Gerecht EU 23 juli 2025, T-613/23, ECLI:EU:T:2025:749
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
23 juli 2025 ( *1 )
„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Kennisgeving van vacature – Leidinggevend personeel van de Commissie – Afwijzing van sollicitatie – Benoeming van een andere kandidaat – Onregelmatigheid van de aanwervingsprocedure – Kennelijk onjuiste beoordeling – Exceptie van onwettigheid – Rechtszekerheid – Delegatie van de voorzitter van de Commissie aan haar kabinetschef – Aansprakelijkheid”
In zaak T‑613/23,
James Flett, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Brauhoff en A. Sauka als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, N. Półtorak, I. Reine, T. Pynnä (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 9 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, James Flett, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 25 januari 2023 waarbij niet hij maar een andere persoon is aangesteld in de functie van hoofdadviseur juridische zaken voor het team Handelsbeleid en Wereldhandelsorganisatie van de Juridische Dienst van de Commissie (hierna: „bestreden besluit”) en, ten tweede, vergoeding van de schade die hij door dat besluit zou hebben geleden.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 23 mei 2022 publiceerde de Commissie een kennisgeving van vacature voor de functie van hoofdadviseur juridische zaken voor het team Handelsbeleid en Wereldhandelsorganisatie (hierna: „kennisgeving”), met daarin de criteria voor beoordeling van de functievereisten. De kennisgeving preciseerde dat de geselecteerde kandidaat in dienst zou worden genomen in de rang AD 14 of AD 15.
3 Na de bekendmaking van die kennisgeving hebben acht kandidaten, waaronder verzoeker, naar die post gesolliciteerd.
4 Op 8 september 2022 hebben deze acht kandidaten een gesprek met het voorselectiepanel van de Commissie gehad. Tijdens dit gesprek heeft het voorselectiepanel de kandidaten vijf vragen gesteld om de in de kennisgeving vermelde criteria te beoordelen en elke kandidaat een score toe te kennen.
5 Op 27 oktober 2022 heeft het raadgevend comité Benoemingen (hierna: „RCB”) op basis van het preselectierapport en de bijbehorende beoordelingsschema’s in het kader van de eerste fase van de selectieprocedure (hierna: „eerste fase”) de drie kandidaten geselecteerd die de hoogste scores hadden behaald, waaronder verzoeker, die de beste score had behaald. Deze drie kandidaten moesten vervolgens deelnemen aan de tests voor het assessmentcenter en aan een gesprek met het RCB in het kader van de tweede fase van de selectieprocedure (hierna: „tweede fase”).
6 Op 22 november 2022 heeft verzoeker deelgenomen aan de tests voor het assessmentcenter, die individuele en collectieve oefeningen en diepgaande vraaggesprekken over leiderschapsvaardigheden omvatten. Op basis hiervan is voor elke kandidaat een rapport opgesteld.
7 Op 1 december 2022 heeft verzoeker, net als de twee andere kandidaten die nog in aanmerking kwamen, een gesprek met het RCB gehad. Aan het einde van de tweede fase was het RCB van mening dat verzoeker niet over de „juiste combinatie van vaardigheden en ervaring” beschikte en heeft het hem niet uitgenodigd voor een gesprek met de voorzitter van de Commissie (hierna: „voorzitter”). Voor dit gesprek is alleen A, een andere kandidaat, geselecteerd.
8 Op 25 januari 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarbij A (en niet verzoeker) is aangesteld in de functie van hoofdadviseur juridische zaken voor het team Handelsbeleid en Wereldhandelsorganisatie.
9 Op 28 februari 2023 heeft verzoeker een klacht tegen het bestreden besluit ingediend.
10 Op 27 juni 2023 heeft de Commissie de klacht tegen het bestreden besluit afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
Conclusies van partijen
11 De verzoekende partij verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden; – de Commissie te gelasten formele excuses aan te bieden en de stelling dat hij niet voldoende gekwalificeerd is voor de betrokken functie in te trekken; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
12 De Commissie verzoekt het Gerecht in wezen: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen over de vierde vordering
13 Verzoeker verzoekt de Commissie om formele excuses aan te bieden en de stelling dat hij niet voldoende gekwalificeerd is voor de betrokken functie in te trekken.
14 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat het niet de taak van de Unierechter is om in het kader van de wettigheidscontrole op basis van artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, bevelen aan de administratie te richten (arresten van 9 december 2020, GV/Commissie, T‑705/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:590, punt 155, en 30 april 2025, EL/Commissie, T‑325/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:424, punt 10).
15 Bijgevolg moet verzoekers vierde vordering wegens onbevoegdheid van het Gerecht worden afgewezen.
Voorwerp van het beroep
16 Verzoeker vordert nietigverklaring van het bestreden besluit en van het besluit tot afwijzing van de klacht. Hij betoogt dat dit laatste besluit meer bevat dan een loutere bevestiging van het bestreden besluit, zonder zijn stelling nauwkeurig te onderbouwen.
17 Het is vaste rechtspraak dat de administratieve klacht, zoals bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan, een onderdeel vormen van een complexe procedure en slechts een voorwaarde vormen om beroep te kunnen instellen bij de rechter. In deze omstandigheden heeft het beroep, zelfs indien dit formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie arrest van 11 november 2020, AD/ECHA, T‑25/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:536, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Gelet op het feit dat de precontentieuze procedure een evolutief karakter heeft, vormt een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de klacht dat slechts aanvullende preciseringen bevat en aldus enkel gedetailleerd de redenen voor de bevestiging van het eerdere besluit bekendmaakt, bovendien geen bezwarende handeling. Dit evolutieve karakter van de precontentieuze procedure impliceert evenwel dat bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden handeling rekening wordt gehouden met deze aanvullende preciseringen (arrest van 7 september 2022, Migadakis/ENISA, T‑507/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:507, punt 13).
19 In casu moet worden vastgesteld dat het besluit tot afwijzing van de klacht het bestreden besluit bevestigt en de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende redenen bekendmaakt. De omstandigheid dat de Commissie in antwoord op de argumenten die verzoeker in zijn klacht aanvoert de motivering van het bestreden besluit heeft verduidelijkt, kan niet rechtvaardigen dat het besluit tot afwijzing van de klacht wordt beschouwd als een zelfstandige handeling die voor hem bezwarend is.
20 Aangezien de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht dus geen zelfstandige inhoud heeft, moet het beroep worden aangemerkt als formeel gericht tegen het bestreden besluit, waarvan de motivering is gepreciseerd in het besluit tot afwijzing van de klacht. De wettigheid van het bestreden besluit moet dus worden onderzocht aan de hand van de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Veit/ECB, T‑474/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:140, punten 24 en 25).
Vordering tot nietigverklaring
21 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan. Het eerste middel betreft niet-inachtneming van de bepalingen inzake de aanwervingsprocedure en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. Het tweede middel betreft kennelijke beoordelingsfouten. Het derde middel is gebaseerd op onwettigheid van het besluit van de Commissie betreffende maatregelen ten behoeve van gendergelijkheid, vervat in het verslag van de 2351e vergadering van de Commissie te Brussel (België) op 30 september 2020 [PV (2020) 2351 final van 11 november 2020] (hierna: „besluit inzake het gelijkheidsbeleid”). Het vierde middel heeft betrekking op het feit dat het besluit van de voorzitter om haar bevoegdheden voor het gesprek met A aan haar kabinetschef te delegeren, niet wordt gerechtvaardigd door het bestaan van dwingende dienstredenen en het rechtszekerheidsbeginsel schendt.
Eerste middel: niet-inachtneming van de bepalingen inzake de aanwervingsprocedure en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
22 Met zijn eerste middel stelt verzoeker dat de Commissie de punten 5.2.6 en 5.2.7 van besluit SEC(2004) 1352/2 van de Commissie van 26 oktober 2004 tot vaststelling van haar beleid betreffende het hoger leidinggevend personeel (hierna: „besluit inzake hoger leidinggevend personeel”) heeft geschonden, alsook artikel 1, lid 1, van het procedurereglement van het RCB. Verzoeker is hoe dan ook van mening dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
23 In de eerste plaats moest het RCB krachtens punt 5.2.6, tweede alinea, van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel een shortlist opstellen met alle kandidaten die volgens de in de kennisgeving bekendgemaakte criteria voldoende voor de functie waren gekwalificeerd. In dit verband is verzoeker van mening dat het RCB de shortlist weliswaar kon beperken tot een „groep kandidaten”, maar dat het dit comité in casu niet was toegestaan om slechts één kandidaat op die lijst te handhaven – anders zou het onrechtmatig handelen of zou zijn besluit misbruik van procedure opleveren.
24 Voorts benadrukt verzoeker dat het RCB in het kader van de eerste fase heeft bevestigd dat hij een voldoende gekwalificeerde kandidaat was. In de tweede fase was het RCB van mening dat hij niet beschikte over de „juiste combinatie van vaardigheden en ervaring”, hetgeen evenwel geen wijziging van het advies ten opzichte van het in de eerste fase uitgebrachte advies inhield.
25 In de tweede plaats is verzoeker van mening dat artikel 1, lid 1, van het procedurereglement van het RCB, dat vereist dat de kandidaten geschikt zijn om hogere leidinggevende functies uit te oefenen, niet kan rechtvaardigen dat aan het einde van de tweede fase slechts één kandidaat wordt gekozen, tenzij het RCB, in opdracht van de kabinetschef van de voorzitter, de kandidaten willekeurig kan uitsluiten.
26 In de derde plaats is verzoeker van mening dat het RCB een vergelijkende beoordeling heeft verricht van de drie kandidaten die voor de tweede fase zijn geselecteerd.
27 In de vierde plaats betoogt verzoeker dat hem een gesprek met de voorzitter is geweigerd in strijd met punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, aangezien hij aan het einde van de tweede fase door het RCB voor een gesprek had moeten worden geselecteerd.
28 In de vijfde plaats merkt verzoeker op dat de Commissie in het besluit tot afwijzing van de klacht heeft aangevoerd dat de voorzitter de mogelijkheid behield om hem voor een gesprek uit te nodigen, ook al was zijn sollicitatie aan het einde van de tweede fase door het RCB uitgesloten. Hij is evenwel van mening dat de vermeende procedurele onregelmatigheid niet wordt verholpen door het bestaan van een dergelijke mogelijkheid.
29 In de zesde plaats betoogt verzoeker dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
30 De Commissie betwist de argumenten van verzoeker.
31 Verzoeker betoogt in wezen dat het feit dat hij niet is voorgeselecteerd voor een gesprek met de voorzitter aan het einde van de tweede fase wijst op schending van de toepasselijke procedureregels.
32 In de eerste plaats moet het RCB, overeenkomstig punt 5.2.6 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, enkel de „waarde van de verdiensten” van de kandidaten beoordelen teneinde na te gaan in hoeverre zij gekwalificeerd zijn voor de te vervullen vacature, gelet op de resultaten van de met hen gevoerde diepgaande vraaggesprekken en van de tests van het assessmentcenter, die ook gesprekken omvatten die erop zijn gericht hun „leiderschapsvaardigheden te peilen”. Het RCB moet vervolgens een lijst van kandidaten opstellen die „alle kandidaten [omvat] die [naar zijn mening] beantwoorden aan het in de oorspronkelijke functieomschrijving omschreven profiel, dat wil zeggen de voldoende gekwalificeerde kandidaten”. Deze lijst moet de verantwoordelijke commissarissen een „bevredigende keuze” van kandidaten bieden, en tegelijkertijd van een redelijke lengte blijven, teneinde hun niet de „zware last op te leggen om een groot aantal kandidaten aan een vergelijkend onderzoek te onderwerpen”.
33 Bovendien vermeldt punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel uitdrukkelijk „de voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten” die de bevoegde commissaris voor een gesprek heeft ontvangen. Aangezien het RCB verplicht is kandidaten uit te sluiten die niet over de in de kennisgeving van vacature vereiste vaardigheden beschikken, met name het vermogen om hogere leidinggevende functies uit te oefenen, sluiten bovengenoemde bepalingen dus niet uit dat aan het einde van de tweede fase slechts één kandidaat overblijft.
34 In casu heeft het RCB aan het einde van de tweede fase aangegeven wat verzoekers sterke punten waren en welke punten beter moesten, alvorens te concluderen dat hij „rekening houdend met alle elementen die tijdens het gesprek [met hem] zijn beoordeeld” niet beschikte over de „juiste combinatie van vaardigheden en ervaring om deze specifieke leidinggevende functie uit te oefenen”. Het RCB heeft punt 5.2.6 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel dus niet geschonden door zich op het standpunt te stellen dat verzoeker niet over de voor de betrokken functie vereiste vaardigheden beschikte en hem bijgevolg niet te selecteren voor een gesprek met de voorzitter. Het feit dat het RCB aan het einde van de tweede fase slechts één andere kandidaat heeft geselecteerd, kan evenmin een schending van deze bepaling opleveren.
35 Bovendien is de omstandigheid dat verzoeker door het voorselectiepanel en vervolgens door het RCB in het kader van de eerste fase is geselecteerd, niet in tegenspraak met het besluit van het RCB om hem aan het einde van de tweede fase van de shortlist uit te sluiten, gelet op het progressieve karakter van de selectieprocedure. Dit progressieve karakter blijkt met name uit punt 5.2.6, tweede alinea, van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, waarin wordt benadrukt dat in dit stadium moet worden beoordeeld in hoeverre de kandidaten gekwalificeerd zijn voor de betrokken functie.
36 Ten slotte is, zoals de Commissie betoogt, verzoekers bewering dat er sprake is van misbruik van procedure, niet onderbouwd en doet zij hoe dan ook niet af aan de vaststellingen in punt 34 hierboven. Derhalve moet zij worden verworpen.
37 In de tweede plaats betoogt verzoeker dat artikel 1, lid 1, van het procedurereglement van het RCB niet kan rechtvaardigen dat hij aan het einde van de tweede fase van de procedure is uitgesloten, aangezien dit artikel moet worden toegepast met inachtneming van punt 5.2.6 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel.
38 Artikel 1, lid 1, van het procedurereglement van het RCB bepaalt dat het RCB „beoordeelt of de kandidaten geschikt zijn om hogere leidinggevende functies uit te oefenen”. Dit selectiecriterium komt ook voor in de kennisgeving en in punt 5.2.6 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, waarin is bepaald dat de tweede fase onder meer gesprekken omvat die erop zijn gericht hun „leiderschapsvaardigheden te peilen”, zoals in punt 32 hierboven in herinnering is gebracht.
39 Het vermogen van de kandidaten om leidinggevende functies uit te oefenen moet dus in de tweede fase grondig worden onderzocht door het RCB en kan in dit vergevorderd stadium van de procedure de uitsluiting van kandidaten rechtvaardigen, ondanks de kwalificaties waarover zij voor het overige zouden kunnen beschikken.
40 In casu blijkt uit de conclusie van het RCB aan het einde van de tweede fase dat verzoeker niet beschikte over de „juiste combinatie van vaardigheden en ervaring om deze specifieke leidinggevende functie uit te oefenen”, en dat het hem dus ontbrak aan de vereiste leidinggevende capaciteiten voor de betrokken functie.
41 Het feit dat verzoeker aan het einde van de tweede fase niet is geselecteerd in het licht van het criterium van artikel 1, lid 1, van het procedurereglement van het RCB, is dus niet in strijd met punt 5.2.6 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel.
42 Ten slotte zijn verzoekers beweringen dat het RCB de mogelijkheid heeft om kandidaten in opdracht van de kabinetschef van de voorzitter willekeurig uit te sluiten, niet onderbouwd. Bovendien is de niet-selectie van verzoeker aan het einde van de tweede fase gebaseerd op de in punt 34 hierboven genoemde redenen. Deze beweringen van verzoeker moeten derhalve worden afgewezen.
43 In de derde plaats is de bewering dat er een vergelijkende evaluatie van de kandidaten is gemaakt, ongegrond. De conclusie dat verzoeker niet over een „juiste combinatie van vaardigheden en ervaring” beschikte, wijst er immers niet op dat het RCB verzoekers verdiensten heeft beoordeeld in het licht van die van de twee andere kandidaten die nog in aanmerking kwamen. Er blijkt daarentegen uit dat verzoeker volgens het RCB niet over het vereiste vaardigheidsniveau beschikte om door de voorzitter voor een gesprek te worden uitgenodigd, zoals blijkt uit punt 34 hierboven.
44 In de vierde plaats heeft het RCB verzoeker, gelet op het feit dat hij niet voldeed aan het voor de betrokken functie vereiste kwalificatieniveau, niet voorgeselecteerd voor een gesprek met de voorzitter. De voorzitter was dus niet verplicht om hem uit te nodigen, zoals blijkt uit punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel.
45 In de vijfde plaats verleent punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel de voorzitter de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de kandidaten uit te nodigen die aan het einde van de tweede fase door het RCB van de procedure zijn uitgesloten, wanneer de door dit comité geselecteerde kandidaten niet aan de verwachtingen blijken te voldoen.
46 Zoals verzoeker benadrukt, houdt de in punt 45 hierboven genoemde mogelijkheid voor hem echter geen recht in om door de voorzitter te worden uitgenodigd voor een gesprek, aangezien hij aan het einde van de tweede fase niet door het RCB is voorgeselecteerd.
47 In de zesde plaats stelt verzoeker in zijn verzoekschrift dat er „om de hierboven uiteengezette redenen ook en in elk geval sprake is van schending van het beginsel van behoorlijk bestuur”. Verzoeker verwijst dus naar zijn argumenten dat hij aan het einde van de tweede fase door het RCB had moeten worden geselecteerd, zonder zijn stelling nader te onderbouwen. Aangezien deze argumenten reeds ongegrond zijn verklaard, kunnen zij niet zonder nadere toelichting leiden tot de vaststelling dat het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.
48 In repliek verklaarde verzoeker bovendien „bezorgd te zijn over het kennelijk ontbreken van behoorlijk bestuur met betrekking tot de documenten en elementen waaruit het dossier in verschillende stadia van de procedure bestaat”. Hij betoogt dat het RCB in de tweede fase over het preselectierapport moet beschikken. Hij voert tevens met name aan dat de voorzitter alle hem betreffende documenten had moeten ontvangen. De Commissie heeft echter niet aangetoond dat deze documenten daadwerkelijk aan de voorzitter zijn toegezonden.
49 Een dergelijk betoog komt echter niet voor in het verzoekschrift, met name niet ter ondersteuning van de gestelde schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
50 In het verzoekschrift voert verzoeker immers enkel aan dat het – vermeend onvolledige – dossier dat het RCB aan de voorzitter heeft toegezonden, laatstgenoemde niet in staat heeft gesteld om een „serieuze” beoordeling te maken van de mogelijkheid om hem voor een gesprek uit te nodigen, ook al was hij door het RCB van de procedure uitgesloten. De voorzitter was dus niet in staat gebruik te maken van de in punt 45 hierboven genoemde mogelijkheid.
51 Verzoeker werkt dit argument dus niet verder uit om aan te tonen dat er sprake is van een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, die afzonderlijk wordt aangevoerd.
52 Volgens vaste rechtspraak moet het verzoekschrift krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, het onderwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen bevatten. Deze gegevens dienen voldoende duidelijk en nauwkeurig te zijn opdat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep coherent en begrijpelijk uit het verzoekschrift zelf blijken (zie beschikking van 17 november 2020, González Calvet/GAR, T‑257/20, niet gepubliceerd, EU:T:2020:541, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Aangezien verzoeker in zijn verzoekschrift niet uiteenzet waarom de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, kunnen de argumenten die hij in repliek aanvoert het gebrek aan duidelijkheid van het verzoekschrift niet ondervangen.
54 Bijgevolg moet de zesde grief in het licht van de in punt 52 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
55 Hieruit volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten
56 Met zijn tweede middel stelt verzoeker, ten eerste, dat het RCB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door hem niet aan te bevelen voor een gesprek met de voorzitter, zonder evenwel te ontkennen dat hij voldoende gekwalificeerd was in het licht van de in de kennisgeving bekendgemaakte criteria.
57 Verzoeker benadrukt dat deze kennelijke beoordelingsfout van het RCB weliswaar nauw verband houdt met de in het kader van het eerste middel beschreven schending, maar daar toch van verschilt. Deze fout heeft zowel voor hem als voor de Commissie niet alleen procedurele, maar ook materiële gevolgen gehad.
58 Ten tweede betoogt verzoeker dat het RCB, voor het geval dat het aan het einde van de tweede fase zou hebben geoordeeld dat hij geen voldoende gekwalificeerde kandidaat was, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, gelet op zijn kwalificaties en ervaring. De analyse van het RCB aan het einde van de eerste fase kon in het stadium van de tweede fase niet worden ontkracht, noch op basis van het in punt 6 hierboven vermelde rapport van het assessmentcenter, noch op basis van het verslag van het gesprek.
59 Subsidiair is verzoeker van mening dat, ongeacht de conclusies van het RCB, indien A werd beschouwd als een voldoende gekwalificeerde kandidaat, dat ook voor hem had moeten gelden, zodat ook hij had moeten worden uitgenodigd voor een gesprek met de voorzitter.
60 De Commissie betwist de stellingen van verzoeker.
61 In dit verband volgt uit de rechtspraak dat een fout alleen als een kennelijke beoordelingsfout kan worden aangemerkt wanneer deze gemakkelijk te herkennen is aan de hand van de criteria waarvan de wetgever de uitoefening van de beslissingsbevoegdheid afhankelijk heeft willen stellen. Om vast te stellen dat de administratie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van een besluit kan rechtvaardigen, moet het door de verzoekende partij aan te dragen bewijs dus afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen. Met andere woorden, het middel gebaseerd op een kennelijke beoordelingsfout moet worden afgewezen indien de betrokken beoordeling ondanks het door de verzoekende partij aangedragen bewijs nog steeds waarheidsgetrouw of geldig kan worden geacht (arrest van 20 oktober 2021, ZU/Commissie, T‑671/18 en T‑140/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:715, punt 199).
62 Ook moet worden opgemerkt dat de preselectiecommissie, met name wanneer de te vervullen functie van zeer hoog niveau is, over een ruime bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de verdiensten van de kandidaten voor een dergelijke functie. De beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten door de preselectiecommissie vormt bovendien een waardeoordeel over de prestatie van de kandidaat bij de toets en valt binnen het kader van die beoordelingsbevoegdheid. Deze kan door de rechter alleen worden getoetst bij kennelijke schending van de regels die de jurywerkzaamheden beheersen. Het staat immers niet aan het Gerecht om zijn eigen oordeel in de plaats van dat van die commissie te stellen (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 december 2022, OM/Commissie, T‑118/22, niet gepubliceerd, EU:T:2022:849, punten 74 en 75).
63 Derhalve moeten de twee door verzoeker aangevoerde kennelijke beoordelingsfouten in het licht van de voorgaande overwegingen worden onderzocht.
64 Wat de eerste gestelde kennelijke beoordelingsfout betreft, evolueerden de criteria voor de selectie van de kandidaten in de opeenvolgende fasen van de selectieprocedure, zoals in de punten 35 en 39 hierboven is uiteengezet. Het feit dat de beoordeling van de verdiensten van de kandidaat tussen de eerste en de tweede fase is gepreciseerd, vormt op zich dus geen kennelijke beoordelingsfout, maar weerspiegelt het progressieve karakter van de vereisten die zijn vastgesteld om in de betrokken functie te voorzien. Het door verzoeker dienaangaande gevoerde betoog moet worden afgewezen.
65 Wat de tweede gestelde kennelijke beoordelingsfout betreft, betoogt verzoeker in wezen dat het RCB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat hij niet gekwalificeerd was voor de functie en dus niet mocht worden opgenomen op de aan de voorzitter voor te leggen shortlist.
66 Tot staving van zijn stelling beroept verzoeker zich op zijn ervaring, zijn beroepskwalificaties, zijn succesvolle prestatie voor het voorselectiepanel en het RCB in het kader van de eerste fase en op het feit dat hij „perfect was voorbereid en meent dat hij zich tijdens zijn gesprek van zijn beste kant heeft laten zien”.
67 De overtuiging van verzoeker dat hij de tijdens het gesprek gestelde vragen correct heeft beantwoord, en zijn beroepservaring zoals die blijkt uit zijn curriculum vitae en zijn motivatiebrief, kunnen evenwel geen onweerlegbaar bewijs vormen van een kennelijke beoordelingsfout van de preselectiecommissie, noch deze commissie binden bij haar beoordeling van de kennis en de geschiktheid waarvan hij tijdens het mondelinge gesprek blijk heeft gegeven (zie naar analogie arrest van 21 december 2022, OM/Commissie, T‑118/22, niet gepubliceerd, EU:T:2022:849, punt 78).
68 Bovendien kan ervaring of specifieke kennis op het gebied van het betrokken directoraat een minder belangrijke rol spelen dan het bezit van algemene leidinggevende, analyserende en oordeelkundige kwaliteiten, aangezien technische ervaring en kennis altijd binnen het directoraat zelf kunnen worden gevonden (arrest van 11 juli 2007, Konidaris/Commissie, T‑93/03, EU:T:2007:209, punt 74). Evenzo kan de commissie, wanneer het gaat om een criterium ter beoordeling van geschiktheid en niet ter beoordeling van kennis, bij de beoordeling van een kandidaat zowel rekening houden met de antwoorden die hij heeft gegeven op vragen over andere criteria, als met zijn persoonlijkheid, die uit zijn houding tijdens het mondeling examen kon blijken (arrest van 8 juli 2010, Wybranowski/Commissie,F‑17/08, EU:F:2010:83, punt 66).
69 Zoals in punt 34 hierboven is aangegeven, heeft het RCB in casu aan het einde van de tweede fase weliswaar gewezen op de sterke punten van verzoeker, maar heeft het ook bepaalde aspecten genoemd die moesten worden verbeterd, alvorens tot de slotsom te komen dat verzoeker niet over de voor de betrokken functie vereiste vaardigheden beschikte.
70 Bovendien kan het feit dat verzoeker aan het einde van de eerste fase is geselecteerd, niet leiden tot de vaststelling dat het RCB een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, omdat anders aan de tweede fase elk nuttig effect zou worden ontnomen.
71 Bijgevolg volstaat het door verzoeker aangedragen bewijs niet om de plausibiliteit van de beoordelingen van het RCB te weerleggen en kan het dus geen kennelijke beoordelingsfout blootleggen.
72 Subsidiair is verzoeker van mening dat indien A „gelet op de bekendgemaakte criteria” als een „voldoende gekwalificeerde kandidaat” is aangemerkt, hij noodzakelijkerwijs in dezelfde categorie had moeten worden ingedeeld en dat, indien voor de volgende fase van de procedure slechts één kandidaat had moeten worden geselecteerd, hij dat had moeten zijn. Ter terechtzitting verklaarde verzoeker dat hij niet de bedoeling had om een vergelijkende beoordeling van hem en A te maken.
73 Aangezien verzoeker niet precies aangeeft wat de onderbouwing voor zijn standpunt is, moeten deze stellingen worden afgewezen.
74 Het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.
Derde middel: onwettigheid van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid
75 Met zijn derde middel beroept verzoeker zich op de gedeeltelijke onwettigheid van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid, op grond waarvan de voorzitter aan het einde van de tweede fase haar kabinetschef de opdracht gaf om een gesprek met A te houden. Het bestreden besluit, dat na dit gesprek is vastgesteld, is dus onwettig.
76 Om te beginnen is de bevoegdheid van de voorzitter om het aan het einde van de tweede fase te voeren gesprek te delegeren, in strijd met de regel dat de voorzitter zelf de door het RCB gepreselecteerde kandidaten moet ondervragen.
77 Voorts houdt deze delegatiebevoegdheid geen verband met het doel dat met het besluit inzake het gelijkheidsbeleid wordt nagestreefd.
78 Bovendien zou de voorzitter de taak om de gesprekken te voeren slechts in laatste instantie aan haar kabinetschef mogen delegeren, indien die taak niet aan andere leden van de Commissie kan worden gedelegeerd. Het is niet gerechtvaardigd dat deze bevoegdheid van delegatie aan de kabinetschef alleen aan de voorzitter en niet aan de leden van de Commissie toekomt.
79 Voorts voert verzoeker aan dat de voorzitter het voeren van de gesprekken niet kan delegeren aan een ambtenaar die niet over politieke kwalificaties of legitimiteit beschikt.
80 Ten slotte wordt deze delegatie door de voorzitter, die wordt geacht bij voorrang aan de andere leden van de Commissie te worden verleend en indien dwingende dienstredenen dit rechtvaardigen, systematisch aan haar kabinetschef verleend.
81 De Commissie wijst de stellingen van verzoeker af.
82 Om te beginnen is de Commissie van mening dat verzoekers betoog niet ter zake dienend is, aangezien het gesprek dat door de kabinetschef van de voorzitter na de tweede fase is gevoerd, voor hem geen rechtsgevolgen zou hebben gehad.
83 Vervolgens verwerpt de Commissie verzoekers stelling dat het besluit inzake het gelijkheidsbeleid onwettig is.
84 Ten slotte is de Commissie hoe dan ook van mening dat het bestreden besluit zelf niet onwettig zou zijn ingeval de delegatie krachtens het besluit inzake het gelijkheidsbeleid onwettig worden geacht, aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag in casu haar college was. Zowel de voorzitter als de leden van de Commissie beschikten over alle relevante gegevens om een autonoom en weloverwogen besluit vast te stellen.
85 Om te beginnen moet worden onderzocht of verzoekers betoog in het kader van zijn derde middel, dat de Commissie betwist, ter zake dienend is. Pas daarna kan worden ingegaan op de gegrondheid ervan.
– Relevantie van de door verzoeker in het kader van zijn derde middel aangevoerde argumenten
86 De Commissie betoogt dat verzoeker niet voor een gesprek met de voorzitter is uitgenodigd, zodat deze fase van de selectieprocedure geen juridische gevolgen voor hem heeft gehad. Volgens de Commissie stond het hoe dan ook uitsluitend aan haar college om het bestreden besluit vast te stellen.
87 Verzoeker is van mening dat hij wordt geraakt door alle fasen van de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit hebben geleid, ook die welke volgen op de tweede fase. Bovendien heeft hij ter terechtzitting betoogd dat niet kon worden uitgesloten dat de voorzitter, indien zij zelf het gesprek met A zou hebben gevoerd, hem overeenkomstig punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel ook zou hebben uitgenodigd.
88 In dit verband moet worden opgemerkt dat het besluit inzake het gelijkheidsbeleid bepaalt dat „de kandidaten die door het RCB zijn gepreselecteerd voor een functie van directeur-generaal of een hogere leidinggevende functie binnen een van de diensten van de voorzitter, door de voorzitter zelf worden gehoord [en dat] de voorzitter in gevallen die naar behoren worden gerechtvaardigd door dwingende dienstredenen deze taak kan delegeren aan andere leden van de Commissie of aan haar kabinetschef alvorens haar voorstel tot benoeming aan het college voor te leggen”.
89 De vraag rijst dus of het feit dat het gesprek met A door de kabinetschef van de voorzitter en niet door de voorzitter zelf is gevoerd, gesteld dat het onrechtmatig is, tot nietigverklaring van het bestreden besluit zou kunnen leiden. In dit verband moet worden nagegaan of een dergelijke onrechtmatigheid verzoeker schade kon toebrengen.
90 Uit punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel volgt dat de bevoegde commissaris, in casu de voorzitter, op basis van de resultaten van de gesprekken met de kandidaat of kandidaten uit de tweede fase, van mening kan zijn dat de door het RCB gemaakte selectie niet bevredigend is. In een dergelijk geval kan zij, wanneer dit naar behoren gerechtvaardigd is en in overleg met het lid van de Commissie voor personeel en administratie, aan het einde van de tweede fase gesprekken voeren met de kandidaten die door het RCB niet zijn geselecteerd.
91 Overeenkomstig punt 5.2.8 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel wordt het aanstellingsbesluit genomen door het college van de Commissie op basis van het met redenen omkleed advies van het RCB en een met redenen omkleed voorstel van het lid van de Commissie voor personeel en administratie, dat in overleg met de voorzitter is opgesteld. De voorzitter beslist na de gesprekken met de kandidaten uit de tweede fase, op basis van het met redenen omkleed advies van het RCB, en in overleg met de betrokken directeur-generaal, wanneer het gaat om een functie van hoofdadviseur. In datzelfde punt is voorts bepaald dat de bevoegde commissaris, in casu de voorzitter, een leidende rol moet spelen bij de uiteindelijke keuze van de personen die rechtstreeks voor haar werken op het niveau van het hoger management.
92 In casu kon verzoeker, toen A voor een gesprek werd uitgenodigd, nog steeds worden gehoord, aangezien de voorzitter de mogelijkheid behield om hem uit te nodigen indien zij na afloop van het gesprek van A met haar kabinetschef niet tevreden was met diens kandidatuur. De wijze waarop dit gesprek is gevoerd, en dus de identiteit van de persoon die er verantwoordelijk voor was, heeft invloed kunnen hebben op de uitkomst ervan en uiteindelijk op de beslissing van de voorzitter om verzoeker al dan niet uit te nodigen.
93 Bovendien zij eraan herinnerd dat het weliswaar uitsluitend aan het college van de Commissie stond om het betrokken definitieve aanstellingsbesluit vast te stellen, maar dat volgens punt 5.2.8 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, zoals in punt 91 hierboven in herinnering is gebracht, de rol van de voorzitter vóór die benoeming doorslaggevend bleef.
94 Uit het voorgaande volgt dat het feit dat het gesprek met A werd gevoerd door de kabinetschef van de voorzitter, en niet door de voorzitter zelf, verzoeker schade kon toebrengen en zijn rechtspositie kon aantasten. Derhalve kan de onrechtmatigheid die een dergelijk verloop van het gesprek zou aantasten, leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
95 Het betoog van de Commissie dat het derde middel niet ter zake dienend is, moet dus worden afgewezen.
– Onwettigheid van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid
96 In de eerste plaats betoogt verzoeker dat de delegatie waarin het besluit inzake het gelijkheidsbeleid voorziet, in strijd is met de algemene regel dat de kandidaten een gesprek met de voorzitter moeten voeren.
97 In dit verband moet worden opgemerkt dat in punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel is bepaald dat de kandidaten voor een functie als die welke in casu aan de orde is, moeten worden uitgenodigd voor een gesprek door de bevoegde commissaris, in casu de voorzitter, indien zij aan het einde van de tweede fase door het RCB worden geselecteerd.
98 De bevoegdheid waarin het besluit inzake het gelijkheidsbeleid voorziet om het gesprek aan het einde van de tweede fase aan de kabinetschef te delegeren, moet het mogelijk maken „de vlotheid en snelheid van de procedures te waarborgen” wanneer dit „om dwingende dienstredenen gerechtvaardigd is”.
99 Voor zover deze delegatiebevoegdheid tot doel heeft om in naar behoren gemotiveerde gevallen af te wijken van de procedure van punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, doet zij niet af aan de principiële bevoegdheid van de voorzitter.
100 In de tweede plaats betoogt verzoeker dat de delegatiebevoegdheid van de voorzitter geen verband houdt met het doel dat met het besluit inzake het gelijkheidsbeleid wordt nagestreefd.
101 Verzoeker legt echter niet uit in welk opzicht dit ontbreken van een verband de wettigheid van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid kan aantasten.
102 In de derde plaats is verzoeker van mening dat de voorzitter het aan het einde van de tweede fase te voeren gesprek slechts aan haar kabinetschef mag kunnen delegeren indien deze delegatie niet bij voorrang aan een van de leden van de Commissie kan worden verleend.
103 In dit verband wijkt het in 2020 vastgestelde besluit inzake het gelijkheidsbeleid, dat specifiek betrekking heeft op de delegaties van de voorzitter, af van punt 5.2.7 van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel, zoals gewijzigd in 2007.
104 In het besluit van 2020 inzake het gelijkheidsbeleid wordt, in tegenstelling tot het besluit inzake hoger leidinggevend personeel zoals gewijzigd in 2007, bepaald dat het de voorzitter vrijstaat om zonder onderscheid en zonder rangorde zowel aan haar kabinetschef als aan een lid van de Commissie delegatie te verlenen.
105 Vastgesteld moet worden dat verzoeker niet heeft aangetoond dat de voorzitter aan dezelfde delegatieregels moest worden onderworpen als de leden van de Commissie, voor wie alleen is voorzien in de bevoegdheid om te delegeren aan andere leden van de Commissie en niet aan hun kabinetschef.
106 In de vierde plaats is verzoeker van mening dat de kabinetschef van de voorzitter, aangezien hij geen politieke legitimiteit heeft, niet bevoegd is om een gesprek te voeren met kandidaten voor een functie van hoofdadviseur.
107 Verzoeker beroept zich echter niet op een regel die eraan in de weg staat dat een ambtenaar die tot kabinetschef van de voorzitter is benoemd, ad hoc gesprekken voert met kandidaten voor een functie van hoofdadviseur. Bovendien moet worden benadrukt dat de kabinetschef een belangrijke medewerker van de voorzitter is, met wie laatstgenoemde een nauwe vertrouwensband heeft. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.
108 Ten slotte voert verzoeker aan dat de voorzitter systematisch delegatie verleent aan haar kabinetschef.
109 Op basis van dit argument, dat betrekking heeft op de wijze waarop het besluit inzake het gelijkheidsbeleid wordt toegepast, kan niet worden vastgesteld dat dit besluit onwettig is. Het moet dus worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op de wettigheid van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid.
110 Gelet op het voorgaande moet het derde middel worden afgewezen.
Vierde middel: onrechtmatigheid van de delegatie door de voorzitter
111 Met zijn vierde middel betwist verzoeker de rechtmatigheid van het feit dat de voorzitter het gesprek met A had gedelegeerd aan haar kabinetschef, gelet op de delegatievoorwaarden van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid. Hij is van mening dat, gelet op deze voorwaarden, het gesprek dat door de kabinetschef van de voorzitter met A is gevoerd onrechtmatig was, en dat deze onregelmatigheid de gehele procedure en dus de wettigheid van het bestreden besluit aantast.
112 De delegatie van het gesprek aan de kabinetschef van de voorzitter aan het einde van de tweede fase wordt immers niet gerechtvaardigd door dwingende dienstredenen. Aangezien deze delegatie mondeling werd gedaan, blijft de rechtvaardiging ervan onbekend. Bovendien is zij in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel onvoldoende bekendgemaakt.
113 Overigens staat het besluit inzake het gelijkheidsbeleid de voorzitter slechts toe om een dergelijke delegatie aan haar kabinetschef te verlenen indien delegatie niet bij voorrang aan leden van de Commissie mogelijk is.
114 De Commissie wijst de stellingen van verzoeker af.
115 De Commissie is om te beginnen van mening dat verzoekers betoog niet ter zake dienend is, aangezien het gesprek dat door de kabinetschef van de voorzitter na de tweede fase is gevoerd, voor hem geen rechtsgevolgen zou hebben gehad.
116 De Commissie is bovendien van mening dat het besluit inzake het gelijkheidsbeleid niet vereist dat de delegatie van de voorzitter aan haar kabinetschef schriftelijk geschiedt, aangezien een dergelijk vereiste buitensporige administratieve lasten voor de voorzitter met zich mee kan brengen.
– Relevantie van de door verzoeker in het kader van zijn vierde middel aangevoerde argumenten
117 De Commissie betwist dat het vierde middel ter zake dienend is, aangezien verzoeker niet is uitgenodigd voor een gesprek met de voorzitter, zodat deze fase van de selectieprocedure geen juridische gevolgen voor hem heeft gehad. Bovendien stond het uitsluitend aan het college van de Commissie om het bestreden besluit vast te stellen.
118 Om de reeds in de punten 88 tot en met 94 hierboven uiteengezette redenen moet dit betoog worden afgewezen.
– Onrechtmatigheid van de door de voorzitter verleende delegatie
119 Verzoeker betoogt dat de delegatie van het gesprek door de voorzitter aan haar kabinetschef niet werd gerechtvaardigd door dwingende dienstredenen, en dat het ontbreken van een schriftelijke verklaring het overigens niet mogelijk maakt om te beoordelen of er sprake is van dergelijke redenen.
120 In dit verband moet ten eerste worden vastgesteld dat de bewoordingen van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid de voorzitter niet verplichten om, wanneer zij een gesprek aan haar kabinetschef wil delegeren, dit schriftelijk te doen.
121 Ten tweede rechtvaardigt het besluit inzake het gelijkheidsbeleid de delegatiebevoegdheid van de voorzitter door de noodzaak om „bepaalde aspecten van de procedure voor selectie van de leden van het hoger management te stroomlijnen teneinde de vlotheid en snelheid van de procedures te waarborgen”. Dit vereiste van snelheid is ook terug te vinden in de richtsnoeren betreffende de procedures voor de aanwerving van leidinggevend personeel, die in punt 5.2 preciseren dat „[d]e kabinetten [...] ernaar [moeten] streven onverwijld gesprekken met de voorgeselecteerde kandidaten te organiseren [en dat] de gesprekken moeten plaatsvinden binnen een maand na de toezending van de documentatie door het secretariaat van het RCB”. Hieruit volgt, zoals de Commissie benadrukt, dat het systematische vereiste van een schriftelijke delegatie in strijd kan zijn met de doelstelling van vlotte en snelle procedures die met het besluit inzake het gelijkheidsbeleid wordt nagestreefd.
122 Zoals in punt 91 hierboven in herinnering is gebracht, speelt de voorzitter echter een beslissende rol in de selectieprocedure voor hogere leidinggevende functies als de onderhavige. In die zin bepaalt het besluit inzake het gelijkheidsbeleid dat „de door het RCB geselecteerde kandidaten voor [...] een hogere leidinggevende functie binnen een van de diensten van de voorzitter door de voorzitter zelf worden gehoord”. Het besluit inzake het gelijkheidsbeleid voorziet dus in beginsel in een eigen recht van de voorzitter om hoge ambtenaren te kiezen die onder haar gezag werken, teneinde met hen een op vertrouwen gebaseerde arbeidsverhouding tot stand te brengen, gelet op de hoge mate van verantwoordelijkheid die zij moeten uitoefenen.
123 Vanuit dit oogpunt stelt het besluit inzake het gelijkheidsbeleid delegatie door de voorzitter afhankelijk van het bestaan van „gevallen die naar behoren worden gerechtvaardigd door dwingende dienstredenen”. Delegatie kan dus niet worden verleend zonder dat aan deze voorwaarde is voldaan.
124 Aangezien, zoals de Commissie stelt, de voorzitter het gesprek met A aan haar kabinetschef heeft gedelegeerd zonder dat deze delegatie schriftelijk of anderszins is gedocumenteerd, is het Gerecht in casu niet in staat om op basis van de stukken in het dossier het bestaan en de gegrondheid na te gaan van bewijzen dat er sprake is van „dwingende dienstredenen” die deze delegatie „naar behoren hebben gerechtvaardigd”. Bovendien heeft de Commissie, toen het Gerecht haar daar ter terechtzitting een vraag over stelde, evenmin de specifieke redenen uiteengezet waarom de voorzitter de opdracht om met A een gesprek te houden aan haar kabinetschef heeft gedelegeerd.
125 De Commissie heeft immers geen precieze aanwijzingen gegeven over de dwingende dienstredenen die de voorzitter hebben belet om met A een gesprek te voeren in de maand nadat het secretariaat van het RCB haar het sollicitatiedossier had toegezonden, overeenkomstig punt 5.2 van de richtsnoeren betreffende de procedures voor de aanwerving van leidinggevend personeel, genoemd in punt 121 hierboven.
126 Aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat de delegatie van het gesprek door de voorzitter aan haar kabinetschef was gebaseerd op „dwingende dienstredenen”, moet worden geconcludeerd dat deze delegatie in strijd is met de voorwaarden van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid.
127 Met betrekking tot de vraag of een dergelijke schending van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit, zij eraan herinnerd dat, als tegengewicht voor de ruime beoordelingsbevoegdheid die het tot aanstelling bevoegd gezag heeft in het kader van een aanwervingsprocedure voor een functie van een zeer hoge rang, de rechtspraak heeft erkend dat het tot aanstelling bevoegd gezag de door de rechtsorde van de Unie verleende waarborgen in administratieve procedures moet eerbiedigen, waaronder de verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken. Deze bevoegdheid moet dus worden uitgeoefend met volledige inachtneming van alle relevante regels, dat wil zeggen niet alleen de regels van de kennisgeving van vacature, maar eveneens van eventuele procedureregels die dat gezag heeft opgesteld voor de uitoefening van zijn beoordelingsvrijheid. De niet-inachtneming van de procedureregels voor de vaststelling van een handeling die de bevoegde instelling zelf heeft opgesteld, vormt een schending van wezenlijke vormvoorschriften (zie in die zin arrest van 13 december 2007, Angelidis/Parlement, T‑113/05, EU:T:2007:386, punten 61 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
128 Bovendien moet de Unierechter, indien hij bij het onderzoek van de betrokken handeling constateert dat deze niet op regelmatige wijze is vastgesteld, daar de consequenties aan verbinden die voortvloeien uit de schending van een wezenlijk vormvoorschrift en dus de door een dergelijk gebrek aangetaste handeling nietig verklaren (arrest van 30 mei 2024, Vialto Consulting/Commissie, C‑130/23 P, EU:C:2024:439, punt 55). Ook schending van wezenlijke vormvoorschriften, die essentieel zijn voor de rechtszekerheid, leidt tot de nietigverklaring van de gebrekkige handeling, zonder dat het bestaan van schade behoeft te worden aangetoond (zie in die zin arrest van 13 december 2007, Angelidis/Parlement, T‑113/05, EU:T:2007:386, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
129 In casu maakt het besluit inzake het gelijkheidsbeleid deel uit van de procedureregels waaraan de Commissie zich bij het voeren van de betrokken aanwervingsprocedure diende te houden.
130 Zoals in de punten 92 tot en met 94 hierboven is uiteengezet, wordt de keuze in de aanbeveling van de voorzitter, en dus het besluit van het college van de Commissie tot definitieve benoeming, bovendien noodzakelijkerwijs beïnvloed door de resultaten van de gesprekken die na de tweede fase zijn gevoerd.
131 Hieruit volgt dat de schending van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid een schending van wezenlijke vormvoorschriften oplevert die tot nietigverklaring van het bestreden besluit leidt.
132 Bijgevolg moet het vierde middel worden aanvaard en moet het bestreden besluit nietig worden verklaard, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan op de door verzoeker geformuleerde verzoeken tot het gelasten van maatregelen tot organisatie van de procesgang.
Schadevorderingen
133 Verzoeker vordert betaling van een bedrag van 100000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die hij zou hebben geleden. Dit bedrag houdt rekening met het feit dat er misbruik van de aanwervingsprocedure is gemaakt, dat de Commissie heeft geweigerd de gestelde leemten in die procedure te verhelpen en dat deze procedure ernstige schade heeft toegebracht aan verzoekers beroepsreputatie.
134 Verzoeker stelt ook dat hij, indien hij als juridisch hoofdadviseur was aangesteld, met ingang van 1 februari 2023 een hogere bezoldiging zou hebben ontvangen.
135 De Commissie betwist verzoekers betoog.
136 Volgens vaste rechtspraak is de aansprakelijkheid van de Unie afhankelijk van een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van het aan de instelling verweten gedrag, het werkelijk bestaan van de schade en een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade. Deze drie voorwaarden zijn cumulatief, zodat de Unie niet aansprakelijk kan worden gesteld wanneer aan een ervan niet is voldaan (zie arrest van 25 juni 2020, XH/Commissie, T‑511/18, EU:T:2020:291, punt 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Aangezien in het onderhavige arrest is vastgesteld dat het bestreden besluit onwettig was, is in casu voldaan aan de eerste van de in punt 136 hierboven genoemde voorwaarden.
138 Wat de tweede in punt 136 hierboven genoemde voorwaarde betreft, moet een onderscheid worden gemaakt tussen immateriële en materiële schade.
139 Wat de door verzoeker gestelde immateriële schade betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat wanneer de schadevordering is gebaseerd op de onwettigheid van het nietig verklaarde besluit, hetgeen in casu het geval is, de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring op zich een passend en in beginsel toereikend herstel vormt van alle immateriële schade die de verzoekende partij heeft kunnen lijden, tenzij die partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die door deze nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld. Zo heeft het Gerecht geoordeeld dat de nietigverklaring van een handeling, indien die geen nuttig effect heeft, op zich geen passend en toereikend herstel kan vormen van de immateriële schade die door de nietig verklaarde handeling is veroorzaakt (zie arrest van 14 december 2022, SU/EIOPA,T‑296/21, EU:T:2022:808, punten 108 en 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140 In casu heeft verzoeker niet aangetoond dat hij immateriële schade heeft geleden die niet volledig kan worden hersteld door de nietigverklaring van het bestreden besluit.
141 In het bijzonder is, anders dan verzoeker stelt, niet aangetoond dat A na de nietigverklaring van het bestreden besluit noodzakelijkerwijs zal worden herbenoemd.
142 Verzoekers vordering tot vergoeding van de immateriële schade moet dus ongegrond worden verklaard.
143 Wat de gestelde materiële schade betreft, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker in wezen vergoeding vordert van het verlies van een kans om in de betrokken functie te worden aangeworven.
144 Volgens de rechtspraak vormt het verlies van een kans vergoedbare materiële schade, op voorwaarde dat dit verlies voldoende wordt onderbouwd (zie in die zin arrest van 10 november 2010, BHIM/Simões Dos Santos,T‑260/09 P, EU:T:2010:461, punt 104).
145 Verzoeker stelt dat hij, indien hij voor de betrokken functie zou zijn geselecteerd, zou zijn aangesteld in de rang AD 15, terwijl hij de rang AD 14, salaristrap 2, vervulde. Hij heeft dus schade geleden die overeenkomt met het verschil tussen de basissalarissen van deze twee rangen vanaf de datum waarop het bestreden besluit in werking is getreden.
146 Een dergelijke bewering, die overigens door de Commissie wordt betwist, wordt door verzoeker echter niet onderbouwd. Aldus is niet aangetoond dat verzoeker in de betrokken functie zou zijn aangeworven in de rang AD 15 en niet in de rang AD 14. Verzoeker heeft dus niet het bewijs geleverd van het bestaan van reële en zekere schade.
147 Bovendien is het vaste rechtspraak dat een verlies van een kans reëel en definitief moet zijn om vast te stellen dat dit schade vormt die voor vergoeding in aanmerking komt (zie arrest van 14 december 2022, SU/EIOPA,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband moet worden opgemerkt dat de voorzitter verzoeker kon oproepen in het geval dat zij het gesprek met A niet bevredigend achtte, maar dat zij aan het einde van de tweede fase ook de andere niet door het RCB geselecteerde kandidaat kon oproepen. De ernst van het door verzoeker gestelde verlies van een kans kan in casu dus niet worden aanvaard.
148 Bijgevolg moet de vordering tot vergoeding van materiële schade ongegrond worden verklaard.
149 Uit het voorgaande volgt dat de schadevorderingen moeten worden afgewezen.
Kosten
150 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
151 Aangezien de Commissie op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig verzoekers vordering te worden verwezen in haar eigen kosten en in de zijne.
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van de Europese Commissie van 25 januari 2023 tot benoeming van de hoofdadviseur juridische zaken voor het team Handelsbeleid en Wereldhandelsoganisatie van de Juridische Dienst van de Europese Commissie, wordt nietig verklaard.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Commissie draagt haar eigen kosten en die van James Flett.
da Silva Passos Półtorak Reine Pynnä Cassagnabère Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 juli 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.