Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, ECLI:EU:T:2014:1033

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

9 december 2014 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van betonstaal in staven of rollen — Beschikking houdende vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1/2003, van inbreuk op artikel 65 KS na expiratie van EGKS-Verdrag — Vaststelling van prijzen en betalingstermijnen — Beperking of beheersing van productie of afzet — Schending van wezenlijke vormvoorschriften — Rechtsgrondslag — Rechten van verdediging — Geldboeten — Zwaarte en duur van inbreuk — Verzachtende omstandigheden — Inaanmerkingneming van nietigverklaringsarrest in verknochte zaak”

In zaak T‑91/10,

Lucchini SpA, gevestigd te Milaan (Italië), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Delfino, J.‑P. Gunther, E. Bigi, C. Breuvart en L. De Sanctis en vervolgens door J.‑P. Gunther, E. Bigi, C. Breuvart en D. Galli, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Sauer en B. Gencarelli als gemachtigden, bijgestaan door M. Moretto, advocaat, en vervolgens door R. Sauer en R. Striani, als gemachtigde, bijgestaan door M. Moretto,

verweerster,

betreffende een verzoek tot vaststelling van de non-existentie of tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 (zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking), zoals gewijzigd bij besluit C(2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009, subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van die beschikking, en meer subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), waarnemend voor de president, A. Popescu en G. Berardis, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 februari 2013,

het navolgende

Arrest

Toepasselijke bepalingen

1. Bepalingen van het EKGS-Verdrag

1 Artikel 36 KS bepaalde: „De Commissie is verplicht de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken vóórdat zij de geldstraffen of dwangsommen oplegt, welke in dit Verdrag zijn voorzien. Tegen op grond van de bepalingen van dit Verdrag opgelegde geldstraffen en dwangsommen staat in volle omvang beroep open. De verzoekers kunnen, ter ondersteuning van hun beroep overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van artikel 33 van dit Verdrag, de onrechtmatigheid van beschikkingen of aanbevelingen, waarvan niet-opvolging hun is ten laste gelegd, aanvoeren.”

2 Artikel 47 KS luidde als volgt: „De Commissie kan de voor de vervulling van haar taak noodzakelijke inlichtingen inwinnen. Indien nodig kan zij deze doen verifiëren. De Commissie is gehouden geen ruchtbaarheid te geven aan de inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan de inlichtingen welke betrekking hebben op de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs. Onder dit voorbehoud is zij verplicht de gegevens die voor de Regeringen of voor andere belanghebbenden van nut zouden kunnen zijn, openbaar te maken. De Commissie kan aan ondernemingen die zich onttrekken aan de verplichtingen welke voor hen voortvloeien uit de op grond van de bepalingen van dit artikel gegeven beschikkingen, of die willens en wetens onjuiste gegevens verstrekken, boeten tot een bedrag van ten hoogste 1 % van de jaaromzet en dwangsommen tot een bedrag van ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagomzet per dag vertraging opleggen. Op grond van schending van het beroepsgeheim door de Commissie, waardoor een onderneming schade heeft geleden, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 40 een eis tot schadevergoeding bij het Hof worden aanhangig gemaakt.”

3 Artikel 65 KS bepaalde: „1. Verboden zijn: alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder: a) de prijzen vast te leggen of te bepalen; b) de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken of te beheersen; c) de markten, producten, afnemers of voorzieningsbronnen te verdelen. [...] 4. De krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten, zijn van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende Staten kan op dezelve een beroep gedaan worden. Alleen de Commissie heeft de bevoegdheid, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, om zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de genoemde overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel. 5. De Commissie kan aan ondernemingen die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten, die door arbitrage, uitkoop, boycot of enig ander middel een van rechtswege nietige overeenkomst of een zodanig besluit of een overeenkomst waarvoor de ontheffing is geweigerd of ingetrokken, hebben toegepast of gepoogd hebben toe te passen, of die door middel van willens en wetens onjuist of misleidend gestelde inlichtingen een ontheffing hebben verkregen, of die zich aan gedragingen schuldig maken welke in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid, boeten en dwangsommen opleggen tot ten hoogste het dubbele van de bereikte omzet van de producten welke het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, het besluit of de gedraging, strijdig met de bepalingen van het onderhavige artikel, onverminderd een verhoging van dit aldus bepaalde maximum tot een bedrag van 10 % van de jaaromzet der betrokken ondernemingen voor zover het de boete betreft en tot een bedrag van 20 % van de dagomzet voor zover het de dwangsommen betreft, indien de bedoeling heeft voorgezeten de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken.”

4 Overeenkomstig artikel 97 KS is de geldigheidsduur van het EGKS-Verdrag verstreken op 23 juli 2002.

2. Bepalingen van het EG-Verdrag

5 Artikel 305, lid 1, EG bepaalde: „De bepalingen van dit verdrag brengen geen wijziging in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der lidstaten, de bevoegdheden der instellingen van die gemeenschap en de in dat verdrag gestelde regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.”

3. Verordening (EG) nr. 1/2003

6 Volgens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) „beschikt [de Commissie] met het oog op de toepassing van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] over de bevoegdheden waarin deze verordening voorziet”.

7 Artikel 7, „Vaststelling en beëindiging van inbreuken”, van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „1. Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken [...] De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft. [...]”

8 Artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 [EG ...]”

4. Mededeling van de Commissie betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag

9 Op 18 juni 2002 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen de mededeling betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152, blz. 5; hierna: „mededeling van 18 juni 2002”) vastgesteld.

10 Volgens punt 2 van de mededeling van 18 juni 2002 heeft deze tot doel: „[...] — [...] een samenvatting te geven ten behoeve van economische actoren en lidstaten, inzoverre ze te maken hebben met het EGKS-Verdrag en de daarmee verband houdende afgeleide wetgeving, van de belangrijkste door de overgang naar het EG-stelsel teweeggebrachte veranderingen wat het toepasselijke materiële en procedurele recht betreft; — [...] uiteen te zetten hoe de Commissie specifieke problemen wil aanpakken die zich ingevolge de overgang van het EGKS- naar het EG-stelsel zullen voordoen op het gebied van het antitrustbeleid [...], de concentratiecontrole [...] en het toezicht op staatssteun”.

11 Punt 31 van de mededeling van 18 juni 2002, dat is opgenomen in de afdeling Bijzondere vraagstukken die voortvloeien uit de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel, luidt als volgt: „Indien de Commissie bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels op overeenkomsten, een inbreuk vaststelt op een gebied dat onder de toepassing van het EGKS-Verdrag valt, zal het materiële recht dat van toepassing is, ongeacht het tijdstip waarop het toegepast wordt, het recht zijn dat van kracht was op het tijdstip dat de inbreuk makende feiten plaatsvonden. In ieder geval is, wat de procedure aangaat, het recht dat na het aflopen van het EGKS-Verdrag van kracht is het EG-recht [...]”

Voorwerp van het geding

12 De onderhavige zaak betreft, primair, een verzoek tot vaststelling van de non-existentie of tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 in een procedure op grond van artikel 65 KS (zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking) (hierna: „eerste beschikking”), zoals gewijzigd bij besluit C(2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009 (hierna: „wijzigingsbesluit”) (de eerste beschikking zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit wordt hierna genoemd de „bestreden beschikking”), subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking, en meer subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster, Lucchini SpA, opgelegde geldboete.

13 In de bestreden beschikking heeft de Commissie geoordeeld dat de volgende vennootschappen inbreuk hadden gemaakt op artikel 65 KS: — Alfa Acciai SpA (hierna: „Alfa”); — Feralpi Holding SpA (hierna: „Feralpi”); — Ferriere Nord SpA; — IRO Industrie Riunite Odolesi SpA (hierna: „IRO”); — Leali SpA en Acciaierie e Ferriere Leali Luigi SpA in liquidatie (hierna: „AFLL”) (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Leali-AFLL”); — verzoekster en SP SpA in liquidatie (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Lucchini-SP”); — Riva Fire SpA (hierna: „Riva”); — Valsabbia Investimenti SpA en Ferriera Valsabbia SpA (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Valsabbia”).

Voorstelling van verzoekster

14 Verzoekster is een naamloze vennootschap met zetel te Milaan (Italië). Tot 20 april 2005 bezaten natuurlijke personen en rechtspersonen die respectievelijk tot de familie Lucchini en tot de groep Lucchini behoorden, de meerderheid van het kapitaal van verzoekster. Verzekeringsmaatschappijen en financiële instellingen bezaten de rest van de aandelen. Vanaf die datum heeft de groep Severstal de zeggenschap over verzoekster verworven.

15 Siderpotenza SpA (hierna: „eerste Siderpotenza”) was tussen 1989 en 1991 een onderneming waarover enerzijds Lucchini Siderurgica SpA en anderzijds de voormalige Acciaierie e Ferriere Leali Luigi gemeenschappelijk zeggenschap uitoefenden. Op 5 maart 1991 is de eerste Siderpotenza overgenomen door Lucchini Siderurgica. Op 10 oktober 1998 is Lucchini Siderurgica per 1 december 1998 opgenomen in Lucchini.

16 Op 31 oktober 1997 is de divisie „betonstaal” van Lucchini Siderurgica overgedragen aan Siderpotenza, een in juli 1997 opgerichte vennootschap (hierna: „nieuwe Siderpotenza”). Op 30 mei 2002 heeft de nieuwe Siderpotenza haar productie-eenheden voor betonstaal overgedragen aan Ferriere Nord.

Voorgeschiedenis van het geding

17 Van oktober tot december 2000 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 47 KS verificaties verricht bij Italiaanse betonstaalproducenten en bij een vereniging van Italiaanse ijzer- en staalondernemingen. Zij heeft hen ook krachtens artikel 47 KS verzoeken om inlichtingen toegestuurd.

18 Op 26 maart 2002 heeft de Commissie de administratieve procedure geopend en bezwaren geformuleerd op grond van artikel 36 KS (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”). Verzoekster heeft schriftelijke opmerkingen ingediend over deze mededeling van punten van bezwaar. Lucchini heeft niet om een hoorzitting verzocht.

19 Op 12 augustus 2002 heeft de Commissie aanvullende punten van bezwaar gericht aan de geadresseerden van de mededeling van punten van bezwaar („mededeling van aanvullende punten van bezwaar”). In de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, die was gebaseerd op artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), heeft de Commissie haar standpunt over de voortzetting van de procedure na het expireren van het EGKS-Verdrag uiteengezet. Aan de betrokken ondernemingen is een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend en op 30 september 2002 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de lidstaten.

20 Aan het einde van de procedure heeft de Commissie beschikking C(2002) 5087 definitief van de Commissie van 17 december 2002 in een procedure op grond van artikel 65 KS (zaak COMP/37.956 – Betonstaal) (hierna: „beschikking van 2002”) gegeven, waarin zij heeft vastgesteld dat de ondernemingen waaraan deze beschikking was gericht, één enkele complexe en voortdurende mededingingsregeling op de Italiaanse markt van betonstaal in staven of rollen ten uitvoer hadden gelegd die ertoe strekte of ten gevolge had, de prijzen te bepalen, en die ook aanleiding had gegeven tot een met artikel 65, lid 1, KS strijdige beperking of beheersing van de productie of de afzet. In deze beschikking heeft de Commissie SP en verzoekster hoofdelijk een geldboete van 16,14 miljoen EUR opgelegd.

21 Op 5 maart 2003 heeft verzoekster bij het Gerecht een beroep ingesteld tegen de beschikking van 2002. Bij arrest van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie (T-27/03, T-46/03, T-58/03, T-79/03, T-80/03, T-97/03 en T-98/03, Jurispr. blz. II-4331), heeft het Gerecht de beschikking van 2002 nietig verklaard. Het Gerecht heeft erop gewezen dat, met name gelet op het feit dat de beschikking van 2002 geen verwijzing naar artikel 3 en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bevatte, deze beschikking uitsluitend was gebaseerd op artikel 65, leden 4 en 5, KS (arrest SP e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 101). Aangezien deze bepalingen op 23 juli 2002 waren geëxpireerd, kon de Commissie aan deze, op het tijdstip van de vaststelling van de beschikking van 2002 geëxpireerde bepalingen geen bevoegdheid meer ontlenen om een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en de ondernemingen die aan deze inbreuk hadden deelgenomen, geldboeten op te leggen (arrest SP e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 120).

22 Bij brief van 30 juni 2008 heeft de Commissie verzoekster en de andere betrokken ondernemingen laten weten dat zij van plan was een nieuwe beschikking vast te stellen op basis van een andere rechtsgrondslag dan die welke zij voor de beschikking van 2002 had gekozen. Verder heeft zij verklaard dat, gelet op de beperkte draagwijdte van het arrest SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, de nieuwe beschikking zou worden gebaseerd op het in de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar aangedragen bewijsmateriaal. Aan de betrokken ondernemingen werd een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend.

Eerste beschikking

23 Op 30 september 2009 heeft de Commissie de eerste beschikking gegeven, die aan verzoekster officieel ter kennis is gebracht bij brief van 1 oktober 2009.

24 In de eerste beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de daarin bedoelde beperkingen van de mededinging voortvloeiden uit een mededingingsregeling tussen Italiaanse producenten van betonstaal en tussen deze laatsten en hun vereniging, die had gegolden tussen 1989 en 2000 en tot doel of tot gevolg had, de prijzen vast te stellen en de productie of de afzet te beperken of te beheersen door middel van uitwisseling van een aanzienlijk aantal gegevens over de markt voor betonstaal in Italië.

25 In de eerste plaats heeft de Commissie, wat de juridische beoordeling van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde gedragingen betreft, in de punten 353 tot en met 369 van de eerste beschikking beklemtoond dat verordening nr. 1/2003 aldus moest worden begrepen dat deze haar toestond om ook na 23 juli 2002 de mededingingsregelingen vast te stellen en te bestraffen in de sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen. In punt 370 van de eerste beschikking heeft zij verklaard dat deze beschikking was vastgesteld volgens de procedureregels van het EG-Verdrag en van verordening nr. 1/2003. Verder heeft de Commissie in de punten 371 tot en met 376 van de eerste beschikking eraan herinnerd dat de beginselen die de opeenvolging van regels in de tijd beheersen, kunnen leiden tot de toepassing van materiële bepalingen die niet meer van kracht zijn op de datum van de vaststelling van een handeling door een instelling van de Europese Unie, onder voorbehoud van toepassing van het algemene beginsel van de lex mitior, volgens hetwelk niemand kan worden bestraft voor een feit dat volgens de later in werking getreden wettelijke regeling geen strafbaar feit is. Zij is tot de slotsom gekomen dat in het onderhavige geval het EG-Verdrag in concreto niet gunstiger was dan het EGKS-Verdrag en dat bijgevolg in elk geval niet met een beroep op het beginsel van de lex mitior met succes kon worden opgekomen tegen de toepassing van het EKGS-Verdrag op de in het onderhavige geval aan de orde zijnde gedragingen.

26 Wat in de tweede plaats de toepassing van artikel 65, lid 1, KS betreft, heeft de Commissie er ten eerste op gewezen dat de mededingingsregeling tot doel had, de prijzen vast te stellen, en dat op basis daarvan tevens was beslist om de productie of de afzet te beperken of te beheersen. Volgens de Commissie bestond de mededingingsregeling, wat de vaststelling van de prijzen betreft, in de periode van 15 april 1992 tot 4 juli 2000 in wezen uit overeenkomsten of onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de basisprijs (en tot 1995 uit overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de betalingstermijnen) en in de periode van 6 december 1989 tot 1 juni 2000 uit overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de „extra’s”.

27 Ten tweede heeft de Commissie, wat de gevolgen van de betrokken beperkende gedragingen op de markt betreft, verklaard dat, aangezien het ging om een mededingingsregeling die tot doel had de normale mededinging te beletten, te beperken of aan te tasten, niet hoefde te worden nagegaan of deze gevolgen had gesorteerd op de markt. Zij heeft echter geoordeeld dat de mededingingsregeling concrete gevolgen had gehad op de markt. De Commissie is in het bijzonder tot de slotsom gekomen dat de mededingingsregeling de door de producenten van betonstaal in Italië toegepaste verkoopprijzen had beïnvloed, ook al hadden de binnen het kartel getroffen maatregelen niet altijd onmiddellijk het resultaat dat de aan het kartel deelnemende ondernemingen verhoopten. Volgens de Commissie kunnen er ook ontwikkelingen zijn geweest die pas later resultaat hebben afgeworpen. Verder vertegenwoordigden de betrokken ondernemingen in 1989 ongeveer 21 %, in 1995 60 % en in 2000 ongeveer 83 % van de Italiaanse markt voor betonstaal, wat erop zou wijzen dat de onderling afgestemde prijsverhogingen steeds meer gevolgen sorteerden op de markt. Ten slotte heeft de Commissie beklemtoond dat het feit dat vanaf 1989 de op dit gebied genomen initiatieven aan alle producenten van betonstaal werden meegedeeld, ook tijdens de eerste jaren van de mededingingsregeling het belang van deze gevolgen had verhoogd.

28 In de derde plaats heeft de Commissie beslist, tot welke ondernemingen de eerste beschikking zou worden gericht. Wat verzoekster betreft, heeft zij in de punten 538 tot en met 544 van de eerste beschikking verklaard, dat zij had beslist om SP en verzoekster aansprakelijk te stellen voor de inbreuk, omdat deze een onderneming vormden waaraan niet alleen hun eigen gedragingen, maar ook die van Lucchini Siderurgica en de eerste Siderpotenza konden worden toegerekend.

29 Voor haar stelling dat SP en verzoekster een economische eenheid vormden, heeft de Commissie zich gebaseerd op het feit dat zowel SP als verzoekster tijdens de gehele duur van de inbreuk rechtstreeks of indirect onder de zeggenschap van de familie Lucchini stond. Volgens de Commissie blijkt bovendien uit nauwkeurige, gedetailleerde en op documenten berustende bewijzen, alsmede uit onderling overeenstemmende gegevens betreffende de organisatiestructuur van SP en verzoekster, met name uit het feit dat bepaalde personen soms gelijktijdig binnen deze vennootschappen belangrijke functies op het gebied van commercieel beheer uitoefenden, dat verzoekster zeggenschap uitoefende over SP ter zake van het concrete beheer van het productie- en handelsbeleid in de sector betonstaal.

30 Met betrekking tot de toerekening van eventuele tegen de mededinging gerichte gedragingen van de eerste Siderpotenza en Lucchini Siderurgica, die juridisch niet meer bestaan, aan SP en verzoekster, heeft de Commissie er ten eerste op gewezen dat Lucchini Siderurgica als gevolg van de fusie door overname van 5 maart 1991 juridisch in de plaats was gekomen van de eerste Siderpotenza en dat verzoekster op dezelfde wijze als gevolg van de fusie door overname van 1 december 1998 in de plaats was gekomen van Lucchini Siderurgica. Ten tweede zouden de activa en het personeel van de eerste Siderpotenza door Lucchini Siderurgica zijn gebruikt vanaf het tijdstip waarop de eerste Siderpotenza in laatstgenoemde was opgenomen, namelijk vanaf 5 maart 1991. Ten derde zouden de activa en het personeel van de fabriek te Potenza (Italië), die door Lucchini Siderurgica werden beheerd, binnen de groep aan de nieuwe Siderpotenza zijn overgedragen. Ten vierde zouden Lucchini Siderurgica en daarna verzoekster tot 1 juni 2002, datum waarop de divisie productie van betonstaal aan Ferriere Nord is overgedragen, beslissende invloed hebben uitgeoefend op de activiteiten van de nieuwe Siderpotenza.

31 De Commissie heeft dan ook geconcludeerd: a) dat er juridische continuïteit was tussen de eerste Siderpotenza en Lucchini Siderurgica, b) dat er economische continuïteit was tussen deze twee vennootschappen en de nieuwe Siderpotenza (thans SP), wat de fabriek te Potenza betreft, c) dat Lucchini Siderurgica en verzoekster, als gevolg van de beslissende invloed die zij hadden uitgeoefend, aansprakelijk waren voor de activiteiten van de nieuwe Siderpotenza, en d) dat er juridische continuïteit was tussen Lucchini Siderurgica en verzoekster. De Commissie heeft geoordeeld dat al deze entiteiten dus één enkele onderneming vormden die samenviel met die van SP en verzoekster.

32 Ten vierde heeft de Commissie geoordeeld dat artikel 65, lid 2, KS en artikel 81, lid 3, EG in het onderhavige geval niet van toepassing waren. Zij heeft ook beklemtoond dat de in artikel 25 van verordening nr. 1/2003 geformuleerde verjaringsregels haar niet beletten om de eerste beschikking vast te stellen

33 In de vijfde plaats heeft de Commissie, met betrekking tot de berekening van het bedrag van de in het onderhavige geval opgelegde geldboeten, verklaard dat zij krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geldboeten kon opleggen aan de ondernemingen die inbreuk hadden gemaakt op de mededingingsregels. De Commissie heeft verklaard dat, aangezien het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum voor de geldboeten verschilt van het in artikel 65, lid 5, KS vastgestelde maximum, zij overeenkomstig het beginsel van de lex mitior het laagste maximum zou toepassen. Zij heeft eveneens verklaard dat zij, zoals zij bij brief van 30 juni 2008 aan de betrokken ondernemingen had meegedeeld, in het concrete geval de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”), zou toepassen. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij in het concrete geval echter rekening zou houden met het feit dat zij bij de vaststelling van de beschikking van 2002 al een beslissing had genomen over het bedrag van geldboeten die zij aan de betrokken ondernemingen zou opleggen.

34 Ten eerste heeft de Commissie geoordeeld dat een mededingingsregeling die tot doel heeft de prijzen vast stellen en op verschillende wijzen, met name door beperking of beheersing van de productie of de afzet, ten uitvoer is gelegd, een zeer zware inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie vormde. De argumenten van de betrokken ondernemingen, volgens welke de zwaarte van de inbreuk wordt gemilderd door de geringe concrete gevolgen voor de markt en door de economische context waarin de ondernemingen werkzaam waren, heeft de Commissie van de hand gewezen. De Commissie stelt dat zij, onverminderd het feit dat het een zeer zware inbreuk betreft, bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van de zaak, in casu het feit dat het ging om een nationale markt die op het tijdstip van de feiten aan de specifieke regels van het EGKS-Verdrag was onderworpen en waarop de adressaten van de eerste beschikking tijdens de beginperiode van de inbreuk slechts een klein marktaandeel hadden.

35 Ten tweede heeft de Commissie het specifieke gewicht van elke onderneming in aanmerking genomen en de ondernemingen ingedeeld naargelang van het relatieve belang ervan op de betrokken markt. Omdat de Commissie van oordeel was dat de relatieve marktaandelen van de adressaten van de eerste beschikking tijdens het laatste volledige jaar van de inbreuk (1999) niet representatief waren voor de daadwerkelijke aanwezigheid van deze adressaten op de betrokken markt tijdens de referentieperiode, heeft zij op basis van de gemiddelde marktaandelen tijdens de periode 1990‑1999 onderscheid gemaakt tussen drie groepen van ondernemingen, te weten ten eerste Feralpi en Valsabbia, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 5 miljoen EUR heeft bepaald, ten tweede Lucchini-SP, Alfa, Riva en Leali-AFLL, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 3,5 miljoen EUR heeft bepaald, en ten derde IRO en Ferriere Nord, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 1,75 miljoen EUR heeft bepaald.

36 Om ervoor te zorgen dat de geldboete voldoende afschrikkende werking heeft, heeft de Commissie het aanvangsbedrag van de geldboete voor Lucchini-SP met 200 % en voor Riva met 375 % vermeerderd.

37 Ten derde heeft de Commissie geoordeeld dat de mededingingsregeling van 6 december 1989 tot 4 juli 2000 had geduurd. Zij heeft erop gewezen dat verzoekster van 6 december 1989 tot 27 juni 2000 aan de inbreuk had deelgenomen. Zij heeft echter beklemtoond dat Lucchini-SP van 9 juni 1998 tot 30 november 1998 niet had deelgenomen aan het deel van de mededingingsregeling dat betrekking had op de beperking of de beheersing van de productie of de afzet.

38 Daar de inbreuk voor alle ondernemingen, met uitzondering van Ferriere Nord, meer dan tien jaar en zes maanden had geduurd, is het aanvangsbedrag van de geldboete vermeerderd met 105 % voor alle ondernemingen, met uitzondering van Ferriere Nord, voor welke het aanvangsbedrag van de geldboete is vermeerderd met 70 %. De basisbedragen van de geldboeten zijn bijgevolg vastgesteld als volgt: — Feralpi: 10,25 miljoen EUR; — Valsabbia: 10,25 miljoen EUR; — Lucchini-SP: 14,35 miljoen EUR; — Alfa: 7,175 miljoen EUR; — Riva: 26,9 miljoen EUR; — Leali-AFLL: 7,175 miljoen EUR; — IRO: 3,58 miljoen EUR; — Ferriere Nord: 2,97 miljoen EUR.

39 Ten vierde heeft de Commissie, wat de verzwarende omstandigheden betreft, erop gewezen dat Ferriere Nord al een door de Commissie op 2 augustus 1989 gegeven beschikking had ontvangen voor haar deelneming aan een mededingingsregeling betreffende vaststelling van de prijzen en de beperking van de afzet in de sector betonstaalmatten, en heeft zij het basisbedrag van de geldboete voor deze onderneming vermeerderd met 50 %. De Commissie heeft geen enkele verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen.

40 Ten vijfde heeft de Commissie, wat de toepassing van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”) betreft, verklaard dat Ferriere Nord haar nuttige inlichtingen had verstrekt die haar in staat hadden gesteld de werking van de mededingingsregeling beter te begrijpen alvorens zij de mededeling van punten van bezwaar toestuurde, en dat zij om die reden het bedrag van de geldboete voor die onderneming met 20 % had verminderd. De Commissie heeft geoordeeld dat de andere betrokken ondernemingen niet hadden voldaan aan de voorwaarden van die mededeling.

41 Het dispositief van de eerste beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 65, lid 1, [KS] door tijdens de genoemde perioden deel te nemen aan een voortdurende overeenkomst en/of aan onderling samenhangende gedragingen betreffende betonstaal in staven of rollen die ertoe strekten en/of tot gevolg hebben gehad dat de prijzen werden vastgesteld en de productie of de afzet op de gemeenschappelijke markt werd beperkt en/of beheerst:

— [Leali-AFLL], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;

— [Alfa], van 6 december 1989 tot 4 juli 2000;

— [Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;

— [Feralpi], van 6 december 1989 tot 27 juin 2000;

— [IRO], van 6 december 1989 tot 27 juin 2000;

— [Lucchini-SP], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;

— [Riva], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;

— [Ferriere Nord], van 1 april 1993 tot 4 juli 2000.

Artikel 2

Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd:

— [Alfa]: 7,175 miljoen EUR;

— [Feralpi]: 10,25 miljoen EUR;

— [Ferriere Nord]: 3,57 miljoen EUR;

— [IRO]: 3,58 miljoen EUR;

— [Leali en AFLL], hoofdelijk: 6,093 miljoen EUR;

— [Leali]: 1,082 miljoen EUR;

— [Lucchini en SP], hoofdelijk: 14,35 miljoen EUR;

— [Riva]: 26,9 miljoen EUR;

— [Valsabbia Investimenti en Ferriera Valsabbia], hoofdelijk: 10,25 miljoen EUR

[...]”

Gebeurtenissen na de officiële kennisgeving van de eerste beschikking

42 Bij tussen 20 en 23 november 2009 verstuurde brieven hebben acht van de elf vennootschappen tot welke de eerste beschikking was gericht, te weten verzoekster, Riva, Feralpi, Ferriere Nord, Alfa, Ferriera Valsabbia, Valsabbia Investimenti en IRO, de Commissie laten weten dat in de bijlage bij de eerste beschikking zoals deze aan de adressaten ervan officieel ter kennis was gebracht, de tabellen met de prijsschommelingen ontbraken.

43 Op 24 november 2009 hebben de diensten van de Commissie alle adressaten van de eerste beschikking laten weten dat zij het nodige zouden doen om hun een beschikking met die tabellen officieel ter kennis te brengen. Zij hebben ook verklaard dat de termijnen voor betaling van de geldboete en voor een eventueel beroep in rechte zouden ingaan vanaf de datum van de officiële kennisgeving van de „volledige beschikking”.

Wijzigingsbesluit

44 Op 8 december 2009 heeft de Commissie het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij de ontbrekende tabellen in de bijlage werden opgenomen en de genummerde verwijzingen naar die tabellen in acht voetnoten werden gecorrigeerd. Op 9 december 2009 is het wijzigingsbesluit officieel ter kennis gebracht aan verzoekster.

45 In het dispositief van het wijzigingsbesluit werden de voetnoten nrs. 102, 127, 198, 264, 312, 362, 405 en 448 van de eerste beschikking gecorrigeerd. De tabellen in de bijlage bij het wijzigingsbesluit zijn als bijlagen bij de eerste beschikking gevoegd.

Procedure en conclusies van partijen

46 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 februari 2010, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

47 Verzoekster verzoekt het Gerecht: — in limine en primair: de beschikking non-existent of nietig te verklaren en in elk geval de beslissing van de Commissie om haar hoofdelijk met de vennootschap SP SpA een geldboete van 14,35 miljoen EUR op te leggen nietig te verklaren wegens onvolledigheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften, onbevoegdheid en schending van het recht bij de keuze van de rechtsgrondslag alsmede wegens schending van de rechten van de verdediging en onjuiste toepassing van het recht; — subsidiair: in elk geval artikel 2 van de beschikking van 30 september 2009 waarbij de Commissie haar een geldboete van 14,35 miljoen EUR heeft opgelegd, nietig te verklaren wegens gebrek aan bewijzen en schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en artikel 65 van het EGKS-Verdrag; — meer subsidiair: haar slechts een symbolische geldboete van 1000 EUR op te leggen of in elk geval de geldboete die de Commissie haar naar maatstaf van haar omzet heeft opgelegd, te verlagen wegens onjuiste toepassing van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 en van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 1998 ter zake van de zwaarte en de duur van de inbreuk; — in elk geval: de Commissie te verwijzen in de kosten.

48 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep in zijn geheel te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.

49 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten in de onderhavige zaak tot de mondelinge behandeling over te gaan.

50 Ter terechtzitting van 7 februari 2013 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht

51 Ter terechtzitting heeft verzoekster krachtens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om een document van 21 december 2012 waaruit blijkt dat zij onder buitengewoon bewind is geplaatst, aan te dossier te mogen toevoegen. Omdat de Commissie geen bezwaar heeft gemaakt, is dit verzoek toegewezen. De Commissie heeft ter terechtzitting opmerkingen gemaakt over dit document.

In rechte

52 Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat het beroep drie vorderingen bevat, te weten primair een vordering tot non-existentverklaring of tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, subsidiair een vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking, en meer subsidiair een vordering tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete.

53 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. De eerste vier middelen worden aangevoerd ter ondersteuning van een vordering tot non-existentverklaring of tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, terwijl het vijfde middel wordt aangevoerd ter ondersteuning van een vordering tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden beschikking of van een vordering tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete.

54 Het eerste middel betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften. Als tweede middel wordt aangevoerd dat de Commissie niet bevoegd was en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de keuze van de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking. Het derde middel betreft schending van de rechten van de verdediging van verzoekster en een onjuiste rechtsopvatting. Het vierde middel betreft ontbreken van bewijs en onjuiste toepassing van het materiële recht. Ten slotte wordt als vijfde middel aangevoerd dat het bedrag van de geldboete overdreven hoog is, dat de bewijzen en de motivering ontoereikend zijn, dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en de richtsnoeren van 1998 onjuist zijn toegepast en dat het evenredigheidbeginsel is geschonden.

1. Ontvankelijkheid bijlagen bij de repliek

55 De Commissie stelt om te beginnen dat de door verzoekster als bijlage bij haar repliek overgelegde documenten niet-ontvankelijk zijn.

56 Opgemerkt zij dat verzoekster inderdaad 186 bijlagen bij haar repliek heeft gevoegd. In een brief die de neerlegging van die memorie begeleidde, heeft zij dienaangaande enerzijds aangevoerd dat de overlegging van twee bijlagen, te weten de bijlagen C.8 en C.13, nodig was om te antwoorden op het verweerschrift, „waarin de Commissie [had] verklaard dat de omstandigheid dat de eerste Siderpotenza onder de zeggenschap van de groep Leali stond, de hoofdelijke aansprakelijkheid van verzoekster [...] niet kon uitsluiten, en [had] herhaald dat Lucchini aansprakelijk was voor het gedrag van de vennootschappen die in de loop der jaren als opvolgsters van Lucchini Siderurgica SpA de bedrijfstak betonstaal hadden beheerd [...]”. Anderzijds heeft zij verklaard dat andere bijlagen, te weten de bijlagen, C.7, C.9 tot en met C.12 en C.14 tot en met C.186, documenten waren die haar op cd-roms als bijlage bij de mededeling van punten van bezwaar waren overgelegd, die vervolgens waren zoekgeraakt en waarvan zij de Commissie een kopie had gevraagd nadat zij had vastgesteld dat zij deze nodig had om te antwoorden op de in het verweerschrift aangevoerde argumenten.

57 Er dient aan te worden herinnerd dat enerzijds volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep, in voorkomend geval zonder nadere gegevens (arrest Gerecht van 30 januari 2007, France Télécom/Commissie, T-340/03, Jurispr. blz. II-107, punt 166).

58 Volgens vaste rechtspraak is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon de tekst van het verzoekschrift op specifieke punten kan worden vervolledigd en aangevuld met verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, het ontbreken van wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens voornoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten voorkomen, niet goedmaken (arrest Hof van 31 maart 1992, Commissie/Denemarken, C-52/90, Jurispr. blz. I-2187, punt 17; beschikkingen Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T-56/92, Jurispr. blz. II-1267, punt 21, en 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T-154/98, Jurispr. blz. II-1703, punt 49). De bijlagen kunnen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij middelen of argumenten onderbouwen of aanvullen die de verzoekende partijen uitdrukkelijk in hun geschriften hebben aangevoerd, en voor zover precies kan worden vastgesteld welke elementen van deze bijlagen deze middelen of argumenten onderbouwen of aanvullen (zie in die zin arrest Gerecht van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T-201/04, Jurispr. blz. II-3601, punt 99).

59 Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te vinden die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen louter als bewijsstukken dienen (arresten Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T-84/96, Jurispr. blz. II-2081, punt 34, en 21 maart 2002, Joynson/Commissie, T-231/99, Jurispr. blz. II-2085, punt 154).

60 Deze uitlegging van artikel 21 van het Statuut van het Hof en van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering geldt ook voor de repliek (arrest Microsoft/Commissie, aangehaald in punt 58 hierboven, punt 95) en voor de in de memories uiteengezette middelen en bezwaren (arresten Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T-102/92, Jurispr. blz. II-17, punt 68, en France Télécom/Commissie, aangehaald in punt 57 hierboven, punt 166).

61 Artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat betrekking heeft op de gegevens die een bij het Gerecht ingediend verzoekschrift moet bevatten, bepaalt dat dit „zo nodig, [de] bewijsaanbiedingen” bevat. Op dezelfde wijze bepaalt artikel 46, lid 1, van dat reglement dat het verweerschrift de bewijsaanbiedingen bevat.

62 Deze bepalingen, die nader aangeven in welke fase van de procedure de bewijsaanbiedingen moeten worden overgelegd, houden rekening met de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms en met het recht op een eerlijk proces om een goede rechtsbedeling te verzekeren. Door de partijen de verplichting op te leggen, hun bewijsaanbiedingen al bij de neerlegging van het verzoekschrift of van het verweerschrift over te leggen, beogen zij de andere partijen immers overeenkomstig bovengenoemde rechtsbeginselen op de hoogte te brengen van de bewijselementen die ter ondersteuning van de verdedigde stellingen worden aangedragen, zodat deze partijen een nuttige verdediging of repliek kunnen voorbereiden. Neerlegging van de bewijsaanbiedingen in de eerste fase van de procedure wordt trouwens gerechtvaardigd door het streven naar een goede rechtsbedeling, doordat de zaak daardoor snel in staat van wijzen wordt gebracht en binnen een redelijke termijn kan worden afgedaan (arrest Hof van 14 april 2005, Gaki-Kakouri/Hof van Justitie, C‑243/04 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30, en arrest Gerecht van 5 oktober 2009, de Brito Sequeira Carvalho/Commissie, T-40/07 P en T-62/07 P, JurAmbt. blz. I-B-1-89 en II-B-1-551, punt 113).

63 Deze twee bepalingen worden aangevuld door artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat luidt als volgt: „Partijen kunnen nog in de repliek en in de dupliek aanbieden hun stellingen nader te bewijzen. De vertraging waarmee zodanig bewijsaanbod geschiedt, dient te worden gemotiveerd.”

64 Dit artikel geeft ook uitdrukking aan de eis van een eerlijke procedure en, meer in het bijzonder, van bescherming van de rechten van de verdediging, doordat het toestaat dat ook buiten de in de artikelen 44, lid 1, en 46, lid 1, van dat reglement bedoelde situaties bewijsaanbiedingen worden gedaan (arrest Gaki-Kakouri/Hof van Justitie, aangehaald in punt 62 hierboven, punt 32).

65 Omdat artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een uitzondering op de regels inzake de neerlegging van het bewijsaanbod vormt, verplicht het de partijen de vertraging van hun bewijsaanbod te motiveren. Een dergelijke verplichting impliceert dat de rechter bevoegd is om de gegrondheid van de redenen voor de vertraging van het bewijsaanbod en in voorkomend geval de inhoud van het aangevoerde bewijs te toetsen en het verzoek af te wijzen als het niet rechtens genoegzaam is onderbouwd (arrest Gaki-Kakouri/Hof van Justitie, aangehaald in punt 62 hierboven, punt 33).

66 In de eerste plaats staat vast dat verzoekster de vertraging waarmee de bijlagen C.1 tot en met C.6 zijn overgelegd, niet heeft gemotiveerd. Deze bijlagen bevatten overigens door verzoekster opgestelde tabellen waarin deze opmerkingen maakt over andere documenten die zij in haar repliek slechts bondig vermeldt. Gelet op de in de punten 57 tot en met 60 hierboven aangehaalde rechtspraak, is het feit dat louter aanvullende schriftelijke opmerkingen van verzoekster die slechts in het verlengde van de memories zijn geformuleerd, als bijlage worden gekwalificeerd, bovendien niet verenigbaar met het typische kenmerk van een bijlage, namelijk dat een stuk dat louter als bewijsstuk kan dienen. De bijlagen C.1 tot en met C.6 dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

67 In de tweede plaats kunnen de bijlagen C.8 en C.13 niet als tegenbewijsaanbiedingen worden beschouwd, omdat de in de punten 81 en 90 van het verweerschrift besloten liggende verklaringen van de Commissie ter weerlegging waarvan die bijlagen zijn overgelegd, al voorkwamen in punt 541 en voetnoot 593 van de bestreden beschikking. Dit punt en deze voetnoot zijn een samenvatting van de wezenlijke vaststellingen van de Commissie betreffende het bestaan van een economische eenheid tussen verzoekster en SP en van de juridische en economische continuïteit tussen, enerzijds, Lucchini Siderurgica en de eerste Siderpotenza, en anderzijds, Lucchini en SP. Bijgevolg zijn de bijlagen C.8 en C.13 niet-ontvankelijk.

68 In de derde plaats zijn de bijlagen C.7, C.9 tot en met C.12 en C.14 tot en met C.186 afkomstig van twee cd-roms met de bij de mededeling van punten van bezwaar gevoegde documenten die haar samen met deze mededeling waren overgelegd. Ook deze documenten waren al vermeld in de bestreden beschikking. De door verzoekster aangevoerde reden, namelijk dat deze cd-roms waren zoekgeraakt als gevolg van de tijd die sinds de overlegging ervan was verstreken, en van de herstructureringen binnen de onderneming, kan de vertraging bij de overlegging van deze bewijsaanbiedingen echter niet rechtvaardigen, daar verzoekster zich tijdig een kopie van deze cd-roms had kunnen verschaffen met het oog op de neerlegging van haar verzoekschrift in de onderhavige zaak. In dit verband dient te worden beklemtoond dat verzoekster de Commissie pas na de ontvangst van het verweerschrift om een kopie van deze dragers heeft verzocht. Bijgevolg zijn de bijlagen C.7, C.9 tot en met C.12 en C.14 tot en met C.186 eveneens niet-ontvankelijk.

69 Vaststaat in elk geval dat in de schrifturen algemeen wordt verwezen naar a) de bijlagen C.7, C.10 en C.14, waarvan de inhoud „nader” zou worden „beschreven” in tabel 1 van bijlage C.1; b) naar de bijlagen C.7 en C.5 tot en met C.34, waarvan de inhoud „nader” zou worden „beschreven” in tabel 3 van bijlage C.3; c) naar de bijlagen C.10, C.14 en C.34 tot en met C.39, waarvan de inhoud „nader” zou worden „beschreven” in tabel 5 van bijlage C.5, en d) naar de bijlagen C.40 tot en met C.186, waarvan de inhoud zou worden „samengevat” in tabel 6 van bijlage C.6, zodat deze bijlagen volgens de in de punten 57 tot en met 60 hierboven aangehaalde rechtspraak eveneens niet-ontvankelijk zijn.

2. De vordering tot non-existentverklaring of tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

70 Met betrekking tot verzoeksters vordering dat het Gerecht de non-existentie van de bestreden beschikking vaststelt, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de handelingen van de instellingen van de Unie, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken (arresten Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 48; 8 juli 1999, Hoechst/Commissie, C-227/92 P, Jurispr. blz. I-4443, punt 69, en 5 oktober 2004, Commissie/Griekenland, C-475/01, Jurispr. blz. I-8923, punt 18).

71 Als uitzondering op dit beginsel moeten handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die zo overduidelijk zwaar is dat zij door de rechtsorde van de Unie niet kan worden geduld, echter worden geacht geen enkel – zelfs geen voorlopig – rechtsgevolg te hebben gesorteerd, dat wil zeggen als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt het evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten stabiliteit van de rechtsverhoudingen en eerbiediging van de rechtmatigheid (arresten Commissie/BASF e.a., aangehaald in punt 70 hierboven, punt 49, en Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, punt 70).

72 Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een instelling van de Unie non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden voor uiterst extreme gevallen (arresten Commissie/BASF e.a., aangehaald in punt 70 hierboven, punt 50, en Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, punt 76).

73 In het onderhavige geval staat zonder meer vast dat de door verzoekster aangevoerde onregelmatigheden niet zo overduidelijk ernstig zijn dat de bestreden beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd, en dit om de volgende redenen.

Eerste middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften

74 Verzoekster betoogt dat de bestreden beschikking als non-existent moet worden beschouwd of nietig moet worden verklaard omdat het eensluidend afschrift van de eerste beschikking dat haar officieel ter kennis is gebracht, de bijlagen niet bevatte en te denken gaf dat het college van leden van de Commissie niet de volledige handeling had goedgekeurd, wat een schending van het reglement van orde van de Commissie zou opleveren. Verder betoogt verzoekster dat het wijzigingsbesluit slechts bestaat in de officiële kennisgeving van de in de eerste beschikking ontbrekende bijlagen en dat het drie nieuwe artikelen bevat, waarvan de nummering die van de eerste beschikking overlapt. Dit zou verwarring creëren omtrent de inhoud van de bestreden beschikking en in strijd zijn met het rechtzekerheidsbeginsel en met het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.

75 Meer in het bijzonder stelt verzoekster in de eerste plaats dat de niet als bijlage bij de eerste beschikking gevoegde tabellen een wezenlijk onderdeel van de motivering van die beschikking vormden, zodat het ontbreken daarvan in de eerste beschikking tot vaststelling van de non-existentie of althans tot nietigverklaring van de bestreden beschikking dient te leiden. Volgens verzoekster kon een zo ernstig gebrek van de eerste beschikking niet worden opgeheven door de vaststelling van het wijzigingsbesluit.

76 Volgens vaste rechtspraak moet de motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 15 KS voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arresten Gerecht van 24 september 1996, NALOO/Commissie, T-57/91, Jurispr. blz. II-1019, punt 298, en 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T-45/98 en T-47/98, Jurispr. blz. II-3757, punt 129; zie ook naar analogie arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63, en 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, Jurispr. blz. I-9555, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Zo heeft de verplichting tot motivering van individuele beschikkingen volgens vaste rechtspraak zowel tot doel de rechter in staat te stellen de rechtmatigheid ervan te toetsen, als de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan kan worden betwist (zie arrest Hof van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld (arrêt Elf Aquitaine/Commissie, aangehaald in punt 77 hierboven, punt 149).

79 Vaststaat dat de eerste beschikking niet vergezeld ging van haar bijlagen, waaronder verschillende tabellen waarnaar was verwezen in de punten 451 (tabel 13), 513 (tabellen 1 en 3), 515 (tabellen 1‑3), 516 (tabellen 9, 11‑14 en 16) en 518 (tabellen 11, 12 en 14) en in de voetnoten nr. 102 (tabellen 15‑17), nr. 127 (tabellen 18‑21), nr. 198 (tabellen 22 en 23), nr. 264 (tabellen 24 en 25), nr. 312 (tabel 26), nr. 362 (tabel 27), nr. 405 (tabel 28), nr. 448 (tabellen 29 en 30) en nr. 563 (alle als bijlage bij de beschikking gevoegde tabellen) van de eerste beschikking. De Commissie verklaart dienaangaande dat het ging om tabellen die waren opgesteld om de in de eerste beschikking vermelde prijsschommelingen gemakkelijker en sneller te kunnen lezen, en slechts een schematische weergave waren van de in de stukken vervatte informatie en gegevens.

80 Bijgevolg dient te worden nagegaan of, los van het ontbreken van de in punt 79 hierboven vermelde tabellen in de bijlagen bij de eerste beschikking, de relevante punten van deze beschikking ter ondersteuning waarvan naar die tabellen werd verwezen, de redenering van de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat verzoekster de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kon kennen.

81 Om te beginnen dient er met de Commissie op te worden gewezen dat alle in de eerste beschikking ontbrekende tabellen bij de mededeling van punten van bezwaar waren gevoegd.

82 Verder dient te worden beklemtoond dat de Commissie in het wijzigingsbesluit niet alle verwijzingen naar de in de eerste beschikking ontbrekende tabellen heeft gewijzigd, maar alleen de verwijzingen daarnaar in de voetnoten nrs. 102, 127, 198, 264, 312, 362, 405 en 448 van dat besluit.

83 Ten eerste staat vast dat de tabellen 15 tot en met 17 (vermeld in voetnoot nr. 102 van de eerste beschikking) volgens deze voetnoot de „gegevens betreffende de wijzigingen van de prijzen voor ‚extra grootte’ in de betonstaalindustrie in Italië tussen december 1989 en juni 2000” overnemen”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van de eerste zin van punt 126 van de eerste beschikking, die luidt als volgt: „Tijdens de eerste bijeenkomst waarvan de Commissie kennis heeft gekregen (die van 6 december 1989 bij de [Associazione degli Industriali di Brescia]), hebben de deelnemers eenparig beslist om de prijzen voor extra grootte van de diameter van voor de Italiaanse markt bestemd betonstaal in staven of rollen vanaf maandag 11 december 1989 te verhogen (+10 ITL/kg voor een ‘extra grootte’ van 14 à 30 mm, + 15 ITL/kg voor een ‚extra grootte’ van 8 à 12 mm, + 20 ITL/kg voor een ‚extra grootte’ van 6 mm; algemene verhoging met 5 ITL/kg voor betonstaal in rollen).”

84 Vaststaat dat de Commissie in dat punt het bedrag van de door de deelnemers aan de bijeenkomst van 6 december 1989 besliste prijsverhogingen voor extra grootte van de diameter van het betonstaal uitdrukkelijk heeft vermeld en heeft aangegeven op welke datum deze prijsverhogingen in werking zouden treden. Verder dient erop te worden gewezen, dat de latere prijsverhogingen, die volgens voetnoot nr. 102 van de eerste beschikking eveneens zijn opgenomen in die tabellen (aangezien deze de periode tussen 1989 en 2000 bestrijken) niet worden behandeld in hoofdstuk 4.1 van de eerste beschikking, betreffende het gedrag van de ondernemingen tussen 1989 en 1992, waarvan punt 126 deel uitmaakt. In elk geval wordt het bedrag van deze prijsverhogingen met name ook vermeld in de punten 126 tot en met 128 en 133 (voor de jaren 1989‑1992), 93 en 94 (voor de jaren 1993‑1994), 149 tot en met 151, 162 en 163 (voor 1995), 184 en 185 (voor 1996), 199, 200 en 213 (voor 1997), 269 (voor 1999) en 296 tot en met 304 (voor 2000) en in de punten 439 en 515 van de eerste beschikking.

85 Ten tweede staat vast dat de tabellen 18 tot en met 21, vermeld in voetnoot nr. 127 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld voor de periode van eind 1989 tot eind 1992, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 131 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Met betrekking tot de basisprijzen voor betonstaal die zijn toepast tijdens de periode waarin bovengenoemde overeenkomst van kracht was, zij erop gewezen dat IRO en (het voormalige) Ferriera Valsabbia SpA vanaf 16 april 1992 een prijs van 210 ITL/kg en vanaf 1 of 6 mei een prijs van 225 ITL/kg hebben toegepast. Vanaf 1 of 8 juni 1992, hebben IRO, (het voormalige) Ferriera Valsabbia SpA, Acciaieria di Darfo SpA en Acciaierie e Ferriere Leali Luigi SpA een prijs van 235 ITL/kg toegepast.”

86 Vaststaat dus dat de Commissie op basis van vijf bladzijden uit het administratieve dossier die in voetnoot nr. 126 van de eerste beschikking worden vermeld, in dat punt de door de aldaar genoemde ondernemingen vastgestelde basisprijzen en de datum van inwerkingtreding daarvan uitdrukkelijk heeft vermeld. Verder dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 419 van de eerste beschikking heeft geoordeeld dat de eerste vaststelling van een basisprijs uiterlijk op 16 april 1992 heeft plaatsgevonden. De gegevens die de tabellen 18 tot en met 21 van de eerste beschikking volgens voetnoot nr. 127 van die beschikking zouden bevatten met betrekking tot de basisprijzen voor de periode tussen „eind 1989” en 16 april 1992, zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 131 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

87 Ten derde staat vast dat de tabellen 22 en 23, vermeld in voetnoot nr. 198 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld voor de jaren 1993 en 1994, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 145 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Zoals aangekondigd in het faxbericht van Federacciai van 25 november 1994 is op 1 december 1994 een nieuwe bijeenkomst gehouden te Brescia. Op die bijeenkomst zijn de beslissingen genomen die nader zijn uiteengezet in een ander faxbericht van Federacciai, dat de ondernemingen op 5 december 1994 hebben ontvangen. Deze beslissingen hadden betrekking op: — de prijs voor betonstaal (320 ITL/kg, basisprijs franco Brescia, met onmiddellijke ingang); — de betaling (vanaf 1 januari 1995 zal de maximumtermijn 60/90 dagen eindigend op het einde van de maand bedragen; vanaf 1 maart 1995 zal de maximumtermijn 60 dagen eindigend op het einde van de maand bedragen) en de kortingen; — de productie (verplichting voor elke onderneming om het in september, oktober en november 1994 geproduceerde aantal tonnen betonstaal vóór 7 december 1994 aan Federacciai mee te delen). Alfa Acciai Srl heeft de nieuwe basisprijs ingevoerd op 7 december 1994. Op 21 december 1994 heeft ook Acciaieria di Darfo SpA de nieuwe basisprijs ingevoerd en heeft Alfa Acciai Srl diezelfde prijs bevestigd. Ook de door [Lucchini-SP] in januari 1995 toegepaste basisprijs bedroeg 320 ITL/kg.”

88 Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat de in voetnoot nr. 198 van de eerste beschikking bedoelde tabellen door de Commissie zijn vermeld ter ondersteuning van haar stelling dat „Alfa Acciai Srl [...] de nieuwe basisprijs [had] ingevoerd op 7 december 1994” en dat „[o]p 21 december 1994 [...] ook Acciaieria di Darfo SpA de nieuwe basisprijs [had] ingevoerd en [...] Alfa Acciai Srl diezelfde prijs [had] bevestigd”. Welnu, de aldaar bedoelde „nieuwe basisprijs” en „diezelfde prijs” was de prijs van 320 Italiaanse lire per kilo (ITL/kg), die in het eerste streepje van dat punt is genoemd. De gegevens die de tabellen 22 en 23 van de eerste beschikking zouden bevatten met betrekking tot de basisprijzen voor de periode tussen 1993 en 7 december 1994 zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 145 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

89 Ten vierde staat vast dat de tabellen 24 en 25, vermeld in voetnoot nr. 264 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand) voor 1995, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 174 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Later is in een stuk uit de eerste dagen van oktober van 1995, dat Federacciai in haar bezit had (handschrift van de secretaresse van de waarnemend algemeen directeur) verklaard: — de klanten stelden de betaling opnieuw ter discussie (vandaar de noodzaak van een mededeling die het vasthouden aan de beslissing over de betaling bevestigt); — sinds vorige week is de prijs van betonstaal nog met 5/10 ITL/kg gedaald, zodat hij thans ongeveer 260/270 ITL/kg bedraagt in de zone Brescia en minder dan 250 ITL/kg buiten die zone; — de vrij verwarde situatie op de markt bemoeilijkte het verstrekken van nauwkeurige gegevens over de prijzen; en — aan de ondernemingen dienden gegevens te worden gevraagd over hun bestellingen in week 39 (van 25 tot 29 september 1995) en week 40 (van 2 tot 6 oktober 1995).”

90 Er dient aldus op te worden gewezen dat de Commissie in punt 174 van de eerste beschikking slechts de inhoud van een in oktober 1995 opgesteld handgeschreven document van de secretaresse van de waarnemend algemeen directeur heeft weergegeven. In dit verband heeft de Commissie slechts naar de tabellen 24 en 25 verwezen ter ondersteuning van de in dat document geponeerde stelling dat „de vrij verwarde situatie op de markt [...] het verstrekken van nauwkeurige gegevens over de prijzen [bemoeilijkte]”. De tabellen 24 en 25 zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 174 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

91 Ten vijfde staat vast dat tabel 26, vermeld in voetnoot nr. 312 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1996, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van de in punt 200 van de eerste beschikking geponeerde stelling dat er „[t]ijdens de periode van 22 oktober 1996 tot 17 juli 1997 ten minste twaalf bijeenkomsten van de verkoopverantwoordelijken van de ondernemingen [hadden] plaatsgevonden, [...] [met name] op dinsdag 22 oktober 1996, op welke bijeenkomst de basisprijs van 230 ITL/kg franco Brescia [was] bevestigd voor de maand november 1996 en de koers van 210 ITL/kg uitsluitend [was] gehandhaafd voor de leveringen in oktober”.

92 Bijgevolg staat vast dat, ook al ontbrak tabel 26 van de eerste beschikking, de Commissie in punt 200 van die beschikking de basisprijzen voor de betrokken periode en het tijdstip van de inwerkingtredeng daarvan uitdrukkelijk heeft vermeld.

93 Ten zesde staat vast dat tabel 27, vermeld in voetnoot nr. 362 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1997, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 216 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Hoe het ook zij, [Lucchini-SP ...], Acciaieria di Darfo SpA, Alfa Acciai Srl, Feralpi Siderurgica Srl, IRO, Riva Prodotti Siderurgici SpA en (de voormalige) Ferriera Valsabbia SpA zijn de zeven ondernemingen waarvoor een mededeling van Pierluigi Leali (van 24 november 1997) betreffende de ‚Overeenkomst prijzen-leveringen’ bestemd was. [...] ‚De prijs van 270 ITL/kg is slechts door enkele ondernemingen, vergeefs – volgens de mededeling –, gevraagd en de koers heeft zich in feite gestabiliseerd op 260 ITL/kg, met enkele uitschieters naar beneden, zoals tal van deelnemers tijdens de laatste bijeenkomst van de verkoopverantwoordelijken hebben verklaard. Wij stellen echter met enige tevredenheid vast dat de daling is geëindigd dankzij de contingentering van de leveringen waaraan wij ons allen houden en waarop volgens de overeenkomsten zal worden toegezien door daartoe aangewezen externe inspecteurs.’‚Nu deze maand die – nog steeds volgens de mededeling – zich thans voortsleept met een gebrek aan activiteit, bijna voorbij is, is het absoluut noodzakelijk om onmiddellijk strikter de hand te houden aan de minimumkoers van 260 ITL/kg (die zeker geen gevolgen zal hebben voor de aankopen, die in deze periode in elk geval gering zijn). Door planning van de overeengekomen leveringen voor december (20 % minder dan in november) zijn wij zeker in staat het overeengekomen prijsniveau te waarborgen; het is echter absoluut noodzakelijk – concludeerde Pierluigi Leali – dat niemand afwijkingen van de vastgestelde minimumprijs (260 ITL/kg) aanvaardt.’”

94 Uit de tekst van dit punt blijkt aldus dat de Commissie slechts de bewoordingen van de aldaar vermelde mededeling van 24 november 1997 heeft overgenomen. Tabel 27 is dus niet relevant voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 216 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

95 Ten zevende staat vast dat tabel 28, vermeld in voetnoot nr. 405 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini/Siderpotenza ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand) voor 1998, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 241 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Op 11 september 1998 heeft Pierluigi Leali een mededeling toegestuurd [...] waarin, onder verwijzing naar het (tijdens een ontmoeting op 9 september 1998) geformuleerde voornemen om de minimumkoers te handhaven op een ‚basisprijs van 170 ITL franco’???, ‚abnormale gedragingen, te weten koersen die gemiddeld 5 ITL/kg onder het vastgestelde niveau lagen en in bepaalde zones in het Zuiden nog lager waren’ werden vastgesteld. ‚Wij – schreef Pierluigi Leali – hebben het overeengekomen minimum gehandhaafd door een aanzienlijke vermindering van de bestellingen.’‚Wij hopen – aldus de mededeling – dat wij tijdens de bijeenkomst van de verkoopverantwoordelijken op volgende dinsdag 15 zullen kunnen vaststellen dat de prijzen goed standhouden, waardoor de koers eventueel weer zal kunnen stijgen.’”

96 Uit de tekst van dit punt van de eerste beschikking blijkt dus dat de Commissie slechts de inhoud van de aldaar vermelde mededeling van 11 september 1998 heeft overgenomen. Tabel 28 is dus niet relevant voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 241 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

97 Ten achtste staat vast dat de tabellen 29 en 30, vermeld in voetnoot nr. 448 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini/Siderpotenza ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1999, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 276 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Aanvullende informatie over de situatie van de markt van betonstaal in Italië tijdens deze periode is te vinden in een door Leali op 10 november 1999 opgesteld document, in het bijzonder in hoofdstuk ‚Voordelen en grenzen van de handelsovereenkomst van 1999’, waarin staat te lezen: ‚Dankzij de basisovereenkomst tussen de nationale producenten kon de situatie van lage prijzen die de twee voorafgaande boekjaren (1997 en 1998) had gekenmerkt, in 1999 worden omgezet in een opwaartse trend en kon meer dan 50 ITL/kg aan brutomarge worden teruggewonnen. In 1998 bedroeg de gemiddelde brutomarge (verkoopprijs verminderd met de grondstoffenprijs) 70 ITL/kg, en gedurende vijf maanden lag zij onder dit niveau.’‚Dankzij de overeenkomsten kon de verkoopprijs in de loop van het jaar worden gestabiliseerd en de producenten hebben kunnen profiteren van de situatie op het gebied van de kostprijs van grondstoffen en hebben hun brutomarge met meer dan 50 ITL/kg kunnen verhogen tot netto 122 ITL/kg.’”

98 Uit de tekst van punt 276 van de eerste beschikking blijkt dus dat de Commissie slechts de inhoud van de aldaar vermelde mededeling van 10 november 1999 heeft overgenomen. Het ontbreken van de tabellen 29 en 30 heeft dus geen gevolgen voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 276 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.

99 Ten negende wordt tabel 13, vermeld in punt 451 van de eerste beschikking, aangehaald ter ondersteuning van de stelling dat „[h]et eerste halfjaar van 1997 [werd] gekenmerkt door een voortdurende verhoging van de in het kader van de mededingingsregeling vastgestelde basisprijs: 190 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 30 januari; 210 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 14 februari en 250 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 10 juli (punt 200)” en dat „[t]ijdens dezelfde periode de gemiddelde basisprijs op de markt eveneens voortdurend [was] gestegen, van 170 ITL/kg in januari tot 240 ITL/kg in juli (tabel 13 in bijlage); in september van datzelfde jaar is de gemiddelde basisprijs op de markt verder gestegen en bereikte hij 290 ITL/kg (tabel 13 in bijlage).” Vaststaat dus dat de Commissie in dat punt de stijgingen van de basisprijs in het jaar 1997 uitdrukkelijk heeft vermeld, zodat die tabel niet absoluut noodzakelijk was voor het begrijpen van de redenering van de Commissie.

100 Ten tiende dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 496 van de eerste beschikking (voetnoot nr. 563 van de eerste beschikking) algemeen naar de „als bijlage bij de beschikking gevoegde tabellen” heeft verwezen ter ondersteuning van haar stelling dat „[u]it [haar] inlichtingen [...] [bleek] dat alle bij de onderhavige procedure betrokken ondernemingen tijdens de betrokken periode prijslijsten [hadden] gepubliceerd”. Er dient echter op te worden gewezen dat punt 496 van de eerste beschikking ook verwijst naar de punten 419 tot en met 433 van de deze beschikking, waarin een „lijst wordt gegeven van alle gelegenheden waarbij tussen de ondernemingen (de vereniging daaronder begrepen) over de basisprijs is gediscussieerd”. In dit verband heeft de Commissie gepreciseerd dat „[s]ommige van die gelegenheden al [waren] vermeld bij de behandeling van de wilsovereenstemming (punten 473 tot en met 475)”, dat „[v]oor andere gelegenheden, tussen 1993 en 2000, het begrip afstemming [diende] te worden gebruikt” en dat „[d]ie afstemming tot doel had, het marktgedrag van de producenten te beïnvloeden en de in concreto voorgenomen handelwijze van elk van hen ter zake van de vaststelling van de basisprijs bekend te maken”. Het samenstel van de als bijlage bij de eerste beschikking gevoegde tabellen is dus niet absoluut noodzakelijk voor het begrijpen van het door de Commissie geformuleerde bezwaar.

101 Ten elfde dient erop te worden gewezen dat de punten 513, 515, 516 en 518 van de eerste beschikking, waarin naar de tabellen 1 tot en met 3, 9, 11 tot en met 14 en 16 wordt verwezen, deel uitmaken van het hoofdstuk van de eerste beschikking waarin de gevolgen van de beperkende feitelijke gedragingen op de markt worden behandeld, en dat uit de analyse van de inhoud van deze punten blijkt dat de aldaar vermelde tabellen, hetzij slechts de aldaar verstrekte cijfergegevens overnemen, hetzij niet absoluut noodzakelijk zijn voor het begrijpen van de redenering van de Commissie met betrekking tot de gevolgen van de mededingingsregeling.

102 Gelet op een en ander, kan niet worden geoordeeld dat verzoekster de in de eerste beschikking geformuleerde bezwaren niet heeft kunnen begrijpen omdat de in punt 79 hierboven bedoelde tabellen niet als bijlage bij die beschikking waren gevoegd.

103 In de tweede plaats herinnert verzoekster aan de rechtspraak van de Unierechter volgens welke het dispositief en de motivering van de officieel ter kennis gebrachte beschikking moeten overeenstemmen met de door het college van leden van de Commissie vastgestelde beschikking, afgezien van zuiver grammaticale correcties en spellingcorrecties die nog in de tekst van een handeling mogen worden aangebracht nadat deze door het college definitief is goedgekeurd. In het onderhavige geval zou de eerste aan verzoekster officieel ter kennis gebrachte beschikking onvolledig zijn, omdat de bijlagen ontbraken. Er zou dan ook reden zijn om aan te nemen dat het college van leden van de Commissie niet de volledige handeling heeft goedgekeurd, hetgeen een schending van het reglement van orde van de Commissie, in het bijzonder van de authenticatieprocedure en van het collegialiteitsbeginsel, zou opleveren.

104 Ter terechtzitting heeft verzoekster op een desbetreffende vraag geantwoord dat zij afstand deed van haar middel inzake schending van de procedure van authenticatie van de eerste beschikking. Wat de gestelde schending van het collegialiteitsbeginsel betreft, heeft verzoekster er, zakelijk weergegeven, op gewezen dat haar middel betrekking had op het feit dat het college van leden van de Commissie niet in staat was geweest met volledige kennis van zaken een beschikking vast te stellen.

105 In dit verband dient te worden geoordeeld dat de omstandigheid dat de in punt 79 hierboven vermelde tabellen niet als bijlage bij de eerste beschikking waren gevoegd, slechts de onrechtmatigheid van de bestreden beschikking tot gevolg kan hebben indien het college van leden van de Commissie als gevolg daarvan het in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde gedrag niet heeft kunnen bestraffen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder door onjuistheden of omissies op een essentieel punt op een verkeerd spoor te zijn gezet (zie in die zin en naar analogie arresten Gerecht van 10 juli 1991, RTE/Commissie, T-69/89, Jurispr. blz. II-485, punten 23‑25; 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T-290/94, Jurispr. blz. II-2137, punt 88; 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 742, en 17 februari 2011, Zhejiang Xinshiji Foods en Hubei Xinshiji Foods/Raad, T‑122/09, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 104 en 105).

106 Aangezien, los van het ontbreken van bovengenoemde tabellen, de gegevens waarop de bestreden beschikking is gebaseerd, rechtens genoegzaam zijn uiteengezet in de tekst zelf van de beschikking (zie punten 81‑102 hierboven), kan niet op goede gronden worden gesteld dat het college van leden van de Commissie ten tijde van de vaststelling van de eerste beschikking geen volledige kennis had van alle gegevens waarop de maatregel berustte. Het ontbreken van die tabellen kan het vaststellingsproces van de eerste beschikking dus niet hebben aangetast, en kan de rechtmatigheid van die beschikking dus niet ter discussie stellen.

107 In de derde plaats voert verzoekster aan dat het wijzigingsbesluit slechts bestaat in de officiële kennisgeving van de in de eerste beschikking ontbrekende bijlagen en dat het drie nieuwe artikelen bevat, waarvan de nummering die van de eerste beschikking „overlapt”. Enerzijds had de Commissie niet mogen beslissen op een „integrerende en onvolledige tekst”, maar had zij moeten beslissen op de gehele tekst van de bestreden beschikking. Anderzijds past artikel 2 van het wijzigingsbesluit, waarin de adressaten van dat besluit worden genoemd, slecht in artikel 2 van de eerste beschikking, waarin het bedrag van de geldboeten wordt vermeld. Deze verwarring zou onaanvaardbaar zijn uit het oogpunt van de rechtszekerheid en de eerbiediging van de rechten van de verdediging.

108 Ten eerste dient te worden geoordeeld dat de bevoegdheid van de Commissie om een bepaalde handeling vast te stellen noodzakelijkerwijs de bevoegdheid impliceert om die handeling met inachtneming van de bepalingen betreffende haar bevoegdheid en van de in het Verdrag bepaalde vormen en procedures te wijzigen (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Tizzano bij arrest Hof van 13 juli 2004, Commissie/Raad, C-27/04, Jurispr. blz. I-6649, I-6653, punten 134 en 143). Hieruit volgt dat de Commissie op goede gronden het wijzigingsbesluit kon vaststellen om de ontbrekende tabellen als bijlage bij de bestreden beschikking te voegen. In dit verband dient er ook op te worden gewezen dat de Commissie in het inleidende gedeelte van het wijzigingsbesluit uitdrukkelijk heeft verwezen naar de eerste beschikking, bij de vaststelling waarvan de bijlagen niet waren toegevoegd.

109 Wat ten tweede verzoeksters argument inzake de door het dispositief van het wijzigingsbesluit gecreëerde verwarring betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat uit het dispositief van het wijzigingsbesluit duidelijk blijkt dat dit het dispositief van de eerste beschikking niet „overlapt”. Artikel 1 van het wijzigingsbesluit, het enige artikel dat wijzigingen aanbrengt aan de eerste beschikking, geeft die wijzigingen nauwkeurig aan; het gaat om a) de tekst van de acht voetnoten die door deze bepaling worden genoemd en gecorrigeerd, en b) de toevoeging, als bijlagen bij de bestreden beschikking, van de als bijlagen bij het wijzigingsbesluit gevoegde tabellen. Verder worden in artikel 2 van het wijzigingsbesluit slechts de adressaten van dat besluit genoemd.

110 Hieruit volgt dat wanneer de eerste beschikking en het wijzigingsbesluit in hun onderlinge samenhang worden gelezen, geen verwarring ontstaat, zodat geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van de eerbiediging van de verzoeksters rechten van verdediging als gevolg van een dergelijke verwarring is aangetoond.

111 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.

Tweede middel: onbevoegdheid van de Commissie en onjuiste rechtsopvatting bij de keuze van de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking

112 In het kader van haar tweede middel betoogt verzoekster dat de bestreden beschikking onrechtmatig is omdat de Commissie na het expireren van het EKGS-Verdrag niet meer bevoegd was om de bestreden beschikking op basis van artikel 65, lid 1, KS vast te stellen.

113 In de eerste plaats zou het expireren van het EKGS-Verdrag noodzakelijkerwijs hebben meegebracht dat de Commissie niet meer bevoegd was om de bepalingen van dat verdrag toe te passen.

114 Ten eerste zou uit de artikelen 54 en 70 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 voortvloeien dat een geëxpireerd verdrag tussen staten niet meer de grondslag kan vormen voor verplichtingen of bevoegdheden, tenzij de verdragsluitende staten daar uitdrukkelijk anders over hebben beslist. Artikel 65, lid 1, KS zou dus, „zelfs wat de materiële inhoud ervan betreft”, slechts met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast indien er een specifieke overgangsbepaling bestaat, hetgeen niet het geval is.

115 Ten tweede zou de Commissie zich niet op de „gelijkenis” tussen artikel 65 KS en artikel 81 EG, die niet volledig „overeenstemmen”, kunnen baseren om zich een bevoegdheid toe te eigenen en verzoekster te bestraffen.

116 Ten derde zou de gecombineerde toepassing van verordening nr. 1/2003 en artikel 65 KS op een tijdstip waarop dit laatste niet meer van kracht was, evenmin een geldige grondslag vormen voor het opleggen van sancties en bovendien in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, met het beginsel van toegewezen bevoegdheden en met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (nullum crimen nulla poena sine lege), aangezien uit de bepalingen van verordening nr. 1/2003 ontegenzeglijk voortvloeit dat deze verordening de Commissie slechts toestaat geldboeten op te leggen voor inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG. Door de bestreden beschikking op de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 te baseren zou de Commissie, in de plaats van zich te conformeren aan het arrest SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, waarbij de beschikking van 2002 nietig is verklaard, de toepassing in de tijd van artikel 65, lid 1, KS opnieuw hebben verlengd en daarbij overduidelijk inbreuk hebben gemaakt op de bevoegdheden van de Raad.

117 In repliek voegt verzoekster daaraan toe dat de beginselen inzake de opvolging van de regels in de tijd in het onderhavige geval niet kunnen rechtvaardigen dat artikel 65 KS wordt toegepast op feiten die zich hebben voorgedaan op een tijdstip waarop deze tekst van kracht was, aangezien de toepassing van niet meer van kracht zijnde bepalingen is uitgesloten wanneer daardoor inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van toegewezen bevoegdheden. Zij verklaart ook dat de Commissie geen nieuwe procedure op grond van verordening nr. 1/2003 kon inleiden, omdat haar bevoegdheid tot vervolging en bestraffing was verjaard krachtens artikel 25 van die verordening.

118 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat, aangezien het VWEU reeds van kracht was op het tijdstip van de vaststelling van het wijzigingsbesluit, de Commissie, om redenen in verband met de rechtszekerheid en met de beginselen die de opvolging van regels in de tijd beheersen, verplicht was de bestreden beschikking opnieuw vast te stellen op basis van dat nieuwe verdrag.

119 Om te beginnen voert de Commissie in dupliek aan dat het bezwaar inzake de verjaring van haar bevoegdheid om de betrokken inbreuk vast te stellen en te bestraffen in het verzoekschrift niet voorkomt en bijgevolg niet-ontvankelijk is.

120 Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet echter ontvankelijk worden verklaard (arrest Gerecht van 19 september 2000, Dürbeck/Commissie, T-252/97, Jurispr. blz. II-3031, punt 39, op hogere voorziening bevestigd bij beschikking Hof van 13 november 2001, Dürbeck/Commissie, C-430/00 P, Jurispr. blz. I-8547, punt 17). Hetzelfde geldt voor een ter ondersteuning van een middel geformuleerd bezwaar (arrest Joynson/Commissie, aangehaald in punt 59 hierboven, punt 156).

121 Een in repliek geformuleerd bezwaar dat wegens de nieuwheid van het erin vervatte feitelijke en juridische betoog niet als uitwerking van een middel kan worden beschouwd en is gebaseerd op gegevens die de verzoekende partij kende op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde, moet echter niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest Gerecht van 21 oktober 2010, Umbach/Commissie, T‑474/08, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60).

122 In het onderhavige geval dient erop te worden gewezen dat het bezwaar inzake de verjaring van de bestraffingsbevoegdheid van de Commissie niet in het verzoekschrift voorkomt en geen uitwerking van een daarin opgeworpen middel is.

123 Verder dient het bezwaar dat verzoekster aan de inwerkingtreding van het VWEU vóór de vaststelling van het wijzigingsbesluit ontleent, overeenkomstig de in punt 57 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het niet is onderbouwd.

Keuze van de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking

124 Er dient aan te worden herinnerd dat de gemeenschapsverdragen een nieuwe rechtsorde tot stand hebben gebracht ten behoeve waarvan de staten op steeds breder terrein hun soevereiniteit hebben beperkt en waarvan niet slechts de lidstaten, maar ook hun staatsburgers de rechtssubjecten zijn (zie in die zin arresten Hof van 5 februari 1963, van Gend & Loos, 26/62, Jurispr. blz. 1, en 15 juli 1964, Costa, 6/64, Jurispr. blz. 1203, 1218; advies Hof 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. blz. I‑6079, punt 21, en arrest Gerecht SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, punt 70, en arrest Gerecht van 1 juli 2009, ThyssenKrupp Stainless/Commissie, T-24/07, Jurispr. blz. II-2309, punt 63).

125 Binnen de communautaire rechtsorde beschikken de instellingen alleen over de bevoegdheden die hun zijn toegekend. Om deze reden vermelden gemeenschapshandelingen in hun aanhef de rechtsgrondslag op grond waarvan de betrokken instelling bevoegd is om op het betrokken gebied te handelen. De keuze van de juiste rechtsgrondslag is immers van constitutioneel belang (zie arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, punt 71, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Vaststaat in het onderhavige geval dat in de aanhef van de bestreden beschikking wordt verwezen naar het EKGS-Verdrag, te weten de artikelen 36 KS, 47 KS en 65 KS, maar ook naar het EG-Verdrag, naar verordening nr. 17, in het bijzonder artikel 11 daarvan, naar verordening nr. 1/2003, te weten naar de artikelen 7, lid 1, 18 en 23, lid 2, ervan, en naar verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB L 354, blz. 18).

127 Verder dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 1 van de bestreden beschikking heeft verklaard „[d]at de onderhavige beschikking een inbreuk op artikel 65, lid 1, [KS] [vaststelde] en [was] vastgesteld op grond van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003”. In punt 3 van de bestreden beschikking heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat „[zij] [b]ij de onderhavige beschikking [...] aan de geadresseerde ondernemingen geldboeten [oplegde] op basis van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003”.

128 In punt 350 van de bestreden beschikking heeft de Commissie aldus verklaard dat zij van mening was dat „de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de passende rechtsgrondslagen [waren] voor de vaststelling van de onderhavige beschikking” en dat „[zij] [o]p basis van artikel 7, lid 1, [...] een inbreuk op artikel 65, lid 1, [KS] [vaststelde] en [...] de adressaten van de onderhavige beschikking [verplichtte] daaraan een einde te maken, en [...] [hun] krachtens artikel 23, lid 2, [...] geldboeten [oplegde]” (zie ook punt 361 van de eerste beschikking).

129 In deze omstandigheden staat vast dat de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking, waarbij de Commissie een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS heeft vastgesteld en aan verzoekster een geldboete heeft opgelegd, wordt gevormd door artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voor de vaststelling van de inbreuk en door artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor de oplegging van de geldboete.

Bevoegdheid van de Commissie om na het expireren van het EKGS-Verdrag een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en te bestraffen op grond van verordening nr. 1/2003

130 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat de bepaling die de rechtsgrondslag vormt voor een handeling en de instelling van de Unie machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, van kracht moet zijn op het moment van de vaststelling van die handeling (arresten Hof van 4 april 2000, Commissie/Raad, C-269/97, Jurispr. blz. I-2257, punt 45; 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie /ArcelorMittal Luxembourg e.a., C-201/09 P en C-216/09 P, Jurispr. blz. I-2239, punt 75, en arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C-352/09 P, Jurispr. blz. I-2359, punt 88; arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, punt 118, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 74), wat ontegenzeglijk het geval is met artikel 7, lid 1, en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, die de rechtsgrondslag van de eerste beschikking vormen

131 In de tweede plaats dient te worden beklemtoond dat de gemeenschapsverdragen één enkele rechtsorde tot stand hebben gebracht, in het kader waarvan, zoals blijkt uit artikel 305, lid 1, EG, het EGKS-Verdrag een bijzondere regeling vormde die afweek van de bij het EG-Verdrag vastgestelde algemene regels (zie arresten Gerecht van 31 maart 2009, ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, T-405/06, Jurispr. blz. II-771, punt 57, en arrest ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

132 Het EGKS-Verdrag vormde dus krachtens artikel 305, lid 1, EG een lex specialis die afweek van de lex generalis, het EG-Verdrag (arrest Hof van 24 oktober 1985, Gerlach, 239/84, Jurispr. blz. 3507, punten 9‑11; advies Hof 1/94 van 15 november 1994, Jurispr. blz. I‑5267, punten 25‑27; arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 21 hierboven, punt 111, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 76, op hogere voorziening bevestigd door het arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 70 en 73).

133 Voor de werking van de gemeenschappelijke markt volgt hieruit dat de bepalingen van het EGKS-Verdrag en de ter uitvoering daarvan getroffen regelingen zijn blijven gelden ondanks de totstandkoming van het EG-Verdrag (arrest Gerlach, aangehaald in punt 132 hierboven, punt 9, en arrest Hof van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C-74/00 P en C-75/00 P, Jurispr. blz. I-7869, punt 100; arrest ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 77, op hogere voorziening bevestigd door het arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 70 en 73).

134 Voor zover bepaalde kwesties echter niet werden geregeld door het EGKS-Verdrag of door op basis daarvan vastgestelde regelingen, konden het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen reeds vóór het expireren van het EKGS-Verdrag toepassing vinden op onder het EGKS-Verdrag vallende producten (arrest Hof van 15 december 1987, Deutsche Babcock, 328/85, Jurispr. blz. 5119, punt 10, en arrest Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, aangehaald in punt 133 hierboven, punt 100; arresten Gerecht van 25 oktober 2007, Ferriere Nord/Commissie, T‑94/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 83, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 78, op hogere voorziening bevestigd door arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 70 en 73).

135 Het EGKS-Verdrag is op grond van artikel 97 ervan op 23 juli 2002 geëxpireerd. Bijgevolg is de werkingssfeer van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende algemene regeling op 24 juli 2002 uitgebreid tot de sectoren die aanvankelijk onder het EGKS-Verdrag vielen (arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 131 hierboven, punt 58, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 79, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 59 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 70 en 73).

136 Hoewel de vervanging van het rechtskader van het EGKS-Verdrag door dat van het EG-Verdrag per 24 juli 2002 heeft geleid tot een wijziging van de toepasselijke rechtsgrondslagen, procedures en materiële regels, maakt die wijziging deel uit van de eenheid en de continuïteit van de communautaire rechtsorde en de doelstellingen daarvan (arresten Gerecht van 12 september 2007, González y Díez/Commissie, T-25/04, Jurispr. blz. II-3121, punt 55; ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 131 hierboven, punt 59, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 80, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 71 en 73).

137 In dit verband moet worden opgemerkt dat de invoering en de handhaving van een stelsel van vrije mededinging waarin de normale concurrentieverhoudingen worden verzekerd en dat met name ten grondslag ligt aan de staatssteunregels en de regels inzake mededingingsregelingen tussen ondernemingen, een van de wezenlijke doelstellingen is van zowel het EG-Verdrag als het EGKS-Verdrag (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 131 hierboven, punt 60, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 71 en 73).

138 In deze context moet worden benadrukt dat, hoewel de bepalingen van het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag op het gebied van mededingingsregelingen tussen ondernemingen in zekere mate uiteenlopen, de begrippen overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS overeenstemmen met de begrippen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG en dat deze twee bepalingen door de Unierechter op dezelfde wijze zijn uitgelegd. Het nastreven van het doel van een onvervalste mededinging in de sectoren die aanvankelijk onder de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal vielen, wordt dus niet onderbroken door het expireren van het EGKS-Verdrag, omdat dit doel ook in het kader van het EG-Verdrag wordt nagestreefd en wel door dezelfde instelling, te weten de Commissie, de administratieve autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering en de ontwikkeling van het mededingingsbeleid in het algemene belang van de Europese Gemeenschap (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 131 hierboven, punt 61, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 71 en 73).

139 De continuïteit van de communautaire rechtsorde en van de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, vereist dus dat de Europese Gemeenschap, voor zover zij de opvolgster is van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, in haar eigen procedurele kader met betrekking tot onder het EGKS-Verdrag ontstane situaties de naleving verzekert van de rechten en plichten die krachtens het EGKS-Verdrag en de tot uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen eo tempore voor zowel de lidstaten als de particulieren golden. Dit klemt temeer daar onder het EG-Verdrag de mededingingsverstoring als gevolg van de niet-naleving van de regels op het gebied van mededingingsregelingen kan blijven doorwerken in de tijd na het expireren van het EGKS-Verdrag (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 131 hierboven, punt 63, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 62 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 72 en 73).

140 Het Hof heeft er ook aan herinnerd dat de opvolging van het EGKS-Verdrag door het EG-Verdrag en later door het VWEU de vrije mededinging beoogde te waarborgen door ervoor te zorgen dat alle gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS, ongeacht of zij voor dan wel na 23 juli 2002 hebben plaatsgevonden, door de Commissie konden en kunnen worden bestraft (arresten ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punten 65‑67 en 77, en ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punten 55‑57 en 65).

141 Verder blijkt uit de rechtspraak enerzijds dat overeenkomstig een aan de rechtsstelsels der lidstaten gemeenschappelijk beginsel, waarvan de oorsprong reeds in het Romeinse recht te vinden is, bij wijziging der wettelijke voorschriften, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel door de wetgever, de continuïteit van het rechtsbestel moet worden verzekerd, en anderzijds dat dit beginsel van toepassing is op wijzigingen van het primaire recht van de Unie (arresten Hof van 25 februari 1969, Klomp, 23/68, Jurispr. blz. 43, punt 13, en ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punt 63).

142 Niets wijst er echter op dat de wetgever van de Unie heeft gewenst dat onder vigeur van het EGKS-Verdrag verboden onderling samenhangende gedragingen na het expireren van dit verdrag aan elke sanctie kunnen ontsnappen (arrest ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 130 hierboven, punt 64).

143 Enerzijds heeft het Hof er immers op gewezen dat de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten te kennen hadden gegeven dat zij bereid waren alle maatregelen te nemen die noodzakelijk waren om de gevolgen van het expireren van dat verdrag te ondervangen. Anderzijds heeft het Hof beklemtoond dat de Commissie had verklaard dat zij slechts voorstellen voor overgangsbepalingen diende voor te leggen indien zij dat noodzakelijk achtte, en dat zij, gelet op de toepasselijke algemene rechtsbeginselen, van mening was dat dit op het gebied van het recht betreffende mededingingsregelingen niet noodzakelijk was (arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punt 75).

144 Bijgevolg kan verzoekster geen enkel steekhoudend argument ontlenen aan het ontbreken van overgangsbepalingen ter zake (zie in die zin arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 130 hierboven, punt 76).

145 In die omstandigheden zou het indruisen tegen het doel en de samenhang van de Verdragen en onverenigbaar zijn met de continuïteit van de rechtsorde van de Unie, dat de Commissie niet bevoegd zou zijn om een eenvormige toepassing te verzekeren van de normen van het EGKS-Verdrag die ook na het expireren van dat verdrag nog effect blijven sorteren (zie in die zin arrest Hof van 18 juli 2007, Lucchini, C-119/05, Jurispr. blz. I-6199, punt 41).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in