Gerecht EU 15 oktober 2020, T-389/19, ECLI:EU:T:2020:494

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

15 oktober 2020 ( *1 )

„Institutioneel recht – Eén Statuut voor leden van het Europees Parlement – In Italiaanse kiesdistricten gekozen leden van het Europees Parlement – Vaststelling door de Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de tweede kamer, Italië) van besluit nr. 14/2018 inzake pensioenen – Aanpassing van het pensioenbedrag van de leden van het Italiaanse parlement – Soortgelijke aanpassing door het Europees Parlement van het pensioenbedrag van bepaalde in Italië gekozen voormalige leden van het Europees Parlement – Bevoegdheid van de verrichter van de handeling – Motiveringsplicht – Verworven rechten – Rechtszekerheid – Gewettigd vertrouwen – Eigendomsrecht – Evenredigheid – Gelijke behandeling”

In de gevoegde zaken T‑389/19 tot en met T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19 tot en met T‑414/19, T‑416/19 tot en met T‑418/19, T‑420/19 tot en met T‑422/19, T‑425/19 tot en met T‑427/19, T‑429/19 tot en met T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19 tot en met T‑442/19, T‑444/19 tot en met T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19 tot en met T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19,

Maria Teresa Coppo Gavazzi, wonende te Milaan (Italië), en overige verzoekers, wier namen in de bijlage zijn vermeld ( 1 ), vertegenwoordigd door M. Merola, advocaat,

verzoekers,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Seyr en S. Alves als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de nota’s van 11 april 2019 en, wat betreft verzoeker in zaak T‑465/19, van de nota van 11 juni 2019, die voor elk van de verzoekers zijn vastgesteld door het Parlement en betrekking hebben op de aanpassing van verzoekers’ pensioenen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van de Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, R. Barents, C. Mac Eochaidh (rapporteur), T. Pynnä en J. Laitenberger, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 juli 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep verzoeken verzoekers, in Italië gekozen voormalige leden van het Europees Parlement of hun nabestaanden, het Gerecht de besluiten van het Parlement tot aanpassing van de berekening van hun ouderdoms‑ of overlevingspensioen aan de berekening van de hoogte van de pensioenen die de leden van de tweede kamer van het parlement van de Italiaanse Republiek ontvangen en, in voorkomend geval, tot verlaging van het bedrag van hun ouderdoms‑ of overlevingspensioen, nietig te verklaren.

I. Toepasselijke bepalingen

A. Recht van de Unie

2 Bijlage III bij de regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement (hierna: „regeling KVL”) bepaalde in de tot en met 14 juli 2009 geldende versie met name: „Artikel 1 1. Alle leden van het Europees Parlement hebben recht op een ouderdomspensioen. 2. In afwachting van een definitieve communautaire pensioenregeling voor alle leden van het Europees Parlement en ingeval de nationale pensioenregeling niet in een pensioen voorziet of ingeval de hoogte en/of de modaliteiten van het pensioen niet dezelfde zijn als die welke gelden voor de leden van het nationale parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement gekozen is, wordt op verzoek van het betrokken lid een voorlopig ouderdomspensioen betaald uit de begroting van de Europese Unie, afdeling Parlement. Artikel 2 1. De hoogte en de voorwaarden van het voorlopige pensioen zijn gelijk aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement gekozen is. 2. Een lid op wie artikel 1, lid 2, van toepassing is, is gehouden om bij toetreding tot deze regeling een bijdrage in de begroting van de Europese Unie te storten die op zodanige wijze wordt berekend dat hij of zij in totaal dezelfde premie betaalt als een lid van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waar hij of zij gekozen is. Artikel 3 1. Het verzoek om toetreding tot deze voorlopige pensioenregeling moet worden ingediend binnen twaalf maanden na de aanvang van het mandaat van de betrokkene. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van toetreding tot de pensioenregeling vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag. 2. Het verzoek om betaalbaarstelling van het pensioen moet binnen zes maanden na het ontstaan van het recht worden ingediend. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van uitkering van het pensioen vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag. […]”

3 Het Statuut van de leden van het Europees Parlement is vastgesteld bij besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2005, L 262, blz. 1; hierna: „Statuut van de leden”) en is in werking getreden op 14 juli 2009, de eerste dag van de zevende zittingsperiode.

4 Artikel 25 van het Statuut van de leden bepaalt: „1. Leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut reeds in het Parlement zitting hadden en herkozen zijn, kunnen, wat bezoldiging, overbruggingstoelage, ouderdomspensioen en overlevingspensioen betreft, voor de gehele duur van hun mandaat voor de tot dan toe bestaande nationale regeling kiezen. 2. Deze betalingen worden ten laste van de begroting van de lidstaat verricht. […]”

5 Artikel 28 van het Statuut van de leden luidt: „1. Een aanspraak op pensioen die een lid op het tijdstip van de toepassing van dit Statuut overeenkomstig nationale regelingen heeft verworven, blijft ten volle gehandhaafd. […]”

6 Bij besluit van 19 mei en 9 juli 2008 heeft het Bureau van het Parlement de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2009, C 159, blz. 1; hierna: „uitvoeringsbepalingen”) vastgesteld.

7 Artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen, betreffende het recht op een ouderdomspensioen, bepaalt: „1. Leden die gedurende ten minste een volledig jaar hun mandaat hebben uitgeoefend, hebben na beëindiging van het mandaat recht op een ouderdomspensioen tot aan hun overlijden, vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 63 jaar bereiken. Voormalige leden of hun wettelijke vertegenwoordiger dienen het verzoek om uitkering van het ouderdomspensioen binnen zes maanden na het ontstaan van het recht in, uitgezonderd in gevallen van overmacht. Na het verstrijken van deze termijn wordt de datum van uitkering van het ouderdomspensioen vastgesteld op de eerste van de maand van ontvangst van de aanvraag. […]”

8 Op grond van artikel 73 hiervan zijn de uitvoeringsbepalingen in werking getreden op de dag van inwerkingtreding van het Statuut van de leden, te weten 14 juli 2009.

9 Artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen preciseert dat de regeling KVL – met uitzondering van de overgangsbepalingen van titel IV van die uitvoeringsbepalingen, en met name artikel 75 ervan (hierna: „artikel 75”) – wordt ingetrokken op de dag waarop het Statuut van de leden in werking treedt.

10 Artikel 75 betreffende onder meer het ouderdomspensioen bepaalt: „1. De uitkering van overlevingspensioenen (nabestaandenpensioenen), invaliditeitspensioenen, aanvullende invaliditeitspensioenen voor kinderen ten laste en ouderdomspensioenen die uit hoofde van de bijlagen I, II en III van de regeling KVL zijn toegekend en die de rechthebbenden vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut reeds genoten, wordt overeenkomstig deze bijlagen voortgezet. Wanneer een voormalig lid dat een invaliditeitspensioen ontvangt, overlijdt na 14 juli 2009, wordt het overlevingspensioen uitgekeerd aan de echtgenoot, de ongehuwde partner of ten laste komende kinderen, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in bijlage I bij de regeling kosten en vergoedingen voor de leden. 2. De pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut overeenkomstig bovengenoemde bijlage III zijn opgebouwd, blijven in stand. Aan degenen die dergelijke pensioenrechten hebben opgebouwd, wordt een pensioen uitgekeerd dat overeenkomstig bovengenoemde bijlage III op basis van de opgebouwde rechten wordt berekend, zodra zij overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2, van bovengenoemde bijlage III hebben ingediend.”

11 Ten slotte moet artikel 75 worden gelezen in samenhang met overweging 7 van die uitvoeringsbepalingen, die luidt: „Overigens dient in de overgangsbepalingen te worden vermeld dat het beginsel van [bescherming van] gewettigd vertrouwen gebiedt dat degenen die een bepaalde uitkering uit hoofde van de regeling KVL genieten, ook na de intrekking van de regeling KVL recht houden op die uitkering. Evenzo blijven uit hoofde van de regeling KVL vóór de inwerkingtreding van het Statuut opgebouwde pensioenrechten onverlet. Bovendien dient rekening te worden gehouden met de specifieke regeling voor de leden voor wie overeenkomstig artikel 25 c.q. 29 van het Statuut gedurende een overgangsperiode voor de uitoefening van het mandaat de nationale financiële voorwaarden van de lidstaat waar zij verkozen zijn, gelden.”

B. Italiaans recht

12 Op 12 juli 2018 heeft de Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de kamer van afgevaardigden, Italië) besluit nr. 14/2018 aangenomen dat ertoe strekt het bedrag van de levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de pensioenuitkeringen alsook van de uitkeringen aan nabestaanden, die betrekking hebben op de dienstjaren tot en met 31 december 2011, opnieuw vast te stellen (hierna: „besluit nr. 14/2018”).

13 Artikel 1 van besluit nr. 14/2018 luidt: „1. Met ingang van 1 januari 2019 worden de bedragen van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen, waarvan de rechten zijn verworven op basis van de op 31 december 2011 geldende regelgeving, berekend overeenkomstig de nieuwe regels van dit besluit. 2. De in het vorige lid bedoelde herberekening bestaat erin het bedrag van de individuele bijdrage te vermenigvuldigen met de omzettingscoëfficiënt voor de leeftijd van het lid op de datum waarop dit lid recht kreeg op de pro rata levenslange toelage of pensioenuitkering. 3. De in tabel 1 bij dit besluit vermelde omzettingscoëfficiënten zijn van toepassing. 4. Het bedrag van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen die overeenkomstig dit besluit worden herberekend, mag in geen geval hoger zijn dan het bedrag van de rechtstreeks of aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelage of van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks of aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkering dat voor elk lid is bepaald bij de regeling die op de datum van het begin van het parlementair mandaat van kracht is. 5. Het bedrag van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen die overeenkomstig dit besluit worden herberekend, mag in geen geval lager zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door het overeenkomstig onderstaand artikel 2 herberekende bedrag van de individuele bijdragen die zijn betaald door een lid dat alleen tijdens de zeventiende zittingsperiode het parlementair mandaat heeft uitgeoefend, te vermenigvuldigen met de omzettingscoëfficiënt die overeenkomt met de op 31 december 2018 geldende leeftijd van 65 jaar. 6. Indien, ten gevolge van de herberekening in de zin van dit besluit, het nieuwe bedrag van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen, met meer dan 50 % wordt verminderd ten opzichte van het bedrag van de rechtstreeks of aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelage of van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks of aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkering dat voor elk lid is bepaald bij de regeling die op de datum van het begin van het parlementair mandaat van kracht is, wordt het krachtens lid 5 vastgestelde minimumbedrag met de helft vermeerderd. 7. Het bureau van het voorzitterschap kan, op voorstel van het college van quaestoren, het bedrag van de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde levenslange toelagen en het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de rechtstreeks en aan nabestaanden uitgekeerde pensioenuitkeringen, die krachtens dit besluit worden herberekend, tot maximaal 50 % verhogen voor personen die daarom verzoeken en die aan de volgende voorwaarden voldoen: a) zij ontvangen geen ander jaarinkomen dat het jaarlijkse bedrag van de sociale uitkeringen overschrijdt, met uitzondering van het inkomen dat eventueel wordt behaald, op welke wijze dan ook, uit het gebouw bestemd voor hoofdverblijf; b) zij lijden aan ernstige ziekten die de toediening van levensreddende geneesmiddelen vereisen, hetgeen wordt ondersteund door de nodige documenten van openbare zorginstellingen, of lijden aan aandoeningen die leiden tot 100 % invaliditeit, die door de bevoegde autoriteiten is erkend. 8. De documentatie waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van lid 7 is voldaan, wordt door de aanvrager op het moment van de aanvraag en daarna elk jaar uiterlijk op 31 december overgelegd.”

II. Voorgeschiedenis van het geding

14 Verzoekers, Maria Teresa Coppo Gavazzi en de andere natuurlijke personen wier namen zijn vermeld in de bijlage, zijn hetzij in Italië gekozen voormalige leden van het Europees Parlement, hetzij, wat betreft Vanda Novati, Maria Di Meo, Leda Frittelli, Mirella Musoni, Jitka Frantova en Ida Panusa in de zaken T‑397/19, T‑409/19, T‑414/19, T‑426/19, T‑427/19 en T‑453/19, overlevende echtgenoten van in die lidstaat gekozen voormalige leden van het Europees Parlement. Elk van hen ontvangt respectievelijk een ouderdomspensioen of een overlevingspensioen.

15 Overeenkomstig de regels van besluit nr. 14/2018 is het pensioenbedrag van een aantal voormalige Italiaanse leden (of van hun overlevende echtgenoten) vanaf 1 januari 2019 verlaagd.

16 Nadat leden van het Italiaanse parlement wier pensioenbedrag was verlaagd, beroep hebben ingesteld tegen besluit nr. 14/2018, onderzoekt de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati (raad voor jurisdictie van de kamer van afgevaardigden, Italië) momenteel de rechtmatigheid van dat nationale besluit.

17 Bij een toelichting bij de pensioenafrekeningen van de maand januari 2019 heeft het Parlement verzoekers ervan in kennis gesteld dat het bedrag van hun pensioen overeenkomstig besluit nr. 14/2018 zou kunnen worden herzien en dat deze herberekening eventueel zou kunnen leiden tot de terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde bedragen.

18 Volgens het Parlement was het immers verplicht besluit nr. 14/2018 toe te passen en bijgevolg het pensioenbedrag van verzoekers te herberekenen, gelet op artikel 2, lid 1, van bijlage III, dat bepaalt dat: „[d]e hoogte en de voorwaarden van het voorlopige [ouderdomspensioen] gelijk [zijn] aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement gekozen is” (hierna: „regel van het gelijke pensioen”).

19 Bij een niet-gedateerde nota van het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het directoraat-generaal (DG) Financiën van het Parlement, die bij verzoekers’ pensioenafrekening van de maand februari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement hen ervan in kennis gesteld dat zijn juridische dienst bij zijn advies nr. SJ-0836/18 van 11 januari 2019 had bevestigd dat besluit nr. 14/2018 automatisch op hun situatie van toepassing was (hierna: „advies van de juridische dienst”). In deze nota stond ook dat zodra het Parlement de nodige informatie van de Camera dei deputati (kamer van afgevaardigden, Italië) zou hebben ontvangen, het verzoekers de herberekening van hun pensioenbedrag ter kennis zou brengen en het eventuele verschil over de volgende twaalf maanden zou terugvorderen. Ten slotte zijn verzoekers bij deze nota ervan in kennis gesteld dat hun pensioenbedrag definitief zou worden vastgesteld bij een formele handeling waartegen een klacht zou kunnen worden ingediend op grond van artikel 72 van de uitvoeringsbepalingen of beroep tot nietigverklaring zou kunnen worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU.

20 Bij nota’s van 11 april 2019 (hierna, wat betreft Luigi Andrea Florio in zaak T‑465/19: „ontwerpbesluit”) heeft het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement verzoekers meegedeeld dat, zoals hij had aangekondigd in zijn nota van februari 2019, het bedrag van hun pensioen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van bijlage III zou worden aangepast ten belope van de verlaging van de soortgelijke pensioenen die de kamer van afgevaardigden in Italië krachtens besluit nr. 14/2018 uitkeert aan de voormalige leden van het nationale parlement. In deze nota’s was ook vermeld dat verzoekers’ pensioenbedrag vanaf de maand april 2019 (en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019) zou worden aangepast overeenkomstig de ontwerpen voor de vaststelling van de nieuwe pensioenbedragen die bij deze brieven waren gevoegd. Ten slotte is verzoekers bij deze nota’s een termijn van 30 dagen toegekend, te rekenen vanaf de datum van ontvangst, om hun opmerkingen te maken. Bij gebreke van dergelijke opmerkingen zouden de gevolgen van deze nota’s als definitief worden beschouwd en met name de ten onrechte ontvangen bedragen voor de maanden januari, februari en maart 2019 worden teruggevorderd.

21 Met uitzondering van Florio in zaak T‑465/19 heeft geen enkele verzoeker dergelijke opmerkingen gemaakt, zodat de gevolgen van de in punt 20 hierboven bedoelde nota’s jegens hen definitief zijn geworden.

22 Bij e-mail van 14 mei 2019 heeft Florio zijn opmerkingen toegezonden aan de bevoegde dienst van het Parlement.

23 Bij brief van 11 juni 2019 (hierna: „eindbesluit”) heeft het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement aangegeven dat de opmerkingen van Florio geen gegevens bevatten die een herziening van het standpunt van het Parlement zoals dat in het ontwerpbesluit was verwoord, zouden kunnen rechtvaardigen. Bijgevolg waren de pensioenbedragen en het daaruit voortvloeiende plan voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde, zoals herberekend en als bijlage bij dat ontwerpbesluit toegezonden, definitief geworden op de datum van kennisgeving van het eindbesluit.

III. Procedure en conclusies van partijen

24 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 juni (zaken T‑389/19–T‑393/19), 28 juni (zaken T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑414/19, T‑416/19 en T‑417/19), 1 juli (zaken T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19), 2 juli (zaken T‑421/19, T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19), 3 juli (zaken T‑418/19, T‑420/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑453/19), 4 juli (zaken T‑454/19 en T‑463/19) en 5 juli 2019 (zaak T‑465/19), hebben verzoekers de onderhavige beroepen ingesteld.

25 Op 10 juli (zaken T‑389/19–T‑393/19, T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑414/19, T‑416/19 en T‑417/19) en 18 juli 2019 (zaken T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) heeft het Parlement krachtens artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht de zaken te voegen.

26 Op 19 juli (zaken T‑389/19–T‑393/19, T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19 en T‑410/19) en 22 juli 2019 (zaken T‑411/19–T‑414/19 en T‑416/19–T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) heeft het Parlement krachtens artikel 69, onder c), van het Reglement voor de procesvoering verzocht om de procedures te schorsen in afwachting van de beslissing van de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati over de geldigheid van besluit nr. 14/2018.

27 Op 11 september (zaken T‑391/19 en T‑392/19), 12 september (zaak T‑389/19), 13 september (zaak T‑393/19), 16 september (zaken T‑394/19, T‑403/19, T‑410/19, T‑412/19 en T‑416/19), 17 september (zaken T‑397/19, T‑398/19, T‑409/19 en T‑414/19), 18 september (zaken T‑390/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑411/19, T‑413/19, T‑417/19, T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19, T‑429/19–T‑431/19, T‑436/19 en T‑438/19), 19 september (zaken T‑426/19, T‑427/19, T‑435/19, T‑439/19, T‑442/19, T‑445/19 en T‑446/19), 20 september (zaken T‑432/19, T‑440/19, T‑448/19, T‑450/19, T‑451/19, T‑454/19 en T‑463/19), 23 september (zaken T‑441/19, T‑444/19, T‑452/19 en T‑465/19) en 24 september 2019 (zaak T‑453/19) heeft het Parlement verweerschriften ingediend.

28 Op 27 september (zaken T‑389/19 en T‑390/19), 30 september (zaken T‑391/19–T‑394/19, T‑397/19 en T‑398/19), 1 oktober (zaken T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19 en T‑409/19–T‑411/19), 2 oktober (zaken T‑412/19–T‑414/19, T‑416/19–T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19 en T‑430/19–T‑432/19), 3 oktober (zaken T‑425/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19 en T‑450/19–T‑454/19) en 4 oktober 2019 (zaken T‑426/19, T‑427/19, T‑429/19, T‑463/19 en T‑465/19) heeft het Gerecht partijen een vraag gesteld over de mogelijkheid om ten eerste een beperkt aantal van de 84 soortgelijke zaken die op dat moment bij het Gerecht aanhangig waren als proefproces te selecteren, en ten tweede de andere zaken bijgevolg te schorsen totdat de eindbeslissing in de zaken die voor een proefproces waren geselecteerd, in kracht van gewijsde zou gaan. Daarnaast heeft het Gerecht het Parlement verzocht om de regeling KVL in haar geheel over te leggen.

29 Op 15 oktober (zaak T‑452/19), 18 oktober (zaken T‑389/19, T‑390/19, T‑410/19–T‑414/19, T‑416/19, T‑418/19, T‑420/19 en T‑421/19), 22 oktober (zaken T‑391/19–T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19, T‑417/19, T‑422/19 en T‑430/19–T‑432/19), 24 oktober (zaken T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19, T‑451/19, T‑453/19 en T‑454/19) en 28 oktober 2019 (zaken T‑463/19 en T‑465/19) heeft het Parlement de vraag van het Gerecht beantwoord en een volledige versie van de regeling KVL toegezonden.

30 Op 21 oktober 2019 hebben verzoekers op de vraag van het Gerecht geantwoord.

31 Bij beslissingen van 4 november (zaken T‑389/19–T‑394/19, T‑397/19 en T‑398/19), 5 november (zaken T‑403/19 en T‑404/19), 6 november (zaken T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19, T‑414/19 en T‑416/19), 7 november (zaken T‑410/19–T‑412/19, T‑417/19, T‑418/19 en T‑420/19), 8 november (zaken T‑413/19, T‑421/19, T‑422/19 en T‑425/19), 11 november (zaken T‑426/19, T‑427/19, T‑429/19–T‑431/19 en T‑452/19), 12 november (zaken T‑432/19, T‑435/19 en T‑436/19), 13 november (zaken T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19 en T‑448/19), 14 november (zaken T‑450/19, T‑451/19, T‑453/19 en T‑454/19) en 15 november 2019 (zaken T‑463/19 en T‑465/19) en na de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht, werden de zaken opnieuw toegewezen aan de Achtste kamer.

32 Bij brieven van 5 en 28 november 2019 heeft het Parlement het Gerecht in kennis gesteld van het overlijden van Luigi Caligaris, verzoeker in zaak T‑435/19. Gelet op deze omstandigheden heeft het Gerecht de raadsman van verzoeker op 2 december 2019 gevraagd welk gevolg hij aan de procedure wilde geven. Op 20 december 2019 heeft de raadsman van Caligaris het Gerecht meegedeeld dat zijn weduwe, Paola Chiaramello, de procedure wilde voortzetten. Op 30 september 2020 heeft de raadsman van Chiaramello het Gerecht in kennis gesteld van het overlijden van zijn cliënte. Op 7 oktober 2020 heeft de raadsman van Chiaramello het Gerecht meegedeeld dat Enrico Caligaris en Valentina Caligaris, erfgenamen van Chiaramello, de procedure wilden voortzetten.

33 Op 28 november 2019 heeft het Gerecht beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig was.

34 Op 3 december (zaak T‑389/19), 4 december (zaken T‑390/19–T‑394/19), 5 december (zaken T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑412/19, T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19 en T‑438/19–T‑441/19), 6 december (zaken T‑413/19, T‑414/19, T‑416/19 en T‑417/19), 9 december (zaken T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19, T‑451/19, T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) en 10 december 2019 (zaken T‑452/19 en T‑453/19) heeft het Gerecht verzoekers verzocht een standpunt in te nemen over het verzoek tot schorsing van het Parlement.

35 Op 3 december (zaak T‑389/19), 4 december (zaken T‑390/19–T‑394/19), 5 december (zaken T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑412/19, T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19 en T‑438/19–T‑441/19), 6 december (zaken T‑413/19, T‑414/19, T‑416/19 en T‑417/19), 9 december (zaken T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19, T‑451/19, T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) en 10 december 2019 (zaken T‑452/19 en T‑453/19) heeft het Gerecht partijen verzocht een standpunt in te nemen over de mogelijkheid om de zaken T‑389/19–T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑409/19–T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19 te voegen.

36 Op 16 december (zaken T‑389/19–T‑394/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19 en T‑409/19–T‑414/19, T‑416/19 en T‑417/19), 17 december (zaken T‑418/19, T‑420/19–T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19 en T‑445/19) en 19 december 2019 (zaken T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) heeft het Parlement zijn opmerkingen over het voorstel tot voeging ingediend.

37 Bij brief van 18 december 2019 heeft verzoekster in zaak T‑389/19 het Gerecht verzocht om herziening van zijn beslissing van 28 november 2019 en om haar toe te staan een repliek in te dienen.

38 Op 8 januari 2020 hebben verzoekers, met uitzondering van verzoekers in de zaken T‑409/19 en T‑446/19, hun opmerkingen over het verzoek tot schorsing van het Parlement ingediend.

39 Op 9 januari 2020 hebben verzoekers hun opmerkingen over het voorstel tot voeging ingediend.

40 Op 16 januari (zaken T‑389/19–T‑393/19, T‑397/19, T‑398/19, T‑403/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑410/19–T‑414/19, T‑418/19 en T‑420/19) en 17 januari 2020 (zaken T‑394/19, T‑409/19, T‑416/19, T‑417/19, T‑421/19, T‑422/19, T‑425/19–T‑427/19, T‑429/19–T‑432/19, T‑435/19, T‑436/19, T‑438/19–T‑442/19, T‑444/19–T‑446/19, T‑448/19, T‑450/19–T‑454/19, T‑463/19 en T‑465/19) heeft de president van de Achtste kamer beslist om de procedure niet te schorsen.

41 Bij beslissing van de president van de Achtste kamer van het Gerecht van 21 januari 2020 zijn de onderhavige zaken en zaak T‑415/19, Laroni/Parlement, overeenkomstig artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het eindarrest.

42 Op 23 januari 2020 heeft het Gerecht het Parlement verzocht alle stukken ter voorbereiding van de vaststelling van artikel 75 en bijlage III over te leggen. Ook heeft het Gerecht het Parlement een vraag gesteld over zijn administratieve praktijk op het gebied van lonen en pensioenen. Het Parlement heeft de vraag beantwoord en de gevraagde voorbereidende stukken op 11 februari 2020 toegezonden.

43 Op 4 maart 2020 hebben verzoekers krachtens artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om een pleitzitting.

44 Op 20 april 2020 heeft de president van de Achtste kamer beslist om de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 67, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te berechten.

45 Bij brief van 30 april 2020 heeft het Parlement het Gerecht in kennis gesteld van het overlijden van Giulietto Chiesa, verzoeker in zaak T‑445/19. Gelet op deze omstandigheden heeft het Gerecht de raadsman van verzoeker op 8 mei 2020 gevraagd welk gevolg hij aan de procedure wilde geven. Op 8 juni 2020 heeft de raadsman van Chiesa het Gerecht meegedeeld dat zijn weduwe, Fiammetta Cucurnia, de procedure wilde voortzetten.

46 Op 30 april 2020 heeft het Gerecht partijen verzocht een standpunt in te nemen over de mogelijkheid om de onderhavige beroepen en zaak T‑415/19, Laroni/Parlement, voor de mondelinge behandeling te voegen met de gevoegde zaken T‑345/19, Santini/Parlement, T‑346/19, Ceravolo/Parlement, T‑364/19, Moretti/Parlement, T‑365/19, Capraro/Parlement, T‑366/19, Sboarina/Parlement, T‑372/19, Cellai/Parlement, T‑373/19, Gatti/Parlement, T‑374/19, Wuhrer/Parlement, T‑375/19, Pisoni/Parlement, en T‑385/19, Mazzone/Parlement, alsook met de zaken T‑519/19, Forte/Parlement, en T‑695/19, Falqui/Parlement.

47 Op voorstel van de Achtste kamer heeft het Gerecht op 15 mei 2020 overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering beslist om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.

48 Op 19 mei 2020 heeft het Gerecht partijen vragen gesteld over verschillende aspecten van de onderhavige zaken.

49 Op respectievelijk 2 en 3 juni 2020 hebben het Parlement en verzoekers hun opmerkingen ingediend over het voorstel tot voeging voor de mondelinge behandeling, zoals vermeld in punt 46 hierboven.

50 Op 5 juni 2020 heeft de president van de Achtste kamer beslist om de onderhavige zaken en zaak T‑415/19, Laroni/Parlement, voor de mondelinge behandeling te voegen met de gevoegde zaken T‑345/19, Santini/Parlement, T‑346/19, Ceravolo/Parlement, T‑364/19, Moretti/Parlement, T‑365/19, Capraro/Parlement, T‑366/19, Sboarina/Parlement, T‑372/19, Cellai/Parlement, T‑373/19, Gatti/Parlement, T‑374/19, Wuhrer/Parlement, T‑375/19, Pisoni/Parlement, en T‑385/19, Mazzone/Parlement, alsook met de zaken T‑519/19, Forte/Parlement, en T‑695/19, Falqui/Parlement.

51 Op 17 juni 2020 hebben verzoekers en het Parlement geantwoord op de vragen die het Gerecht hun op 19 mei 2020 had gesteld.

52 Bij brief van 1 juli 2020 hebben verzoekers het Gerecht verzocht om meer tijd voor hun pleidooi. Op 3 juli 2020 heeft het Gerecht dit verzoek gedeeltelijk toegewezen.

53 Bij brief van 2 juli 2020 heeft het Parlement het Gerecht in kennis gesteld van het overlijden van Frantova, verzoekster in zaak T‑427/19. Bij brieven van 13 juli 2020 en 5 augustus 2020 heeft ook de raadsman van Frantova het Gerecht in kennis gesteld van het overlijden van zijn cliënte en aangegeven dat hij het Gerecht alle nodige informatie zou verstrekken over de nalatenschap en het gevolg dat aan de procedure zou worden gegeven. Op 16 september 2020 heeft de raadsman van Frantova het Gerecht meegedeeld dat Daniela Concardia, erfgename van verzoekster, de procedure wilde voortzetten.

54 Partijen zijn ter terechtzitting van 7 juli 2020 gehoord in hun pleidooien en antwoorden op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Gerecht.

55 Bij beslissing van 8 oktober 2020 heeft de president van de Achtste kamer, nadat partijen waren gehoord, beslist om de voeging van zaak T‑415/19, Laroni/Parlement, en de andere zaken overeenkomstig artikel 68, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering weer ongedaan te maken.

56 Verzoekers, met uitzondering van Florio in zaak T‑465/19, verzoeken het Gerecht: – de in punt 20 hierboven vermelde nota’s van 11 april 2019 non-existent of nietig te verklaren; – het Parlement te gelasten alle ten onrechte ingehouden bedragen – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van inhouding tot aan de betaling ervan – terug te betalen en het Parlement ertoe te veroordelen om uitvoering te geven aan het te wijzen arrest en alle initiatieven te nemen en handelingen en maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te waarborgen dat de pensioenuitkering onmiddellijk en integraal in haar oorspronkelijke omvang wordt hersteld; – het Parlement in de kosten te verwijzen.

57 In zaak T‑465/19 verzoekt Florio het Gerecht: – het ontwerpbesluit alsook elke daaraan voorafgaande, daarmee verbonden of daaropvolgende handeling non-existent of nietig te verklaren; – het Parlement te gelasten alle ten onrechte ingehouden bedragen – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van inhouding tot aan de betaling ervan – terug te betalen en het Parlement ertoe te veroordelen om uitvoering te geven aan het te wijzen arrest en alle initiatieven te nemen en handelingen en maatregelen vast te stellen die nodig zijn om te waarborgen dat de pensioenuitkering onmiddellijk en integraal in haar oorspronkelijke omvang wordt hersteld; – het Parlement in de kosten te verwijzen.

58 Het Parlement verzoekt het Gerecht: – de beroepen deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te verklaren; – verzoekers in de kosten te verwijzen.

IV. In rechte

A. Voorwerp van de beroepen en bevoegdheid van het Gerecht

59 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekers in hun verzoekschrift uitdrukkelijk hebben vermeld dat zij in het kader van de onderhavige beroepen de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 niet wilden betwisten.

60 Ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoekers evenwel verwezen naar het pleidooi van Maurizio Paniz, advocaat van verzoekers in de gevoegde zaken Santini e.a./Parlement, T‑345/19, T‑346/19, T‑364/19–T‑366/19, T‑372/19–T‑375/19 en T‑385/19.

61 Aangezien Paniz in zijn pleidooi de geldigheid van besluit nr. 14/2018 heeft betwist en tijdens de mondelinge behandeling bewijzen heeft overgelegd ter ondersteuning daarvan, moet worden herinnerd aan de grenzen van de bevoegdheid van het Gerecht in het kader van een beroep krachtens artikel 263 VWEU.

62 Overeenkomstig artikel 263 VWEU is de rechter van de Europese Unie niet bevoegd zich uit te spreken over de wettigheid van een handeling van een nationale autoriteit (zie in die zin beschikking van 28 februari 2017, NF/Europese Raad, T‑192/16, EU:T:2017:128, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Gelet op deze rechtspraak valt de beoordeling van de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 buiten de bevoegdheid van het Gerecht.

64 Bovendien merkt het Gerecht op dat de door Paniz tijdens de mondelinge behandeling overgelegde bewijzen, waarnaar hij ter terechtzitting heeft verwezen, geen invloed hebben op de uitkomst van de onderhavige beroepen. Ten eerste heeft Paniz een kopie van besluit nr. 2/2020 van 22 april 2020 overgelegd, waarbij de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati artikel 1, lid 7, van besluit nr. 14/2018 gedeeltelijk nietig heeft verklaard. Deze nietigverklaring heeft in casu echter geen enkel gevolg, aangezien het Parlement geen verzoek had ontvangen om op verzoekers dezelfde regels toe te passen als die van artikel 1, lid 7, van besluit nr. 14/2018, hetgeen het Parlement bijgevolg ook niet heeft gedaan. Ten tweede heeft Paniz ook een kopie van het dictum van het arrest van 25 juni 2020 van de Commissione contenziosa del senato (geschillencommissie van de senaat, Italië) ingediend. Dit arrest heeft echter betrekking op besluit nr. 6/2018 van de Ufficio di Presidenza del Senato (bureau van het voorzitterschap van de senaat, Italië), en niet op besluit nr. 14/2018. Het staat vast dat het Parlement, overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, lid 1, van bijlage III, uitsluitend dezelfde regels heeft toegepast als die van besluit nr. 14/2018. Ten slotte stelt het Gerecht vast dat het Parlement ter terechtzitting heeft bevestigd dat het in de toekomst elke wijziging van het Italiaanse recht, en met name van besluit nr. 14/2018, die zou kunnen voortvloeien uit de bij de Consiglio di giurisdizione della Camera dei deputati aanhangige procedures, zou toepassen overeenkomstig de regel van het gelijke pensioen.

65 Het Gerecht kan dus op grond van artikel 263 VWEU weliswaar niet de geldigheid van besluit nr. 14/2018 toetsen, maar het is wel bevoegd om de rechtmatigheid van handelingen van het Parlement te onderzoeken. In het kader van de onderhavige beroepen tot nietigverklaring kan het Gerecht dus onderzoeken of artikel 75 en artikel 2, lid 1, van bijlage III, waarbij de regel van het gelijke pensioen is ingevoerd, niet in strijd zijn met hogere rechtsregels van het Unierecht. Evenzo kan het Gerecht onderzoeken of de toepassing door het Parlement, in het kader van de regel van het gelijke pensioen, van de bepalingen van besluit nr. 14/2018 in overeenstemming is met het Unierecht. Ten slotte is het Gerecht bevoegd om te onderzoeken of de in punt 20 hierboven vermelde nota’s van 11 april 2019 en, wat betreft Florio in zaak T‑465/19 het eindbesluit, in overeenstemming zijn met het Unierecht.

B. Ontvankelijkheid van het beroep in zaak T‑453/19, Panusa/Parlement

66 Ter terechtzitting heeft het Parlement aangevoerd dat het beroep in zaak T‑453/19, Panusa/Parlement, niet-ontvankelijk is op grond dat het bestreden besluit haar belangen niet had geschaad. Dit besluit heeft immers geenszins geleid tot een vermindering van het door verzoekster ontvangen pensioenbedrag.

67 Panusa heeft, eveneens ter terechtzitting, gerepliceerd dat zij ondanks alles nog steeds een procesbelang had.

68 In dit verband is het vaste rechtspraak dat een door een natuurlijk of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien de verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van de bestreden handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en de uitkomst van het beroep de partij die dit beroep heeft ingesteld, dus een voordeel kan opleveren (zie arrest van 27 maart 2019, Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑237/17 P, EU:C:2019:259, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het procesbelang moet reëel en daadwerkelijk zijn en moet worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep is ingesteld. Het moet echter, op straffe van afdoening zonder beslissing, blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42).

69 In casu heeft het Parlement, zonder te worden weersproken, betoogd dat het bestreden besluit geenszins had geleid tot een vermindering van het door verzoekster ontvangen pensioenbedrag.

70 Bijgevolg kan de nietigverklaring van het bestreden besluit op zichzelf geen voordeel opleveren voor Panusa. Derhalve moet het beroep in zaak T‑453/19, Panusa/Parlement, niet-ontvankelijk worden verklaard.

C. Ten gronde

71 Ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring voeren verzoekers vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan onbevoegdheid van degene die de in punt 20 hierboven vermelde nota’s van 11 april 2019 heeft opgesteld en het eindbesluit heeft vastgesteld (hierna tezamen: „bestreden besluiten”), en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het tweede middel is ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag en onjuiste toepassing van artikel 75. Het derde middel is ontleend aan onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de kwalificatie van besluit nr. 14/2018 en onjuiste toepassing van het „wetsvoorbehoud” van artikel 75, lid 2. Het vierde middel is ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid, bescherming van het gewettigd vertrouwen, evenredigheid en gelijkheid alsmede schending van het eigendomsrecht.

72 Alvorens de gegrondheid van deze middelen te beoordelen, acht het Gerecht het aangewezen verzoekers’ verzoek tot vaststelling van de non-existentie van de bestreden besluiten te onderzoeken.

73 Op dit punt is het vaste rechtspraak dat de handelingen van de instellingen van de Unie, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken (zie arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 48, en 9 december 2014, Lucchini/Commissie, T‑91/10, EU:T:2014:1033, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 Als uitzondering op dit beginsel moeten handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die dermate ernstig is dat zij door de rechtsorde van de Unie niet kan worden geduld, echter worden geacht geen enkel – zelfs geen voorlopig – rechtsgevolg te hebben gesorteerd, dat wil zeggen als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt het evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten stabiliteit van de rechtsverhoudingen en eerbiediging van de rechtmatigheid (zie arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 49, en 9 december 2014, Lucchini/Commissie, T‑91/10, EU:T:2014:1033, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75 Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een instelling van de Unie non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden aan uiterst extreme gevallen (zie arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 50, en 9 december 2014, Lucchini/Commissie, T‑91/10, EU:T:2014:1033, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76 Ten slotte zij er nog aan herinnerd dat de onregelmatigheden die de Unierechter ertoe kunnen brengen een handeling als juridisch non-existent te beschouwen, verschillen van de onrechtmatigheden waarvan vaststelling in beginsel leidt tot nietigverklaring van de handeling die aan het bij het Verdrag voorziene rechtmatigheidstoezicht is onderworpen, niet wegens de aard, doch wegens de ernst en de klaarblijkelijkheid ervan. Handelingen waaraan onregelmatigheden kleven van een dermate klaarblijkelijke ernst dat de wezenlijke voorwaarden ervan worden geraakt, moeten immers als juridisch non-existent worden beschouwd [zie arrest van 9 september 2011, dm-drogerie markt/BHIM – Distribuciones Mylar (dm), T‑36/09, EU:T:2011:449, punt 86].

77 De door verzoekers aangevoerde onregelmatigheden zijn niet van een dermate klaarblijkelijke ernst dat de bestreden besluiten als juridisch non-existent moeten worden beschouwd, en dit om de hiernavolgende overwegingen.

1. Eerste middel: onbevoegdheid van de vaststeller van de bestreden besluiten en niet-nakoming van de motiveringsplicht

78 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft onbevoegdheid van de vaststeller van de bestreden besluiten. Het tweede onderdeel heeft betrekking op een gebrekkige motivering.

a) Eerste onderdeel van het eerste middel: onbevoegdheid van de vaststeller van de bestreden besluiten

79 In het kader van het eerste onderdeel betogen verzoekers in de eerste grief dat de bestreden besluiten door het Bureau van het Parlement hadden moeten worden vastgesteld, en niet door het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement. Volgens verzoekers is dit noodzakelijk, met name gelet op artikel 11 bis, lid 6, en artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement, zoals van toepassing op het moment van de feiten, namelijk tijdens de achtste zittingsperiode. Volgens verzoekers verlenen deze twee bepalingen een algemene bevoegdheid aan het Bureau van het Parlement met betrekking tot de financiële rechten van de leden. Daarom heeft het Bureau van het Parlement de regeling KVL aangenomen. Een verdere bevestiging van deze algemene bevoegdheid van het Bureau van het Parlement is te vinden in de eerste overweging van de uitvoeringsbepalingen, waarin staat dat „[d]e uitvoering van de financiële aspecten van het Statuut [van de leden] volledig onder de bevoegdheid van het Bureau [valt]”. Volgens verzoekers heeft het Bureau van het Parlement zich nooit uitgesproken over een vermindering van hun pensioenrechten. Gelet op het voorgaande zijn hun pensioenrechten herberekend door een orgaan, te weten het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement, dat daarvoor totaal niet bevoegd is, zodat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn.

80 In de tweede grief stellen verzoekers dat de bestreden besluiten eveneens onrechtmatig zijn omdat zij, in strijd met artikel 28 van het Reglement van het Parlement, niet zijn beoordeeld of geanalyseerd door het College van quaestoren. Op dit punt stellen verzoekers dat het Parlement niet louter besluit nr. 14/2018 had mogen toepassen, maar noodzakelijkerwijs aanvullende handelingen had moeten verrichten om het nieuwe bedrag van de pensioenrechten te berekenen. Deze aanpassing bij de tenuitvoerlegging van besluit nr. 14/2018 op het niveau van de Unie had volgens verzoekers intern moeten worden beoordeeld op basis van raadpleging van de organen die bevoegd zijn op het gebied van de rechten van de leden, en had niet mogen worden gedelegeerd aan een afdeling van het Parlement.

81 Het Parlement concludeert tot ongegrondverklaring van het eerste onderdeel van het eerste middel.

82 Wat de eerste grief betreft, zijn partijen het erover eens dat, overeenkomstig artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement, het Bureau van het Parlement op voorstel van de secretaris-generaal van het Parlement of een fractie financiële, organisatorische en administratieve beslissingen neemt over aangelegenheden die de leden betreffen. Het Parlement is echter van mening dat deze bepaling de bevoegdheid van het Bureau beperkt tot de vaststelling van algemene en abstracte regels, en niet tot de vaststelling van individuele besluiten. Verzoekers zijn daarentegen van mening dat de bestreden besluiten, zelfs al vormen zij handelingen van individuele strekking, op grond van artikel 25, lid 3, hadden moeten worden vastgesteld.

83 Op dit punt blijkt uit vaste rechtspraak dat artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement een algemene bevoegdheid verleent aan het Bureau van het Parlement, met name inzake financiële aangelegenheden die de leden betreffen. Deze bepaling vormt dus de basis op grond waarvan dit Bureau, op voorstel van de secretaris-generaal van het Parlement of een fractie, de regeling betreffende die aangelegenheden kan vaststellen (zie in die zin arrest van 18 oktober 2011, Purvis/Parlement, T‑439/09, EU:T:2011:600, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84 Voorts is reeds geoordeeld dat de door het Bureau van het Parlement vastgestelde uitvoeringsbepalingen blijkens overweging 3 ervan in het bijzonder dienen ter vervanging van de regeling KVL. In die zin regelen de uitvoeringsbepalingen financiële aangelegenheden die de leden betreffen in de zin van artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement (arrest van 29 november 2017, Montel/Parlement, T‑634/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:848, punten 50 en 51).

85 Hoewel het Bureau van het Parlement dus de bevoegdheid heeft om algemene en abstracte normen vast te stellen krachtens artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement en, om soortgelijke redenen, krachtens artikel 11 bis, lid 6, van dat Reglement, betekent dit niet dat het ook bevoegd is om individuele besluiten te nemen inzake financiële aangelegenheden die de leden betreffen.

86 Aan de administratie van het Parlement kan daarentegen een dergelijke bevoegdheid worden verleend zonder dat artikel 25, lid 3, van het Reglement van het Parlement wordt geschonden, aangezien het Bureau van deze instelling de grenzen en voorwaarden voor de uitoefening daarvan heeft vastgesteld (zie in die zin beschikking van 6 september 2018, Bilde/Parlement, C‑67/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:692, punten 36 en 37).

87 Gelet op deze bevoegdheidsverdeling tussen het Bureau van het Parlement en de administratie van deze instelling, is bovendien in het bijzonder reeds geoordeeld dat een individueel besluit waarbij de pensioenrechten worden vastgesteld van de leden, niet alleen een in het kader van een gebonden bevoegdheid genomen besluit is in die zin dat deze administratie geen enkele discretionaire bevoegdheid heeft bij de vaststelling van de pensioenrechten, maar zelfs zuiver declaratoir van aard is wat betreft de inhoud van die rechten (zie in die zin arrest van 18 oktober 2011, Purvis/Parlement, T‑439/09, EU:T:2011:600, punt 38).

88 Niets belet het Parlement dus om zijn administratie de bevoegdheid te verlenen individuele besluiten te nemen, met name inzake de pensioenrechten en de vaststelling van het pensioenbedrag. Wel moet nog worden nagegaan of in casu het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement over een dergelijke bevoegdheid beschikte.

89 In dit verband bepaalt artikel 73, lid 3, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1), dat elke instelling van de Unie, met inachtneming van de in haar reglement van orde bepaalde voorwaarden, de functies van ordonnateur aan personeelsleden op het gepaste niveau delegeert. Zij bepaalt in haar interne administratieve voorschriften aan welke personeelsleden zij deze functies delegeert, alsmede de omvang van de gedelegeerde bevoegdheden en de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden te subdelegeren.

90 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft het Parlement bewijzen overgelegd dat het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van deze instelling was aangewezen als gesubdelegeerde ordonnateur voor begrotingslijn 1030 voor de ouderdomspensioenen van bijlage III van de regeling KVL, en wel bij besluit FINS/2019‑01 van de directeur-generaal Financiën van het Parlement van 23 november 2018. Overeenkomstig artikel 73, lid 3, van verordening 2018/1046 vermeldt besluit FINS/2019‑01 ook uitdrukkelijk dat het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement door deze subdelegatie van bevoegdheid met name juridische verbintenissen kan aangaan en vastleggingen in de begroting kan verrichten, de uitgaven kan vaststellen en betalingsopdrachten kan geven, maar ook schuldvorderingsramingen kan opstellen, de te innen rechten kan vaststellen en invorderingsopdrachten kan verstrekken.

91 Bovendien staat vast dat het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement de regels van de uitvoeringsbepalingen en de regeling KVL, zoals vastgesteld door het Bureau van het Parlement, niet heeft gewijzigd, maar alleen heeft uitgevoerd. Overigens zal de vraag of het hoofd van die afdeling in casu de bepalingen van deze twee regelingen heeft nageleefd, hierna in het kader van de andere middelen worden onderzocht.

92 Anders dan verzoekers stellen, was het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement dus bevoegd om de bestreden besluiten vast te stellen.

93 Wat de tweede grief betreft, moet het argument van verzoekers dat de quaestoren hadden moeten worden geraadpleegd vóór de vaststelling van de bestreden besluiten, ongegrond worden verklaard.

94 Zoals verzoekers in herinnering brengen, bepaalt artikel 28 van het Reglement van het Parlement inderdaad dat de „quaestoren […] overeenkomstig door het Bureau vastgestelde richtlijnen verantwoordelijk [zijn] voor administratieve en financiële aangelegenheden die de leden rechtstreeks aanbelangen, evenals voor andere hun toebedeelde taken”. Deze bepaling moet echter worden gelezen in het licht van artikel 25, lid 8, van het Reglement van het Parlement, waarin staat dat het „Bureau […] de richtlijnen voor de quaestoren [vaststelt] en [hun kan] verzoeken bepaalde taken te vervullen”.

95 Uit de stukken van verzoekers blijkt niet dat het Bureau van het Parlement richtlijnen heeft vastgesteld of specifieke taken heeft omschreven in de zin van artikel 25, lid 8, en artikel 28 van het Reglement van het Parlement, op grond waarvan de quaestoren vóór de vaststelling van de bestreden besluiten hadden moeten worden geraadpleegd of, meer in het algemeen, de bestreden besluiten hadden moeten vaststellen, hoewel het individuele besluiten betreft. Het Parlement kan dus niet worden verweten de quaestoren niet te hebben geraadpleegd, aangezien geen enkele bepaling dat in dergelijke omstandigheden vereist.

96 Ten slotte verwijten verzoekers het Parlement besluit nr. 14/2018 te hebben toegepast, doch in die zin aangepast dat bij de berekening van het nieuwe pensioenbedrag rekening wordt gehouden met de persoonlijke situatie van elke verzoeker. Een dergelijke aanpassing van besluit nr. 14/2018 had echter intern moeten worden beoordeeld op basis van raadpleging van de organen die bevoegd zijn op het gebied van de rechten van de leden, en had niet mogen worden gedelegeerd aan een afdeling van het Parlement.

97 Zelfs in de veronderstelling dat het Parlement besluit nr. 14/2018 heeft aangepast, hetgeen in het kader van de andere middelen hierna zal worden onderzocht, volstaat het hoe dan ook eraan te herinneren dat, zoals in de punten 90 tot en met 95 hierboven is uiteengezet, het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement bevoegd was om de bestreden besluiten vast te stellen en dat er geen verplichting bestond om het College van quaestoren vooraf te raadplegen.

98 Derhalve dient het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.

b) Tweede onderdeel van het eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

99 In het kader van het tweede onderdeel betogen verzoekers dat de bestreden besluiten niet zijn gemotiveerd, aangezien het Parlement zich beperkt tot de stelling dat besluit nr. 14/2018 automatisch van toepassing is op het niveau van de Unie, waarbij het de redenering achter die conclusie niet duidelijk uiteenzet en zich ten onrechte op artikel 75 baseert. Daarnaast is het Parlement de motiveringsplicht niet nagekomen doordat de vaststelling van deze besluiten niet is voorafgegaan door een grondige interne analyse of een beoordeling door het Bureau van het Parlement of de quaestoren. Voorts stellen verzoekers dat deze besluiten gebaseerd lijken te zijn op het advies van de juridische dienst. Dit advies is echter noch aangehaald in de bestreden besluiten, noch erbij gevoegd. Ten slotte verwijten verzoekers het Parlement ten eerste niet te hebben onderzocht in hoeverre de toepassing met terugwerkende kracht van een minder gunstige pensioenregeling verenigbaar zou kunnen zijn met het Unierecht en ten tweede zich te hebben beperkt tot de stelling dat het niet bevoegd was om de geldigheid van besluit nr. 14/2018 te onderzoeken. In die zin heeft het Parlement zowel artikel 296 VWEU als artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) geschonden.

100 Het Parlement concludeert tot ongegrondverklaring van het tweede onderdeel van het eerste middel.

101 In dit verband zij eraan herinnerd dat de door artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 17 maart 2011, AJD Tuna,C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat meer in het bijzonder de motivering van individuele besluiten betreft, strekt de verplichting tot motivering van dergelijke besluiten er niet enkel toe de rechter in staat te stellen de rechtmatigheid van het besluit te toetsen, maar ook de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of het besluit eventueel een gebrek vertoont op grond waarvan de rechtmatigheid ervan kan worden betwist (zie arrest van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie, T‑180/15, EU:T:2017:795, punt 287 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102 In casu dient te worden nagegaan of de bestreden besluiten, met uitzondering van dat betreffende Florio, waarvan de rechtmatigheid in de punten 108 en 109 hierna zal worden onderzocht, naar behoren zijn gemotiveerd in de zin van de in punt 101 hierboven gememoreerde rechtspraak.

103 In dit verband merkt het Gerecht op dat in paragraaf 1 van de bestreden besluiten eraan wordt herinnerd dat het bureau van het voorzitterschap van de kamer van afgevaardigden besluit nr. 14/2018 heeft vastgesteld, dat voorziet in een verlaging, met ingang van 1 januari 2019, van het bedrag van de pensioenen voor de tot en met 31 december 2011 vervulde dienstjaren.

104 In paragraaf 2 verwijzen de bestreden besluiten naar artikel 75, maar ook naar artikel 2, lid 1, van bijlage III, dat bepaalt dat de hoogte en de voorwaarden van het voorlopige pensioen gelijk moeten zijn aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waar zij zijn gekozen. De bestreden besluiten vermelden dus uitdrukkelijk hun rechtsgrondslag.

105 In paragraaf 3 verduidelijken de bestreden besluiten dat, gelet op de vaststelling van besluit nr. 14/2018 en de in punt 104 hierboven bedoelde bepalingen, het bedrag van verzoekers’ pensioen dienovereenkomstig zal moeten worden aangepast, zodat het overeenstemt met het bedrag van de pensioenen die de tweede kamer aan haar leden betaalt. In dit verband verwijzen de bestreden besluiten naar de nota van het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement, die als bijlage bij verzoekers’ pensioenafrekening van de maand februari 2019 is gevoegd, waarin hij aankondigde dat hij verzoekers in kennis zou stellen van het herberekende bedrag van hun pensioen en het eventuele verschil voor de komende twaalf maanden zou terugvorderen.

106 In de paragrafen 4 en 5 van de bestreden besluiten wordt verzoekers meegedeeld dat het bedrag van hun pensioen vanaf de maand april 2019 zal worden berekend overeenkomstig de bij deze besluiten gevoegde ontwerpen voor de vaststelling van de nieuwe pensioenbedragen. Ook worden de onverschuldigd ontvangen bedragen voor de maanden januari, februari en maart 2019 vermeld en wordt verduidelijkt hoe het Parlement deze wil terugvorderen.

107 In de paragrafen 6, 7 en 8 worden verzoekers ten slotte in kennis gesteld van de mogelijkheid om opmerkingen te maken binnen een termijn van 30 dagen. Ook wordt gepreciseerd dat de bestreden besluiten, bij gebreke van dergelijke opmerkingen binnen die termijn, definitief zullen worden en dat in dat geval bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU. Ten slotte vermelden zij de mogelijkheid om een schriftelijke klacht in te dienen bij de secretaris-generaal van het Parlement op grond van artikel 72, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen.

108 Wat specifiek Florio in zaak T‑465/19 betreft, merkt het Gerecht op dat het eindbesluit alleen vermeldt dat, ten eerste, het Parlement niet bevoegd is om de geldigheid van besluit nr. 14/2018 ter discussie te stellen, ten tweede, het advies van de juridische dienst een document is dat voor het publiek toegankelijk is op de website van deze instelling en, ten derde, de opmerkingen die Florio op 14 mei 2019 heeft ingediend, geen gegevens bevatten die een herziening van het standpunt in het ontwerpbesluit kunnen rechtvaardigen. Vervolgens wordt gepreciseerd dat het bedrag van zijn ouderdomspensioen en het daaruit voortvloeiende terugbetalingsplan, zoals herberekend en als bijlage bij dat ontwerpbesluit gevoegd, derhalve definitief zijn geworden op de datum van kennisgeving van het eindbesluit. Ten slotte wordt in het eindbesluit de mogelijkheid vermeld om op grond van artikel 263 VWEU beroep tot nietigverklaring ervan in te stellen, wordt herinnerd aan de mogelijkheid om zich krachtens artikel 228 VWEU met een klacht tot de Europese Ombudsman te wenden indien Florio van mening is dat er sprake is van wanbestuur jegens hem, en wordt erop gewezen dat een schriftelijke klacht kan worden ingediend bij de secretaris-generaal van het Parlement op grond van artikel 72, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen.

109 Het is dus weliswaar juist dat het eindbesluit weinig is onderbouwd, maar het onderzoek of de motiveringsplicht is nagekomen, kan zich niet beperken tot dat enkele document. Overeenkomstig de in punt 101 hierboven gememoreerde rechtspraak moet bij dit onderzoek ook rekening worden gehouden met de feitelijke en juridische context waarin het eindbesluit is vastgesteld. Deze benadering is des te relevanter daar het eindbesluit uitdrukkelijk naar het ontwerpbesluit verwijst en het verzoekschrift van Florio zonder onderscheid ziet op dat ontwerpbesluit en het eindbesluit. Derhalve moeten voor Florio in zaak T‑465/19 ook de in de punten 103 tot en met 107 hierboven beschreven elementen in aanmerking worden genomen.

110 Verzoekers betogen terecht dat de redenen waarom het Parlement van mening is dat de regels van besluit nr. 14/2018 ook op hen van toepassing zijn, slechts daadwerkelijk zijn uiteengezet in het advies van de juridische dienst. In de punten 9 tot en met 14 en 16 van dat advies legt het Parlement aldus in wezen uit dat bijlage III geen autonome pensioenregeling in het leven roept, in die zin dat deze instelling op grond van de regel van het gelijke pensioen verplicht is de regels van besluit nr. 14/2018 toe te passen.

111 Verzoekers stellen ook terecht dat het advies van de juridische dienst noch is vermeld in de bestreden besluiten of, wat betreft Florio in zaak T‑465/19, het ontwerpbesluit, noch daarbij is gevoegd.

112 Deze twee vaststellingen van verzoekers tonen echter niet aan dat het Parlement de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c, van het Handvest niet is nagekomen.

113 De motiveringsplicht vereist niet dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens worden gespecificeerd, zeker niet wanneer de bestreden besluiten, zoals in casu, zijn vastgesteld in een voor de adressaat bekende context.

114 In dit verband erkennen verzoekers zelf dat het advies van de juridische dienst werd genoemd in de nota van het hoofd van de afdeling Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden van het DG Financiën van het Parlement, die bij de pensioenafrekeningen van de maand februari 2019 was gevoegd. Ten eerste waren verzoekers allemaal adressaten van die nota en ten tweede verwijzen de bestreden besluiten of, wat betreft Florio in zaak T‑465/19 het ontwerpbesluit, uitdrukkelijk naar die nota.

115 Het stond verzoekers vrij om toegang te vragen tot het advies van de juridische dienst. Bovendien bevatte het eindbesluit een rechtstreekse link naar de internetpagina van het Parlement waar dit juridisch advies beschikbaar was voor het publiek. Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat alle verzoekers dit advies als bijlage bij hun verzoekschrift hebben gevoegd.

116 Uit deze punten valt af te leiden dat verzoekers vrij toegang hadden tot de inhoud van het advies van de juridische dienst en daarvan volledig op de hoogte waren voordat zij beroep instelden. Aldus hebben zij de mogelijkheid gehad de inhoud ervan te onderzoeken om de bestreden besluiten beter te begrijpen.

117 Uit al deze overwegingen blijkt dat het Parlement duidelijk en ondubbelzinnig de redenen heeft uiteengezet waarom het de regels van besluit nr. 14/2018 heeft toegepast en de bestreden besluiten heeft vastgesteld. Bovendien hebben verzoekers hun rechten kunnen doen gelden bij het Gerecht, zoals met name blijkt uit de inhoud van de feitelijke en juridische argumenten die zij in het kader van de onderhavige beroepen hebben uiteengezet. Derhalve dient te worden geoordeeld dat de bestreden besluiten rechtens genoegzaam zijn gemotiveerd.

118 Ten slotte zij in herinnering gebracht dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de bestreden handeling betreft. De motivering van een besluit houdt immers in dat de gronden waarop dit besluit berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Deze motivering kan toereikend zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 31 mei 2018, Korwin-Mikke/Parlement, T‑352/17, EU:T:2018:319, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende het ontbreken van of een ontoereikende motivering (zie arrest van 19 december 2019, ZQ/Commissie, T‑647/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:884, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 Het argument van verzoekers dat de vaststelling van de bestreden besluiten niet is voorafgegaan door een grondige interne analyse of een beoordeling door het Bureau van het Parlement of de quaestoren, is derhalve irrelevant, aangezien het geen betrekking heeft op de motivering van de bestreden besluiten. In ieder geval is dit argument in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond bevonden.

120 Evenmin kunnen verzoekers’ argumenten in aanmerking worden genomen dat het Parlement, ten eerste, de toepassing van besluit nr. 14/2018 op hen ten onrechte heeft gerechtvaardigd op grond van artikel 75, ten tweede, zich na het advies van de juridische dienst onbevoegd heeft verklaard om de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018 te toetsen en, ten derde, had moeten nagaan, hetgeen het niet heeft gedaan, of de beweerdelijk automatische toepassing met terugwerkende kracht van besluit nr. 14/2018 op hen in overeenstemming was met het Unierecht, en met name met de bepalingen van het Handvest. Dergelijke argumenten houden immers geen verband met de motiveringsplicht. De gegrondheid van deze argumenten zal echter hierna worden onderzocht in het kader van de andere middelen.

121 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel en dientengevolge dit middel in zijn geheel worden afgewezen.

2. Tweede middel: ontbreken van een geldige rechtsgrondslag en onjuiste toepassing van artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen

122 Ter ondersteuning van het tweede middel voeren verzoekers in wezen aan dat de bestreden besluiten geen geldige rechtsgrondslag hebben. Bijlage III is als zodanig immers niet meer van toepassing. Bovendien staat artikel 75 het Parlement niet toe de bezoldiging van zijn voormalige leden in ongunstige zin te wijzigen. Deze bepaling strekt er daarentegen toe de opgebouwde rechten van deze voormalige leden in stand te houden. Volgens hen zijn de bestreden besluiten dus ten onrechte gebaseerd op bijlage III en dat artikel 75.

123 Hoe dan ook betogen verzoekers dat het Parlement een ernstige vergissing heeft begaan bij de toepassing van artikel 75. Deze bepaling verhindert het Parlement immers het pensioenbedrag van zijn voormalige leden te verminderen. Bovendien was de verwijzing naar het nationale recht in bijlage III slechts van toepassing op het moment dat het voormalige lid ervoor had gekozen zich aan te sluiten bij de bij die bijlage ingevoerde pensioenregeling, en niet nadien om de regels voor de berekening van die pensioenen te wijzigen. Ten slotte moet naar analogie rekening worden gehouden met artikel 29 van het Statuut van de leden, dat de van de bepalingen van dit Statuut afwijkende regelingen van de lidstaten betreffende ouderdomspensioenen beperkt tot een periode die de duur van twee zittingsperioden van het Parlement niet mag overschrijden.

124 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben verzoekers ten slotte aangegeven een exceptie van onwettigheid van artikel 2, lid 1, van bijlage III op te werpen indien dat aldus zou worden uitgelegd dat het Parlement definitief verworven situaties opnieuw ter discussie kan stellen. Volgens verzoekers is dat immers in strijd met artikel 28 van het Statuut van de leden.

125 Het Parlement concludeert tot ongegrondverklaring van het tweede middel.

126 Om te beginnen merkt het Gerecht op dat de regeling KVL overeenkomstig artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen is ingetrokken op de dag dat het Statuut van de leden in werking is getreden, namelijk op 14 juli 2009. In afwijking van deze regel handhaaft artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen, gelezen in samenhang met artikel 75 ervan, echter als overgangsmaatregel met name de regel van het gelijke pensioen van bijlage III. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de bepalingen van deze bijlage niet zijn ingetrokken en in casu nog steeds van toepassing zijn op verzoekers.

127 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoekers betreffende een analoge toepassing van artikel 29 van het Statuut van de leden. Het is juist dat artikel 29 van het Statuut van de leden bepaalt dat de door de lidstaten in afwijking van de bepalingen van dit Statuut vastgestelde regelingen, met name betreffende het ouderdomspensioen, van toepassing zijn voor een overgangsperiode die de duur van twee zittingsperioden van het Parlement niet mag overschrijden. Uit dat artikel, dat betrekking heeft op de regelingen van de lidstaten, kan echter niet worden afgeleid dat ook het Parlement verplicht zou zijn om elke afwijking van het Statuut van de leden op het gebied van ouderdomspensioenen te beperken tot een periode van maximaal twee zittingsperioden. Zelfs in de veronderstelling dat de beperking in de tijd van artikel 29 van het Statuut van de leden kan worden toegepast op de artikelen 74 en 75, kan dat in geen geval leiden tot de ongeldigheid van deze twee artikelen en dus ook niet tot de nietigverklaring van de bestreden besluiten. Tussen de inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen en de datum van vaststelling van de bestreden besluiten is immers geen tien jaar verlopen, zijnde de duur van twee zittingsperioden. De uitvoeringsbepalingen zijn in werking getreden op 14 juli 2009, terwijl de bestreden besluiten zijn vastgesteld op 11 april 2019 en, wat betreft Florio in zaak T‑465/19, op 11 juni 2019. Zelfs al zou de beperking in de tijd van artikel 29 van het Statuut van de leden naar analogie op de artikelen 74 en 75 kunnen worden toegepast, deze toepassing zou hoe dan ook in casu dus geen gevolgen hebben.

128 Na deze preciseringen acht het Gerecht het aangewezen de werkingssfeer van artikel 75 te verduidelijken alvorens de andere argumenten van verzoekers te onderzoeken.

a) Werkingssfeer van artikel 75 van de uitvoeringsbepalingen

129 Het Gerecht merkt op dat artikel 75 uit twee leden bestaat. Lid 1, eerste alinea, en lid 2, van artikel 75 hebben weliswaar beide betrekking op de pensioenrechten van voormalige leden, maar hun werkingssfeer heeft betrekking op respectievelijk de situatie van voormalige leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden op 14 juli 2009 reeds hun pensioen genoten, en die van voormalige leden die pas na die datum hun eerste pensioen ontvingen.

130 Ten eerste is artikel 75, lid 1, eerste alinea, van toepassing op voormalige leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden reeds hun ouderdomspensioen genoten. Overeenkomstig deze bepaling blijven deze voormalige leden na die datum onder de bij bijlage III ingevoerde pensioenregeling vallen. Hun ouderdomspensioen wordt derhalve berekend en uitgekeerd op grond van de regels van deze bijlage.

131 Ten tweede waarborgt artikel 75, lid 2, eerste zin, dat de pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut van de leden overeenkomstig bijlage III zijn opgebouwd, in stand blijven. Hoewel deze pensioenrechten in stand blijven na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden, preciseert de tweede zin van artikel 75, lid 2, dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om dit pensioen daadwerkelijk te genieten. In de eerste plaats moeten de voormalige leden overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen. In de tweede plaats moeten de voormalige leden hun verzoek om betaalbaarstelling van het pensioen hebben ingediend binnen zes maanden na het ontstaan van het recht overeenkomstig artikel 3, lid 2, van bijlage III. Bijgevolg wordt hun ouderdomspensioen ook in dit geval berekend en uitgekeerd op basis van de regels van bijlage III, maar moet zijn voldaan aan de vereisten van artikel 75, lid 2, tweede zin, om deze ouderdomspensioenen daadwerkelijk te genieten.

132 Een systemische uitlegging van artikel 75 sluit dus uit dat lid 1, eerste alinea, van deze bepaling wordt toegepast op voormalige leden die hun eerste ouderdomspensioen pas na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden ontvingen. De tekst zelf van artikel 75, lid 1, eerste alinea, beperkt de werkingssfeer ervan immers tot alleen de voormalige leden die „vóór” de inwerkingtreding van het Statuut van de leden reeds een ouderdomspensioen genoten (zie in die zin arrest van 12 mei 2017, Costa/Parlement, T‑15/15 en T‑197/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:332, punt 42).

133 Dezelfde systemische uitlegging leidt ook tot uitsluiting van de toepassing van artikel 75, lid 2, op voormalige leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden reeds hun ouderdomspensioen genoten. Deze voormalige leden kunnen immers niet onder artikel 75, lid 2, vallen, tenzij wordt aangenomen dat de twee leden van dit artikel soortgelijke en overbodige regels zouden bevatten. Bovendien zou het niet erg logisch zijn van deze voormalige leden op grond van artikel 75, lid 2, tweede zin, opnieuw te eisen dat zij hun verzoek om betaalbaarstelling van het ouderdomspensioen binnen zes maanden na het ontstaan van hun recht hebben ingediend, terwijl deze formaliteit noodzakelijkerwijs moest zijn vervuld vóór 14 juli 2009, aangezien zij vóór die datum reeds een dergelijk pensioen genoten.

134 Bijgevolg dient bij het onderzoek van de argumenten van verzoekers onderscheid te worden gemaakt tussen verzoekers die vóór 14 juli 2009 reeds hun ouderdomspensioen genoten en verzoekers die pas na die datum hun eerste pensioen ontvingen. Aangezien partijen het erover eens zijn dat het recht op het betreffende overlevingspensioen een afhankelijk en afgeleid recht is van het recht op ouderdomspensioen van het overleden voormalige lid, moet, om te bepalen welk lid van artikel 75 van toepassing is, worden verwezen naar de datum vanaf welke dit voormalige lid zijn ouderdomspensioen op basis van bijlage III ontving.

b) Situatie van verzoekers die onder artikel 75, lid 1, eerste alinea, van de uitvoeringsbepalingen vallen

135 Gelet op de voorgaande overwegingen, is artikel 75, lid 1, eerste alinea, van toepassing op de situatie van verzoekers die vóór 14 juli 2009 reeds hun ouderdomspensioen genoten, en dus niet op die van verzoekers in de zaken T‑390/19, T‑393/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑411/19, T‑413/19, T‑417/19, T‑425/19, T‑430/19, T‑436/19, T‑441/19, T‑442/19, T‑444/19, T‑445/19, T‑452/19 en T‑465/19. Artikel 75, lid 1, eerste alinea, is eveneens van toepassing op alle verzoekers die een overlevingspensioen ontvangen, te weten verzoekers in de zaken T‑397/19, T‑409/19, T‑414/19, T‑426/19 en 427/19. De overleden echtgenoten genoten immers allemaal reeds vóór 14 juli 2009 hun ouderdomspensioen.

136 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 75, lid 1, eerste alinea, bepaalt dat: „[d]e uitkering van [de] ouderdomspensioenen die uit hoofde van [bijlage] III van de regeling KVL zijn toegekend en die de rechthebbenden vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut reeds genoten, […] overeenkomstig deze [bijlage wordt] voortgezet”.

137 Bovendien formuleert artikel 2, lid 1, van bijlage III de regel van het gelijke pensioen, die de kern vormt van de onderhavige zaken: „De hoogte en de voorwaarden van het voorlopige pensioen zijn gelijk aan die van het pensioen van de leden van de tweede kamer van het parlement van de lidstaat waarvoor het betrokken lid van het Europees Parlement gekozen is.”

138 De gebiedende formulering van deze bepaling – „[d]e hoogte en de voorwaarden van het voorlopige pensioen zijn gelijk” – laat het Parlement geen enkele ruimte voor een autonome berekeningswijze. Mits de hogere rechtsnormen van het Unierecht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen en het Handvest, in acht worden genomen, is het Parlement verplicht de hoogte en de voorwaarden van het ouderdomspensioen van een voormalig lid van het Europees Parlement dat binnen de werkingssfeer van bijlage III valt, te bepalen op basis van de normen die in het toepasselijke nationale recht zijn vastgesteld, namelijk in casu op grond van de regels van besluit nr. 14/2018. Het Gerecht stelt vast dat partijen het eens zijn over deze uitlegging.

139 Evenzo veronderstelt het gebruik van de tegenwoordige tijd – „zijn gelijk” – dat deze verplichting om dezelfde regels betreffende de hoogte en de voorwaarden toe te passen als die welke in het recht van de betrokken lidstaat zijn vastgesteld, niet alleen geldt voor de vroegere situatie van voormalige leden, dat wil zeggen vóór de vaststelling van het Statuut van de leden, maar blijft gelden zolang de ouderdomspensioenen worden uitgekeerd.

140 Deze dubbele uitlegging wordt versterkt door artikel 75, lid 1, eerste alinea, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat „[d]e uitkering” van ouderdomspensioenen overeenkomstig bijlage III „wordt […] voortgezet”. Ook in dit geval worden een gebiedende formulering en de tegenwoordige tijd gebruikt, hetgeen bevestigt dat ten eerste de regels van artikel 2, lid 1, van bijlage III bestendig zijn, ook na de inwerkingtreding van het Statuut van de leden, en dat ten tweede het Parlement bij de toepassing ervan over geen speelruimte beschikt.

141 Uit het voorgaande volgt dat artikel 75, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, lid 1, van bijlage III, in hun onderlinge samenhang gelezen, uitdrukkelijk voorschrijven dat het Parlement te allen tijde dezelfde regels betreffende de hoogte en de voorwaarden van de pensioenen toepast als die welke in het recht van de betrokken lidstaat zijn vastgesteld. Zoals reeds aangegeven in punt 138 hierboven, kan het Parlement zich alleen aan deze verplichting onttrekken ingeval de tenuitvoerlegging van deze regels, gelet op het beginsel van de hiërarchie van de normen, ertoe zou leiden dat een hogere rechtsnorm van het Unierecht wordt geschonden.

142 Zelfs al brengt de toepassing van deze regels, zoals in casu, een verlaging van het pensioenbedrag met zich, dit kan niet worden beschouwd als een aantasting van de opgebouwde pensioenrechten van de rechthebbenden.

143 Uit de gecombineerde lezing van artikel 75, lid 1, eerste alinea, en bijlage III blijkt immers dat de opgebouwde pensioenrechten, die voortvloeien uit de door de voormalige leden betaalde bijdragen, slechts de grondslag vormen voor de berekening van deze ouderdomspensioenen. Geen enkele bepaling van artikel 75, lid 1, eerste alinea, en bijlage III waarborgt daarentegen dat het bedrag van deze pensioenen onveranderlijk is. De in artikel 75 vermelde opgebouwde pensioenrechten mogen niet worden verward met een vermeend recht op een vast pensioenbedrag.

144 Aan deze uitlegging van de regel van het gelijke pensioen wordt niet afgedaan door overweging 7 van de uitvoeringsbepalingen, waarnaar verzoekers verwijzen. In deze overweging wordt immers alleen gepreciseerd dat de pensioenrechten die vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden zijn opgebouwd, na die datum onverlet blijven. In deze overweging wordt echter niet vermeld dat het bedrag van deze pensioenen niet naar boven of naar beneden kan worden bijgesteld. Deze overweging bevestigt dus gewoon de inhoud van artikel 75, lid 1, eerste alinea, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van bijlage III.

145 Aan deze uitlegging wordt evenmin afgedaan door artikel 75, lid 2, eerste zin. Het is juist dat daarin wordt bepaald dat „[d]e pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut overeenkomstig bovengenoemde bijlage III zijn opgebouwd, [in stand blijven]”. Evenmin als overweging 7 van de uitvoeringsbepalingen, vermeldt dit artikel 75, lid 2, eerste zin, echter dat het bedrag van de ouderdomspensioenen niet kan worden gewijzigd in het voor of nadeel van hun rechthebbenden. Zoals blijkt uit de punten 132 en 133 hierboven, heeft een systemische uitlegging van artikel 75 bovendien hoe dan ook tot gevolg dat lid 2 ervan niet van toepassing is op voormalige leden die, zoals de in punt 135 hierboven vermelde verzoekers, reeds vóór 14 juli 2009 hun ouderdomspensioen genoten.

146 Anders dan verzoekers in hun in punt 124 hierboven vermelde exceptie van onwettigheid stellen, leidt deze uitlegging evenmin tot schending van artikel 28 van het Statuut van de leden. Zoals het Parlement terecht heeft opgemerkt, volstaat immers de vaststelling dat artikel 28 van het Statuut van de leden volgens zijn eigen bewoordingen alleen van toepassing is op de pensioenrechten die de leden „overeenkomstig nationale regelingen” hebben verworven. In casu zijn de ouderdomspensioenen van verzoekers niet verworven overeenkomstig een nationale regeling, maar op grond van de bepalingen van bijlage III. Bovendien erkennen verzoekers zelf in hun schrifturen dat hun pensioenen niet door de Italiaanse Republiek maar door het Parlement worden uitgekeerd. Artikel 28 van het Statuut van de leden is derhalve niet van toepassing op de pensioenen van verzoekers, aangezien hun pensioenen onder een pensioenregeling van de Unie en niet onder een nationale pensioenregeling vallen. Hun exceptie van onwettigheid moet dan ook worden verworpen.

147 Ten slotte stelt het Gerecht vast dat de praktijk bevestigt dat het bedrag van de krachtens artikel 2, lid 1, van bijlage III uitgekeerde pensioenen veranderlijk is. In antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht heeft het Parlement immers bewijzen overgelegd dat het bedrag van het ouderdomspensioen van een tiental in Italië gekozen voormalige leden van het Europees Parlement reeds vóór de vaststelling van besluit nr. 14/2018 was verlaagd om rekening te houden met besluit nr. 210/2017 van het bureau van het voorzitterschap van de kamer van afgevaardigden. Omgekeerd heeft het Parlement ook bewijzen overgelegd dat het bedrag van het ouderdomspensioen van sommige in Italië gekozen voormalige leden van het Europees Parlement tussen 2002 en 2005 was verhoogd overeenkomstig de verhoging van het bedrag van de parlementaire vergoeding waartoe door het bureau van het voorzitterschap van de kamer van afgevaardigden was besloten.

c) Situatie van verzoekers die onder artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen vallen

148 Gelet op de overwegingen in de punten 129 tot en met 134 hierboven, is artikel 75, lid 2, alleen van toepassing op verzoekers in de zaken T‑390/19, T‑393/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑411/19, T‑413/19, T‑417/19, T‑425/19, T‑430/19, T‑436/19, T‑441/19, T‑442/19, T‑444/19, T‑445/19, T‑452/19 en T‑465/19.

149 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 75, lid 2, het volgende bepaalt: „De pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut overeenkomstig bovengenoemde bijlage III zijn opgebouwd, blijven in stand. Aan degenen die dergelijke pensioenrechten hebben opgebouwd, wordt een pensioen uitgekeerd dat overeenkomstig bovengenoemde bijlage III op basis van de opgebouwde rechten wordt berekend, zodra zij overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2 van bovengenoemde bijlage III hebben ingediend.”

150 De eerste zin van artikel 75, lid 2, kan niet aldus worden uitgelegd dat hij zou waarborgen dat het pensioenbedrag van de betrokken voormalige leden van het Europees Parlement onveranderlijk is. In dat artikel 75, lid 2, is immers geen verworven recht neergelegd dat een definitief en niet-herzienbaar bedrag van het ouderdomspensioen inhoudt.

151 Met de vermelding dat „[d]e pensioenrechten die vóór de datum van inwerkingtreding van het Statuut overeenkomstig bovengenoemde bijlage III zijn opgebouwd, [in stand blijven]”, heeft het Parlement in feite alleen bevestigd dat alle pensioenrechten die op basis van de tot 14 juli 2009 betaalde bijdragen waren opgebouwd, na die datum behouden blijven. Uit de punten 142 tot en met 144, 146 en 147 hierboven blijkt echter dat deze opgebouwde rechten uitsluitend als grondslag voor de berekening van het pensioenbedrag dienen. De uitdrukking „opgebouwde pensioenrechten” kan echter niet aldus worden opgevat dat het resultaat van de berekening van het bedrag van deze pensioenen definitief en onveranderlijk is.

152 Bovendien kan met deze vermelding ook onderscheid worden gemaakt tussen de respectieve werkingssferen van artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen en artikel 75, lid 2, wat betreft de voormalige leden die op 14 juli 2009 nog geen ouderdomspensioen genoten.

153 Zoals verzoekers en het Parlement terecht opmerken, vallen de pensioenrechten die sinds de inwerkingtreding van het Statuut van de leden zijn opgebouwd, immers uitsluitend onder artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen. De pensioenrechten die vóór die datum zijn opgebouwd, worden uitsluitend geregeld door artikel 75, lid 2, en bijlage III. Sinds 14 juli 2009 is het dus niet meer mogelijk op grond van deze bepalingen pensioenrechten op te bouwen. Dat betekent dat er twee opeenvolgende pensioenregelingen zijn, die twee soorten pensioenrechten inhouden: de pensioenrechten die vóór 14 juli 2009 waren opgebouwd op grond van artikel 75 en bijlage III, en de pensioenrechten die sinds 14 juli 2009 zijn opgebouwd op grond van artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen. Op dit punt zijn partijen het erover eens dat de voormalige leden op wie deze regelingen gelijktijdig van toepassing zijn, twee verschillende pensioenen ontvangen en dat alleen het ouderdomspensioen dat wordt geregeld door artikel 75, lid 2, en bijlage III, is verlaagd.

154 Door te preciseren dat de pensioenrechten die vóór de dag van inwerkingtreding van het Statuut zijn opgebouwd, ook na die datum in stand blijven, bepaalt artikel 75, lid 2, eerste zin, dus impliciet, maar in overeenstemming met artikel 49 van de uitvoeringsbepalingen, dat deze waarborg geen betrekking kan hebben op nieuwe pensioenrechten die na die datum worden opgebouwd, aangezien het juist juridisch onmogelijk is geworden om dergelijke rechten op te bouwen. Om alle hierboven uiteengezette redenen kan artikel 75, lid 2, eerste zin, echter niet aldus worden uitgelegd dat het bedrag van het ouderdomspensioen onveranderlijk is.

155 Vervolgens zij erop gewezen dat het eerste deel van artikel 75, lid 2, tweede zin, bepaalt dat het bedrag van het ouderdomspensioen wordt berekend overeenkomstig de regels van bijlage III. Daarnaast schrijft het tweede deel van deze zin voor dat aan twee vereisten moet zijn voldaan, namelijk dat de relevante bepalingen van het toepasselijke nationale recht inzake toekenning van het pensioen worden nageleefd en dat een verzoek om betaalbaarstelling van dit pensioen is ingediend.

156 Het Gerecht merkt op dat artikel 75, lid 2, tweede zin, duidelijk onderscheid maakt tussen „opgebouwde pensioenrechten” en „pensioenen”. Ten eerste is het duidelijk dat het bijvoeglijk naamwoord „opgebouwde” niet bij de term „pensioenen” staat, hetgeen ook in de richting wijst dat het niet onmogelijk is om het bedrag ervan te herzien. Ten tweede worden deze pensioenen weliswaar berekend op basis van deze „opgebouwde pensioenrechten”, maar „overeenkomstig” de regels van bijlage III. Op dit punt verwijst artikel 75, lid 2, tweede zin, naar bijlage III en dus impliciet naar artikel 2, lid 1, van deze bijlage. Bijgevolg wordt verwezen naar de overwegingen in de punten 138 tot en met 141 hierboven, volgens welke het Parlement verplicht is om, met inachtneming van de hogere rechtsnormen van het Unierecht, de in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde regels betreffende de hoogte en de voorwaarden van de pensioenen toe te passen.

157 Wat betreft de twee extra vereisten van artikel 75, lid 2, tweede zin, volstaat de vaststelling dat deze niet ertoe strekken, zoals verzoekers betogen, om voorwaarden te stellen voor een vermeende bescherming van hun „opgebouwde rechten”, in de zin dat het pensioenbedrag niet zou kunnen worden herzien, maar dat zij voorwaarden stellen om deze pensioenen daadwerkelijk te genieten. Alleen indien een voormalig lid overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoet en bovendien een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage III heeft ingediend, zal het immers aanspraak kunnen maken op zijn pensioen. Deze vereisten houden dus geen verband met enige waarborg dat het bedrag van het ouderdomspensioen onveranderlijk is.

158 Ten slotte stelt het Gerecht vast dat de in bijlage III gestelde verplichting om de in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde regels betreffende de hoogte en de voorwaarden van de ouderdomspensioenen toe te passen, uitsluitend voor het Parlement geldt. De verplichting om aan de twee in punt 157 hierboven beschreven vereisten te voldoen, geldt daarentegen alleen voor de rechthebbenden op deze pensioenen.

d) Conclusie

159 In casu heeft het Parlement noch artikel 75, noch artikel 2, lid 1, van bijlage III gewijzigd. Deze bepalingen zijn ongewijzigd gebleven. Evenmin heeft het Parlement de pensioenrechten ter discussie gesteld die verzoekers vóór 14 juli 2009 hadden opgebouwd.

160 Concreet heeft het Parlement, overeenkomstig artikel 75 en artikel 2, lid 1, van bijlage III, alleen de hoogte en de voorwaarden van verzoekers’ ouderdoms‑ of overlevingspensioenen aangepast om rekening te houden met de nieuwe berekeningsregels van besluit nr. 14/2018. Alleen de regels voor de berekening van het bedrag van deze ouderdoms‑ of overlevingspensioenen zijn dus gewijzigd overeenkomstig de nieuwe voorschriften van besluit nr. 14/2018. Verzoekers hebben overigens niet gesteld dat het Parlement de regels van besluit nr. 14/2018 onjuist had toegepast.

161 Bovendien en ter vergelijking stelt het Gerecht vast dat de mogelijkheid om het pensioenbedrag te herzien, reeds is erkend in de rechtspraak in het kader van geschillen op het gebied van de openbare dienst van de Unie. Volgens deze rechtspraak dient een duidelijk verschil te worden gemaakt tussen de vaststelling van een recht op pensioen en de daaruit voortvloeiende betaling van uitkeringen. Volgens de rechtspraak worden verworven rechten in de vorm van vaststelling van een pensioen dus niet geschonden wanneer de wijzigingen die zijn aangebracht in de daadwerkelijk betaalde bedragen, voortvloeien uit wijzigingen in de wetgeving of regelgeving die geen aantasting inhouden van het eigenlijke recht op pensioen (zie in die zin arrest van 29 november 2006, Campoli/Commissie, T‑135/05, EU:T:2006:366, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

162 Gelet op het voorgaande is het Parlement de krachtens artikel 75 en artikel 2, lid 1, van bijlage III op hem rustende verplichting nagekomen door de regels van besluit nr. 14/2018 toe te passen en bijgevolg de bestreden besluiten vast te stellen. De vraag of de toepassing door het Parlement van de regels van besluit nr. 14/2018 al dan niet in strijd is met andere hogere rechtsnormen van het Unierecht dan artikel 75 of bijlage III, zal in het kader van het vierde middel worden onderzocht.

163 Uit het voorgaande volgt dat het Parlement zich voor de vaststelling van de bestreden besluiten met succes kon baseren op artikel 75 en de regels van bijlage III, zonder de bepalingen daarvan te schenden.

164 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen.

3. Derde middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de kwalificatie van besluit nr. 14/2018 en onjuiste toepassing van het „wetsvoorbehoud” van artikel 75, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen

165 Ter ondersteuning van dit derde middel voeren verzoekers aan dat artikel 75, lid 2, slechts verwijst naar het nationale recht dat in de vorm van een „wet” is vastgesteld. De vaststelling van wetten is voorbehouden aan de wetgever om de wetgevende functie te beschermen, meer nog dan de parlementsleden individueel te beschermen. Besluit nr. 14/2018 is gewoon een intern besluit van de kamer van afgevaardigden, zonder kracht van wet. Om die reden is besluit nr. 14/2018 slechts van toepassing op personen ten aanzien van wie de kamer van afgevaardigden haar regelgevende bevoegdheden uitoefent, te weten haar personeel en de leden van deze kamer tot het einde van hun mandaat.

166 Verzoekers stellen ook dat de verwijzing in artikel 75, lid 2, naar de „wetgeving van de […] lidstaat” alleen betrekking heeft op de door de betrokken lidstaat gestelde voorwaarden om als voormalig lid van het Europees Parlement recht op een ouderdomspensioen te krijgen. Volgens verzoekers kan het Parlement op grond van deze verwijzing echter niet de berekeningswijzen van deze ouderdomspensioenen wijzigen.

167 Ten slotte zijn de bestreden besluiten in strijd met artikel 17 van het Handvest en artikel 1 van Aanvullend Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM). Deze bepalingen waarborgen immers dat aan niemand zijn eigendom mag worden ontnomen behalve onder de voorwaarden waarin de „wet” voorziet.

168 Het Parlement concludeert tot ongegrondverklaring van het derde middel.

169 Voor zover verzoekers het Parlement verwijten hun eigendomsrecht te hebben geschonden, aangezien de verlaging van hun pensioenbedrag niet bij „wet” is voorzien, moet om te beginnen worden opgemerkt dat dit argument wordt verward met het in het kader van het vierde middel gevoerde betoog. Bijgevolg wordt daarnaar verwezen.

170 Vervolgens moet dit derde middel als niet ter zake doend worden afgewezen voor zover het de in punt 135 hierboven bedoelde verzoekers betreft. Zoals is uiteengezet in het kader van het tweede middel, en in het bijzonder in punt 135 hierboven, vallen deze verzoekers immers niet binnen de werkingssfeer van artikel 75, lid 2, maar binnen die van artikel 75, lid 1, eerste alinea, aangezien zij reeds vóór de inwerkingtreding van het Statuut van de leden hun pensioen genoten. Bijgevolg kan een eventuele schending door het Parlement van artikel 75, lid 2, hoe dan ook niet leiden tot nietigverklaring van de bestreden besluiten die deze verzoekers betreffen.

171 Het onderzoek van dit derde middel is dus beperkt tot enkel de in punt 148 hierboven bedoelde verzoekers, dat wil zeggen die in de zaken T‑390/19, T‑393/19, T‑404/19, T‑406/19, T‑407/19, T‑411/19, T‑413/19, T‑417/19, T‑425/19, T‑430/19, T‑436/19, T‑441/19, T‑442/19, T‑444/19, T‑445/19, T‑452/19 en T‑465/19.

172 Artikel 75, lid 2, tweede zin, bepaalt: „Aan degenen die dergelijke pensioenrechten hebben opgebouwd, wordt een pensioen uitgekeerd dat overeenkomstig bovengenoemde bijlage III op basis van de opgebouwde rechten wordt berekend, zodra zij overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en een verzoek als bedoeld in artikel 3, lid 2 van bovengenoemde bijlage III hebben ingediend.”

173 Zoals in de punten 155 tot en met 157 hierboven is opgemerkt, maakt artikel 75, lid 2, tweede zin, onderscheid tussen enerzijds de berekeningswijze van het bedrag van de ouderdomspensioenen, die uitsluitend door artikel 2, lid 1, van bijlage III wordt geregeld, en anderzijds de vereisten waaraan moet worden voldaan om deze pensioenen daadwerkelijk te genieten, die met name inhouden dat „overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat aan de desbetreffende voorwaarden” is voldaan. Voorts blijkt uit punt 158 hierboven dat de verplichting om aan deze vereisten te voldoen, geldt voor de rechthebbenden op het ouderdomspensioen, en niet voor het Parlement.

174 Ten eerste, zelfs al wordt aangenomen dat de bewoordingen „wetgeving van de […] lidstaat” in artikel 75, lid 2, tweede zin, uitsluitend betrekking hebben op nationale wetgevingshandelingen, is het in casu hoe dan ook irrelevant dat besluit nr. 14/2018 niet de vorm heeft van een „wet” volgens het Italiaanse recht. Zoals verzoekers erkennen, strekt besluit nr. 14/2018 er immers niet toe de vereisten te wijzigen waaraan moet worden voldaan om het ouderdomspensioen daadwerkelijk te genieten, zoals het bereiken van de wettelijke leeftijd vanaf welke een voormalig lid zijn ouderdomspensioen mag ontvangen, of het niet-uitoefenen van bepaalde door de Italiaanse wetgever onverenigbaar geachte functies. Zoals verzoekers zelf aangeven en zoals blijkt uit de titel van besluit nr. 14/2018 – „Nieuwe vaststelling van het bedrag van de levenslange toelagen en van het pro-rata-aandeel levenslange toelage in de pensioenuitkeringen alsook van de uitkeringen aan nabestaanden […]” – heeft dit besluit gewoon de berekeningswijze van de ouderdomspensioenen aangepast.

175 Ten tweede wordt in artikel 2, lid 1, van bijlage III, dat de berekening van het bedrag van deze pensioenen juist regelt door te verwijzen naar het recht van de betrokken lidstaat, niet bepaald dat dit nationale recht de vorm van een „wet” moet aannemen. Meer in het algemeen verwijst geen enkele bepaling van bijlage III naar de „wetgeving” van de betrokken lidstaat.

176 Bijgevolg berust het onderhavige middel op een kennelijk onjuiste lezing van artikel 75, lid 2, aangezien deze bepaling, net zoals artikel 75, lid 1, niet vereist dat de berekeningswijze van de pensioenen in het recht van de betrokken lidstaat bij „wet” is vastgesteld. Het is derhalve van geen belang dat besluit nr. 14/2018 niet is vastgesteld in de vorm van een wet.

177 Bijgevolg moet het derde middel worden afgewezen.

4. Vierde middel: schending van verschillende algemene beginselen van het Unierecht

178 Dit vierde middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel betreft schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, alsmede schending van het eigendomsrecht. Het tweede onderdeel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel en het derde onderdeel schending van het gelijkheidsbeginsel.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in