij voor de kamer van beroep verzocht om haar naam te verduidelijken, heeft het EUIPO op 11 januari 2021 de volgende documenten ontvangen: – een brief waarin wordt gepreciseerd dat de naam van de verzoekende partij voor de kamer van beroep Pierre Lang Trading GmbH is; – een nieuwe versie van de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep waarin de naam Pierre Lang Trading GmbH voorkomt; – de overnameovereenkomst waarbij Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. door interveniënte is overgenomen; – een uittreksel uit het Oostenrijkse vennootschapsregister betreffende interveniënte, waarin de wijziging van haar vennootschapsnaam van PL Schmuckhandels GmbH in Pierre Lang Trading GmbH is vermeld; – een kopie van het verzoek dat op 5 januari 2021 krachtens artikel 20, lid 4, van verordening 2017/1001 bij het EUIPO is ingediend en dat strekt tot inschrijving van de overgang van het oudere merk van Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. op interveniënte.

25 In het licht van deze omstandigheden dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster de kamer van beroep verwijt het beroep van interveniënte ontvankelijk te hebben verklaard.

26 Ten eerste stelt verzoekster dat de kamer van beroep artikel 67 van verordening 2017/1001 heeft geschonden. Zij voert in het bijzonder aan dat de door interveniënte ter regularisatie van het beroep overgelegde documenten ontoereikend zijn. Verzoekster is in wezen van mening dat de overgelegde documenten niet de procesbevoegdheid van interveniënte voor de kamer van beroep aantonen.

27 In herinnering dient te worden gebracht dat volgens artikel 41, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, dat destijds van toepassing was, binnen een termijn van drie maanden na de dag waarop de Uniemerkaanvraag is gepubliceerd, tegen de inschrijving van dat merk oppositie kan worden ingesteld op grond van het feit dat de inschrijving van het merk krachtens artikel 8 van deze verordening moet worden geweigerd. In het geval van artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening – zoals in casu – kan de oppositie met name worden ingesteld door de houders van Uniemerken waarvan de datum van de inschrijvingsaanvraag voorafgaat aan die van de Uniemerkaanvraag.

28 In casu staat vast dat Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. houder was van het oudere merk toen zij op 2 maart 2017 oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk heeft ingesteld.

29 Wat de voor de kamer van beroep overgelegde overnameovereenkomst betreft, dient te worden opgemerkt dat interveniënte houder van het oudere merk is geworden na de overname van Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. en al haar merken op 4 april 2019.

30 Uit het dossier blijkt dat na de afwijzing van de oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk op 31 juli 2020, op 30 september 2020 bij het EUIPO beroep is ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling. Zoals blijkt uit het op de bladzijden 82 en 83 van het dossier van het EUIPO weergegeven beroepschrift, is dit beroep ingediend onder de naam Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H.

31 In dit verband zij erop gewezen dat het EUIPO volgens de rechtspraak bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van een bij hem ingesteld beroep rekening moet houden met het register van Uniemerken (hierna: „register”) [arrest van 11 februari 2020, Jakober/EUIPO (Vorm van een mok), T‑262/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:41, punt 23]. Op de datum van instelling van het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling was de naam van de houder van het oudere merk in dat register Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H.

32 Uit het dossier blijkt tevens dat, teneinde te voldoen aan de verplichting van artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001, op 30 november 2020 bij het EUIPO een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep is ingediend. Op dit document stond de naam Pierre Lang Europe Ges.m.b.H.

33 Na te hebben vastgesteld dat de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep was ingediend namens een onderneming die was aangeduid met een andere benaming dan die welke in het register was ingeschreven, heeft de griffie van de kamers van beroep bij brief van 9 december 2020 degene die het beroep heeft ingesteld verzocht daarover opmerkingen in te dienen en alle stukken over te leggen die deze opmerkingen konden staven.

34 In antwoord op dit verzoek heeft interveniënte op 11 januari 2021 verzocht om de in het beroepschrift opgenomen naam van de verzoekende partij voor de kamer van beroep te regulariseren onder verwijzing naar artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 23, lid 1, onder c), van gedelegeerde verordening 2018/625. Tot staving van haar verzoek heeft zij de in punt 24 hierboven genoemde documenten overgelegd.

35 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 21, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2018/625 het beroepschrift als bedoeld in artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 de naam van de verzoekende partij voor de kamer van beroep moet bevatten in de vorm als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening 2018/626.

36 Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 21, lid 1, onder a), van gedelegeerde verordening 2018/625, moet de kamer van beroep het beroep niet-ontvankelijk verklaren, zoals bepaald in artikel 23, lid 1, onder c), van deze verordening, indien de verzoekende partij, hoewel zij daarvan door de kamer van beroep in kennis is gesteld, de tekortkoming niet binnen de gestelde termijn heeft verholpen.

37 Uit de gezamenlijke lezing van artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 23, lid 1, onder c), van gedelegeerde verordening 2018/625 alsmede artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening 2018/626 volgt dat de onjuiste identificatie van de verzoekende partij in het overeenkomstig artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 ingediende beroepschrift een gebrek is dat kan worden geregulariseerd.

38 In casu dient te worden vastgesteld dat interveniënte, door de in punt 24 hierboven vermelde documenten bij de griffie van de kamers van beroep neer te leggen, heeft aangetoond dat zij houder van het oudere merk was op het tijdstip waarop het beroep bij de kamer van beroep werd ingesteld. Anders dan verzoekster stelt, heeft interveniënte ook uitleg gegeven over de betrokken ondernemingen en de verschillende gebruikte benamingen. Om te beginnen is de naam Pierre Lang Europe Handelsges.m.b.H. die van interveniëntes voorganger, zoals met name blijkt uit de overnameovereenkomst van 4 april 2019. Vervolgens was het plaatsen van de naam Pierre Lang Europe Ges.m.b.H. op de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep het gevolg van een schrijffout, zoals interveniënte in punt 13 van haar memorie van antwoord bevestigt. Ten slotte is de naam Pierre Lang Trading GmbH de naam van interveniënte. Volgens deze documenten is deze naam thans sinds 5 januari 2021 in het register ingeschreven als die van de houder van het oudere merk.

39 Hieruit volgt dat interveniënte het bewijs heeft geleverd van haar hoedanigheid van houder van het oudere merk op de datum van instelling van het beroep, dat de onjuiste identificatie van de verzoekende partij in het overeenkomstig artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 ingediende beroepschrift een gebrek is dat kan worden geregulariseerd, en dat interveniënte het beroepschrift binnen de gestelde termijn heeft geregulariseerd.

40 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster stelt, interveniënte het EUIPO een bevredigend antwoord heeft gegeven en haar beroepschrift heeft geregulariseerd overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder a), en artikel 23, lid 1, onder c), van gedelegeerde verordening 2018/625 en artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening 2018/626.

41 Bovendien was interveniënte, zoals het EUIPO benadrukt, vanaf 5 januari 2021 de in het register ingeschreven houder van het oudere merk. Uit dien hoofde kon zij overeenkomstig artikel 20, leden 11 en 12, van verordening 2017/1001 het beroep rechtsgeldig laten regulariseren.

42 Wat voorts verzoeksters stelling betreft dat op de dag waarop het beroep bij de kamer van beroep is ingesteld, een document in de databank van het EUIPO aanwezig was waaruit bleek dat het oudere merk volledig aan interveniënte was overgedragen, is het juist dat het EUIPO krachtens artikel 112 van verordening 2017/1001 bepaalde informatie in zijn databank verzamelt en bewaart.

43 In navolging van het EUIPO volstaat het evenwel op te merken dat dit document, dat verzoekster als bijlage bij het verzoekschrift heeft overgelegd, in werkelijkheid internationale inschrijving nr. 1290848 met aanduiding van de Verenigde Staten en Japan betreft. Dit document maakt geen melding van de overgang van het oudere merk op interveniënte, maar maakt melding van de inschrijving van de overgang van een internationale inschrijving op basis van het oudere merk ten gunste van interveniënte in het internationale register van het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO).

44 Ten slotte is het juist dat volgens artikel 23, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009 de overgang van een merk pas aan derden kan worden tegengeworpen nadat die in het register is ingeschreven. De niet-tegenwerpbaarheid aan derden van een overgang die niet in het register is ingeschreven, strekt evenwel tot bescherming van diegene die rechten op een Uniemerk als deel van het vermogen heeft of kan hebben (arrest van 4 februari 2016, Hassan, C‑163/15, EU:C:2016:71, punt 25).

45 Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat, anders dan verzoekster stelt, de door interveniënte ingediende opmerkingen en de ter ondersteuning daarvan overgelegde bewijzen volstonden om de kamer van beroep in staat te stellen uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep, zoals zij heeft gedaan. Verzoeksters argumenten dienaangaande moeten worden afgewezen.

46 Wat meer in het bijzonder artikel 67 van verordening 2017/1001 betreft moet er in navolging van verzoekster aan worden herinnerd dat volgens deze bepaling eenieder die partij is in een procedure welke tot een beslissing heeft geleid, hiertegen in beroep kan gaan voor zover hij bij die beslissing in het ongelijk gesteld is. In casu heeft de oppositieafdeling de op het oudere merk gebaseerde oppositie in haar geheel afgewezen. Interveniënte was als opvolger van de vennootschap die deze oppositie had ingesteld en als houder van het oudere merk op de datum van instelling van het beroep wel degelijk de persoon die door de beslissing van de oppositieafdeling werd getroffen.

47 Bijgevolg voldeed interveniënte aan de voorwaarden van artikel 67 van verordening 2017/1001.

48 Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster stelt, de bestreden beslissing niet in strijd is met deze bepaling. Alle argumenten van verzoekster inzake schending van artikel 67 van verordening 2017/1001 moeten worden afgewezen.

49 Ten tweede voert verzoekster aan dat de griffie van de kamers van beroep de krachtens artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij niet is nagegaan of de persoon die het beroep heeft ingesteld daartoe de vereiste bevoegdheid had, en evenmin de voorzitter van de vijfde kamer van beroep heeft verzocht dat die kamer onverwijld uitspraak deed over de ontvankelijkheid van het beroep, gelet op het document in de databank van het EUIPO waarin melding wordt gemaakt van de volledige overgang van het oudere merk.

50 Dienaangaande blijkt om te beginnen uit punt 33 hierboven dat, anders dan verzoekster stelt, de griffie van de kamers van beroep interveniënte heeft verzocht om aan te tonen dat zij beroep kon instellen tegen de beslissing van de oppositieafdeling. De griffie van de kamers van beroep heeft dus artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625 niet geschonden door niet na te gaan of de persoon die het beroep heeft ingesteld daartoe de vereiste bevoegdheid had. Gelet op de in punt 43 hierboven gedane vaststelling, dient voorts te worden vastgesteld dat, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het aan de griffie van de kamers van beroep stond om bij de voorzitter van de vijfde kamer van beroep een verzoek in te dienen, verzoeksters argumenten hoe dan ook niet kunnen slagen.

51 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de door verzoekster aangevoerde schending van artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625 niet is aangetoond en dat de in dit verband aangevoerde argumenten moeten worden afgewezen.

52 Ten derde voert verzoekster aan dat de kamer van beroep artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 heeft geschonden door het beroep van interveniënte ontvankelijk te verklaren.

53 Volgens deze bepaling moet het beroep schriftelijk bij het EUIPO worden ingesteld binnen twee maanden na de datum waarop van de beslissing kennis is gegeven en moet vervolgens binnen vier maanden na de kennisgeving van de beslissing een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep worden ingediend.

54 Gelet op de punten 30 en 32 hierboven dient te worden vastgesteld dat interveniënte het beroepschrift en de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep heeft ingediend binnen de in deze bepaling gestelde termijnen. Verzoeksters argument dienaangaande mist feitelijke grondslag en moet dus worden afgewezen.

55 Wat de op 11 januari 2021 ingediende versie van de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep betreft (zie punt 34 hierboven) blijkt uit het dossier dat, zoals het EUIPO betoogt en verzoekster erkent, de op 30 november 2020 binnen de termijn van artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001 ingediende uiteenzetting van de gronden van het beroep aan verzoekster is toegezonden en door de kamer van beroep in de bestreden beslissing in aanmerking is genomen.

56 Anders dan verzoekster stelt, is de bestreden beslissing dus niet in strijd met deze bepaling. Haar argumenten dienaangaande moeten dus worden afgewezen.

57 Ten vierde voert verzoekster aan dat de kamer van beroep artikel 22, lid 1, van gedelegeerde verordening 2018/625 heeft geschonden door de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep en bijgevolg het beroep zelf ontvankelijk te verklaren.

58 Volgens deze bepaling omvat de uiteenzetting van de gronden van het beroep een duidelijke en ondubbelzinnige vermelding van de beroepsprocedure waarop de uiteenzetting van de gronden betrekking heeft, de gronden van het beroep op basis waarvan om nietigverklaring van de bestreden beslissing wordt verzocht en de feiten, bewijzen en argumenten tot staving van de aangevoerde gronden.

59 In casu voldeed de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep aan de voorwaarden van artikel 22, lid 1, van gedelegeerde verordening 2018/625. Hoewel interveniënte een uiteenzetting van de gronden van het beroep heeft ingediend onder een andere naam dan die welke in het register was ingeschreven, heeft zij hoe dan ook deze schrijffout op 11 januari 2021 rechtgezet binnen de daartoe door de griffie van de kamers van beroep gestelde termijn.

60 Verzoeksters argumenten dienaangaande moeten dus worden afgewezen.

61 In de tweede plaats dienen verzoeksters argumenten inzake schending van artikel 94 van verordening 2017/1001 te worden onderzocht, voor zover zij betrekking hebben op vormgebreken en procedurefouten die de kamer van beroep worden verweten.

62 Verzoekster betoogt om te beginnen dat de kamer van beroep geen antwoord heeft gegeven op haar argumenten inzake de niet-ontvankelijkheid van het beroep.

63 Volgens artikel 94, lid 1, eerste volzin, van verordening 2017/1001 moeten de beslissingen van het EUIPO met redenen worden omkleed. Deze motiveringsplicht heeft dezelfde draagwijdte als die van artikel 296 VWEU, volgens hetwelk de redenering van degene die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet komen. Zij heeft een tweeledig doel, namelijk ten eerste de belanghebbenden in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel om hun rechten te kunnen verdedigen, en ten tweede de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid van de beslissing uit te oefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2004, KWS Saat/BHIM, C‑447/02 P, EU:C:2004:649, punten 63‑65).

64 Meer bepaald houdt de motiveringsplicht niet in dat de kamers van beroep alle door partijen voor hen uiteengezette argumenten een voor een uitputtend moeten behandelen. De kamers van beroep kunnen dus volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van hun beslissing van wezenlijk belang zijn [arrest van 15 januari 2015, MEM/BHIM (MONACO), T‑197/13, EU:T:2015:16, punt 19].

65 Bij lezing van de bestreden beslissing kan worden vastgesteld dat de kamer van beroep in de punten 15 tot en met 18 van deze beslissing heeft uiteengezet waarom zij, gelet op verzoeksters argumenten, heeft geoordeeld dat de verschillende door interveniënte op 11 januari 2021 overgelegde elementen volstonden om het beroep te regulariseren en dat dit beroep in overeenstemming was met de artikelen 66 en 67 en artikel 68, lid 1, van verordening 2017/1001. In deze punten heeft de kamer van beroep de feiten en rechtsoverwegingen uiteengezet die van wezenlijk belang waren, zodat zij niet alle door verzoekster aangevoerde argumenten een voor een hoefde te behandelen. Verzoeksters argumenten dienaangaande moeten dus worden afgewezen.

66 Voorts voert verzoekster aan dat noch de gegrondheid van interveniëntes antwoord op de kennisgeving door de griffie van de kamers van beroep, noch haar betoog ter zake daadwerkelijk het voorwerp is geweest van een debat, hetgeen in strijd is met artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001.

67 In herinnering dient te worden gebracht dat volgens deze bepaling de beslissingen van het EUIPO slechts kunnen worden genomen op gronden of bewijsstukken waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren.

68 In casu dient in navolging van het EUIPO te worden opgemerkt dat het EUIPO verzoekster naar behoren in kennis heeft gesteld van alle documenten die tijdens de beroepsprocedure zijn uitgewisseld tussen de griffie van de kamers van beroep en interveniënte. Bovendien blijkt uit het dossier dat verzoekster in haar op 22 maart 2021 bij het EUIPO ingediende memorie de ontvankelijkheid van het beroep van interveniënte voor de kamer van beroep heeft betwist op gronden die vergelijkbaar waren met die welke zij in haar verzoekschrift voor het Gerecht heeft uiteengezet. Verzoekster heeft daarover dus daadwerkelijk een standpunt ingenomen. Haar argument dat zij zich daarover in strijd met artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 niet heeft kunnen uitspreken, mist feitelijke grondslag en moet worden afgewezen.

69 Bovendien blijkt uit de punten 15 tot en met 18 van de bestreden beslissing dat de kamer van beroep zich heeft gebaseerd op de door interveniënte overgelegde bewijzen, waarover verzoekster in haar memorie van 22 maart 2021 een standpunt heeft ingenomen. Daarentegen stelt verzoekster weliswaar dat interveniënte geen standpunt heeft kunnen innemen over de argumenten die zij dienaangaande in haar memorie heeft ontwikkeld, maar zij toont niet aan – en stelt zelfs niet – dat de bestreden beslissing op deze argumenten is gebaseerd. Aangezien uit de bestreden beslissing niet blijkt dat deze beslissing op die argumenten is gebaseerd, kan dit ontbreken van een standpuntbepaling dus geen schending van artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 opleveren.

70 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de door verzoekster gestelde schending van artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 niet is aangetoond.

71 Hieruit volgt dat het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 67, artikel 68, lid 1, en artikel 94 van verordening 2017/1001 alsook van artikel 22, lid 1, en artikel 42, lid 3, van gedelegeerde verordening 2018/625, moet worden afgewezen. [omissis]

HET GERECHT (Tiende kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Pierre Lannier wordt verwezen in de kosten.

Kornezov Kowalik-Bańczyk Hesse Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 december 2022. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken