Gerecht EU 13 juli 2022, T-165/20, ECLI:EU:T:2022:453
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
13 juli 2022 ( *1 )
„Arbitragebeding – Internationale arbeidscontractant van EUCAP Somalia – Missie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tijdens de proeftijd – Kennisgeving van de beëindiging van de overeenkomst per aangetekende brief met ontvangstbevestiging – Verzending naar een onvolledig adres – Aanvang van de termijn voor intern bezwaar voorafgaand aan een beroep in rechte – Bepaling van het toepasselijke recht – Dwingende bepalingen van nationaal arbeidsrecht – Nietigheid van het proeftijdbeding – Onregelmatige kennisgeving van de opzegtermijn – Opzeggingsvergoeding – Betaling met terugwerkende kracht van de bezoldiging – Tegenvordering”
In zaak T‑165/20,
JC, vertegenwoordigd door A. Van Himst, advocaat,
verzoeker,
tegen
EUCAP Somalia, vertegenwoordigd door E. Raoult, advocaat,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: R. da Silva Passos (rapporteur), president, L. Truchot en M. Sampol Pucurull, rechters,
griffier: H. Eriksson, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 19 januari 2022,
het navolgende
Arrest ( 1 )
1 Met zijn beroep krachtens artikel 272 VWEU vordert verzoeker, JC, ten eerste, nietigverklaring van de brief van 4 november 2019 (hierna: „brief van 4 november 2019”) en van de brief van 3 december 2019 (hierna: „brief van 3 december 2019”) (hierna tezamen: „handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn”), waarbij EUCAP Somalia hem in kennis heeft gesteld van haar besluit om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen alsmede, voor zover nodig, van het besluit van 24 januari 2020 (hierna: „besluit van 24 januari 2020”) waarbij EUCAP Somalia zijn niet-disciplinaire interne bezwaar tegen het besluit om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen – zoals meegedeeld bij brief van 3 december 2019 – heeft afgewezen, en, ten tweede, dat EUCAP Somalia wordt gelast hem met terugwerkende kracht zijn bezoldiging te betalen tot op de datum waarop de contractuele arbeidsverhouding definitief, regelmatig en wettelijk wordt beëindigd.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 EUCAP Somalia, voorheen EUCAP NESTOR, is een missie van de Europese Unie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), die is ingesteld bij besluit 2012/389/GBVB van de Raad van 16 juli 2012 betreffende de missie van de Europese Unie voor de opbouw van capaciteit in Somalië (EUCAP Somalia) (PB 2012, L 187, blz. 40), dat is genomen op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU, dat betrekking heeft op het GBVB. Overeenkomstig artikel 2 van besluit 2012/389, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2020/663 van de Raad van 18 mei 2020 (PB 2020, L 157, blz. 1), heeft EUCAP Somalia tot doel Somalië bij te staan bij het versterken van zijn capaciteit voor maritieme veiligheid, zodat het de maritieme wetgeving doeltreffender kan handhaven.
3 Nadat de dienst personeelszaken van EUCAP Somalia verzoeker op 25 juli 2019 een aanbod voor een aanstelling had gedaan, is hij aangesteld als administratief en financieel verantwoordelijke middels een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (hierna: „overeenkomst”), die op 20 augustus 2019 door het hoofd van de missie van EUCAP Somalia (hierna: „hoofd van de missie”) is ondertekend en op 21 augustus daaraanvolgend door verzoeker.
4 In artikel 17.1 van de overeenkomst is verzoekers indiensttreding vastgesteld op 8 september 2019 voor de duur van twaalf maanden en is voorzien in de mogelijkheid van stilzwijgende verlenging. Bovendien bevatte artikel 17.2 van de overeenkomst een proeftijdbeding dat luidde als volgt: „De proeftijd bedraagt drie (3) maanden. Gedurende de proeftijd of bij het verstrijken daarvan wordt de werknemer ontslagen indien hij niet heeft aangetoond over voldoende professionele vaardigheden te beschikken. Indien de werknemer ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst dezelfde functie bekleedde, geldt geen proeftijd.”
5 Artikel 18.1 van de overeenkomst bepaalde dat „[d]e overeenkomst kan worden beëindigd door de werkgever of door de werknemer, met inachtneming van een schriftelijke opzegtermijn van [één] maand, met vermelding van de reden van de beëindiging. De werknemer moet door het adjunct-hoofd van de missie worden gehoord voordat een dergelijk besluit wordt genomen, waarbij het hoofd van de missie te allen tijde op de hoogte moet worden gehouden”.
6 Artikel 21.1 van de overeenkomst bepaalde dat de „werknemer bij de werkgever intern bezwaar kan indienen tegen een handeling waardoor zijn belangen worden geschaad, binnen een termijn van [één] maand te rekenen vanaf de datum van die handeling […]. De werknemer moet door het adjunct-hoofd van de missie worden gehoord voordat een besluit wordt genomen, waarbij het hoofd van de missie te allen tijde op de hoogte moet worden gehouden”.
7 Artikel 22.1 van de overeenkomst bepaalde dat „[h]et Hof van Justitie van de Europese Unie […] overeenkomstig artikel 272 [VWEU] bevoegd [is] kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met deze overeenkomst.” Daarnaast bepaalde artikel 22.2 van de overeenkomst dat „de niet-disciplinaire interne bezwaarprocedure als bedoeld in artikel [21] van de overeenkomst moet worden doorlopen alvorens beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie”.
8 Verzoeker heeft in de fase voorafgaand aan zijn stationering op 9 augustus 2019 aan EUCAP Somalia een medisch attest van zijn behandelend arts van 31 juli 2019 doen toekomen, waaruit blijkt dat hij in „goede gezondheid” verkeert en geschikt is om „waar dan ook ter wereld te werken”. Daarnaast heeft hij op 10 augustus 2019 verschillende door hem ingevulde administratieve formulieren aan EUCAP Somalia doen toekomen, waarvan er twee betrekking hadden op zijn persoonlijke contactgegevens en zijn medische situatie.
9 Wat met name het formulier betreffende de stand van zaken met betrekking tot zijn medische situatie betreft, heeft verzoeker in de bij dat formulier gevoegde medische vragenlijst vermeld dat hij in 2016 een niertransplantatie had ondergaan en dat hij om de drie maanden aan een regelmatige medische follow-up wordt onderworpen. Bovendien heeft hij aangegeven dat zijn medisch rapport zeer goed was en dat hij vijf geneesmiddelen nam. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij niet aan een nierziekte lijdt of had geleden en dat hij medisch wordt begeleid voor secundaire diabetes. Verzoeker heeft verklaard dat hij de vragen in de medische vragenlijst volledig, naar waarheid en naar zijn beste weten had beantwoord. Hij heeft zich ertoe verbonden de medische eenheid onmiddellijk in kennis te stellen van elke eventuele wijziging in de aldus verstrekte medische gegevens.
10 Op 6 september 2019 heeft het hoofd van de afdeling „Ondersteuning van de missie” verzoeker een e-mail gestuurd om hem ervan in kennis te stellen dat de datum van zijn daadwerkelijke stationering wegens onvoorziene omstandigheden was opgeschort. In deze e-mail werd verduidelijkt dat de betaling van de bezoldiging die overeenstemde met de krachtens de overeenkomst overeengekomen prestatie, gewaarborgd was.
11 Op 7 september 2019 heeft verzoeker haar per e-mail geantwoord en erop gewezen dat medische redenen die opschorting niet rechtvaardigden. Verzoeker heeft opgemerkt dat hij op dezelfde dag van de raadgevend arts van EUCAP Somalia een bericht had ontvangen met het verzoek de verplichte informatie in te vullen die nodig was voor de medische voorbereiding van zijn stationering, en dat hij daarop had geantwoord. Hij heeft eraan herinnerd dat hij reeds op 10 augustus 2019 de medische vragenlijst bij het formulier betreffende de stand van zaken met betrekking tot zijn medische situatie naar behoren had ingevuld en ingediend. Hij heeft verklaard dat hij in de loop van de aanstellingsprocedure, die in maart 2019 was begonnen, alle door EUCAP Somalia gevraagde gegevens had verstrekt.
12 Bij e-mail van 15 september 2019 heeft het hoofd van de afdeling „Ondersteuning van de missie” verzoeker meegedeeld dat zij hem geen gedetailleerde uitleg kon geven, waarbij zij aangaf dat het hoofd van de missie voornemens was zijn stationering te heroverwegen teneinde te voldoen aan zijn zorgvuldigheidsplicht jegens het personeel van EUCAP Somalia.
13 Op 17 september 2019 heeft de advocaat van verzoeker een e-mail gestuurd naar EUCAP Somalia teneinde de bevestiging van laatstgenoemde te verkrijgen dat zij hem zijn salaris en de bijbehorende dagvergoedingen zou betalen totdat een definitief besluit over zijn stationering zou worden genomen.
14 Op 24 september 2019 heeft een medisch deskundige een advies uitgebracht aan de raadgevend arts van EUCAP Somalia over de gezondheidsomstandigheden en de beperkte toegang tot medische hulpmiddelen in Somalië, dat een medische contra-indicatie bevatte voor personen die een zware, levenslange farmaceutische behandeling ondergaan – waaronder het gebruik van immunosuppressieve geneesmiddelen of dagelijkse insuline-injecties wegens diabetes – of die lijden aan een andere chronische ziekte waarvoor regelmatig medische consulten nodig zijn, om deze naar Somalisch grondgebied, en in het bijzonder naar Garowe (Somalië), te sturen.
15 Op 25 september 2019 heeft het adjunct-hoofd van de missie verzoeker per e-mail een brief gestuurd waarin hij in wezen verklaarde dat het hoofd van de missie, gelet op de verstrekte informatie over de algemene medische situatie in Somalië en zijn zorgvuldigheidsplicht ten aanzien van het personeel van EUCAP Somalia, zich ernstig zorgen maakte over de uitvoering van de overeenkomst, gezien de fysieke conditie van verzoeker zoals beschreven in de door hem ingevulde medische vragenlijsten en gezien het feit dat de beschikbare medische hulp in het noorden van Somalië aanzienlijk beperkt was. Hij heeft verzoeker verzocht om tijdens een gesprek de omstandigheden van de voorgenomen stationering te bespreken, die een reëel en aanzienlijk risico voor zijn gezondheid kon vormen.
16 Diezelfde dag heeft verzoeker naar de dienst personeelszaken van EUCAP Somalia een formulier betreffende zijn bankgegevens gestuurd om de betaling van zijn bezoldiging mogelijk te maken; dit formulier bevatte zijn adres met het huisnummer.
17 Op 14 oktober 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker, de advocaat van verzoeker, het adjunct-hoofd van de missie, de raadgevend arts van het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (hierna: „CPCC”), de juridische dienst van het CPCC en de juridisch adviseur van EUCAP Somalia, teneinde verzoeker de situatie van de medische voorzieningen in Somalië voor te leggen, alsmede de zorgvuldigheidsplicht van de missie uiteen te zetten en de eventuele redenen voor een mogelijke beëindiging van de overeenkomst. Na afloop van het gesprek werd verzoeker meegedeeld dat EUCAP Somalia binnen een week contact met hem zou opnemen.
18 Bij brief van 4 november 2019, die op 8 november daaraanvolgend is verzonden per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging, heeft het hoofd van de missie verzoeker in kennis gesteld van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst met een opzegtermijn van één week die inging op maandag 18 november 2019. Deze brief is naar verzoeker gestuurd, naar het adres dat hij op 10 augustus 2019 had opgegeven in het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens. Dit adres bevatte geen huisnummer.
19 Op 19 november 2019 heeft verzoeker het adjunct-hoofd van de missie, het hoofd van de afdeling „Ondersteuning van de missie” en de dienst personeelszaken van EUCAP Somalia per e-mail verzocht om hem een verklaring van tewerkstelling en de salarisafrekeningen van de twee voorafgaande maanden te doen toekomen.
20 Op 26 november 2019 heeft verzoeker, via zijn advocaat, de juridisch adviseur van EUCAP Somalia meegedeeld dat hij zijn adres reeds volledig had opgegeven aan EUCAP Somalia in het op 25 september 2019 toegezonden formulier betreffende zijn bankgegevens.
21 Bij brief van 3 december 2019, die op dezelfde dag is verzonden per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging en die door verzoeker op 5 december daaraanvolgend is ontvangen, heeft het hoofd van de missie verzoeker in kennis gesteld van het besluit van EUCAP Somalia om de overeenkomst te beëindigen, dat luidde als volgt: „Ter vrijwaring van de rechten en belangen van [EUCAP Somalia] en voor het geval u de ongeldigheid van de brief [inzake de beëindiging] van 8 november 2019 aan de orde wil stellen, stellen wij u hierbij – onder volledig voorbehoud en zonder nadelige erkenning – in kennis van ons besluit om de arbeidsverhouding tussen EUCAP Somalia en uzelf te beëindigen, met inachtneming van een opzegtermijn van één week die op maandag 9 december 2019 zal ingaan.”
22 Op 10 december 2019 heeft de juridisch adviseur van EUCAP Somalia geantwoord op de e-mail van de advocaat van verzoeker van 26 november 2019. In dit antwoord stond dat alleen de contactgegevens die in het formulier betreffende de persoonsgegevens waren verstrekt, in aanmerking mochten worden genomen voor de communicatie tussen de missie en haar medewerkers. Aldus is aan verzoeker meegedeeld dat EUCAP Somalia de brief van 4 november 2019 op 8 november 2019 enkel op basis van die contactgegevens mocht versturen, zonder dat rekening hoefde te worden gehouden met het bankformulier dat later is toegezonden. In deze e-mail voegde de juridisch adviseur van EUCAP Somalia toe dat, indien verzoeker zijn contactgegevens op het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens had willen aanvullen, hij dit gewijzigde formulier aan de missie had moeten terugsturen. Volgens diezelfde e-mail werd de onvolledigheid van die contactgegevens dus beschouwd als het gevolg van een aan verzoeker toerekenbare fout.
23 Op 16 december 2019 heeft de dienst personeelszaken van EUCAP Somalia verzoeker een verklaring van tewerkstelling doen toekomen, waaruit, ten eerste, bleek dat er tussen 8 september en 25 november 2019 een contractuele arbeidsverhouding bestond en, ten tweede, dat de overeenkomst niet was uitgevoerd.
24 Op 23 december 2019 heeft verzoeker, via zijn advocaat, de in die verklaring vermelde periode van tewerkstelling betwist, waarbij hij erop heeft gewezen dat hij enkel een brief van 3 december 2019 had ontvangen waarin een opzegtermijn van één week was vastgesteld die op 9 december daaraanvolgend inging. Hij heeft het belang van deze informatie benadrukt, gelet op het nut ervan in verband met de aangifte van de exacte periode van tewerkstelling bij de Belgische werkloosheidsverzekering. Voorts heeft hij verzocht hem een kopie van de brief van 4 november 2019 te doen toekomen, welke brief hij niet zou hebben ontvangen.
25 Op 2 januari 2020 heeft verzoeker, via zijn advocaat, in een e-mail aan, onder andere, het hoofd van de personeelsafdeling handelend als adjunct-hoofd van de missie van EUCAP Somalia, op grond van artikel 21 van de overeenkomst een verzoek ingediend met betrekking tot de niet-disciplinaire interne bezwaarprocedure (hierna: „intern bezwaar”) tegen het besluit van EUCAP Somalia om de overeenkomst te beëindigen, zoals ter kennis gebracht bij brief van 3 december 2019.
26 Bij brief van 24 januari 2020, door verzoeker ontvangen op 31 januari daaraanvolgend, heeft het hoofd van de personeelsafdeling van EUCAP Somalia verzoekers verzoek van 2 januari 2020 afgewezen, in het bijzonder door te weigeren het als intern bezwaar aan te merken, aangezien het niet binnen de in artikel 21.1 van de overeenkomst gestelde termijn van één maand te rekenen vanaf de bestreden handeling was ingediend. Hij heeft evenwel in het kader van „goed bestuur” aangegeven dat hij bereid was om op verzoekers verzoek te antwoorden. Hij heeft verklaard dat zijn zorgvuldigheidsplicht vereiste dat de overeenkomst werd beëindigd, gelet op de fysieke ongeschiktheid van verzoeker voor de functie in verband met zijn medische situatie en de toestand van de medische voorzieningen in Somalië.
II. Conclusies van partijen
27 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de brief van 4 november 2019 nietig te verklaren; – de brief van 3 december 2019 nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit van 24 januari 2020 nietig te verklaren; – EUCAP Somalia te veroordelen tot betaling met terugwerkende kracht van zijn bezoldiging tot op de datum waarop de contractuele verhouding definitief, regelmatig en wettelijk wordt beëindigd; – deze bedragen te vermeerderen met rente tegen de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor de basisherfinancieringstransacties vastgestelde rentevoet, vermeerderd met 3,5 procentpunten; – EUCAP Somalia te verwijzen in de kosten.
28 EUCAP Somalia verzoekt het Gerecht: – primair, het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk, althans kennelijk rechtens ongegrond te verklaren; – subsidiair en bij wege van tegenvordering, de overeenkomst nietig te verklaren wegens een wilsgebrek; – uiterst subsidiair en bij wege van tegenvorderingseis, de overeenkomst te ontbinden wegens overmacht ten gevolge van medische redenen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
29 Alvorens het beroep en de tegenvordering van EUCAP Somalia te onderzoeken, dient te worden onderzocht of het Gerecht bevoegd is om uitspraak te doen in het onderhavige geding en dient te worden bepaald welk recht van toepassing is. [omissis]
A. In rechte
33 In zijn stukken en in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht over dit punt benadrukt verzoeker dat wanneer een beroep wordt ingesteld op grond van een arbitragebeding, het hierop van toepassing zijnde recht het nationale recht is dat in de overeenkomst of door de partijen is aangewezen. Voorts betoogt hij dat zijn vordering, voor zover deze betrekking heeft op een besluit om een arbeidsovereenkomst te beëindigen, moet worden onderworpen aan het geldende materiële arbeidsrecht. Dienaangaande merkt hij op dat EUCAP Somalia in het besluit van 24 januari 2020 heeft verwezen naar het Belgisch recht. Hij voegt hieraan toe dat hij zich niet verzet tegen de toepassing van dit recht op de betrokken contractuele verhouding, overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: „verordening Rome I”), en althans overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 8, lid 4, van deze verordening. Verzoeker beroept zich dus op de toepassing van, primair, de contractuele bepalingen en het Unierecht en, bij wijze van aanvulling, het Belgische recht, in het bijzonder de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1978, blz. 9277) (hierna: „wet betreffende de arbeidsovereenkomsten”). Volgens verzoeker moeten de dwingende bepalingen van Belgisch recht bovendien voorrang hebben op de daarmee strijdige contractuele bepalingen.
34 EUCAP Somalia betoogt dat primair het autonome recht van de civiele missies van de Unie in het kader van de GBVB moet worden toegepast, te weten de overeenkomst, de gedrags- en tuchtcode en de operationele standaardprocedures, overeenkomstig artikel 1.1 van de overeenkomst. Zij beroept zich eveneens op de toepassing van het Unierecht en, aanvullend, op die van het op de overeenkomst toepasselijke nationale materiële recht – te weten, in casu, het Belgische recht, dat het recht is van de vaste verblijfplaats van verzoeker – krachtens de verordening Rome I en, in het bijzonder, artikel 8, lid 4, van die verordening. Bovendien heeft EUCAP Somalia in wezen gesteld dat in een situatie waarin een overeenkomst voorziet, de toepassing van de overeenkomst absoluut moet prevaleren, zodat het Gerecht, wanneer zijn bevoegdheid op artikel 272 VWEU berust, niet gerechtigd is om een beding van de overeenkomst buiten toepassing te laten, ook al zou dat beding in strijd zijn met de dwingende bepalingen van het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht.
35 Partijen hebben bevestigd dat het op de overeenkomst toepasselijke nationale materiële recht het Belgische recht was en dat voor het onderzoek van de eventuele contractuele aansprakelijkheid van EUCAP Somalia, primair de bepalingen van de overeenkomst en de bijlagen daarbij moesten worden toegepast en, bij wijze van aanvulling, het Belgische recht voor de kwesties waarin de overeenkomst niet voorzag. Partijen hebben evenwel herhaald dat zij het oneens zijn over de vraag of de toepassing van de dwingende bepalingen van het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht voorrang heeft op daarmee strijdige contractuele bepalingen.
36 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 340, eerste alinea, VWEU de contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.
37 Geschillen die tijdens de uitvoering van een overeenkomst ontstaan, moeten in beginsel worden beslecht op basis van de contractuele bepalingen (zie arrest van 18 november 2015, Synergy Hellas/Commissie, T‑106/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:860, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De uitlegging van de overeenkomst op basis van de voor deze overeenkomst geldende nationale bepalingen is enkel gerechtvaardigd indien er twijfel bestaat over de inhoud van de overeenkomst of over de betekenis van sommige bedingen ervan, dan wel wanneer niet alle aspecten van het geschil op basis van die overeenkomst alleen kunnen worden opgelost. Bijgevolg moet de gegrondheid van het verzoek uitsluitend worden beoordeeld in het licht van de contractuele bepalingen en moet enkel worden teruggegrepen op het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht indien het geschil niet kan worden beslecht aan de hand van deze bepalingen (zie in die zin arrest van 13 juli 2017, Talanton/Commissie, T‑65/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:491, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Dit beginsel kan er echter niet toe leiden dat partijen door de toepassing van de bepalingen van een overeenkomst de mogelijkheid krijgen dwingende bepalingen van het toepasselijke nationale materiële recht, waarvan niet kan worden afgeweken en in overeenstemming waarmee de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten worden nagekomen of zijn nagekomen, terzijde te schuiven.
39 Wanneer de instellingen, organen of instanties van de Unie een overeenkomst uitvoeren, blijven zij bovendien onderworpen aan de krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna „Handvest”) en de algemene beginselen van het Unierecht op hen rustende verplichtingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86). Indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, is die rechter dus bevoegd om, ongeacht het in die overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, eventuele inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).
40 Ingeval de overeenkomst ter zake geen uitsluitsel geeft, dient de Unierechter het toepasselijke recht te bepalen aan de hand van de voorschriften die zijn neergelegd in de verordening Rome I (zie in die zin arrest van 18 februari 2016, Calberson GE/Commissie, T‑164/14, EU:T:2016:85, punt 25).
41 Dienaangaande bepaalt artikel 3, leden 1 en 2, van de verordening Rome I: „1. Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan. 2. De partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van deze verordening, beheerste. Een wijziging in de rechtskeuze door de partijen na de sluiting van de overeenkomst is niet van invloed op de formele geldigheid van de overeenkomst in de zin van artikel 11 en doet geen afbreuk aan rechten van derden.”
42 Artikel 8 van de verordening Rome I, dat van toepassing is op individuele arbeidsovereenkomsten, luidt als volgt: „1. Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze. 2. Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht. 3. Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. 4. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.”
43 In casu is in de overeenkomst niet nader bepaald welk recht erop van toepassing is. Partijen zijn het echter eens over de aanwijzing van het Belgische recht als het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht. Overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit artikel 3 van de verordening Rome I, waarnaar artikel 8, lid 1, van deze verordening verwijst, is het Belgische recht bijgevolg het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is.
44 Zoals EUCAP Somalia terecht stelt, zonder dat verzoeker dit betwist, volgt hoe dan ook uit het geheel der omstandigheden dat de overeenkomst kennelijk een nauwere band heeft met België. Het is juist dat de in artikel 5.1 van de overeenkomst bedoelde plaats van uitvoering de stad Garowe was. Vast staat evenwel dat de overeenkomst niet is uitgevoerd op de daadwerkelijke plaats van stationering in Somalië, dat verzoeker tijdens de periode van tewerkstelling in België is gebleven, dat hij de Belgische nationaliteit bezit en permanent ingezetene van België is, dat de aanstellingsprocedure en de ondertekening van de overeenkomst in België hebben plaatsgevonden, en ten slotte, dat het criterium van permanent ingezetene voor de vaststelling van het op de socialezekerheidsverplichtingen toepasselijke recht krachtens artikel 13 van de overeenkomst impliceert dat België is aangewezen. Gesteld dat artikel 8, lid 4, van verordening Rome I moet worden toegepast in plaats van de in punt 43 hierboven bedoelde bepalingen ervan, blijft het Belgische recht dus het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is.
45 Derhalve moet het onderhavige geschil overeenkomstig de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak primair worden onderzocht op basis van de overeenkomst en, bij wijze van aanvulling, op basis van het Belgische recht, indien twijfel bestaat over de inhoud van de overeenkomst of over de betekenis van sommige bedingen ervan, dan wel wanneer niet alle aspecten van het geschil op basis van die overeenkomst alleen kunnen worden opgelost. Voorts kunnen partijen door de toepassing van de bepalingen van een overeenkomst niet de mogelijkheid krijgen om dwingende bepalingen van het Belgische recht, waarvan niet kan worden afgeweken en in overeenstemming waarmee de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten worden nagekomen of zijn nagekomen, terzijde te schuiven.
B. Beroep
46 De vorderingen van verzoeker omvatten, ten eerste, een vordering tot nietigverklaring van de handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn en, voor zover nodig, van het besluit van 24 januari 2020, en ten tweede, een vordering tot schadevergoeding.
1. Ontvankelijkheid van het beroep
47 EUCAP Somalia voert twee middelen van niet-ontvankelijkheid aan, waarvan het eerste is ontleend aan het gebrek aan duidelijkheid en nauwkeurigheid van het beroep, en het tweede aan het feit dat de in de overeenkomst vastgestelde interne bezwaarprocedure niet volledig is benut. [omissis]
a) Middel van niet-ontvankelijkheid ontleend aan het feit dat de interne bezwaarprocedure niet volledig is benut
58 EUCAP Somalia stelt dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is, op grond dat verzoeker niet eerst intern bezwaar heeft ingediend binnen de in artikel 21.1 van de overeenkomst gestelde termijn van één maand, te rekenen vanaf de verzending, op 8 november 2019, van de brief van 4 november 2019. Bijgevolg heeft verzoeker de in artikel 22.2 van de overeenkomst vastgestelde interne bezwaarprocedure niet volledig benut.
59 Er zij aan herinnerd dat artikel 22.2 van de overeenkomst bepaalt dat de interne bezwaarprocedure van artikel 21.1 van de overeenkomst volledig moet zijn benut alvorens beroep kan worden ingesteld bij de Unierechter. Het bezwaar moet worden ingediend binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van de handeling waardoor de belangen van verzoeker worden geschaad.
60 Bijgevolg moet de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep worden beoordeeld in het licht van een gecombineerde lezing van de artikelen 21.1 en 22 van de overeenkomst. Het staat aan het Gerecht om overeenkomstig die bepalingen na te gaan of verzoeker heeft voldaan aan het vereiste dat de contractuele interne bezwaarprocedure volledig is benut. In het bijzonder moet worden bepaald of verzoeker dit bezwaar heeft ingediend binnen een maand te rekenen vanaf de datum van het besluit waardoor zijn belangen worden geschaad.
61 Zoals in punt 39 hierboven is aangegeven, blijven de diensten van de Unie bij de uitvoering van een overeenkomst onderworpen aan de verplichtingen die krachtens het Handvest op hen rusten.
62 In dit verband moet ervoor worden gezorgd dat alle voor het geschil relevante feitelijke en juridische kwesties worden onderzocht teneinde een effectieve rechterlijke bescherming krachtens artikel 47 van het Handvest te waarborgen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020,Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 79), volgens welke bepaling „[e]enieder […] recht [heeft] op een […] behandeling van zijn zaak […] door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat […] bij wet is ingesteld”.
63 Hieruit volgt dat wanneer een overeenkomst – waarin krachtens artikel 272 VWEU een arbitragebeding ten gunste van de Unierechter is opgenomen – een bepaling bevat volgens welke een partij volledig gebruik moet maken van een intern rechtsmiddel alvorens zich tot het Gerecht te wenden, moet worden gewaarborgd dat dit rechtsmiddel kan worden uitgeoefend onder voorwaarden die de betrokkene niet het recht op effectieve rechterlijke bescherming ontnemen.
64 Voorts bestaat er volgens de rechtspraak van het Hof een fundamenteel beginsel in de rechtsorde van de Unie dat een overheidsbesluit niet aan de justitiabelen kan worden tegengeworpen voordat deze er kennis van hebben kunnen nemen (zie in die zin arrest van 25 januari 1979, Racke, 98/78, EU:C:1979:14, punt 15).
65 De verwijzing naar de datum van de betrokken handeling, waarin artikel 21.1 van de overeenkomst voorziet en die de aanvang vormt van de termijn van één maand die bepalend is voor de regelmatige indiening van intern bezwaar in de zin van de overeenkomst, moet bijgevolg aldus worden uitgelegd dat zij ziet op de datum waarop de verzoeker in staat is gesteld naar behoren kennis te nemen van de inhoud van die handeling.
66 Met het oog op de vaststelling van de datum waarop verzoeker kennis heeft genomen van het besluit om de overeenkomst te beëindigen, zij eraan herinnerd dat de partij die aanvoert dat het beroep te laat is ingesteld, het bewijs moet leveren van de datum van de kennisgeving van het bestreden besluit, en in elk geval de datum waarop de betrokkene ervan kennis heeft genomen indien het een maatregel van individuele aard betreft (zie naar analogie arrest van 29 november 2018, WL/ERCEA, T‑493/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:852, punt 59). In casu dient EUCAP Somalia dit te bewijzen.
67 Bij brief van 2 januari 2020 heeft verzoeker op basis van artikel 21.1 van de overeenkomst intern bezwaar ingediend tegen de brief van 3 december 2019 waarbij hem kennis is gegeven van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst waarvan hij op 5 december daaraanvolgend daadwerkelijk in kennis is gesteld.
68 EUCAP Somalia stelt evenwel dat verzoeker reeds op de hoogte was van het besluit om de overeenkomst te beëindigen sinds de kennisgeving ervan door middel van de brief van 4 november 2019 die op 8 november 2019 per aangetekende brief met ontvangstbevestiging naar zijn woonadres is verzonden. Overeenkomstig de artikelen 21.1 en 22.2 van de overeenkomst had verzoeker dus uiterlijk op 8 december 2019 intern bezwaar tegen dit besluit moeten indienen en kan zijn brief van 2 januari 2020 niet worden beschouwd als een handeling waarbij regelmatig intern bezwaar is ingediend.
69 EUCAP Somalia zet in dit verband uiteen dat uit het dossier betreffende de aanvraag voor rechtsbijstand die verzoeker vóór de instelling van het onderhavige beroep heeft ingediend en die de president van het Gerecht bij beschikking van 9 september 2020 heeft afgewezen, blijkt dat verschillende gegevens inconsistent zijn. Uit deze gegevens zou blijken dat hij reeds in de maanden november en december 2019 op de hoogte was van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst. In het bijzonder zou verzoeker vanaf 1 december 2019 werkloosheidsuitkeringen hebben ontvangen, op basis van een aanvraag die hij op 19 november 2019 bij EUCAP Somalia had ingediend teneinde een verklaring van tewerkstelling te verkrijgen. Volgens EUCAP Somalia moet de inschrijving bij de bevoegde Belgische werkloosheidsinstanties in beginsel plaatsvinden binnen acht dagen na de eerste dag van werkloosheid en moet aan deze instanties het bewijs worden geleverd van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst, hetgeen impliceert dat hij op de hoogte was van dit besluit.
70 Voorts betwist EUCAP Somalia dat verzoeker zich kan beroepen op het feit dat hij de brief van 4 november 2019 niet heeft ontvangen, op grond dat deze naar een onvolledig adres is gestuurd. De brief is immers gestuurd naar het adres dat verzoeker had opgegeven in het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens, het enige formulier waarmee rekening moet worden gehouden bij de communicatie tussen partijen per post. De eventuele verzending aan een onvolledig adres is derhalve het gevolg van een onverschoonbare fout van verzoeker, die niet aan EUCAP Somalia kan worden toegerekend.
71 Wat in de eerste plaats de stelling betreft dat verzoeker in november 2019 op de hoogte was van de inhoud van de brief van 4 november 2019, moet worden opgemerkt dat EUCAP Somalia er weliswaar voor heeft gekozen om de brief van 4 november 2019 door middel van een aangetekende brief op 8 november daaraanvolgend ter kennis te brengen, maar dat zij geen bewijs levert van die kennisgeving, in het bijzonder door overlegging van de door verzoeker naar behoren ondertekende ontvangstbevestiging van de aangetekende brief of door overlegging van een afhaalbericht op het laatste door verzoeker opgegeven adres. Derhalve kan niet worden aangetoond dat verzoeker de brief van 4 november 2019 in november 2019 heeft ontvangen en dat hij dus op die datum naar behoren kennis heeft kunnen nemen van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst.
72 Het feit dat verzoeker op 23 december 2019 de in de verklaring van tewerkstelling van 16 december 2019 vermelde periode van tewerkstelling heeft betwist (zie punt 24 hierboven), aangezien de daarin vermelde einddatum van de overeenkomst, te weten 25 november 2019, niet overeenkwam met de einddatum van de in de brief van 3 december 2019 vermelde opzegtermijn, en hij bij die gelegenheid heeft verzocht om een kopie van de brief van 4 november 2019 waarnaar in de brief van 3 december 2019 wordt verwezen, bevestigt voorts dat hij in december 2019 niet op de hoogte was van de inhoud van deze eerste brief.
73 EUCAP Somalia heeft deze brief inderdaad gestuurd naar het adres dat verzoeker in het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens had vermeld, en partijen zijn het erover eens dat dit adres onvolledig was omdat verzoeker het huisnummer niet had vermeld.
74 Uit het dossier blijkt evenwel dat verzoeker EUCAP Somalia vóór de litigieuze verzending een volledig adres met vermelding van het huisnummer had verstrekt in twee andere formulieren, ten eerste in het formulier betreffende de vermelding van de identiteit van een rechthebbende in geval van overlijden – dat gelijktijdig met het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens was overgelegd – en ten tweede in het formulier betreffende zijn bankgegevens, dat op 25 september 2019 per e-mail was verzonden.
75 Bij zorgvuldig handelen had EUCAP Somalia verzoeker dus in staat kunnen stellen naar behoren kennis te nemen van de inhoud van de brief van 4 november 2019 door zijn volledige adres op te zoeken, dat in de door hem verstrekte inlichtingen was vermeld. In de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak kan EUCAP Somalia zich bijgevolg niet beroepen op het feit dat verzoeker haar in het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens een adres heeft verstrekt zonder het huisnummer te vermelden.
76 Wat voorts de argumenten van EUCAP Somalia betreft die zijn ontleend aan het dossier inzake rechtsbijstand van verzoeker, blijkt uit dit dossier inderdaad dat verzoeker voor de gehele maand december een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen van de bevoegde Belgische autoriteiten. Het document waaruit deze betaling blijkt, dateert evenwel van 16 januari 2020. Bovendien blijkt uit het door verzoeker op 2 januari 2020 ingediende interne bezwaar dat hij op die datum heeft aangegeven dat hij niet in aanmerking kwam voor deze uitkering omdat zijn administratief dossier onvolledig was. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de werkloosheidsuitkering met terugwerkende kracht is betaald vanaf een datum na 2 januari 2020, en op basis van de door EUCAP Somalia op 16 december 2019 aan verzoeker gezonden verklaring van tewerkstelling, waarin een einddatum van de periode van tewerkstelling is vermeld die gelijk is aan de in de brief van 4 november 2019 vermelde einddatum van de opzegtermijn. Uit deze betaling met terugwerkende kracht kan dus niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat verzoeker vóór 16 of 23 december 2019 of vóór 2 januari 2020 de Belgische autoriteiten in kennis heeft kunnen stellen van het bij brief van 4 november 2019 ter kennis gebrachte besluit tot beëindiging van de overeenkomst.
77 Evenmin kan uit het feit dat verzoeker op 26 november 2019 zijn volledige contactgegevens aan EUCAP Somalia heeft verstrekt, worden afgeleid dat hij op die datum op de hoogte was van de brief van 4 november 2019. Het feit dat verzoeker deze contactgegevens bij EUCAP Somalia in herinnering brengt, teneinde zich ervan te vergewissen dat elke kennisgeving naar het juiste adres was of zou worden gestuurd, kan worden verklaard door de inhoud van de informatie die hij tijdens het gesprek van 14 oktober 2019 had ontvangen en waaruit bleek dat hij op een later moment een kennisgeving van een besluit van EUCAP Somalia aan zijn woonadres kon verwachten. Tijdens dit gesprek heeft EUCAP Somalia verzoeker immers meegedeeld dat deze stap niet tot doel had om, harerzijds, onmiddellijk een besluit over de overeenkomst te nemen, maar veeleer tot doel had om hem in de gelegenheid te stellen uitleg te krijgen over de levensomstandigheden op de werkplek, zijn opmerkingen en vragen te vergaren en hem erover te informeren dat EUCAP Somalia binnen een week opnieuw contact met hem zou opnemen over de mogelijke vervolgstappen. Uit deze mededeling kan op zich dus niet worden afgeleid dat verzoeker op 26 november 2019 op de hoogte was van de brief van 4 november 2019.
78 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd, dat EUCAP Somalia niet het bewijs levert dat verzoeker in november 2019 naar behoren kennis heeft genomen van de inhoud van de brief van 4 november 2019. Overigens blijkt uit het dossier dat verzoeker daarvan naar behoren kennis heeft kunnen nemen op 31 januari 2020, de datum waarop die brief hem daadwerkelijk als bijlage bij het besluit van 24 januari 2020 ter kennis is gebracht door EUCAP Somalia.
79 Wat in de tweede plaats de datum betreft waarop verzoeker daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief van 3 december 2019, staat tussen partijen vast dat het besluit tot beëindiging van de overeenkomst ter kennis van verzoeker is gebracht middels verzending van deze brief aan zijn volledige adres. Hij heeft de brief naar behoren ontvangen en is daarvan in kennis gesteld op 5 december daaraanvolgend.
80 Aangezien het besluit tot beëindiging van de overeenkomst, zoals ter kennis gebracht bij brief van 3 december 2019, een voor verzoeker nadelige individuele maatregel was, kon laatstgenoemde zich dus beroepen op artikel 21.1 van de overeenkomst en bij brief van 2 januari 2020 een rechtsmiddel instellen, welk rechtsmiddel moet worden aangemerkt als intern bezwaar tegen dat besluit.
81 Aangezien dit interne bezwaar door verzoeker is ingediend binnen een maand nadat hij, overeenkomstig artikel 21.1 van de overeenkomst, kennis had genomen van de voor hem bezwarende brief van 3 december 2019, is het onderhavige beroep, dat overeenkomstig artikel 22.2 van de overeenkomst is ingesteld, ontvankelijk. Bijgevolg moet het door EUCAP Somalia in dit verband opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
2. Schendingen met betrekking tot de handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn en het besluit van 24 januari 2020
82 In het kader van zijn beroep komt verzoeker niet op tegen het besluit tot beëindiging van de overeenkomst als zodanig of, met andere woorden, het recht van EUCAP Somalia om de arbeidsverhouding te beëindigen.
83 Verzoeker vordert daarentegen nietigverklaring van de handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn en, voor zover nodig, van het besluit van 24 januari 2020, aangezien deze in strijd zijn met verschillende bepalingen van de overeenkomst alsmede met het Unierecht en, in voorkomend geval, met het toepasselijke nationale recht.
a) Handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn
84 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van de handelingen van kennisgeving van de opzegtermijn beroept verzoeker zich in wezen op: ten eerste, niet-nakoming van de motiveringsplicht; ten tweede, met name wat betreft de brief van 4 november 2019, de „onwerkzaamheid en ongeldigheid” van deze brief alsmede schending van artikel 21 van de overeenkomst en van het recht om te worden gehoord tijdens de interne bezwaarprocedure; ten derde, schending van artikel 18.1 en artikel 17.2 van de overeenkomst, en, ten vierde, schending van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten ingeval het Belgische recht van toepassing is.
85 Het Gerecht zal achtereenvolgens de eerste drie grieven van verzoeker onderzoeken. De vierde grief is in wezen aangevoerd ter ondersteuning van de tweede en de derde grief en zal in dat kader worden onderzocht. [omissis]
1) Ongeldigheid en onwerkzaamheid van de kennisgeving van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst bij brief van 4 november 2019, en schending van het in artikel 21 van de overeenkomst neergelegde recht om te worden gehoord
99 Verzoeker vordert nietigverklaring van de brief van 4 november 2019, aangezien deze hem pas is meegedeeld bij het besluit tot afwijzing van zijn interne bezwaar. Tot staving van dit betoog voert hij ten eerste aan dat deze brief hem niet regelmatig ter kennis is gebracht en niet voldoet aan de in het Belgische recht gestelde formele geldigheidsvoorwaarden. Ten tweede beroept hij zich erop dat EUCAP Somalia artikel 21 van de overeenkomst en het recht om tijdens de interne bezwaarprocedure te worden gehoord, heeft geschonden.
100 Wat de regelmatigheid van de kennisgeving van de brief van 4 november 2019 betreft, betoogt verzoeker dat de verzending van deze brief onregelmatig is, aangezien deze op 8 november daaraanvolgend is verzonden door middel van een aangetekende brief die naar een onvolledig adres is gestuurd. Hij voegt hieraan toe dat het enkele bewijs van betaling van een aangetekende brief niet volstaat om het bewijs van de verzending te leveren, maar dat het ontvangstbewijs van de brief naar Belgisch recht wel volstaat. Voorts kan de latere kennisgeving door EUCAP Somalia, in januari 2020, van de brief van 4 november 2019 niet worden beschouwd als een regularisatie van de aanvankelijke verzending van deze brief aan een onjuist adres, zodat deze geen rechtvaardiging vormen voor een toepassing met terugwerkende kracht van de daarin vastgestelde opzegtermijn.
101 Volgens verzoeker moet de brief van 4 november 2019 bijgevolg als nietig worden beschouwd en is de daarin bepaalde opzegtermijn van één week absoluut nietig, zodat deze overeenkomstig artikel 37, lid 1, vierde alinea, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten niet kan ingaan op de bepaalde datum. Verzoeker verduidelijkt voorts dat deze nietigheid enkel betrekking heeft op de kennisgeving van het ontslag met een opzegtermijn, maar geen invloed heeft op het bestaan van het ontslag, zodat de brief van 4 november 2019 niet kan worden aangevoerd ter betwisting van zijn verzoek om toekenning van een opzeggingsvergoeding.
102 EUCAP Somalia is van mening dat verzoeker formeel in kennis is gesteld van de beëindiging van de overeenkomst middels de brief van 4 november 2019 die na de verzending van 8 november daaraanvolgend naar verwachting is ontvangen. Voorts voert zij aan dat deze brief aan verzoeker ter kennis is gebracht middels een aangetekende brief met ontvangstbevestiging die is verzonden naar het adres dat hij zelf had opgegeven in het op 10 augustus 2019 ingevulde formulier betreffende de persoonlijke contactgegevens. Op grond van het Belgische arbeidsrecht, en met name van artikel 37, lid 1, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, is de kennisgeving van die brief derhalve geldig, aangezien het feit dat het adres op die brief onvolledig was, te wijten is aan een onverschoonbare fout van verzoeker. EUCAP Somalia betoogt hoe dan ook dat zij de kennisgeving van de opzegtermijn in overeenstemming met het Belgische recht heeft geregulariseerd middels de verzending van de brief van 3 december 2019.
103 In casu bevat de overeenkomst geen bepalingen op basis waarvan het gedeelte van het geding dat betrekking heeft op de naleving van de formele geldigheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de kennisgeving van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst door EUCAP Somalia aan verzoeker, rechtstreeks kan worden beslecht. Bijgevolg dienen, overeenkomstig de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak, de regels van het Belgische recht te worden toegepast om de gegrondheid te onderzoeken van de argumenten die verzoeker in het kader van de onderhavige grief aanvoert.
104 Artikel 40, lid 2, tweede alinea, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, gelezen in samenhang met artikel 37, lid 1, van deze wet, bepaalt met name dat wanneer de opzegging uitgaat van de werkgever, de kennisgeving ervan, op straffe van nietigheid, enkel kan geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot.
105 In dit verband staat het om te beginnen aan de werkgever om aan te tonen dat de aangetekende brief de geadresseerde heeft bereikt. Wanneer de kennisgeving van de opzegtermijn geschiedt bij een ter post aangetekende brief, moet de brief naar het juiste adres worden gestuurd. De aangetekende brief die naar een onjuist adres is gestuurd, kan geen effect sorteren. De ondoeltreffendheid van de kennisgeving kan niet worden opgevangen door een kopie van de brief aan de werknemer te overhandigen. De kennisgeving van een opzegtermijn per aangetekende post is dus nietig indien het adres op het afgiftebewijs onjuist is [cour du travail de Bruxelles (arbeidshof Brussel, België), arrest van 7 november 2016, nr. 2015/AB/742]. Dat de werkgever enkel een betalingsbewijs overlegt van een aangetekende verzending is voorts niet toereikend (zie in die zin, cour du travail de Bruxelles, arrest van 22 april 2016, nr. 2014/AB/765).
106 Vervolgens moet de opzegtermijn op straffe van nietigheid ter kennis worden gebracht op het laatste adres waarvan de werkgever op de hoogte was [arbeidshof Brussel, arrest van 19 oktober 2012, nr. 2011/AB/1014]. Met andere woorden, indien de kennisgeving van de opzegtermijn naar een onjuist adres is gestuurd terwijl de werkgever het nieuwe adres kende of had moeten kennen, is deze kennisgeving onregelmatig en is de werkgever gehouden tot betaling van een opzeggingsvergoeding (arbeidshof Gent, België, arrest van 14 november 2011, J.T.T. 2012, 1124, 1589). Een werkgever kan evenwel niet worden verweten dat hij de verplichting tot kennisgeving van de opzegtermijn aan het juiste adres niet is nagekomen, wanneer de kennisgeving aan een onjuist adres is gezonden als gevolg van een fout of nalatigheid van de werknemer [cour du travail de Liège (arbeidshof Luik, België), arrest van 2 maart 2005, J.T.T. 2005, 926, 383]. In dit verband dient de werknemer zijn werkgever tijdig in kennis te stellen van een adreswijziging. In een geval waarin de werknemer niet had aangetoond dat hij zijn werkgever op de hoogte had gesteld van zijn adreswijziging, is geoordeeld dat de kennisgeving van de opzegtermijn die naar het voormalige adres van de werknemer was gestuurd, geldig was, zodat de opzegtermijn kon ingaan op de door de werkgever vastgestelde datum (cour du travail de Liège, arrest van 14 januari 2004, nr. 27.452‑98). Het is evenwel niet uitgesloten dat de werkgever andere aanwijzingen of adressen die de werknemer in een andere context heeft verstrekt, in aanmerking kan nemen (zie in die zin, cour du travail de Liège, arrest van 2 maart 2005, J.T.T. 2005, 926, 383).
107 Voorts heeft een fout van de werkgever in de vermelding van het adres van de werknemer bij de verzending van een brief houdende beëindiging van een arbeidsovereenkomst, naar Belgisch recht de absolute nietigheid van de in die brief vermelde opzegtermijn tot gevolg, welke nietigheid de werknemer niet kan dekken. Het ontslag is in dat geval onmiddellijk, tenzij de rechter na een redelijke termijn oordeelt dat partijen afstand hebben gedaan van hun recht om onmiddellijk ontslag in te roepen (Hof van Cassatie, arrest van 28 januari 2008, R.G. S.07.0056.N; zie eveneens cour du travail de Bruxelles, arrest van 7 november 2016, nr. 2015/AB/742). Met andere woorden, de nietigheid van de opzegtermijn brengt het bestaan van het ontslag niet in gedrang (Hof van Cassatie, arrest van 6 januari 1997, J.T.T. 1997, 119). Zodra de werknemer wiens opzegtermijn nietig is, op de hoogte is van de nietigheid daarvan, kan hij zich onder meer beroepen op het ontslag en onmiddellijke betaling van de opzeggingsvergoeding eisen, dan wel de uitvoering van de overeenkomst voortzetten tot aan het einde van de op onregelmatige wijze ter kennis gebrachte opzegtermijn, en bij het verstrijken van de opzegtermijn aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding (cour du travail de Liège, arrest van 15 januari 2008, J.T.T. 2008, 1004, 160).
108 Ten slotte kan de werkgever de werknemer, zolang deze niet de nietigheid van de opzegtermijn heeft ingeroepen om zich op het onmiddellijke ontslag te beroepen, een nieuwe opzegtermijn overeenkomstig de wettelijke vereisten ter kennis brengen (cour du travail de Liège, arresten van 15 januari 2008, R.G. nr. 8356/2007, en 17 oktober 2013, nr. 2012/AL/332). In een dergelijk geval gaat de opzegtermijn overeenkomstig artikel 37/1 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten in op de maandag die volgt op de week waarin de nieuwe opzegtermijn ter kennis is gebracht.
109 In casu is, ten eerste, in de punten 67 tot en met 78 hierboven vastgesteld dat EUCAP Somalia niet het bewijs heeft geleverd van de daadwerkelijke gevolgen van de kennisgeving van de brief van 4 november 2019, in het bijzonder door overlegging van een door verzoeker naar behoren ondertekend ontvangstbewijs of door de overlegging van een afhaalbericht op het laatste door hem opgegeven adres, en dat ten tweede niet kan worden aangetoond dat verzoeker op basis van die brief op de datum van 8 november daaraanvolgend naar behoren kennis heeft kunnen nemen van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst en van de daartoe vastgestelde opzegtermijn.
110 In die omstandigheden bevat de kennisgeving van de brief van 4 november 2019 – die naar een onjuist adres is gestuurd zoals blijkt uit het verzendbewijs waarin een onvolledig adres wordt vermeld – overeenkomstig de in punt 105 hierboven aangehaalde rechtspraak een onregelmatigheid die tot de absolute nietigheid van de in die brief vermelde opzegtermijn leidt, die niet kan worden geregulariseerd door de latere kennisgeving van die brief door EUCAP Somalia aan verzoeker op 24 januari 2020.
111 Ten tweede blijkt uit punt 73 hierboven eveneens dat EUCAP Somalia de brief van 4 november 2019 naar een onvolledig adres heeft gestuurd omdat verzoeker in het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens zijn huisnummer niet had vermeld.
112 Het is juist dat – naar Belgisch recht waarnaar in punt 106 hierboven wordt verwezen – deze nalatigheid van verzoeker EUCAP Somalia zou kunnen ontheffen van haar aansprakelijkheid wegens niet-nakoming van de verplichting tot kennisgeving van de opzegtermijn aan verzoekers juiste adres. Zoals in punt 74 hierboven is vastgesteld had verzoeker EUCAP Somalia vóór de litigieuze verzending evenwel zijn volledige adres verstrekt in een formulier betreffende de vermelding van de identiteit van een rechthebbende in geval van overlijden, dat gelijktijdig met het formulier betreffende zijn persoonlijke contactgegevens was overgelegd, alsmede in een formulier betreffende zijn bankgegevens. Derhalve had EUCAP Somalia, die toegang tot deze informatie had, het meest volledige adres van verzoeker kunnen opzoeken in de andere door hem verstrekte informatie. In die omstandigheden kan de nalatigheid van verzoeker EUCAP Somalia derhalve niet ontheffen van haar aansprakelijkheid voor de onregelmatigheid van de kennisgeving van de brief van 4 november 2019, en kan deze dientengevolge niet in de weg staan aan de nietigheid van de in die brief vastgestelde opzegtermijn.
113 Ten derde zij erop gewezen dat EUCAP Somalia op 3 december 2019 een tweede kennisgevingsbrief naar verzoeker heeft gestuurd, waarin hij in kennis werd gesteld van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst „met inachtneming van een opzegtermijn van één week die op maandag 9 december 2019 [inging]”. Verzoeker betwist niet dat hij deze brief, die per aangetekende post naar zijn volledige adres is gestuurd, heeft ontvangen en van de inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen. Overeenkomstig de in punt 108 hierboven aangehaalde rechtspraak dient aldus te worden vastgesteld dat EUCAP Somalia met de brief van 3 december 2019, op de datum van ontvangst ervan door verzoeker op 5 december daaraanvolgend, de fout heeft hersteld die zij had gemaakt bij de kennisgeving van de opzegtermijn bij de brief van 4 november 2019.
114 Met betrekking tot het argument dat verzoeker in zijn schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht heeft aangevoerd en waarmee hij de regelmatigheid van de tweede opzegtermijn betwist wegens het voorwaardelijke karakter ervan, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht nieuwe middelen niet in de loop van het geding mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Volgens de rechtspraak is deze bepaling ook van toepassing op grieven of argumenten (zie arrest van 14 juli 2021, AQ/eu-LISA, T‑164/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:456, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een middel of een argument dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en dat daarmee nauw verband houdt, moet echter ontvankelijk worden verklaard (zie arrest van 15 december 2021, Oltchim/Commissie, T‑565/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:904, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat bovengenoemd argument niet is gebaseerd op gegevens die tijdens de procedure naar voren zijn gekomen, en ten tweede dat bovengenoemd argument geen nauw verband houdt met een in het verzoekschrift aangevoerd argument. Ook al is dit argument aangevoerd in het kader van het antwoord van verzoeker op een vraag van het Gerecht, vastgesteld moet worden dat het de strekking van die vraag te buiten gaat (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 februari 2019, RK/Raad, T‑11/17, EU:T:2019:65, punt 54). Derhalve dient dat argument niet-ontvankelijk te worden verklaard.
116 Uit een en ander volgt dat de brief van 4 november 2019 door EUCAP Somalia op onregelmatige wijze ter kennis van verzoeker is gebracht, omdat de dienaangaande in het Belgische recht gestelde formele geldigheidsvoorwaarden niet in acht zijn genomen, hetgeen tot de absolute nietigheid van de daarin vastgestelde opzegtermijn leidt. Uit een en ander blijkt echter ook dat EUCAP Somalia deze fout heeft hersteld op basis van de regelmatige kennisgeving van de brief van 3 december 2019, die ten aanzien van verzoeker dus ten volle effect sorteert.
117 Bijgevolg moet verzoekers grief inzake de ongeldigheid en de onwerkzaamheid van de kennisgeving van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst middels de brief van 4 november 2019, die hij ter ondersteuning van zijn eerste vordering heeft aangevoerd, worden aanvaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over zijn argument dat is ontleend aan schending van artikel 21 van de overeenkomst en van zijn contractuele recht om te worden gehoord. Dit argument was immers aangevoerd ter ondersteuning van de eerste vordering, die wordt aanvaard. Bovendien is aan deze vermeende schending geen vordering tot schadevergoeding verbonden.
2) Schending van de artikelen 17.2 en 18.1 van de overeenkomst
118 Verzoeker is ten eerste van mening dat aangezien hij niet in de gelegenheid is gesteld daadwerkelijk te werken, zijn arbeidsprestatie niet als een ontoereikende arbeidsprestatie kan worden beschouwd en niet kan worden geconcludeerd dat hij niet heeft aangetoond over voldoende professionele vaardigheden te beschikken voor de functie in de zin van artikel 17.2 van de overeenkomst. EUCAP Somalia had derhalve niet artikel 17.2 van de overeenkomst moeten toepassen, maar artikel 18.1, waarin is bepaald dat elk van de partijen het recht heeft om de overeenkomst op elk moment te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Door te besluiten een opzegtermijn van één week toe te passen, heeft EUCAP Somalia inbreuk gemaakt op zowel artikel 17.2 van de overeenkomst, dat niet voorziet in een verplichte opzegtermijn, als artikel 18.1 daarvan, dat voorziet in een opzegtermijn van één maand.
119 Ten tweede wijst verzoeker erop dat naar het Belgische recht, op straffe van nietigheid, niet mag worden afgeweken van de afschaffing – sinds 1 januari 2014 – van proeftijdbedingen in de arbeidsovereenkomsten. Indien dit beginsel wordt toegepast op het onderhavige geval leidt dit tot nietigheid van artikel 17.2 van de overeenkomst, waar EUCAP Somalia zich voor de beëindiging van de overeenkomst op heeft gebaseerd. Bijgevolg had het in artikel 17.2 van de overeenkomst opgenomen proeftijdbeding buiten toepassing moeten worden gelaten en had enkel artikel 18.1 van de overeenkomst, dat voorziet in een opzegtermijn van één maand, moeten worden toegepast. Voorts herinnert verzoeker eraan dat de gestelde onregelmatigheid van de kennisgeving van de brief van 4 november 2019 naar Belgisch recht leidt tot nietigheid van de daarin vastgestelde opzegtermijn van één week. Volgens verzoeker houdt dit recht in dat de overeenkomst in een dergelijk geval onmiddellijk wordt beëindigd tegen betaling van een opzeggingsvergoeding.
120 Bijgevolg is het besluit tot beëindiging van de overeenkomst, zoals ter kennis gebracht bij brieven van 4 november en 3 december 2019, volgens verzoeker nietig wegens schending van zowel de contractuele bepalingen als de bepalingen van Belgisch recht.
121 EUCAP Somalia herinnert eraan dat verzoeker ten tijde van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst een proeftijd van drie maanden had, die van 8 september tot en met 8 december 2019 liep. Dientengevolge vormt artikel 17.2 van de overeenkomst de enige contractuele grondslag voor het besluit om de overeenkomst te beëindigen.
122 In dit verband erkent EUCAP Somalia om te beginnen weliswaar dat het Belgische arbeidsrecht niet langer bepalingen inzake proeftijd bevat, maar zij is van mening dat het Gerecht, wanneer zijn bevoegdheid op artikel 272 VWEU berust, een beding van de overeenkomst niet buiten toepassing mag laten, zelfs al blijkt dat beding strijdig te zijn met het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht, aangezien de toepassing van de tussen haar en verzoeker vrijwillig overeengekomen bedingen voorrang dient te krijgen. Derhalve moet artikel 17.2 van de overeenkomst worden toegepast ondanks dat het Belgische recht is aangewezen als het op de overeenkomst toepasselijke recht.
123 Vervolgens is EUCAP Somalia van mening dat zij geen fout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoeker op grond van dit artikel wegens medische contra-indicaties niet over de nodige lichamelijke geschiktheid beschikte om de overeenkomst goed uit te voeren.
124 Ten slotte wijst zij erop dat zij het Belgische recht niettemin bij wijze van aanvulling heeft toegepast en in dat kader een opzegtermijn van één week heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 37, lid 2, en artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, ofschoon artikel 17.2 van de overeenkomst haar niet daartoe verplichtte. EUCAP Somalia heeft voorts verduidelijkt dat het mechanisme van artikel 17.2 van de overeenkomst, dat voorziet in de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen gedurende de eerste drie maanden van de contractuele verhouding, gelijkenis vertoont met het Belgische recht, op grond waarvan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eenzijdig kan worden beëindigd gedurende de eerste helft van de overeengekomen duur van de overeenkomst, maar ten laatste binnen de eerste zes maanden.
125 Wat in casu het Belgische recht betreft dat van toepassing is op de overeenkomst (zie punt 45 hierboven), is bij de wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzegtermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen van 26 december 2013(Belgisch Staatsblad van 31 december 2013, blz. 104147) het recht om een proeftijdbeding in arbeidsovereenkomsten op te nemen met ingang van 1 januari 2014 afgeschaft. Deze afschaffing geldt op straffe van relatieve nietigheid van elk daarmee strijdig beding, en wel op grond van artikel 6 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat bepaalt dat alle met de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten strijdige bedingen nietig zijn voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren. Voorts is bij deze wet zowel voor de werkgever als voor de werknemer de mogelijkheid ingevoerd om – gedurende de eerste helft van de in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vastgestelde duur en binnen een termijn van zes maanden – de overeenkomst te beëindigen met inachtneming van nieuwe opzegtermijnen als bedoeld in artikel 37/2, lid 1, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten.
126 Deze Belgische wettelijke bepalingen, die de bescherming van de werknemers regelen en waarborgen, zijn dus dwingend van aard.
127 Ten derde is het juist dat partijen vrijwillig overeenstemming hebben bereikt over een proeftijd van drie maanden, van 8 september tot en met 8 december 2019, en over de bewoordingen van artikel 17.2 van de overeenkomst, dat daartoe voorziet in een proeftijdbeding.
128 Niettemin moet worden opgemerkt dat dit tussen partijen vrijwillig overeengekomen proeftijdbeding niet voorziet in een opzegtermijn in geval van beëindiging van de overeenkomst tijdens de betrokken proeftijd, waardoor verzoekers rechten worden beperkt en zijn verplichtingen, in strijd met de artikelen 6 en 37/2 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, worden uitgebreid.
129 Zoals blijkt uit punt 45 hierboven, kan dat proeftijdbeding, op straffe van nietigheid, echter niet de dwingende bepalingen van het op de overeenkomst toepasselijke Belgische materiële arbeidsrecht buiten werking stellen.
130 Bijgevolg dient het in artikel 17.2 van de overeenkomst opgenomen proeftijdbeding dat partijen zijn overeengekomen, nietig te worden verklaard, zoals verzoeker in wezen verzoekt, en moet het voor de beslechting van het onderhavige geschil buiten toepassing worden gelaten.
131 Het is juist dat de toepassing op de onderhavige zaak van artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, gelezen in samenhang met artikel 37, lid 1, en de artikelen 37/1 en 37/2 van die wet, EUCAP Somalia ertoe verplichtte een opzegtermijn van één week in acht te nemen, aangezien verzoeker behoorde tot de categorie werknemers met minder dan drie maanden anciënniteit.
132 Uit een gecombineerde lezing van de artikelen 6, 37/2 en 40 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten volgt evenwel dat de partijen bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een beding kunnen opnemen op grond waarvan voor de beëindiging van die overeenkomst een afwijkende opzegtermijn geldt die langer is dan die waarin is voorzien op grond van artikel 37/2 van die wet, aangezien een dergelijk beding de rechten van de werknemer verruimt en zijn verplichtingen vermindert.
133 Dit is in casu het geval. Er zij immers aan herinnerd dat artikel 18.1 van de overeenkomst, waarvan de bewoordingen in punt 5 hierboven zijn weergegeven, voorzag in de mogelijkheid van eenzijdige beëindiging van de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.
134 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat EUCAP Somalia de in artikel 18.1 van de overeenkomst bepaalde opzegtermijn had moeten toepassen, aangezien deze opzegtermijn verzoeker meer bescherming biedt dan de krachtens de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalde opzegtermijn van één week.
135 Derhalve moet verzoekers grief inzake schending van de artikelen 17.2 en 18.1 van de overeenkomst worden aanvaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over zijn aanvullende argumenten in dit verband.
136 Wat de gevolgen van deze schending voor de brief van 3 december 2019 betreft, zij eraan herinnerd dat EUCAP Somalia het besluit tot beëindiging van de overeenkomst regelmatig ter kennis heeft gebracht door toezending van de brief van 3 december 2019 die verzoeker op 5 december daaraanvolgend heeft ontvangen (zie punt 113 hierboven). Het besluit tot beëindiging van de overeenkomst is op 5 december 2019 regelmatig, geldig en jegens verzoeker afdwingbaar geworden en dit besluit is definitief geworden na afloop van de geldende opzegtermijn. Voorts volgt in wezen uit artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten dat wanneer een ontslag met inachtneming van een opzegtermijn geldig ter kennis wordt gebracht door middel van een schriftelijke verklaring waarin de duur van een opzegtermijn wordt vermeld, maar deze duur niet lang genoeg is, de opzegtermijn naar Belgisch recht niet nietig is. De niet-inachtneming van de contractuele opzegtermijn heeft dus tot gevolg dat de contractueel bepaalde opzegtermijn van één maand van artikel 18.1 van de overeenkomst geldt, in plaats van de in die brief vastgestelde wettelijke opzegtermijn van één week. [omissis]
IV. Conclusie met betrekking tot het geding in zijn geheel
170 Gelet op een en ander dienen verzoekers grieven die zijn ontleend aan de ongeldigheid en de onwerkzaamheid van de kennisgeving van het besluit tot beëindiging van de overeenkomst bij brief van 4 november 2019, en aan schending van de artikelen 17.2 en 18.1 van de overeenkomst, te worden aanvaard. Derhalve dient te worden geoordeeld dat verzoeker op die grond recht heeft op zijn bezoldiging over de periode van 26 november tot en met 8 december 2019 en op een opzeggingsvergoeding. Bijgevolg wordt het beroep toegewezen wat de eerste en de vierde vordering betreft, en verworpen voor het overige. Voorts wordt de subsidiair ingediende tegenvordering van EUCAP Somalia afgewezen.
V. Kosten
171 Op grond van artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien EUCAP Somalia op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoekers vorderingen te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) De kennisgeving van de opzegtermijn in de brief van 4 november 2019 is nietig.
2) De beëindiging van de overeenkomst die EUCAP Somalia en JC op 21 augustus 2019 hebben gesloten, is regelmatig, geldig en op 5 december 2019 uitvoerbaar jegens JC; de beëindiging is definitief werkzaam na afloop van de opzegtermijn van één maand te rekenen vanaf 9 december 2019, overeenkomstig artikel 18.1 van deze overeenkomst.
3) EUCAP Somalia wordt veroordeeld tot betaling aan JC van, ten eerste, een bedrag overeenkomende met zijn bezoldiging zoals opgenomen in artikel 12.2 van genoemde overeenkomst – met uitzondering van de dagvergoedingen als bedoeld in artikel 15 van de overeenkomst – voor de periode van 26 november tot en met 8 december 2019 en, ten tweede, van een bedrag overeenkomende met een opzeggingsvergoeding van één maand, gelijk aan die bezoldiging, voor de periode van 9 december 2019 tot en met 9 januari 2020, vermeerderd met de wettelijke rente volgens het Belgische recht.
4) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
5) De tegenvordering van EUCAP Somalia wordt afgewezen.
6) EUCAP Somalia wordt verwezen in de kosten.
da Silva Passos Truchot Sampol Pucurull Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 2022.
( *1 ) Procestaal: Frans.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 15 december 2021, T-565/19, ECLI:EU:T:2021:904
- HvJ EU 16 juli 2020, C-378/16, ECLI:EU:C:2020:575
- HvJ EU 16 juli 2020, C-584/17, ECLI:EU:C:2020:576
- Gerecht EU 7 februari 2019, T-11/17, ECLI:EU:T:2019:65
- Gerecht EU 18 februari 2016, T-164/14, ECLI:EU:T:2016:85
- Gerecht EU 18 november 2015, T-106/13, ECLI:EU:T:2015:860
- HvJ EU 25 januari 1979, 98/78, ECLI:EU:C:1979:14