Gerecht EU 18 februari 2016, T-164/14, ECLI:EU:T:2016:85
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
18 februari 2016 ( *1 )
„Arbitragebeding — Programma om Rusland van landbouwproducten te voorzien — Levering van rundvlees — Niet-nakoming van de overeenkomst door het interventiebureau — Toepasselijk recht — Verjaring — Te late vrijgave van bepaalde leveringszekerheden — Gedeeltelijke betaling van een transportfactuur — Gebrekkige betaling in een vreemde valuta van bepaalde facturen — Vertragingsrente”
In zaak T‑164/14,
Calberson GE, gevestigd te Villeneuve-Garenne (Frankrijk), vertegenwoordigd door T. Gallois en E. Dereviankine, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Bianchi en I. Galindo Martín als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door D. Colas en C. Candat als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een beroep op grond van artikel 272 VWEU strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van fouten die beweerdelijk door het interventiebureau zijn begaan in het kader van de uitvoering van een opdracht voor het transport van rundvlees naar Rusland overeenkomstig verordening (EG) nr. 111/1999 van de Commissie van 18 januari 1999 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien (PB L 14, blz. 13), en verordening (EG) nr. 1799/1999 van de Commissie van 16 augustus 1999 inzake de levering van rundvlees aan Rusland (PB L 217, blz. 20),
wijst HET GERECHT (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, I. Wiszniewska-Białecka en I. Ulloa Rubio (rapporteur), rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 juli 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Ingevolge artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad van 17 december 1998 betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien (PB L 349, blz. 12), zijn bepaalde landbouwproducten overeenkomstig het bepaalde in die verordening kosteloos aan de Russische Federatie geleverd. De Commissie was krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening belast met de uitvoering van de acties. De kosten voor de levering, inclusief voor het vervoer tot de havens of grensovergangen zonder de lossing en, in voorkomend geval, voor de verwerking in de Gemeenschap, waren krachtens artikel 2, lid 3, van die verordening bepaald via een procedure van openbare inschrijving.
2 In het kader van de bij verordening (EG) nr. 1799/1999 van de Commissie van 16 augustus 1999 inzake de levering van rundvlees aan Rusland (PB L 217, blz. 20) geopende procedure tot openbare inschrijving heeft verzoekster, de onderneming Calberson GE, op 14 september 1999 bij het Office national interprofessionnel des viandes, de l’élevage et de l’aviculture (Ofival), thans het Établissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer) (hierna: „interventiebureau”) een offerte ingediend ter bepaling van de kosten van levering van het transport van 5000 ton rundvlees in de vorm van karkassen, zijnde partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij genoemde verordening.
3 Bij besluit van 24 september 1999 heeft de Commissie verzoekster onder meer de opdracht tot levering van partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 gegeven.
4 Met toepassing van verordening (EG) nr. 111/1999 van de Commissie van 18 januari 1999 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2802/98 (PB L 14, blz. 13), en verordening nr. 1799/1999, is de praktische uitvoering van de in het kader van die opdracht op de Commissie rustende verplichtingen in handen gelegd van het interventiebureau. Concreet diende het interventiebureau zorg te dragen voor de nakoming van de contractuele verplichtingen tot betaling en vrijgave van de financiële zekerheid.
5 Nadat zij het rundvlees in de vorm van karkassen als bedoeld in partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 had geleverd, heeft verzoekster het interventiebureau verzocht om vrijgave van de leveringszekerheden die zij op grond van die verordening had moeten stellen, alsmede om betaling van de transportkosten.
6 Omdat zij van mening was geen volledige voldoening te hebben gekregen, heeft verzoekster op 10 juli 2000 bij het Tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank te Parijs, Frankrijk) een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade die zij beweerde te hebben geleden door de vertraging van het interventiebureau bij de afhandeling van haar verzoeken. Meer in het bijzonder verweet zij het interventiebureau ten eerste dat het te laat is overgegaan tot betaling van bepaalde facturen en vrijgave van bepaalde zekerheden, en ten tweede dat het in Amerikaanse dollar (USD) te betalen facturen heeft betaald in Franse frank (FRF) op basis van een niet-toepasselijke wisselkoers. Bij uitspraak van 19 december 2001 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om te beslissen op het beroep, en geoordeeld dat de bestuursrechter bevoegd is. Nadat verzoekster haar vordering op 22 januari 2002 had voorgelegd aan het Tribunal administratif de Paris (bestuursrechtbank te Parijs, Frankrijk), heeft deze rechtbank die vordering bij uitspraak van 30 juli 2007 afgewezen. In het kader van het door verzoekster op 28 september 2007 ingestelde hoger beroep heeft de Cour administrative d’appel de Paris (administratief gerechtshof te Parijs, Frankrijk) verzoeksters vordering bij arrest van 6 april 2010 afgewezen.
7 Naar aanleiding van het door verzoekster ingestelde cassatieberoep heeft de Conseil d’État (raad van state, Frankrijk) het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de aan artikel 16 van verordening nr. 111/1999 te geven uitlegging. Met zijn vraag wenste deze rechter in essentie te vernemen of die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij aan het Hof de bevoegdheid toekent om uitspraak te doen in alle geschillen over een openbare inschrijving zoals die in het hoofdgeding, in het bijzonder over beroepen tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de betaling van de opdrachtnemer en de vrijgave van de door deze laatste ten behoeve van dat bureau gestelde leveringszekerheid.
8 Bij arrest van 17 januari 2013, Geodis Calberson GE (C‑623/11, Jurispr., EU:C:2013:22) heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 16 van verordening nr. 111/1999, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1125/1999 van de Commissie van 28 mei 1999, aldus moet worden uitgelegd dat het Hof van Justitie bevoegd is om uitspraak te doen in geschillen over de voorwaarden waaronder het interventiebureau dat is aangeduid om de offertes voor de gunning van de kosteloze levering van landbouwproducten aan de Russische Federatie te ontvangen, overgaat tot betaling aan de opdrachtnemer en tot vrijgave van de door de opdrachtnemer ten behoeve van dat bureau gestelde leveringszekerheid, en meer in het bijzonder op beroepen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door onrechtmatige handelingen van het interventiebureau bij de uitvoering van die verrichtingen.
9 Bij arrest van 11 maart 2013 heeft de Conseil d’État de uitspraak van de Tribunal administratif de Paris van 30 juli 2007 en het arrest van de Cour administrative d’appel de Paris van 6 april 2010 vernietigd, en vastgesteld dat deze rechterlijke instanties onbevoegd zijn om op de door verzoekster ingestelde vordering tot schadevergoeding te beslissen.
Procedure en conclusies van partijen
10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 maart 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
11 Op 9 juni 2014 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.
12 De repliek en dupliek zijn ingediend op onderscheidenlijk 22 september en 17 december 2014.
13 Bij op 11 juli 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Franse Republiek verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
14 Bij beschikking van 2 september 2014 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Op 15 oktober 2014 heeft de Franse Republiek haar memorie in interventie ingediend. Verzoekster en de Commissie hebben tijdig op deze memorie gereageerd.
15 Bij brief van 11 juni 2015 heeft het Gerecht de partijen overeenkomstig artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht een vraag te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
16 Verzoekster, de Commissie en de Franse Republiek hebben ter terechtzitting van 16 juli 2015 pleidooi gehouden en de vragen van het Gerecht beantwoord.
17 Verzoekster concludeert tot: — veroordeling van de Commissie om haar 7691,60 EUR incl. btw te betalen voor de kosten die zijn veroorzaakt door de te late vrijgave van de leveringszekerheden; — veroordeling van de Commissie om haar 81817,25 EUR excl. btw en 6344,17 USD te betalen bij wijze van vertragingsrente die is opgebouwd tussen de vervaldag van de transportfacturen en de daadwerkelijke betaling ervan; — veroordeling van de Commissie om haar „vertragingsrente op vertragingsrente” te betalen van 2 % voor elke maand gedurende welke betaling van bovenbedoelde vertragingsrente (81817,25 EUR excl. btw en 6344,17 USD) is uitgebleven; — veroordeling van de Commissie om haar 17400 EUR incl. btw te betalen als nog uitstaand bedrag op een transportfactuur; — veroordeling van de Commissie om haar 30580,41 EUR incl. btw te betalen in verband met het wisselkoersverschil; — verwijzing van de Commissie in de kosten.
18 De Commissie concludeert tot: — niet-ontvankelijkverklaring van het beroep; — subsidiair, ongegrondverklaring van het beroep; — verwijzing van verzoekster in de kosten.
19 De Franse Republiek concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
In rechte
Toepasselijke bepalingen
20 Verzoekster betoogt dat het op de overeenkomst toepasselijk recht moet worden bepaald op grond van artikel 5 van verordening nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6; hierna: „Rome-I-verordening”), aangezien partijen dit recht niet uitdrukkelijk hebben aangewezen. Op basis van de in die verordening neergelegde uitgangspunten is het op genoemde overeenkomst toepasselijke recht het Franse recht.
21 De Commissie bestrijdt niet dat het op de betrokken overeenkomst toepasselijke recht op grond van de Rome-I-verordening het Franse recht zou zijn. De Commissie wijst er evenwel op dat het Gerecht het in de arresten van 9 oktober 2002, Hans Fusch/Commissie (T‑134/01, Jurispr., EU:T:2002:246), en 10 februari 2004, Calberson GE/Commissie (T‑215/01, T‑220/01 en T‑221/01, Jurispr., EU:T:2004:38), die beide betrekking hebben op krachtens verordening nr. 111/1999 gegeven opdrachten tot levering, niet nodig achtte het toepasselijke recht vast te stellen, en die verordening onafhankelijk van nationaal recht heeft uitgelegd. Het Gerecht heeft immers, ook al heeft het in die zaken geoordeeld dat er tussen de Commissie en elke opdrachtnemer een contractuele verhouding bestond, mede in ogenschouw genomen dat de voorschriften die de „overeenkomst” beheersten zich bevonden in verordeningen van de Europese Unie, die in alle lidstaten eenvormig dienen te worden uitgelegd.
22 De Franse Republiek betoogt dat het geschil primair moet worden beslecht aan de hand van de contractuele bepalingen die hoofdzakelijk in de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999 zijn opgenomen, en dat deze verordeningen binnen hun context moeten worden uitgelegd om eventuele lacunes te dichten. Subsidiair is de Franse Republiek van mening dat, indien het nodig mocht zijn een op de betrokken overeenkomst toepasselijk recht aan te wijzen, dit het Franse recht zou moeten zijn.
23 Ingevolge artikel 340 VWEU „[wordt] [d]e contractuele aansprakelijkheid van de Unie [...] beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is”. Het op de overeenkomst toepasselijke recht is het recht waarin uitdrukkelijk is voorzien in de overeenkomst. De contractuele bepalingen die de wilsovereenstemming tussen partijen uitdrukken, dienen immers te prevaleren boven enig ander criterium, waarop enkel een beroep kan worden gedaan wanneer de overeenkomst ter zake geen uitsluitsel geeft (arrest van 26 november 1985, Commissie/CO.DE.MI.,318/81, Jurispr., EU:C:1985:467, punten 20‑22).
24 Zoals het Hof heeft overwogen in het arrest Geodis Calberson GE, punt 8 hierboven (EU:C:2013:22, punten 26‑28), bestaat er in dit geval tussen de Commissie als opdrachtgever en verzoekster een contractuele verhouding. Afgezien van de door partijen overeengekomen prijs worden de respectieve rechten en verplichtingen van partijen bepaald door de voorschriften van de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999. Geen van beide verordeningen bepaalt echter welk recht op de betrokken overeenkomst van toepassing is met het oog op niet door die verordeningen geregelde kwesties.
25 Ingeval de overeenkomst ter zake geen uitsluitsel geeft, dient de Unierechter het toepasselijke recht te bepalen aan de hand van de algemeen in de lidstaten aanvaarde beginselen en met gebruikmaking van de regels van het internationaal privaatrecht zoals met name neergelegd in het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, vervangen door de Rome-I-verordening (zie in deze zin arresten van 11 oktober 2001, Commissie/Oder-Plan Architektur e.a.,C‑77/99, Jurispr., EU:C:2001:531, punt 28, en 17 maart 2005, Commissie/AMI Semiconductor Belgium e.a.,C‑294/02, Jurispr., EU:C:2005:172, punt 60).
26 Ingevolge de artikelen 3 en 5 van de Rome-I-verordening „[wordt] [e]en overeenkomst [...] beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen”, en „[wordt,] indien de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 hebben gemaakt, [...] de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen”. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, „wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen”.
27 In dit geval staat vast dat de vervoerder zijn verblijfplaats in Frankrijk heeft, en dat uit bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 volgt dat het rundvlees met bestemming Rusland is ingeladen in Frankrijk.
28 Bijgevolg dient het voorliggende geschil te worden beslecht op basis van de contractuele bepalingen, dat wil zeggen aan de hand van de bepalingen van de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999 en, voor niet door deze verordeningen geregelde kwesties, het Franse recht.
Ontvankelijkheid
Verjaring
29 De Commissie merkt op dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep rekening moet worden gehouden met het feit dat het Gerecht de vraag naar de bevoegdheid van de Unierechter om te oordelen over geschillen inzake openbare inschrijvingen in het kader van de voedselhulp aan de Russische Federatie heeft beantwoord in het arrest Hans Fusch/Commissie, punt 21 hierboven (EU:T:2002:246). Dit antwoord is nadien bevestigd in het arrest Calberson GE/Commissie, punt 21 hierboven (EU:T:2004:38), waarbij verzoekster partij was. Verzoekster heeft het voorliggende beroep evenwel pas ingesteld in maart 2014, dus respectievelijk tien en twaalf jaar na die arresten, en veertien jaar na de feiten. De vordering is derhalve verjaard, en het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
30 Verzoekster betoogt dat de met de Commissie gesloten overeenkomst een publiekrechtelijke overeenkomst is aangezien de Commissie optreedt in het kader van een dienstverleningstaak inzake de organisatie van voedselhulp, en verzoekster dus, gelet op de haar door de Commissie opgedragen taken, deelneemt aan de uitvoering van een openbaredienstverleningstaak. Verzoekster memoreert dat de verjaring op het gebied van de contractuele aansprakelijkheid van publiekrechtelijke instanties in het Franse recht wordt beheerst door wet nr. 68‑1250 van 31 december 1968, betreffende de verjaring van vorderingen tegen de Staat, de departementen, de gemeenten en openbare instellingen (hierna: „wet nr. 68‑1250”). Op grond van deze wet is haar recht op vergoeding niet verjaard.
31 Er dient op te worden gewezen dat in de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999 niet is bepaald welke verjaringsregels op de betrokken overeenkomst van toepassing zijn. Gelet daarop is Frans recht van toepassing, zoals is vastgesteld in punt 28 hierboven. Voorts zijn in het Franse recht bij het ontbreken van bijzondere voorschriften de bepalingen van de code civil (burgerlijk wetboek) van toepassing.
32 De algemene verjaringsregeling is neergelegd in de Franse code civil. Deze regeling is gewijzigd bij wet nr. 2008‑561 van 17 juni 2008 houdende herziening van de verjaring in civielrechtelijke zaken (hierna: „wet nr. 2008‑561”), die op 19 juni 2008 in werking is getreden. Vóór deze herziening bedroeg de algemene verjaringstermijn in civielrechtelijke zaken krachtens artikel 2262 (oud) van de code civil 30 jaar. Na die herziening verjaren vorderingen in verband met persoonlijke rechten of rechten met betrekking tot roerende zaken op grond van artikel 2224 van die code na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de rechthebbende bekend is geworden of had moeten worden met de feiten die zijn recht deden ontstaan. Artikel 2241 van de code civil bepaalt dat het instellen van een eis, ook in kort geding, de verjaringstermijn alsmede de vervaltermijn stuit, en dat dit ook geldt wanneer die vordering wordt ingesteld bij een onbevoegde rechter of wanneer het gedinginleidend stuk wegens een vormverzuim nietig wordt verklaard. Ingevolge artikel 2242 van deze code heeft de stuiting als gevolg van het instellen van een eis werking tot het einde van de procedure. Ten slotte bepaalt artikel 2231 van de code dat de stuiting het reeds verstreken deel van de verjaringstermijn tenietdoet en een nieuwe termijn doet ingaan van dezelfde duur als de vorige. De artikelen 1 en 2 van wet nr. 68‑1250, waarop verzoekster zich als bijzondere regeling beroept, voorzien op hun beurt in een verjaringstermijn van vier jaar vanaf de eerste dag van het jaar volgend op het jaar waarin de rechten zijn verkregen. Deze termijn wordt gestuit door het instellen van een beroep bij een rechterlijke instantie, zelfs indien de aangezochte rechter onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. In dat geval gaat een nieuwe termijn in vanaf de eerste dag van het jaar volgend op het jaar waarin de uitspraak onherroepelijk is geworden.
33 In dit geval zijn de beroepen van verzoekster bij de Tribunal de grande instance de Paris en de Tribunal administratif de Paris tegen het interventiebureau ingesteld op onderscheidenlijk 10 juli 2000 en 22 januari 2002 (zie punt 6 hierboven), binnen de hierboven in punt 32 genoemde verjaringstermijnen. Hetzelfde geldt voor het onderhavige beroep, ingesteld op 7 maart 2014, dus minder dan een jaar na het arrest van de Conseil d’État, waarmee de rechtsgang bij de Franse bestuursrechters is beëindigd (zie punt 9 hierboven).
34 Hieruit volgt dat het verzoeksters recht op vergoeding noch op grond van de Franse code civil noch op basis van de bepalingen van wet nr. 68‑1250 – uitgaande van de door verzoekster bepleite toepasselijkheid van de verjaringsbepalingen van wet nr. 68‑1250 – is verjaard.
35 Gelet op een en ander dient het beroep ontvankelijk te worden verklaard, zonder dat het nodig is om te bepalen of de betrokken overeenkomst als publiekrechtelijk moet worden aangemerkt en of wet nr. 68‑1250 als bijzondere regeling van toepassing is, zoals verzoekster betoogt.
Beweerde uitbreiding van het voorwerp van het geschil in de repliek
36 De Commissie, daarin gesteund door de Franse Republiek, betoogt dat verzoekster in repliek is overgegaan tot een ongeoorloofde uitbreiding van het voorwerp van het geschil als omschreven in het verzoekschrift. De Commissie merkt in dit verband op dat in het verzoekschrift duidelijk wordt verwezen naar een „opdracht” voor het transport van „rundvlees” in het kader van „verordening nr. 111/1999 en verordening nr. 1799/1999”, en dat verzoekster in het verzoekschrift enkel haar offerte van 14 september 1999 (zie punt 2 hierboven) voor partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 heeft aangehaald en als bijlage bij dat verzoekschrift heeft gevoegd. In repliek stelt verzoekster evenwel dat de betrokken opdracht ziet op de „voor ongeacht welke partijen” gegeven opdracht voor het transport van de in verordening nr. 111/1999 bedoelde „landbouwproducten”, en verwijst zij niet meer naar verordening nr. 1799/1999, die enkel voor partij nr. 8 van belang is. Volgens de Commissie is de enkele verwijzing in het verzoekschrift naar bepaalde facturen voor andere partijen, gelet op artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, onvoldoende om aan te nemen dat deze partijen ook tot het voorwerp van het geschil behoren.
37 De Franse Republiek voegt daaraan toe dat verzoekster met de Gemeenschap evenveel overeenkomsten heeft gesloten als zij door de Commissie aanvaarde offertes heeft ingediend. In deze omstandigheden heeft verzoekster, door in het verzoekschrift enkel voor partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 nakoming te vorderen van de overeenkomst die haar met de Gemeenschap verbindt, het voorwerp van het geschil tot één enkele overeenkomst beperkt. De Franse Republiek merkt verder op dat het beroep wegens contractuele aansprakelijkheid ingevolge artikel 44, lid 5 bis, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, vergezeld dient te gaan van de overeenkomst waarin het arbitragebeding is opgenomen. Indien het verzoekschrift dus mede op andere partijen zag, dan had verzoekster de voor deze partijen gesloten overeenkomsten moeten overleggen.
38 Verzoekster weerspreekt al deze stellingen en betoogt dat haar beroep „zich uitstrekt tot de totale opdracht die voor ongeacht welke partijen is gegeven met toepassing van verordening nr. 111/1999”. Uit de in het verzoekschrift geformuleerde betalingsvorderingen en het daartoe gedane bewijsaanbod – te weten de facturen waarvan betaling wordt gevorderd, die op verschillende partijen van verschillende ter uitvoering van die verordening vastgestelde verordeningen betrekking hebben – blijkt duidelijk dat het voorwerp van het geschil niet is beperkt tot partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999. Naar de voor deze specifieke partij aanvaarde offerte is slechts bij wijze van illustratie verwezen.
39 Ingevolge artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 is de verzoeker verplicht in het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil te omschrijven en zijn conclusies voor te dragen.
40 Zoals de Commissie en de Franse Republiek op goede gronden opmerken, dient er in dit geval op te worden gewezen dat verzoekster aan het begin van haar verzoekschrift duidelijk aangeeft dat zij opdrachtnemer was van „een opdracht van de Commissie [...] voor het transport van rundvlees vanaf Frans grondgebied met als bestemming [Rusland] in het kader van een bij [v]erordening (EG) nr. 111/1999 [...] en [v]erordening nr. 1799/1999 ten gunste van dit land vastgesteld voedselprogramma”, en dat de praktische uitvoering van de „op grond van deze opdracht” op de Commissie rustende verplichtingen „[m]et toepassing van [deze] [v]erordeningen” was opgedragen aan het interventiebureau. Verzoekster merkt daarbij nog op dat zij „bij de uitvoering van de opdracht” is geconfronteerd met talrijke problemen die verband houden met beweerde fouten van het interventiebureau.
41 De enkele verwijzing in het verzoekschrift naar bepaalde facturen die in hoofdzaak op andere partijen dan partij nr. 8 betrekking hebben, is gelet op artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 onvoldoende om aan te nemen dat – zoals in repliek is aangegeven – het voorwerp van het geschil mede de overeenkomsten omvat die zien op de opdrachten die verzoekster zijn gegund op grond van verordening (EG) nr. 556/1999 van de Commissie van 12 maart 1999 inzake de levering van rundvlees aan Rusland (PB L 68, blz. 19) (partijen nr. 1, 2 en 3), verordening (EG) nr. 712/1999 van de Commissie van 31 maart 1999 inzake het vervoer van varkensvlees naar Rusland (PB L 89, blz. 54) (partij nr. 6), en verordening (EG) nr. 1133/1999 van de Commissie van 28 mei 1999 inzake de levering van rundvlees aan Rusland (PB L 135, blz. 64) (partijen nr. 1 en 2).
42 De omstandigheid dat alle in punt 41 hierboven genoemde verordeningen, die voor het eerst in repliek zijn aangevoerd, uitvoeringsverordeningen van verordening nr. 111/1999 zijn, is niet van belang, aangezien elke voor die verordening vastgestelde uitvoeringsverordening voorziet in een nieuwe aanbesteding met het oog op de gunning van een nieuwe opdracht. Verder wordt een offerte krachtens artikel 5, lid 1, onder c), van verordening nr. 111/1999 slechts in aanmerking genomen wanneer zij betrekking heeft op één enkele, volledige partij. Verzoekster had dus niet de mogelijkheid om voor verschillende partijen een offerte uit te brengen, of de door haar ingediende offerte voor de toewijzing van een partij afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de Commissie andere offertes zou aanvaarden die zij voor andere partijen op grond van die of andere verordeningen had ingediend.
43 Juist is dat verordening nr. 111/1999 voorziet in algemene uitvoeringsbepalingen voor het programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien, en dat deze algemene uitvoeringsbepalingen gemeenschappelijk zijn en gelden voor de verschillende door verzoekster in repliek genoemde verordeningen. Evenwel voorzien de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 111/1999 erin dat de openbare inschrijvingen voor de toewijzing van bijzondere leveringen worden geopend bij bijzondere verordeningen, zoals de verordeningen nr. 1799/1999, nr. 556/1999, nr. 712/1999 en nr. 1133/1999. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de toewijzing van bijzondere leveringen die plaatsvindt in het kader van die bijzondere verordeningen, de uitvoering van één enkele overeenkomst vormt ter zake van een opdracht die ziet op zeven verschillende partijen.
44 Voorts bepaalt artikel 5, lid 1, onder a) en c), van verordening nr. 111/1999 duidelijk dat de bij het interventiebureau ingediende offertes voor elke partij een verwijzing naar de verordening tot opening van de inschrijving dienen te bevatten, en dat elke offerte betrekking dient te hebben op één enkele, volledige partij. De als bijlage bij het verzoekschrift gevoegde offerte heeft betrekking op partij nr. 8 als omschreven in bijlage II van verordening nr. 1799/1999, en die offerte kan in geen geval de reikwijdte beschrijven van de verplichtingen die verzoekster is aangegaan in het kader van het programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien. Elke offerte is immers anders en is ingediend in het kader van een andere inschrijvingsprocedure.
45 Derhalve vormt de verwijzing in repliek naar andere partijen dan partij nr. 8 in verordening nr. 1799/1999, een niet-ontvankelijk te verklaren uitbreiding van het voorwerp van het geschil.
Ten gronde
46 Ter onderbouwing van haar beroep formuleert verzoekster in essentie vier vorderingen. De eerste vordering is ontleend aan te late vrijgave van bepaalde leveringszekerheden. De tweede vordering is ontleend aan te late betaling van bepaalde transportfacturen. De derde vordering is ontleend aan gedeeltelijke betaling van een transportfactuur. De vierde vordering is ontleend aan de stelling dat bepaalde facturen gebrekkig zijn betaald in een niet overeengekomen valuta.
47 Het Gerecht ziet aanleiding om vóór de tweede vordering eerst de eerste, de derde en de vierde vorderingen te beoordelen.
Eerste vordering, ontleend aan te late vrijgave van bepaalde leveringszekerheden
48 Verzoekster stelt dat drie door haar gestelde leveringszekerheden met vertraging zijn vrijgegeven zonder dat het interventiebureau voor deze te late vrijgave een rechtvaardigingsgrond heeft gegeven. Verzoekster vordert vergoeding van de door deze vertraging veroorzaakte kosten. Zij betoogt dat de ongerechtvaardigde weigering om de zekerheden vrij te geven een fout oplevert waarvoor het bestuur aansprakelijk is, en memoreert dat de leveringszekerheid overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 111/1999 wordt vrijgegeven wanneer de opdrachtnemer het bewijs levert dat de levering is uitgevoerd.
49 De Commissie merkt op dat de vordering op grond van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien in het verzoekschrift essentiële informatie, zoals een verwijzing naar de specifieke leveringshandelingen, ontbreekt. In ieder geval is de Commissie van mening dat verzoekster niet aantoont dat zij aan die vertraging te wijten kosten heeft moeten dragen, en herinnert zij eraan dat de kosten voor de bankgarantie zijn verdisconteerd in de prijs als genoemd in de door verzoekster ingediende offerte. Voorts meent de Commissie dat verordening nr. 111/1999 weliswaar geen termijn bepaalt voor de vrijgave van zekerheden, maar dat dit niet betekent dat de vrijgave nog op de dag waarop het interventiebureau de bewijsstukken ontvangt, moet plaatsvinden. De Commissie wijst erop dat het interventiebureau de bewijsstukken eerst dient te onderzoeken alvorens de zekerheid vrij te geven en de betaling te verrichten, omdat dit bureau anders de opdrachtnemer zou moeten aanspreken indien na verificatie blijkt dat niet aan de leveringsvoorwaarden is voldaan. In dit geval kunnen de door verzoekster genoemde termijnen van 18 en 30 dagen geenszins als onredelijk worden beschouwd.
50 De Franse Republiek voert aan dat de door verzoekster ter onderbouwing van haar vordering overgelegde facturen zijn opgesteld vóór de sluiting van de overeenkomst voor partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, en dat deze facturen dus niet met die overeenkomst in verband kunnen worden gebracht.
51 Met de Franse Republiek dient te worden opgemerkt dat de door verzoekster ter onderbouwing van haar eis overgelegde facturen met kenmerk BRU 9132021 en BRU 9132022, zijn opgesteld op 3 en 9 augustus 1999, dat wil zeggen voordat verzoekster op 14 september 1999 haar offerte bij het interventiebureau heeft ingediend, en vóór de beslissing van de Commissie van 24 september 1999 tot toewijzing aan verzoekster van partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999. Deze facturen kunnen dus niet in verband worden gebracht met de op die partij betrekking hebbende overeenkomst.
52 Bijgevolg moet de eerste vordering hoe dan ook worden afgewezen, zonder dat het nodig is te beslissen op de door de Commissie overeenkomstig artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid.
Derde vordering, ontleend aan gedeeltelijke betaling van een transportfactuur
53 Verzoekster stelt dat het interventiebureau, zonder daarvoor enige rechtvaardiging te geven, niet de gehele factuur met kenmerk BRU 9131606 heeft voldaan, ondanks het feit dat verzoekster de overeengekomen transportdiensten integraal heeft verricht en dit gegeven heeft gestaafd door het interventiebureau de daarop betrekking hebbende stukken te verstrekken. Zij vordert dan ook dat de Commissie wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 17400 EUR, zijnde het op deze factuur nog uitstaande saldo.
54 De Commissie stelt dat deze vordering niet voldoet aan artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, aangezien verzoekster zich beperkt tot de stelling dat het bedrag van 17400 EUR niet is betaald, zonder nader toe te lichten waarop dit bedrag betrekking heeft, welke gegevens tot staving van deze betalingsaanvraag aan het interventiebureau zijn verstrekt, en waarom dit bedrag verschuldigd is. De Commissie betoogt dat de inlading in ieder geval tot de taken van de opdrachtnemer behoort – zoals is vastgesteld in het arrest Calberson GE/Commissie, punt 21 hierboven (EU:T:2004:38, punten 147‑149) – en dat de offerte van verzoekster ook daadwerkelijk de kosten in verband met de opslag en de belading vermeldt. De Commissie is daarom van mening dat zij niet aansprakelijk kan zijn voor de vertraging die verzoekster stelt te hebben opgelopen tijdens het inladen van de goederen.
55 De Franse Republiek merkt op dat de door verzoekster ter onderbouwing van haar eis overgelegde factuur is opgesteld vóór de sluiting van de overeenkomst voor partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999.
56 Met de Franse Republiek moet worden geconstateerd dat de factuur van 6 juli 1999, die verzoekster ter staving van haar vordering heeft overgelegd, is opgesteld vóór de datum waarop de overeenkomst met betrekking tot partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, is gesloten, te weten 24 september 1999. Die factuur kan dus niet in verband worden gebracht met genoemde overeenkomst.
57 Bijgevolg moet de derde vordering hoe dan ook worden afgewezen, zonder dat het nodig is te beslissen op de door de Commissie overeenkomstig artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid.
Vierde vordering, ontleend aan de stelling dat bepaalde facturen gebrekkig zijn betaald in niet overeengekomen valuta
58 Verzoekster merkt in het verzoekschrift op dat een in een vreemde valuta gestelde schuld naar Frans recht kan worden voldaan door betaling in de nationale valuta mits de omwisseling plaatsvindt op de dag van betaling. In dit geval is „één van de [aan verzoekster toegewezen] partijen”, die betaalbaar was in Amerikaanse dollar, betaald in Franse frank. Verzoekster stelt dat „vier” van de betrokken facturen ter hoogte van in totaal 402281 USD zijn voldaan „door betaling van een bedrag in Franse frank dat gelijk is aan 390334,62 EUR”, terwijl de betaling bij toepassing van de wisselkoers die gold op de dag van betaling („1,0463/0,9557”) gelijk had moeten zijn aan 420915,03 EUR. Verzoekster vordert daarom dat de Commissie ertoe wordt veroordeeld om haar het verschil van 30580,41 EUR te betalen.
59 De Commissie betoogt dat de vordering vanwege bepaalde tegenstrijdigheden en een gebrek aan duidelijkheid, niet voldoet aan de eisen van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991. In ieder geval heeft de Cour administrative d’appel de Paris in haar arrest van 6 april 2000 al vastgesteld dat de facturen van verzoekster zowel in Amerikaanse dollar als in Franse frank waren gesteld.
60 De Franse Republiek merkt op dat verzoekster niet het door haar aangevoerde contractuele beding heeft aangewezen dat ten grondslag ligt aan de beweerde verplichting om te betalen in Amerikaanse dollar. Artikel 5, [lid 1], onder d), van verordening nr. 111/1999 schrijft zelfs voor dat een offerte slechts in aanmerking wordt genomen als de verschillende offertebedragen in euro zijn vermeld. De offerte van verzoekster voor partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 is inderdaad ook in euro en niet in Amerikaanse dollar uitgedrukt. In ieder geval zou bij toepassing van het door verzoekster aangevoerde beginsel uit het Franse recht moeten worden uitgegaan van een verschil van 6705,45 EUR.
61 Er zij aan herinnerd dat het verzoekschrift volgens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat op grond van artikel 53, eerste alinea, van dat statuut van toepassing is op het Gerecht – en artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen dient in te houden. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Het verzoekschrift moet daarom duidelijk laten uitkomen op welke middelen het beroep is gebaseerd, zodat de blote opsomming daarvan niet voldoet aan de vereisten van Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en genoemd Reglement voor de procesvoering (zie naar analogie arresten van 12 januari 1995, Viho/Commissie,T‑102/92, Jurispr., EU:T:1995:3, punt 68, en 27 november 1997, Tremblay e.a./Commissie,T‑224/95, Jurispr., EU:T:1997:187, punt 79). In lijn daarmee is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen te zoeken en te vinden die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen louter als bewijsstukken dienen (zie naar analogie arrest van 2 februari 2012, Griekenland/Commissie,T‑469/09, EU:T:2012:50, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In dit geval dient wat betreft de in de voorliggende vordering gestelde schuld met de Commissie te worden opgemerkt dat verzoekster in het verzoekschrift stelt dat voor „één van de partijen” die haar waren toegewezen, betaling in Amerikaanse dollar was overeengekomen, maar niet verduidelijkt voor welke partij. Verzoekster maakt vervolgens melding van „vier facturen” ter hoogte van in totaal 402281 USD die tot deze partij zouden behoren, maar zij voegt deze facturen niet als bijlage bij en verstrekt ook overigens in het geheel geen informatie over deze facturen.
63 Uit het verzoekschrift blijkt evenwel niet duidelijk of verzoekster zich ertegen verzet dat de betrokken facturen in Franse frank zijn voldaan in plaats van in Amerikaanse dollar, of dat haar bezwaar beperkt is tot de gehanteerde wisselkoers. Verzoekster merkt immers op dat „naar Frans recht een in een vreemde valuta gestelde schuld in beginsel kan worden voldaan door betaling in de nationale valuta mits de omwisseling plaatsvindt op de dag van betaling”, hetgeen doet vermoeden dat haar bezwaar zich beperkt tot de wisselkoers tussen Franse frank en Amerikaanse dollar. Bovendien verwijst verzoekster, in plaats van die wisselkoers aan te geven, naar de wisselkoers tussen Amerikaanse dollar en euro, zonder in het verzoekschrift op enigerlei wijze te verduidelijken welke dag zij precies als referentiepunt hanteert.
64 In die omstandigheden is de voorliggende vordering niet in overeenstemming met artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
65 In ieder geval dient erop te worden gewezen dat, van de vier facturen die als bijlage bij de repliek zijn gevoegd, enkel de factuur met kenmerk BRU 0135699 melding maakt van de levering van partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, en bijgevolg enkel deze factuur in verband kan worden gebracht met de op die partij betrekking hebbende overeenkomst.
66 Geconstateerd moet worden dat deze factuur zowel in Amerikaanse dollar (108173,76 USD) als in Franse frank (717289,39 FRF) is gesteld, en dat verzoekster niet het bewijs bijbrengt dat die factuur in Amerikaanse dollar had moeten worden betaald. In dit verband dient ten eerste te worden opgemerkt dat artikel 5 van verordening nr. 111/1999 weliswaar bepaalt dat een offerte enkel in aanmerking wordt genomen als zij in euro is gesteld, maar dat die verordening zwijgt over de manier waarop de facturen dienen te worden voldaan. De bepalingen van verordening nr. 111/1999 schrijven immers niet voor dat de leveringen in een specifieke valuta worden betaald. Daarbij zij gememoreerd dat de Franse frank ten tijde van de sluiting van de overeenkomst op 24 september 1999 het officiële betaalmiddel was.
67 Ten tweede dient te worden vastgesteld dat verzoekster niet beweert dat het interventiebureau in Franse frank een ander bedrag zou hebben betaald dan het bedrag van 717289,39 FRF zoals vermeld in de factuur.
68 Op grond hiervan moet de vierde vordering, voor zover het Gerecht deze kan begrijpen, hoe dan ook ongegrond worden verklaard.
Tweede vordering, ontleend aan niet-betaling van vertragingsrente
69 Verzoekster voert aan dat ondanks het feit dat zij alle transportdiensten heeft verricht die waren overeengekomen in de overeenkomst betreffende partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, en zij aan het interventiebureau de bewijsstukken heeft overgelegd, dit bureau zonder enige rechtvaardiging heeft getalmd met het voldoen van de betrokken facturen. Verzoekster vordert derhalve dat de Commissie ertoe wordt veroordeeld om haar vertragingsrente alsmede rente over die vertragingsrente te betalen. Verzoekster betoogt voorts dat verordening nr. 111/1999 geen bepalingen bevat ter zake van de termijnen voor de betaling van de transportdiensten of ter zake van de voor vertragingsrente te hanteren rentevoet. Bijgevolg is zij van mening dat dient te worden uitgegaan van de in het Franse recht ter zake neergelegde beginselen. Verzoekster merkt op dat de betaling overeenkomstig deze beginselen had moeten plaatsvinden bij presentatie van de factuur op het moment waarop de goederen werden opgehaald of afgeleverd, of bij ontvangst van de factuur wanneer deze niet was voldaan op het moment van ophalen of afleveren. Door de niet-tijdige betaling gaat er van rechtswege en zonder verdere formaliteiten vertragingsrente lopen.
70 De Commissie, daarin gesteund door de Franse Republiek, is in essentie van opvatting dat de voorliggende vordering voor alle facturen moet worden afgewezen, hetzij omdat zij niet hoefden te worden voldaan, hetzij omdat het interventiebureau deze heeft voldaan voordat verzoekster dit bureau in gebreke had gesteld, hetzij omdat de facturen niet met het voorwerp van het geschil in verband staan, hetzij omdat de voor de betaling van de facturen noodzakelijke bewijsstukken niet waren overgelegd. Daarbij komt dat, daar in de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999 voor de eindbetaling geen termijn is gesteld, niet kan worden aangenomen dat deze facturen contant moesten worden betaald. De betalende instantie moet immers een redelijke termijn worden gegund om de bij haar ingediende verzoeken te verifiëren. De Franse Republiek voegt daaraan toe dat ook de Franse code civil erin voorziet dat vertragingsrente niet van rechtswege gaat lopen, maar slechts na ingebrekestelling van de schuldenaar van de betalingsverplichting.
71 In de eerste plaats dient, zoals de Commissie en de Franse Republiek bepleiten, de vordering tot betaling van vertragingsrente te worden afgewezen voor de facturen waarvan de factureringsdatum ligt vóór de sluiting van de overeenkomst met betrekking tot partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, dat wil zeggen vóór 24 september 1999, aangezien deze facturen niet in verband kunnen worden gebracht met het voorwerp van het geschil zoals omschreven in het verzoekschrift. Bijgevolg dient de vordering te worden afgewezen voor de facturen met kenmerk BRU 9131230, BRU 9131356, BRU 9131823, BRU 9131824, BRU 9132738, BRU 9132739, BRU 9132764, BRU 9132021, BRU 9132022, BRU 9131606, BRU 9132744 en BRU 9132743.
72 In de tweede plaats betwist verzoekster niet dat de facturen met kenmerk BRU 9132954, BRU 9133012, BRU 9133148, BRU 9133149, BRU 9133152, BRU 9133153, BRU 9133286, BRU 9134237, BRU 9133287, BRU 9133917, BRU 0135094, BRU 0135699 en BRU 0136077 zijn voldaan voordat zij op 3 april 2000 aanmaningen aan het interventiebureau heeft verzonden. Verzoekster betoogt evenwel dat een dergelijke ingebrekestelling op grond van het Franse bestuursrecht niet nodig is om de vertragingsrente te doen lopen.
73 Zoals in punt 28 hierboven is gememoreerd, kan Frans recht in dit verband pas op de overeenkomst met betrekking tot partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999 worden toegepast, wanneer de verordeningen nr. 111/1999 en nr.1799/1999 zoals uitgelegd in de rechtspraak geen enkele aanwijzing bevatten voor de concrete toepassing van de contractuele voorwaarden.
74 Zoals de Commissie benadrukt, heeft het Gerecht in dit geval in het kader van de uitvoering van een opdracht tot levering die de Commissie eveneens aan verzoekster heeft gegund op grond van verordening nr. 111/1999, reeds vastgesteld dat er pas van te late betaling kan worden gesproken vanaf het moment dat de schuldenaar in gebreke is gesteld, en dat in de leveringsovereenkomst niet is bepaald dat ingebrekestelling van rechtswege intreedt door het enkele verstrijken van de termijn (zie in deze zin arrest Calberson GE/Commissie, punt 21 hierboven, EU:T:2004:38, punt 144en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht heeft daarbij niet verwezen naar een bepaling van nationaal recht, maar zich gebaseerd op eerdere rechtspraak waarin verordening nr. 111/1999 ook werd uitgelegd (arrest Hans Fusch/Commissie, punt 21 hierboven, EU:T:2002:246, punt 78). Gegeven de specifieke aard van de overeenkomst met betrekking tot partij nr. 8 als omschreven in bijlage II bij verordening nr. 1799/1999, waarbij de onderscheiden rechten en verplichtingen van partijen zijn neergelegd in de bepalingen van de verordeningen nr. 111/1999 en nr. 1799/1999, dient immers zoveel mogelijk te worden gewaarborgd dat de uit deze regelgeving voortvloeiende overeenkomsten eenvormig worden uitgelegd. Dat betekent dat, anders dan verzoekster betoogt, de materie van de vertragingsrente niet wordt beheerst door Frans recht, dat pas op de overeenkomst van toepassing is wanneer de verordeningen zwijgen.
75 Daaruit volgt dat, aangezien verzoekster het interventiebureau pas op 3 april 2000, de dag van haar eerste ingebrekestelling, tot betaling heeft aangemaand, haar vordering tot betaling van vertragingsrente voor de facturen die vóór die datum zijn voldaan – dat wil zeggen voor de facturen met kenmerk BRU 9132954, BRU 9133012, BRU 9133148, BRU 9133149, BRU 9133152, BRU 9133153, BRU 9133286, BRU 9134237, BRU 9133287, BRU 9133917, BRU 0135094, BRU 0135699 en BRU 0136077 – moet worden afgewezen.
76 In de derde plaats blijkt uit het dossier niet dat voor de factuur met kenmerk BRU 0137658 van 18 mei 2000 een ingebrekestelling is verzonden. Er dient namelijk op te worden gewezen dat de ingebrekestelling van 29 mei 2000, die zich in het dossier bevindt, niet verwijst naar die factuur, maar naar een andere factuur, die dateert van 2 februari 2000. Nu er geen ingebrekestelling voorhanden is, dient de vordering van verzoekster voor de factuur met kenmerk BRU 0137658 derhalve eveneens te worden afgewezen.
77 In de vierde plaats dient er wat betreft de factuur met kenmerk BRU 0135473 aan te worden herinnerd dat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 111/1999 bepaalt dat bij een betalingsaanvraag verschillende bewijsstukken moeten worden gevoegd (kopie van de vervoersdocumenten, overnamecertificaat, kopie van het uitvoercertificaat, enz.). Bij het ontbreken daarvan vindt er geen betaling plaats. Bijgevolg geeft het enkele opstellen van een factuur geen recht op betaling.
78 In dit geval blijkt uit het verzoekschrift dat de factuur met kenmerk BRU 0135473 van 2 februari 2000 in twee tranches is betaald op onderscheidenlijk 23 mei en 13 juni 2000. Zoals de Commissie benadrukt, blijkt evenwel uit de bijlagen bij het verzoekschrift dat de betaling niet eerder heeft kunnen plaatsvinden omdat het interventiebureau niet alle vereiste documenten had ontvangen. Deze documenten heeft het interventiebureau bij e-mail van 18 mei 2000 bij verzoekster opgevraagd. Uit bijlage 14 bij het verzoekschrift blijkt dat verzoekster bij brief van 22 mei 2000 bepaalde documenten heeft opgestuurd, maar dat zij heeft verzuimd om ten minste één van de gevraagde documenten, te weten het vervoersdocument (CMR) behorend bij het douaneformulier met kenmerk EX1 294905, op te sturen. Aangezien niet is gebleken dat verzoekster alle voor de betaling vereiste documenten vóór 13 juni 2000 heeft verzonden, dient haar vordering wat betreft deze factuur te worden afgewezen. Zonder opeisbare schuld kan er immers geen vertragingsrente gaan lopen.
79 Wat ten slotte de facturen met kenmerk BRU 0135095, BRU 0136486 en BRU 9133916 betreft, geldt dat deze betrekking hebben op aanvullende parkeerkosten in Rusland. Uit de bijlagen bij het verzoekschrift blijkt dat het interventiebureau ten aanzien van deze facturen had aangegeven dat zij pas na goedkeuring door de diensten van de Commissie konden worden voldaan, en dat verzoekster zich hiermee akkoord had verklaard. Verzoekster kan zich derhalve niet met vrucht op het standpunt stellen dat deze facturen binnen acht dagen na verzending aan het interventiebureau hadden moeten worden voldaan. Verzoekster toont evenmin aan dat deze facturen, die op 13 juni 2000 zijn voldaan, te laat zijn betaald vergeleken met de datum waarop de diensten van de Commissie de betaling ervan hebben goedgekeurd. Bijgevolg dient de vordering tot betaling van vertragingsrente voor zover zij op die facturen betrekking heeft, te worden afgewezen, aangezien verzoekster niet aantoont op welke datum betaling van deze facturen verschuldigd was.
80 Daaruit volgt dat de tweede vordering in haar geheel dient te worden afgewezen.
81 In het licht van een en ander dienen alle vorderingen van verzoekster, voor zover het Gerecht deze kan begrijpen, te worden afgewezen.
82 Het beroep moet derhalve in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
83 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
84 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg draagt de Franse Republiek haar eigen kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Calberson GE wordt verwezen in de kosten.
3) De Franse Republiek draagt haar eigen kosten.
Van der Woude Wiszniewska-Białecka Ulloa Rubio Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 februari 2016. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 2 februari 2012, T-469/09, ECLI:EU:T:2012:50
- HvJ EU 17 maart 2005, C-294/02, ECLI:EU:C:2005:172
- Gerecht EU 10 februari 2004, T-215/01, ECLI:EU:T:2004:38
- Gerecht EU 9 oktober 2002, T-134/01, ECLI:EU:T:2002:246
- Gerecht EU 27 november 1997, T-224/95, ECLI:EU:T:1997:187
- Gerecht EU 12 januari 1995, T-102/92, ECLI:EU:T:1995:3