Gerecht EU 9 juni 2016, T-276/13, ECLI:EU:T:2016:340
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
9 juni 2016 ( *1 )
„Dumping — Invoer van bio-ethanol uit de Verenigde Staten — Definitief antidumpingrecht — Beroep tot nietigverklaring — Vereniging — Leden niet rechtstreeks geraakt — Niet-ontvankelijkheid — Voor het gehele land geldend antidumpingrecht — Individuele behandeling — Steekproefonderzoek — Rechten van de verdediging — Non-discriminatie — Zorgvuldigheidsplicht”
In zaak T‑276/13,
Growth Energy, gevestigd te Washington, DC (Verenigde Staten),
Renewable Fuels Association, gevestigd te Washington,
aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Vander Schueren, advocaat, vervolgens door P. Vander Schueren en M. Peristeraki, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert als gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch, advocaat, en B. Byrne, solicitor, vervolgens door R. Bierwagen en C. Hipp, advocaten,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França en T. Maxian Rusche als gemachtigden,
en door
ePURE, de Europese Producenten Unie van Hernieuwbare Ethanol, vertegenwoordigd door O. Prost en A. Massot, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 157/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 49, blz. 10) voor zover deze betrekking heeft op verzoeksters en hun leden,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Dittrich, president, J. Schwarcz en V. Tomljenović (rapporteur), rechters,
griffier: C. Heeren, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 en 21 mei 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoeksters, Growth Energy en Renewable Fuels Association, zijn verenigingen die de Amerikaanse producenten van bio-ethanol alsmede (in het geval van Growth Energy) andere organisaties die actief zijn in de biobrandstoffen en (in het geval van Renewable Fuels Association) voorstanders van ethanol in de Verenigde Staten vertegenwoordigen.
2 Naar aanleiding van een klacht van ePURE, de Europese Producenten Unie van Hernieuwbare Ethanol (hierna: „ePure”), heeft de Europese Commissie overeenkomstig artikel 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”), een antidumpingprocedure ingeleid met betrekking tot de invoer in de Europese Unie van bio-ethanol uit de Verenigde Staten.
3 Verzoeksters verklaren dat zij tijdens de antidumpingprocedure de hoedanigheid hadden van representatieve verenigingen en dat zij gedurende het gehele onderzoek zijn behandeld als belanghebbende partijen.
4 In het Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten (PB 2011, C 345, blz. 7) kondigde de Commissie aan dat zij vanwege het grote aantal producenten-exporteurs in de Verenigde Staten en producenten in de Unie, voornemens was overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef te verrichten onder zowel de eerste als de tweede groep.
5 Op 16 januari 2012 heeft de Commissie per brief aan Marquis Energy LLC, Patriot Renewable Fuels LLC, Plymouth Energy Company LLC, POET LLC en Platinum Ethanol LLC (hierna: „steekproefproducenten”), ondernemingen die leden zijn van verzoeksters, meegedeeld dat zij waren geselecteerd voor de steekproef onder producenten-exporteurs in de Verenigde Staten. Daarop hebben deze ondernemingen op 22 februari 2012 aan de Commissie hun respectieve antwoorden op de antidumpingvragenlijst toegezonden en heeft de Commissie bij hen controlebezoeken ter plaatse verricht.
6 Op 26 maart 2012 hebben verzoeksters hun schriftelijke opmerkingen inzake de inleiding van de antidumpingprocedure aan de Commissie toegezonden.
7 Op 24 augustus 2012 heeft de Commissie aan verzoeksters het voorlopige informatiedocument toegezonden waarin zij de feiten en overwegingen uiteenzet op basis waarvan zij had besloten om het onderzoek voort te zetten zonder voorlopige maatregelen op te leggen (hierna: „voorlopig informatiedocument”). In de punten 45 tot en met 47 van dat document heeft zij met name vastgesteld dat in dat stadium niet kon worden beoordeeld of het bio-ethanol uit de Verenigde Staten was uitgevoerd tegen dumpingprijzen, omdat de steekproefproducenten geen onderscheid maakten tussen de binnenlandse verkopen en exportverkopen, en al hun verkopen richtten aan in de Verenigde Staten gevestigde onafhankelijke handelaren/mengers, die het bio-ethanol vervolgens mengden met benzine en wederverkochten. De steekproefproducenten hadden dus geen kennis omtrent de bestemming van het product, noch van de exportprijs ervan. De Commissie besloot dan ook om het onderzoek voort te zetten en uit te breiden tot de handelaren/mengers, teneinde gegevens over de exportprijs alsmede een compleet beeld van de markt van bio-ethanol te verkrijgen (punt 50 van voornoemd document).
8 Op 11 september 2012 heeft, op verzoek van verzoeksters, van Plymouth Energy Company en van POET, een hoorzitting plaatsgevonden bij de raadadviseur-auditeur van de Commissie.
9 Op 24 september 2012 hebben verzoeksters hun opmerkingen over het voorlopige informatiedocument ingediend.
10 Op 6 december 2012 heeft de Commissie verzoeksters het definitieve informatiedocument toegezonden, waarin zij, op basis van gegevens van individuele handelaren/mengers onderzocht of er sprake was van dumping die schade veroorzaakte aan de bedrijfstak van de Unie (hierna: „definitief informatiedocument”). Zij was dus voornemens om voor het gehele land geldende definitieve maatregelen op te leggen, tegen een tarief van 9,6 %, voor een periode van drie jaar.
11 Verzoeksters hebben op 17 december 2012 hun opmerkingen over dit document ingediend.
12 Bij brief van 21 december 2012 heeft de Commissie een aanvullend informatiedocument meegedeeld, waarin zij aangaf voornemens te zijn de geldigheidsduur van de definitieve antidumpingmaatregel te verlengen van drie naar vijf jaar en verzoeksters uitnodigde om uiterlijk op 2 januari 2013 schriftelijke opmerkingen in te dienen over deze wijziging, alsook over het definitieve informatiedocument.
13 Op 2 januari 2013 hebben verzoeksters hun opmerkingen over dit document ingediend.
14 Bij brief van 30 januari 2013 heeft de Commissie de opmerkingen van verzoeksters over het definitieve informatiedocument beantwoord.
15 Op 18 februari 2013 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EU) nr. 157/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 49, blz. 10; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld, waarbij hij een definitief antidumpingrecht instelde op bio-ethanol, soms „brandstofethanol” genaamd, dat wil zeggen ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten, al dan niet gedenatureerd, met uitzondering van producten die meer dan 0,3 % (m/m) water bevatten, gemeten overeenkomstig norm EN 15376, maar inclusief ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten en die is vervat in mengsels van benzine die meer dan 10 % (v/v) ethylalcohol bevatten, bestemd voor gebruik als brandstof, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, dat momenteel valt onder de GN-codes ex 2207 10 00, ex 2207 20 00, ex 2208 90 99, ex 2710 12 21, ex 2710 12 25, ex 2710 12 31, ex 2710 12 41, ex 2710 12 45, ex 2710 12 49, ex 2710 12 51, ex 2710 12 59, ex 2710 12 70, ex 2710 12 90, ex 3814 00 10, ex 3814 00 90, ex 3820 00 00 en ex 3824 90 97 (Taric-codes 2207100012, 2207200012, 2208909912, 2710122111, 2710122592, 2710123111, 2710124111, 2710124511, 2710124911, 2710125111, 2710125911, 2710127011, 2710129011, 3814001011, 3814009071, 3820000011 en 3824909767), tegen een voor het gehele land geldende tarief van 9,5 %, bepaald als een vast bedrag van 62,30 EUR per ton nettogewicht, dat van toepassing is naargelang van het aandeel in het product, in gewichtspercenten, van het totale gehalte aan bio-ethanol, voor een periode van vijf jaar.
16 Wat de steekproef onder de producenten-exporteurs in de Verenigde Staten betreft, heeft de Raad in de overwegingen 12 tot en met 16 van de bestreden verordening vastgesteld dat uit het onderzoek bleek dat geen van de in punt 5 supra genoemde steekproefproducenten bio-ethanol naar de markt van de Unie had geëxporteerd. In feite verkochten zij op de binnenlandse markt aan niet-verbonden handelaren/mengers, die vervolgens het bio-ethanol met benzine vermengden en dat product weer verkochten op de binnenlandse markt en ook voor uitvoer, met name naar de Unie. Deze producenten wisten niet in alle gevallen of hun productie bestemd was voor de markt van de Unie en waren ook niet op de hoogte van de verkoopprijzen van de handelaren/mengers. Dit betekent dat de Amerikaanse producenten van bio-ethanol niet beschouwd kunnen worden als exporteurs van het betrokken product naar de Unie. De exporteurs zijn in feite de handelaren/mengers. Teneinde het dumpingonderzoek tot een goed einde te brengen, heeft de Raad zich gebaseerd op de gegevens van twee handelaren/mengers die bereid waren mee te werken aan het onderzoek.
17 Wat de vaststelling van dumping betreft, heeft de Raad in de overwegingen 62 tot en met 64 van de bestreden verordening uiteengezet dat hij het opportuun achtte een voor het gehele land geldende dumpingmarge vast te stellen. Ook al beweerden enkele producenten dat het mogelijk was hun producten te identificeren en te traceren wanneer die aan marktdeelnemers in de Verenigde Staten werden verkocht voor uitvoer, zij waren niet in staat om met name een duidelijke link aan te geven tussen hun verkoop in de Verenigde Staten en de uitvoer van andere marktdeelnemers naar de Unie, en waren evenmin op de hoogte van het peil van de uitvoerprijzen naar de Unie. Volgens de Raad bleek dat de structuur van de bio-ethanolindustrie en de wijze waarop het betrokken product werd vervaardigd, op de markt van de Verenigde Staten werd verkocht en naar de Unie werd uitgevoerd, het praktisch niet mogelijk maakte om individuele dumpingmarges voor producenten in de Verenigde Staten vast te stellen.
18 Bij brief van 20 februari 2013 beantwoordde de Commissie de opmerkingen van verzoeksters en van Plymouth Energy Company inzake het aanvullende informatiedocument.
Procedure en conclusies van partijen
19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 2013 en gewijzigd bij brief van 17 mei 2013, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
1. Verzoek om voeging met zaak T‑277/13, Marquis Energy/Raad
20 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 juni 2013, hebben verzoeksters verzocht om voeging van de onderhavige zaak met zaak T‑277/13, Marquis Energy/Raad. In zijn opmerkingen heeft de Raad het Gerecht verzocht de beslissing over een eventuele voeging van de twee zaken uit te stellen tot aan de sluiting van de schriftelijke behandeling en totdat het de argumenten van partijen inzake de ontvankelijkheid heeft onderzocht.
21 Op 31 juli 2013 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht beslist de onderhavige zaak niet te voegen met de zaak T‑277/13, Marquis Energy/Raad.
2. Interventies
22 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 juli 2013, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige zaak aan de zijde van de Raad. Verzoeksters en de Raad hebben geen bezwaren tegen deze interventie opgeworpen.
23 Bij akte, neergelegd ter griffie op 20 september 2013, heeft ePure verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige zaak ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Verzoeksters en de Raad hebben geen bezwaren tegen deze interventie opgeworpen.
24 Bij beschikking van 4 februari 2014 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de interventieverzoeken ingewilligd.
25 Op 18 april 2014 hebben de Commissie en ePure hun memories in interventie ingediend.
3. Maatregelen tot organisatie van de procesgang en mondelinge fase van de procedure
26 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en heeft het in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang schriftelijke vragen gesteld aan de Raad en aan verzoeksters. Partijen hebben de schriftelijke vragen binnen de gestelde termijn beantwoord.
27 Bij brief van 29 april 2015 heeft de Raad het Gerecht evenwel meegedeeld dat bepaalde gegevens die nodig waren om voornoemde vragen te beantwoorden, vertrouwelijk waren en heeft hij het Gerecht verzocht om maatregelen van instructie te nemen, opdat hij, door te verzoeken om vertrouwelijke behandeling ervan, „deze documenten zou kunnen verstrekken”.
28 Bij brief van 19 mei 2015 hebben verzoeksters bij het Gerecht drie verzoeken ingediend, ertoe strekkende dat het Gerecht, ten eerste, maatregelen van instructie vaststelt waarbij de Raad wordt gelast deze documenten over te leggen, ten tweede, onderdeel (i) 1 van het antwoord van de Raad op de schriftelijke vragen van het Gerecht verwijdert of, subsidiair, hen toestaat schriftelijke opmerkingen in te dienen, en, ten derde, hen de mogelijkheid biedt schriftelijke opmerkingen in te dienen om de feitelijke fouten in het antwoord van de Raad te corrigeren.
29 Partijen zijn ter terechtzitting van 20 en 21 mei 2015 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. Tijdens de terechtzitting hebben verzoeksters deels afstand van hun verzoek van 19 mei 2015 gedaan, door hun tweede en derde vraag, weergegeven in punt 28 supra, in te trekken, waarvan het Gerecht akte heeft genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
30 Aan het einde van de terechtzitting heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht de sluiting van de mondelinge behandeling uitgesteld tot een latere datum.
31 Aangezien het Gerecht het niet nodig achtte bovengenoemde maatregel van instructie te gelasten, werd partijen bij brief van 9 december 2015 meegedeeld dat de mondelinge behandeling op diezelfde datum werd gesloten.
4. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling
32 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 november 2013, hebben verzoeksters verzocht om bepaalde, bij het verzoekschrift gevoegde stukken, een gedeelte van hun repliek en bepaalde daarbij gevoegde stukken, jegens ePure vertrouwelijk te behandelen.
33 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 november 2013, hebben verzoeksters verzocht om bepaalde gedeeltes van het antwoord van de Raad op vragen die het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang had gesteld, jegens ePure vertrouwelijk te behandelen.
34 ePure heeft enkel de niet-vertrouwelijke versies van deze stukken ontvangen en geen enkel bezwaar gemaakt tegen de ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling jegens haar.
5. Conclusies van partijen
35 In het verzoekschrift zoals dit is gewijzigd bij de brief van 17 mei 2013, verzoeken verzoeksters het Gerecht: — de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover zij hen en hun leden betreft; — de Raad te verwijzen in de kosten.
36 De Raad verzoekt het Gerecht: — het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; — subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren; — verzoeksters te verwijzen in de kosten.
37 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; — subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
38 ePure verzoekt het Gerecht: — de door verzoeksters aangevoerde middelen af te wijzen; — verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
39 Tot staving van hun beroepen voeren verzoeksters tien middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 8, artikel 9, lid 5, en artikel 18, leden 1, 3 en 4, van de basisverordening, schending van de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en behoorlijk bestuur en kennelijke beoordelingsfouten. Het tweede middel is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten en schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Het derde middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, schending van het beginsel van non-discriminatie en schending van artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 3, lid 2, van de basisverordening en een kennelijke beoordelingsfout. Het vijfde middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 1, lid 4, artikel 3, leden 1 tot en met 3, en 5 tot en met 7, en artikel 4, lid 1, van de basisverordening. Het zesde middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 3, lid 1, van de basisverordening. Het zevende middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot het causaal verband. Het achtste middel is ontleend aan schending van artikel 9, lid 2, van de basisverordening en van het evenredigheidsbeginsel. Het negende middel is ontleend aan schending van artikel 5, leden 2 en 3, van de basisverordening en schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en non-discriminatie. Het tiende middel, ten slotte, is ontleend aan schending van artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 en 2, artikel 20, leden 2, 4 en 5, van de basisverordening, van de rechten van de verdediging en van de beginselen van non-discriminatie en behoorlijk bestuur, alsmede aan ontoereikende motivering.
40 Binnen deze context moet worden opgemerkt dat verzoeksters in hun stukken een reeks van argumenten aanvoeren, die, hoewel zij ertoe strekken de onwettigheid te laten vaststellen van de bestreden verordening, desalniettemin verwijzen naar rechtsschendingen door de „Commissie”. Zo berusten het eerste tot en met vijfde, het zevende en het negende middel, zoals samengevat in punt 5 van het verzoekschrift, op de vaststelling van diverse schendingen van de basisverordening door de „Commissie”. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de verwijzing naar schendingen die voortvloeien uit de bestreden verordening en die zouden zijn begaan door de „Commissie”, in plaats van door de „Raad”, een schrijffout in de stukken van verzoeksters vormt. Uit de lezing van de stukken van verzoeksters volgt immers ondubbelzinnig dat zij met hun betoog de nietigverklaring vorderen van de bestreden verordening vanwege schendingen door de Raad. Voorts zij erop gewezen dat het antwoord van de Raad en de Commissie op dit betoog aantoont dat zij van mening waren dat verzoeksters in feite verwezen naar schendingen door de Raad. In deze omstandigheden dienen de argumenten van verzoeksters in bovengenoemde zin – die ook door de Raad en de Commissie is aangehouden – te worden onderzocht.
41 De Raad, ondersteund door de Commissie en ePure, betoogt, zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te werpen, dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hij is van mening dat verzoeksters geen procesbevoegdheid hebben, noch als vertegenwoordigers van hun leden, noch op persoonlijke titel, op grond dat, volgens hem, niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Bovendien stelt de Commissie dat verzoeksters geen procesbelang hebben.
1. Ontvankelijkheid
42 Aangezien verzoeksters verenigingen zijn die de belangen van de Amerikaanse bio-ethanolindustrie vertegenwoordigen, dient allereerst te worden onderzocht of dergelijke verenigingen zich in casu kunnen beroepen op een procesbevoegdheid, waarna vervolgens moet worden onderzocht of zij individueel procesbevoegdheid hebben, en eveneens of zij procesbevoegdheid hebben namens sommige van hun leden. Ten slotte moet het procesbelang van verzoeksters in casu worden onderzocht.
Procesbevoegdheid van verenigingen zoals verzoeksters
43 De Raad is van mening dat verzoeksters, als verenigingen die de belangen van hun leden vertegenwoordigen, enkel nietigverklaring van de bestreden verordening kunnen vorderen voor zover deze hun individueel geraakte leden betreft. Hij betoogt voorts dat de bestreden verordening, behalve in het geval van Marquis Energy, die heeft besloten persoonlijk op te komen tegen de bestreden verordening (in zaak T‑277/13, Marquis Energy/Raad), definitief is geworden ten aanzien van de leden van verzoeksters. In dit verband stelt hij dat het onderhavige, door een vereniging ingestelde, beroep, er niet toe kan leiden dat, indien het ontvankelijk en gegrond zou zijn, afbreuk wordt gedaan aan het definitieve karakter van de bestreden verordening, daar anders het, in het Unierecht verankerde, rechtszekerheidsbeginsel zou worden geschonden.
44 Verzoeksters betwisten het betoog van de Raad, stellende dat deze de verenigingen hun procesbevoegdheid voor het Gerecht ontneemt. Een door een vereniging ingesteld beroep zou daarentegen, indien het wordt toegewezen, gevolgen moeten hebben ten aanzien van alle leden van de vereniging die op het moment van instelling van het beroep rechtmatig bij die vereniging waren ingeschreven.
45 Uit de rechtspraak volgt dat een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door een vereniging die belast is met de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van haar leden, slechts ontvankelijk is in drie soorten situaties, te weten, ten eerste, wanneer een wettelijk voorschrift dit uitdrukkelijk bepaalt (zie in die zin beschikking van 10 december 2004, EFfCI/Parlement en Raad, T‑196/03, Jurispr., EU:T:2004:355, punt 42), ten tweede, wanneer de ondernemingen die zij vertegenwoordigt, of een aantal daarvan, individueel procesbevoegdheid hebben en, ten derde, wanneer zij een eigen belang kan doen gelden (zie in die zin arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr., EU:C:2006:416, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 24 juni 2014, PPG en SNF/ECHA, T‑1/10 RENV, EU:T:2014:616, punt 30).
46 Derhalve moet worden nagegaan of verzoeksters zich in casu op een of meer van deze drie situaties beroepen.
47 Wat, om te beginnen, de eerste situatie betreft, waarin het door een vereniging ingestelde beroep ontvankelijk is wanneer een wettelijk voorschrift dit uitdrukkelijk bepaalt, zij opgemerkt, ten eerste, dat verzoeksters geen enkele wettelijke bepaling aanwijzen die hen een specifiek recht toekent om een beroep in te stellen en, ten tweede, dat uit niets in het aan het Gerecht overgelegde dossier kan worden opgemaakt dat er een wettelijke bepaling bestaat waarop verzoeksters zich in dit verband kunnen beroepen.
48 Het onderhavige beroep kan dus niet ontvankelijk worden verklaard op de grond dat een specifieke wettelijke bepaling verzoeksters procesbevoegdheid toekent.
49 Wat vervolgens de tweede situatie betreft, waarin het door een vereniging ingesteld beroep ontvankelijk is wanneer zij een of meer ondernemingen vertegenwoordigt die individueel procesbevoegdheid hebben, moet worden vastgesteld dat verzoeksters in wezen betogen dat zij procesbevoegdheid hebben omdat sommige van hun leden „exporteurs zijn van bio-ethanol uit de Verenigde Staten naar de Unie”.
50 Derhalve moet, wat de leden van verzoeksters betreft, worden onderzocht of de volgende vier categorieën van marktdeelnemers procesbevoegdheid hebben: — Marquis Energy, een Amerikaanse producent van bio-ethanol die was opgenomen in de steekproef en die zijn eigen beroep heeft ingesteld tegen de bestreden verordening, in de zaak T‑277/13, Marquis Energy/Raad; — de vier in de steekproef opgenomen Amerikaanse bio-ethanolproducenten, zonder Marquis Energy dus, die werden genoemd in overweging 36 van het bestreden arrest (hierna: „vier steekproefproducenten”), te weten Patriot Renewable Fuels, Plymouth Energy Company, POET en Platinum Ethanol, die elk lid zijn van ten minste één van de verzoeksters. Deze vier groepen producenten zijn namelijk lid van de eerste verzoekster, Growth Energy, en Patriot Renewable Fuels en Plymouth Energy Company zijn tevens lid van de tweede verzoekster, Renewable Fuels Association; — de handelaren/mengers van bio-ethanol Murex en CHS; — elk ander lid van verzoeksters.
51 Dienaangaande moet ten eerste worden vastgesteld dat moet worden uitgesloten dat het onderhavige beroep ontvankelijk zou kunnen zijn op de eerste van bovengenoemde gronden, dat wil zeggen dat verzoeksters Marquis Energy zouden vertegenwoordigen. Volgens de rechtspraak is een door een vereniging als vertegenwoordigster van haar leden ingesteld beroep tot nietigverklaring ontvankelijk, wanneer de leden zelf geen beroep hebben ingesteld, hoewel hun beroep ontvankelijk zou zijn geweest (zie beschikking van 29 maart 2012, Asociación Española de Banca/Commissie, T‑236/10, Jurispr., EU:T:2012:176, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit deze rechtspraak vloeit dus in casu voort dat, aangezien Marquis Energy bij het Gerecht haar eigen beroep tegen de bestreden verordening heeft ingesteld – zaak T‑277/13, Marquis Energy/Conseil – het door verzoeksters ingestelde beroep in elk geval niet-ontvankelijk is voor zover zij aanvoeren Marquis Energy te vertegenwoordigen. Deze conclusie heeft daarentegen geen gevolgen voor de noodzaak om te onderzoeken of het beroep van verzoeksters ontvankelijk is voor zover zij tevens andere leden vertegenwoordigen.
52 Wat, ten tweede, de leden van verzoeksters betreft die handelaren/mengers en exporteurs van bio-ethanol zijn, moet worden opgemerkt dat verzoeksters ter terechtzitting het argument hebben aangevoerd dat twee van hun „aangesloten” leden, Murex en CHS, handelaren/mengers én exporteurs van bio-ethanol zijn. Murex is „aangesloten lid” van Growth Energy en CHS is „aangesloten lid” van Renewable Fuels Association. Om die reden waren zij van mening dat zij procesbevoegd zijn als vertegenwoordigers van Growth Energy en CHS. Voorts merkten verzoeksters op dat deze twee exporteurs steekproefformulieren hadden overgelegd.
53 Vaststaat dat CHS een „aangesloten” lid is van Renewable Fuels Association. Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft aangevoerd, wordt in artikel IV, lid 4, onder b), van de statuten van Renewable Fuels Association bepaald dat een „aangesloten” lid van die vereniging het recht heeft de vergaderingen van de leden bij te wonen, doch daarentegen geen stemrecht heeft, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
54 Wat Murex betreft, staat vast dat zij een „aangesloten” lid is van Growth Energy. Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft aangevoerd, voorziet het vierde artikel van de „articles of incorporation” (statuten) van Growth Energy in categorieën van leden met en zonder stemrecht, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Meer specifiek wordt in artikel II, afdeling 2.01, onder c), van de „Second Amended and Restated Bylaws” (tweede gewijzigde en geherformuleerde statuten) van Growth Energy, bepaald dat een „aangesloten” lid van die vereniging geen stemrecht heeft.
55 Zonder stemrecht hebben CHS en Murex geen mogelijkheid om, wanneer zij worden vertegenwoordigd door de betrokken vereniging, hun belangen te doen gelden. In deze omstandigheden, en bij gebreke van andere elementen die erop zouden kunnen duiden dat een „aangesloten” lid wel een dergelijke mogelijkheid heeft om zijn belangen te doen gelden, moet worden geconcludeerd dat, in casu, Renewable Fuels Association geen procesbevoegdheid heeft voor zover zij stelt CHS te vertegenwoordigen, en dat Growth Energy geen procesbevoegdheid heeft voor zover zij stelt Murex te vertegenwoordigen.
56 Uit hetgeen in de punten 51 tot en met 55 supra is overwogen volgt dat, ook al moet worden uitgesloten dat het onderhavige beroep ontvankelijk is voor zover verzoeksters zich beroepen op het feit dat zij Marquis Energy alsmede CHS of Murex vertegenwoordigen, daarentegen wel moet onderzocht of hun beroep ontvankelijk is voor zover zij zich beroepen op het feit dat zij optreden als vertegenwoordigers van, ten eerste, de vier steekproefproducenten, waartoe dus niet Marquis Energy behoort, en, ten tweede, elk ander, niet tot de vier steekproefproducenten, Marquis Energy of de handelaren/mengers CHS en Murex, behorend lid.
57 In de derde plaats dient ook het argument van verzoeksters te worden verworpen volgens hetwelk een door een vereniging ingesteld beroep, indien het ontvankelijk wordt verklaard, gevolgen moet hebben ten aanzien van alle leden van de vereniging die op het moment van instelling van het beroep rechtmatig bij die vereniging waren ingeschreven.
58 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, ofschoon de verordeningen tot instelling van antidumpingrechten, gelet op de criteria van artikel 263, vierde alinea, VWEU, naar aard en strekking in feite normatieve maatregelen zijn, aangezien zij voor alle betrokken ondernemers gelden, het niet is uitgesloten dat bepaalde ondernemers bevoegd zijn om tegen sommige bepalingen van die verordeningen op te komen (zie in die zin arresten van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie, 239/82 en 275/82, Jurispr., EU:C:1984:68, punt 11, en 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, Jurispr., EU:C:1985:119, punt 12).
59 Uit de rechtspraak blijkt evenwel dat wanneer bij een verordening tot instelling van een antidumpingrecht een reeks ondernemingen verschillende rechten worden opgelegd, een onderneming enkel bevoegd is om op te komen tegen die bepalingen waarbij haar een bijzonder antidumpingrecht wordt opgelegd en waarin de hoogte ervan wordt vastgesteld, en niet door die waarbij antidumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd, zodat het beroep van die onderneming slechts ontvankelijk is voor zover het strekt tot nietigverklaring van de bepalingen van de bestreden verordening die uitsluitend haar betreffen (zie in die zin arrest van 15 februari 2001, Nachi EuropeC‑239/99, Jurispr., EU:C:2001:101, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bovendien volgt uit punt 29 van het arrest van 21 maart 2012, Fiskeri og Havbruksnæringens Landsforening e.a./Raad (T‑115/06, EU:T:2012:136), waarop verzoeksters zich in dit verband beroepen, gelezen in samenhang met de punten 27 en 28 van datzelfde arrest, dat een nietigverklaring enkel gevolgen kan hebben voor alle leden van een vereniging voor zover de beroepen van die leden ontvankelijk zouden zijn geweest.
61 Indien dit anders zou zijn, zou een beroepsvereniging immers de procesbevoegdheid van sommige van haar leden kunnen inroepen om de nietigverklaring te verkrijgen van een verordening ten behoeve van al haar leden, met inbegrip van die leden die individueel niet voldoen aan de in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde voorwaarden. Dit zou neerkomen op het omzeilen van de regels inzake de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van beroepen die kunnen worden ingesteld tegen verordeningen tot instelling van antidumpingrechten.
62 In casu kunnen verzoeksters dus slechts nietigverklaring vorderen van de bestreden verordening ten behoeve van hun leden, voor zover deze verordening verzoeksters’ leden raakt die zelf krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU bevoegd zijn een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen de bestreden verordening.
63 Wat, in de vierde plaats, de derde situatie betreft, waarin een beroep van een vereniging ontvankelijk is wanneer deze een eigen belang kan doen gelden, zijn verzoeksters van mening dat zij gerechtigd zijn om individueel beroep in stellen in hun hoedanigheid van verenigingen die de voornaamste producenten van bio-ethanol vertegenwoordigen en brengen zij in herinnering dat zij belanghebbende partijen waren in de administratieve antidumpingprocedure. In dit verband moet dus worden onderzocht of verzoeksters in casu, in hun hoedanigheid van verenigingen die hebben deelgenomen aan de antidumpingprocedure, een eigen belang hebben (zie hierna, punten 75 tot en met 87).
Procesbevoegdheid van verzoeksters
64 Er zij aan herinnerd dat in artikel 263, vierde alinea, VWEU drie situaties worden genoemd waarin iedere natuurlijke of rechtspersoon een beroep tot nietigverklaring kan instellen. Onder de voorwaarden die zijn geformuleerd in de eerste en tweede alinea van dat artikel kan hij, ten eerste, beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn. Ten tweede kan hij beroep in stellen tegen handelingen die hem rechtstreeks en individueel raken en, ten derde, tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
65 Opgemerkt zij dat het criterium van de rechtstreekse geraaktheid in de tweede en de derde situatie waarop artikel 263, vierde alinea, VWEU doelt, identiek is (beschikking van 13 maart 2015, European Coalition to End Animal Experiments/ECHA, T‑673/13, Jurispr., EU:T:2015:167, punt 67).
66 In casu staat vast dat de bestreden verordening niet tot verzoeksters gericht is. Derhalve moet worden onderzocht of verzoeksters tegen de bestreden verordening beroep tot nietigverklaring kunnen instellen op grond van de tweede of derde situatie waarop artikel 263, vierde alinea, VWEU doelt, dat wil zeggen, ten eerste, of zij handelen op individuele titel, dan wel, ten tweede, of zij handelen als vertegenwoordigers van een van de categorieën van marktdeelnemers die er lid van zijn.
67 Wat het in artikel 263, vierde alinea, VWEU neergelegde begrip „rechtstreekse geraaktheid” betreft, moet worden vastgesteld dat deze voorwaarde vereist dat aan twee cumulatieve criteria wordt voldaan. In de eerste plaats moet de handeling waarvan verzoeksters de nietigverklaring nastreven rechtstreeks gevolgen hebben voor hun rechtspositie en in de tweede plaats moet zij aan degenen tot wie deze maatregel is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de Unierechtelijke regeling voortvloeit, zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (beschikking van 24 september 2009, Município de Gondomar/Commissie, C‑501/08 P, EU:C:2009:580, punt 25, en arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, Jurispr., EU:C:2011:656, punt 66).
68 Aangaande het in artikel 263, vierde alinea, VWEU neergelegde begrip van de individuele geraaktheid, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak personen die niet de adressaat van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr., EU:C:1963:17, blz. 223, en 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, C‑78/03 P, Jurispr., EU:C:2005:761, punt 33).
69 In de eerste plaats volgt met betrekking tot de bescherming tegen dumpingpraktijken uit vaste rechtspraak dat handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, productie- en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van Commissie of Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen, rechtstreeks en individueel kunnen raken (arresten Allied Corporation e.a./Commissie, punt 58 supra, EU:C:1984:68, punt 12, en van 23 mei 1985, Allied Corporation e.a./Raad, 53/83, Jurispr., EU:C:1985:227, punt 4).
70 In de tweede plaats worden de importeurs van het betrokken product wier wederverkoopprijzen in aanmerking zijn genomen voor de samenstelling van de uitvoerprijzen en die dientengevolge door de vaststellingen betreffende het bestaan van een dumpingpraktijk worden geraakt, rechtstreeks en individueel geraakt door de verordeningen tot instelling van antidumpingrechten (arresten van 14 maart 1990, Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, C‑133/87 en C‑150/87, Jurispr., EU:C:1990:115, punt 15, en Gestetner Holdings/Raad en Commissie, C‑156/87, Jurispr., EU:C:1990:116, punt 18). Hetzelfde geldt voor de importeurs die geassocieerd zijn met exporteurs uit derde landen op wier producten antidumpingrechten ingesteld zijn, met name wanneer de uitvoerprijs is berekend op basis van de wederverkoopprijs die deze importeurs vragen op de markt van de Unie of wanneer die wederverkoopprijzen zijn gebruikt om het antidumpingrecht zelf te berekenen (zie in die zin arrest van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, C‑305/86 en C‑160/87, Jurispr., EU:C:1990:295, punten 19 en 20).
71 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat een producent van originele onderdelen, zonder dat deze hoeft te worden gekwalificeerd als importeur of exporteur, rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de bepalingen van de verordening inzake de dumpingpraktijken van de producent bij wie hij de producten kocht vanwege de bijzonderheden van zijn commerciële betrekkingen met deze producent. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de Raad, juist om rekening te houden met die bijzonderheden, een bepaalde winstmarge heeft vastgesteld in het kader van de samenstelling van de normale waarde, welke vervolgens in aanmerking was genomen bij de berekening van de dumpingmarge op basis waarvan het antidumpingrecht was vastgesteld, zodat de producent van originele onderdelen door de vaststellingen betreffende het bestaan van een dumpingpraktijk werd geraakt (zie in die zin arresten Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, punt 70 supra, EU:C:1990:115, punten 17‑20, en Gestetner Holdings/Raad en Commissie, punt 70 supra, EU:C:1990:116, punten 20‑23).
72 In de vierde plaats heeft de rechtspraak de procesbevoegdheid aanvaard van een producent in de Unie, wanneer de verordening waarbij een antidumpingrecht werd ingesteld, gebaseerd was op de specifieke individuele situatie van deze producent, die de voornaamste fabrikant van het betrokken product in de Unie was. Het Hof is tot die slotsom gekomen op basis van de bevinding dat de grieven van de betrokken producent de aanleiding vormden tot de klacht die tot het openen van het onderzoek had geleid, dat de betrokkene was gehoord tijdens dit onderzoek en dat de door hem in dit verband gemaakte opmerkingen bepalend waren geweest voor het verloop van dat onderzoek, alsook dat het antidumpingrecht was ingesteld wegens de gevolgen die de vastgestelde dumping voor hem had (zie in die zin arrest Timex/Raad en Commissie, punt 58 supra, EU:C:1985:119, punten 14 en 15).
73 In de vijfde plaats heeft het Hof ook geoordeeld dat de erkenning dat bepaalde categorieën marktdeelnemers het recht hebben om een beroep tot nietigverklaring van een antidumpingverordening in te stellen, niet belet dat andere marktdeelnemers eveneens individueel kunnen worden geraakt door een dergelijke verordening, omdat zij zekere bijzondere hoedanigheden hebben welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseren. Bijgevolg heeft het Hof het door de verzoekende partij in die zaak ingestelde beroep ontvankelijk verklaard, op de grond dat zij de belangrijkste importeur van het product was waarvoor de antidumpingmaatregel was ingesteld, dat zij eindverbruikster van dit product was en dat haar economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk waren en door de bestreden verordening ernstig waren getroffen (zie in die zin arrest van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr., EU:C:1991:214, punten 16‑18).
74 Tegen deze achtergrond moet de procesbevoegdheid van verzoeksters in casu worden onderzocht.
Individuele procesbevoegdheid van verzoeksters
75 Verzoeksters betogen dat zij verenigingen zijn waarvan de leden de voornaamste Amerikaanse producenten van bio-ethanol zijn, die actief hebben deelgenomen aan de administratieve procedure die heeft geleid tot vaststelling van de bestreden verordening. Hun doelstelling bestaat erin de Amerikaanse bio-ethanolindustrie te beschermen. Aangezien de vaststelling van de bestreden verordening een belangrijk probleem vormt voor verzoeksters en zij zijn erkend als belanghebbende partijen gedurende de gehele antidumpingprocedure, dienen zij de bevoegdheid te hebben om het onderhavige beroep individueel, in hun eigen naam, in te stellen.
76 De Raad, ondersteund door de Commissie, antwoordt dat het voor de procesbevoegdheid van verzoeksters voor het Gerecht niet volstaat te stellen dat zij de Amerikaanse bio-ethanolindustrie in haar geheel vertegenwoordigen, dat zij de belangen daarvan bevorderen of dat zij hebben samengewerkt met de Commissie tijdens het onderzoek door de belangen van hun leden te vertegenwoordigen. Hij stelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die verzoeksters individualiseren.
77 Derhalve moet worden nagegaan of, in casu, de bestreden verordening verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt doordat hun rechtspositie daardoor wordt gewijzigd in de zin van de in punt 67 supra genoemde rechtspraak.
78 Enerzijds moet om te beginnen worden opgemerkt dat vaststaat dat de bestreden verordening één enkel antidumpingrecht oplegt voor alle importen van zuiver bio-ethanol, dat wil zeggen ethylalcohol die is verkregen uit landbouwproducten, alsook van bio-ethanol die in het land van de leverancier, te weten de Verenigde Staten, is vermengd met benzine, waarbij het gehalte aan benzine meer dan 10 % (v/v) bedraagt. Anderzijds wordt niet betwist dat verzoeksters, hoewel zij verenigingen zijn waarvan vaststaat dat zij de belangen van de Amerikaanse bio-ethanolindustrie vertegenwoordigen en dat zij hebben deelgenomen aan de antidumpingprocedure, desalniettemin niet verplicht zijn dit recht zelf te betalen.
79 Daarom moet worden vastgesteld dat de bestreden verordening, voor zover deze enkel antidumpingrechten oplegt aan de producten van de leden van verzoeksters, de rechtspositie van laatstgenoemden niet wijzigt. De oplegging in de bestreden verordening van antidumpingrechten op de producten van de leden van verzoeksters, heeft de rechten immers niet individueel ten gunste van verzoeksters gewijzigd; noch wijzigingen aangebracht in de verplichtingen die op laatstgenoemden rusten.
80 Hoewel het feit dat verzoeksters partij zijn geweest in de antidumpingprocedure, niet van invloed is op de constatering dat de oplegging van antidumpingrechten op de producten van hun leden geen enkel voordeel noch enigerlei verplichting voor hen in het leven roept, moet worden opgemerkt dat verzoeksters, in het tiende middel van het beroep, betogen dat zij, als bij de antidumpingprocedure betrokken partijen, een eigen belang hebben bij het verkrijgen van de nietigverklaring van de bestreden verordening, op de grond dat hun procedurele rechten, te weten de rechten die zij ontlenen aan artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 en 2, en artikel 20, leden 2, 4 en 5 van de basisverordening, zouden zijn geschonden.
81 Uit de rechtspraak volgt dat het feit dat iemand op enigerlei wijze intervenieert in de procedure die leidt tot de vaststelling van een Uniehandeling, deze persoon enkel kan individualiseren ten opzichte van de betrokken handeling wanneer de toepasselijke Unieregeling hem bepaalde procedurele waarborgen verleent (zie naar analogie arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie, 191/82, Jurispr., EU:C:1983:259, punt 31, en 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T‑47/00, Jurispr., EU:T:2002:7, punt 55).
82 Onderzocht dient dus te worden of de in punt 80 supra genoemde bepalingen van de basisverordening procedurele garanties verlenen aan personen die zijn tussengekomen in het proces van vaststelling van een verordening waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, zoals verzoeksters betogen.
83 Artikel 6, lid 7, van de basisverordening erkent het recht van representatieve verenigingen, zoals verzoeksters, die zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 10, ervan kenbaar hebben gemaakt, om, op schriftelijk verzoek, kennis te nemen van alle door een bij het onderzoek betrokken partij verstrekte informatie – met uitzondering van de interne documenten van de autoriteiten van de Unie of haar lidstaten – die betrekking heeft op hun zaak, die niet vertrouwelijk is in de zin van artikel 19 ervan en die bij het onderzoek wordt gebruikt. Bovendien is hun het recht verleend om opmerkingen te maken over vorenbedoelde informatie en moet met hun opmerkingen rekening worden gehouden voor zover zij met voldoende bewijsmateriaal zijn gestaafd.
84 Bovendien verleent artikel 20, leden 2, 4 en 5, van diezelfde verordening representatieve verenigingen het recht te verzoeken om definitieve mededeling van de essentiële feiten of overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen of de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen. Zij hebben het recht om binnen een termijn van ten minste tien dagen opmerkingen met betrekking tot die definitieve mededeling te maken. In casu staat vast dat verzoeksters toegang hebben gehad tot het niet-vertrouwelijke onderzoeksdossier en dat zij de definitieve mededeling in de zin van artikel 20, lid 2, van de basisverordening alsmede de aanvullende informatie van 21 december 2012 hebben ontvangen.
85 Derhalve moet worden vastgesteld dat, voor zover verzoeksters hun beroep baseren op de bescherming van procedurele waarborgen die hun worden verleend door artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 en 2, en artikel 20, leden 2, 4 en 5, van de basisverordening, het onderhavige beroep ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de verzoeksters die individueel in rechte optreden.
86 Binnen deze context beklemtonen verzoeksters dat zij procesbevoegdheid hebben op grond van het feit dat zij hebben deelgenomen aan de antidumpingprocedure als representatieve verenigingen die de gesprekspartners waren van de Commissie namens de „de Amerikaanse bio-ethanolindustrie in haar geheel”. Zij beroepen zich in dit verband op het arrest van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, Jurispr., EU:C:1993:111, punten 28‑30), waarin het Hof heeft erkend dat de positie van een vereniging als onderhandelaar door het bestreden besluit werd geraakt. Desalniettemin moet worden vastgesteld dat de positie van verzoeksters als representatieve verenigingen in de zin van de basisverordening niet vergelijkbaar is met die van een onderhandelaar die formeel in naam van zijn leden optreedt. Voorts moet worden opgemerkt dat dat arrest betrekking had op een door een vereniging ingediend verzoek tot nietigverklaring van een besluit inzake staatssteun, te weten een weigering van de Commissie om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU – betreffende de vaststelling dat een steunmaatregel niet verenigbaar is met de interne markt – in te leiden. Het CIRFS vertegenwoordigde met name niet de belangen van de onderneming die de betrokken steun ontving. De onderhavige zaak heeft evenwel betrekking op een op het gebied van antidumping vastgestelde verordening. De Raad heeft met de bestreden verordening niet geweigerd om welke procedure dan ook in te stellen, en verzoeksters zijn van mening dat zij de vertegenwoordigers zijn van de belangen van de marktdeelnemers waarvan het product wordt getroffen door de antidumpingmaatregel. De onderhavige zaak betreft dus een situatie die verschilt van die welke heeft geleid tot het arrest CIRFS e.a./Commissie, reeds aangehaald (EU:C:1993:111), dat op dit punt in casu niet relevant is.
87 Tegen de achtergrond van de overwegingen in de punten 77 tot en met 86 supra moet worden geconcludeerd dat aan verzoeksters, als belanghebbende partijen in de procedure, procesbevoegdheid moet worden toegekend op de grond dat zij rechtstreeks en individueel worden geraakt, maar dat zij enkel het tiende middel van het beroep ontvankelijk kunnen instellen, aangezien dat het enige middel is dat strekt tot waarborging van hun procedurele rechten.
Procesbevoegdheid van verzoeksters als vertegenwoordigers van hun leden
88 De Raad, ondersteund door de Commissie, is van mening dat verzoeksters geen procesbevoegdheid hebben als vertegenwoordigers van hun leden.
89 Verzoeksters betwisten deze opvatting.
90 In casu dient voor het onderzoek naar de procesbevoegdheid onderscheid te worden gemaakt tussen de vier Amerikaanse steekproefproducenten van bio-ethanol en de andere leden van verzoeksters.
91 Om te bepalen of de vier Amerikaanse steekproefproducenten bevoegd zijn om in rechte op te komen tegen de bestreden verordening, moet worden onderzocht of zij door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel worden geraakt overeenkomstig de tweede, in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde, situatie.
– Rechtstreekse geraaktheid van verzoeksters als vertegenwoordigers van de steekproefproducenten van bio-ethanol
92 Wat de vraag betreft of de vier steekproefproducenten rechtstreeks door de betrokken verordening worden geraakt, moet worden vastgesteld dat een onderneming waarvan de producten worden getroffen door de bestreden verordening, rechtstreeks wordt geraakt omdat een verordening tot instelling van een antidumpingrecht de douaneautoriteiten van de lidstaten verplicht om het ingestelde recht te innen, zonder dat zij daarbij enigerlei beoordelingsbevoegdheid hebben (zie in die zin arresten van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T‑170/94, Jurispr., EU:T:1997:134, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 november 1998, Champion Stationery e.a./Raad, T‑147/97, Jurispr., EU:T:1998:266, punt 31).
93 In casu dient ten eerste te worden vastgesteld dat, in plaats van voor elke leverancier van het betrokken product een individueel recht in te stellen, artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening één enkel antidumpingrecht instelt voor alle importen van zuiver bio-ethanol, dat wil zeggen van ethylalcohol die is verkregen uit landbouwproducten, alsook van bio-ethanol die in het land van de leverancier, te weten de Verenigde Staten, is vermengd met benzine, waarbij het gehalte aan benzine meer dan 10 % (v/v) bedraagt. Meer in het bijzonder legt zij een voor het gehele land geldend antidumpingrecht op, tegen een tarief van 62,30 EUR per ton nettogewicht, dat van toepassing is naargelang van het aandeel in het product, in gewichtspercenten, van het totale gehalte aan bio-ethanol. Derhalve moet worden vastgesteld dat de bestreden verordening de importen van bio-ethanol niet identificeert naargelang van hun individuele bron, door de marktdeelnemers aan te geven die binnen de handelsketen van belang zijn voor de uitvoer.
94 Ten tweede merkt de Raad in overweging 12 van de bestreden verordening alsook in het verweerschrift op dat aangezien geen van de vier steekproefproducenten zelf bio-ethanol naar de markt van de Unie heeft uitgevoerd, zij op de binnenlandse markt aan niet-verbonden handelaren/mengers verkochten, die vervolgens het bio-ethanol met benzine vermengden en dat product weer verkochten op de binnenlandse markt en ook voor uitvoer, met name naar de Unie.
95 Ten derde merkt de Raad in diezelfde overweging 12 van de bestreden verordening op dat de vijf in de steekproef opgenomen Amerikaanse producenten „in hun steekproefformulier uitvoer van bio-ethanol naar de Unie vermeldden”.
96 Ten vierde geeft de Raad in de overwegingen 10 en 11 van de bestreden verordening aan dat de Commissie tijdens de administratieve antidumpingprocedure een steekproef van zes bio-ethanolproducenten in de Verenigde Staten heeft samengesteld op basis van de grootste representatieve hoeveelheid uitvoer van bio-ethanol naar de Unie die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Eén onderneming is uit de steekproef verwijderd, aangezien was vastgesteld dat haar productie niet naar de Unie was uitgevoerd in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011, terwijl vijf andere steekproefproducenten in de steekproef bleven opgenomen.
97 Uit de vaststellingen, in de punten 92 tot en met 96 supra, met betrekking tot de werking van de bio-ethanolmarkt, zoals uiteengezet door de Raad, volgt dus dat laatstgenoemde zelf in de bestreden verordening heeft geoordeeld dat een grote hoeveelheid bio-ethanol, afkomstig van de vier steekproefproducenten, tijdens het onderzoektijdvak op regelmatige wijze naar de Unie was uitgevoerd.
98 De vaststelling in punt 97 supra wordt bovendien bevestigd door de beoordelingen van de Raad en de Commissie die in de loop van de antidumpingprocedure alsmede in hun schriftelijke en mondelinge pleidooien zijn geformuleerd.
99 Om te beginnen dient immers, ten eerste, te worden opgemerkt dat de Raad in zijn antwoord op schriftelijke vragen van het Gerecht heeft vastgesteld dat het „zeer waarschijnlijk l[eek]” dat het aan de Europese standaardspecificaties (hierna: „EN-specificaties”) beantwoordende bio-ethanol dat aan de Unie werd verkocht door twee handelaren/mengers die tijdens het onderzoek met de Commissie samenwerkten, „bio-ethanol bevat[te] dat was geproduceerd door [vertrouwelijk] ( 1 )”. Ten tweede was de Raad van oordeel dat het „waarschijnlijk” was dat het door twee andere handelaren/mengers aan de Unie verkochte bio-ethanol „bio-ethanol bevat[te] dat was geproduceerd door [vertrouwelijk]”.
100 Vervolgens heeft de Commissie tijdens het onderzoek in haar aan verzoeksters gezonden schrijven van 30 januari 2013 bevestigd dat de acht handelaren/mengers die zij had geïdentificeerd als verkopers van het door de steekproefproducenten geproduceerde bio-ethanol, tijdens het onderzoektijdvak meer dan 90 % van de totale uitvoer van bio-ethanol naar de Unie vertegenwoordigden.
101 Bovendien heeft de Raad in zijn antwoord op schriftelijke vragen van het Gerecht cijfers verstrekt voor de, aan de EN-specificaties beantwoordende, totale hoeveelheden die tijdens het onderzoektijdvak door de acht handelaren/mengers die in de loop van het onderzoek door middel van een vragenformulier waren ondervraagd, verkregen waren bij de vijf in de steekproef opgenomen Amerikaanse producenten van bio-ethanol. Deze cijfers kwamen overeen met meer dan [vertrouwelijk] importen van bio-ethanol uit de Verenigde Staten van de acht handelaren/mengers tijdens datzelfde tijdvak.
102 Ten slotte heeft de Raad er ter terechtzitting op gewezen dat hij niet betwistte dat het merendeel van de verkopen van aan de EN-specificaties beantwoordende bio-ethanol was uitgevoerd naar de Unie. De Raad heeft immers, wat dit punt betreft, in het verweerschrift enkel aangegeven dat de handelaren/mengers die tijdens de procedure hadden samengewerkt, het bio-ethanol kochten van verschillende producenten, het mengden en het vervolgens verkochten voor de uitvoer. Volgens hem was het op het moment van uitvoer naar de Unie dus niet meer mogelijk vast te stellen wie de producent was, noch om alle afzonderlijke aankopen te traceren en de normale waarden met de relevante uitvoerprijzen te vergelijken.
103 Uit deze overwegingen volgt dat afdoende is bewezen dat de zeer aanzienlijke hoeveelheden bio-ethanol die in het onderzoektijdvak door de acht onderzochte handelaren/mengers zijn gekocht bij de vijf Amerikaanse steekproefproducenten van bio-ethanol, merendeels zijn uitgevoerd naar de Unie. De Raad heeft geen enkele informatie verstrekt die deze vaststelling tegenspreekt of kan ontkrachten.
104 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de vier Amerikaanse steekproefproducenten door het bij de bestreden verordening ingestelde antidumpingrecht rechtstreeks worden geraakt, in de zin van de in de punten 67 en 92 supra aangehaalde rechtspraak, op grond dat zij de producenten waren van het product dat, sinds de inwerkingtreding van de bestreden verordening, bij invoer ervan in de Unie werd getroffen door het antidumpingrecht.
105 Aan deze vaststelling kan geen afbreuk worden gedaan door de andere argumenten van de Raad en de Commissie.
106 Ten eerste merkt de Raad, ondersteund door de Commissie, op dat verzoeksters, wat het onderzoektijdvak betreft, wel de producenten, maar niet de exporteurs van bio-ethanol vertegenwoordigden. De producenten van bio-ethanol worden, anders dan de handelaren/mengers, niet rechtstreeks geraakt door de bestreden verordening, voor zover de Raad hen in de bestreden verordening geen dumpingpraktijken „verwijt”, en hun rechtstreekse verkopen niet zijn onderworpen aan antidumpingrechten.
107 Dienaangaande zij opgemerkt dat, in tegenstelling tot hetgeen het betoog van de Raad en de Commissie impliceert, er geen reden is om principieel uit te sluiten dat de steekproefproducenten, anders dan de exporteurs, bevoegd zijn om op te komen tegen de bestreden verordening.
108 Zoals volgt uit de in de punten 67, 69 en 92 supra aangehaalde rechtspraak, hangt de ontvankelijkheid van een beroep tegen een verordening houdende instelling van antidumpingrechten immers niet af van de hoedanigheid van producent of exporteur.
109 Bovendien zij eraan herinnerd dat de antidumpingbepalingen bescherming beogen te bieden tegen invoer met dumping. Ten eerste bepaalt artikel 1, lid 1, van de basisverordening dat een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt. Ten tweede hebben antidumpingprocedures volgens de rechtspraak in beginsel betrekking op alle importen van een bepaalde categorie producten uit een derde land en niet op de import van producten van bepaalde ondernemingen (arrest van 7 december 1993, Rima Eletrometalurgia/Raad, C‑216/91, Jurispr., EU:C:1993:912, punt 17). Voor het onderzoek naar de rechtstreekse geraaktheid is het dus niet van belang aan wie de instellingen „verwijten” de betrokken dumpingpraktijken te hebben toegepast.
110 Uit het voorgaande volgt dat, aangezien de antidumpingrechten zijn gekoppeld aan uitgevoerde producten, een producent, ook indien hij niet de hoedanigheid van exporteur van die producten heeft, wezenlijk kan worden geraakt door de oplegging van dergelijke antidumpingrechten op het betrokken product dat in de Unie wordt ingevoerd.
111 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat in casu vaststaat dat de vier steekproefproducenten tijdens het onderzoektijdvak zuiver bio-ethanol produceerden en dat het hun producten waren die door de handelaren/mengers werden vermengd met benzine en naar de Unie werden uitgevoerd.
112 Uit de in de punten 107 tot en met 111 supra genoemde overwegingen volgt dat de door de Raad en de Commissie naar voren gebrachte omstandigheden dat de verordening de leden van verzoeksters niet „verwijt” dumpingpraktijken toe te passen, dat hun rechtstreekse verkopen niet zijn onderworpen aan antidumpingrechten, en dat verzoeksters, in wezen, niet de exporteurs zijn, in beginsel niet kunnen uitsluiten dat zij rechtstreeks worden geraakt door de vaststelling van de bestreden verordening in hun hoedanigheid van steekproefproducenten.
113 Ten tweede betoogt de Commissie dat de bestreden verordening geen rechtsgevolgen heeft voor de leden van verzoeksters en enkel indirecte gevolgen voor hen kan hebben, aangezien zij het bio-ethanol aan derden verkochten die, op hun beurt, een deel van dat bio-ethanol naar de Unie konden uitvoeren. Volgens haar volstond de enkele vaststelling van een economisch gevolg voor de situatie van de leden van verzoeksters niet om hun rechtstreekse geraaktheid aan te tonen.
114 Ook wanneer het antidumpingrecht ten laste zou komen van de handelaren/mengers en zou blijken dat de handelsketen van bio-ethanol zodanig is verbroken dat zij het antidumpingrecht niet kunnen doorberekenen aan de producenten, dan nog zij eraan herinnerd dat de instelling van een antidumpingrecht de wettelijke voorwaarden wijzigt waaronder de door de vier steekproefproducenten geproduceerde bio-ethanol op de markt van de Unie wordt verhandeld. Derhalve wordt de rechtspositie van de betrokken producenten op de markt van de Unie in elk geval rechtstreeks en wezenlijk geraakt.
115 Om diezelfde reden dient derhalve te worden vastgesteld dat de Commissie eveneens ten onrechte het feit betwist dat een onderneming binnen de handelsketen, niet zijnde die laatste exporteur – waarvan is vastgesteld dat hij dumping toepast – kan opkomen tegen een antidumpingrecht „dat betrekking heeft op de dumpingpraktijk van de exporteur en niet op die van de ondernemingen binnen de toeleveringsketen”.
116 Ten derde is de Commissie van mening dat de bestreden verordening slechts indirecte gevolgen heeft voor de leden van verzoeksters doordat het antidumpingrecht de transactie tussen de handelaar/menger en de exporteur rechtstreeks raakt. Dienaangaande zij opgemerkt dat de structuur van de contractuele regelingen tussen de marktdeelnemers binnen de handelsketen van bio-ethanol geen enkele invloed heeft op de vraag of een producent van bio-ethanol rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden verordening. Een tegenovergestelde conclusie zou er immers in de eerste plaats op neerkomen dat enkel een producent die zijn product rechtstreeks verkoopt aan de importeur binnen de Unie rechtstreeks kan worden geraakt door een verordening houdende instelling van een antidumpingrecht op de uit zijn productie afkomstige producten, hetgeen geenszins volgt uit de basisverordening. In de tweede plaats zou een dergelijke benadering ertoe leiden dat de rechtsbescherming van de producenten van de door de antidumpingrechten getroffen producten wordt beperkt enkel op basis van de commerciële structuur van de exporten van de betrokken producent.
117 Binnen deze context moet ook het door de Commissie ter terechtzitting aangevoerde argument dat een producent, teneinde procesbevoegdheid te kunnen hebben, zich ervan bewust moet zijn dat zijn specifieke product wordt uitgevoerd naar de Unie, worden verworpen. Het feit dat een producent precies weet welke uit zijn productie afkomstige goederen worden uitgevoerd naar de Unie, heeft geen invloed op de vraag of hij door de bestreden verordening rechtstreeks wordt geraakt.
118 Uit de in de punten 106 tot en met 117 supra ondernomen toetsing volgt dat de argumenten van de Raad en de Commissie volgens welke de vier steekproefproducenten niet rechtstreeks worden geraakt door de bestreden verordening, moeten worden verworpen.
– Individuele geraaktheid van verzoeksters als vertegenwoordigers van de steekproefproducenten van bio-ethanol
119 Wat de vraag betreft of de vier Amerikaanse steekproefproducenten individueel werden geraakt door de bestreden verordening, zij eraan herinnerd dat, zoals is vastgesteld in punt 69 supra, handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, productie- en exportondernemingen die kunnen aantonen, dat hun identiteit uit de handelingen van Commissie of Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen, individueel kunnen raken.
120 Het is juist dat tussen partijen verschil van mening bestaat over de vraag of in casu de vier Amerikaanse steekproefproducenten de hoedanigheid hebben van exporteur van het uit hun productie afkomstige product.
121 Opgemerkt zij echter dat het volgens de in punt 73 supra aangehaalde rechtspraak niet uitgesloten is dat dergelijke marktdeelnemers eveneens individueel kunnen worden geraakt door een dergelijke verordening omdat zij zekere bijzondere hoedanigheden hebben welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseren. Indien verzoeksters, in naam van de vier steekproefproducenten, de gegrondheid van het besluit houdende instelling van een antidumpingrecht als zodanig betwisten, dienen zij een bijzondere status aan te tonen, in de zin van het arrest Plaumann/Commissie, punt 68 supra (EU:C:1963:17, blz. 223) (zie in die zin en naar analogie, arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, punt 68 supra, EU:C:2005:761, punt 37).
122 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, ook wanneer het zou gaan om producenten van het product dat door een antidumpingrecht wordt getroffen, doch die geenszins betrokken zijn bij de uitvoer daarvan, dit zeker het geval zou zijn wanneer, ten eerste, zij kunnen aantonen dat hun identiteit blijkt uit de handelingen van Commissie of Raad, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen (zie in die zin en naar analogie, arrest Allied Corporation e.a./Commissie, punt 58 supra, EU:C:1984:68, punt 12), en, ten tweede, hun positie op de markt wezenlijk wordt geraakt door het antidumpingrecht waarop de bestreden verordening betrekking heeft (zie in die zin en naar analogie, arrest Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, punt 68 supra, EU:C:2005:761, punt 37).
123 In casu moet met betrekking tot de deelname van de vier Amerikaanse steekproefproducenten aan de administratieve procedure om te beginnen worden opgemerkt dat deze producenten, zoals verzoeksters stellen, als Amerikaanse producenten van bio-ethanol steekproefformulieren hebben ingevuld, in antwoord op het inleidingsbericht van de Commissie (zie punt 4 supra). Zij werden opgenomen in de steekproef en zijn gedurende het gehele onderzoek leden van de steekproef gebleven.
124 Vervolgens moet worden vastgesteld dat de vier Amerikaanse steekproefproducenten hebben deelgenomen aan het voorbereidend onderzoek. Als steekproefproducenten hebben zij met name aan het onderzoek meegewerkt door antwoorden te verstrekken op de vragenlijsten van de Commissie en door de diensten van de Commissie toe te laten in hun gebouwen om verificaties te verrichten.
125 Bovendien zijn hun gegevens gebruikt voor de berekening van de normale waarde in het stadium van het voorlopige informatiedocument.
126 Tot slot wijzen andere elementen erop dat sommige van de vier Amerikaanse steekproefproducenten eveneens waren betrokken bij andere fasen van de betrokken antidumpingprocedure. In het rapport van de Commissie van 15 november 2012 inzake de hoorzitting van 11 september 2012, heeft de raadadviseur-auditeur namelijk bevestigd dat om die hoorzitting was verzocht door verzoeksters, alsmede door Plymouth Energy Company en POET. Daarnaast verklaart de Commissie in de brief aan de advocaten van verzoeksters van 20 februari 2013 te antwoorden op de argumenten die met name door „Plymouth” waren aangevoerd met betrekking tot hun schriftelijke opmerkingen inzake het informatiedocument van 21 december 2012.
127 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de vier Amerikaanse steekproefproducenten intensief betrokken waren bij het voorbereidend onderzoek. Zij waren, zowel vanuit hun oogpunt als vanuit dat van de Commissie, deelnemende partijen aan het voorbereidend onderzoek en hun positie werd door de Commissie beoordeeld in het kader van de procedure die leidde naar de instelling van het antidumpingrecht.
128 Wat voorts de vraag betreft of de positie van de vier Amerikaanse steekproefproducenten op de markt wezenlijk werd geraakt door het antidumpingrecht waarop de bestreden verordening betrekking heeft, is in de punten 93 tot en met 103 supra reeds uiteengezet dat zeer aanzienlijke hoeveelheden bio-ethanol die in het onderzoektijdvak door de acht onderzochte handelaren/mengers waren gekocht bij de Amerikaanse steekproefproducenten van bio-ethanol, merendeels waren uitgevoerd naar de Unie en dat de bio-ethanol die was geproduceerd door de vier Amerikaanse steekproefproducenten sinds de inwerkingtreding van de bestreden verordening wordt getroffen door het antidumpingrecht dat door die verordening wordt opgelegd bij invoer van die bio-ethanol in de Unie. Niet betwist wordt immers dat het de steekproefproducenten zijn, die de tijdens het onderzoektijdvak naar de Unie uitgevoerde bio-ethanol hebben geproduceerd, en niet de handelaren/mengers die de bio-ethanol vermengden met benzine en naar de Unie exporteerden. Op dit punt moet worden opgemerkt dat laatstgenoemden in de bestreden verordening niet worden geïdentificeerd als producenten van het betrokken product.
129 Uit deze vaststellingen volgt dat het vooronderzoek de vier Amerikaanse steekproefproducenten heeft betroffen doordat zij daaraan intensief hebben deelgenomen en wezenlijk worden geraakt door het antidumpingrecht waarop de bestreden verordening betrekking heeft.
130 Uit hetgeen in de punten 119 tot en met 129 supra is overwogen volgt dat moet worden geconcludeerd dat de vier steekproefproducenten, die leden zijn van verzoeksters, individueel worden geraakt door de bestreden verordening in de zin van de tweede situatie waarop artikel 263, vierde alinea, VWEU doelt.
131 Aan deze conclusie wordt geen afbreuk gedaan door de andere argumenten van de Raad en de Commissie.
132 Ten eerste is de Raad, ondersteund door de Commissie, al meteen van mening dat de leden van verzoeksters niet individueel worden geraakt door de bestreden verordening, omdat, zelfs indien sommigen van hun leden in de bestreden verordening zijn geïdentificeerd als producenten, de dumping werd gepraktiseerd door de handelaren/mengers en aan laatstgenoemden werd toegerekend.
133 Allereerst moet direct al worden opgemerkt dat, zoals is vastgesteld in de punten 123 tot en met 127 supra, de vier steekproefproducenten volledig hebben deelgenomen aan het vooronderzoek en dat hun positie is onderzocht door de Commissie in het kader van de procedure die heeft geleid tot de instelling van het antidumpingrecht. Bovendien is in de punten 128 en 129 supra uiteengezet dat de marktpositie van de vier aan de steekproef onderworpen leden van verzoeksters wezenlijk werd geraakt door het antidumpingrecht waarop de bestreden verordening betrekking heeft. Om deze redenen moet worden geoordeeld dat de vier steekproefproducenten individueel door de bestreden verordening worden geraakt.
134 Vervolgens zij, voor zover de Commissie hieraan toevoegt dat de vier steekproefproducenten niet wordt „verweten” dat zij dumpingpraktijken hebben toegepast, en de bestreden verordening geen besluit vormt dat hen raakt uit hoofde van hun eigen gedrag, eraan herinnerd dat deze verordening een voor het gehele land geldend antidumpingrecht instelt op de invoer in de Unie van bio-ethanol, inclusief die welke afkomstig is uit de productie van de vier steekproefproducenten. De vraag wie precies de betrokken dumpingpraktijken heeft toegepast, is dus niet relevant om te bepalen of de vier steekproefproducenten individueel door de bestreden verordening worden geraakt. De betrokken producenten ondervinden immers de gevolgen van de toerekening van de dumpingpraktijken, zelfs indien deze praktijken hen niet worden toegerekend.
135 Tot slot moet, voor zover de Raad betoogt dat de vier steekproefproducenten niet individueel worden geraakt, ingevolge punt 45 van het arrest van 28 februari 2002, BSC Footwear Supplies e.a./Raad (T‑598/97, Jurispr., EU:T:2002:52), aangezien zij niet kunnen worden aangemerkt als producenten of exporteurs „aan wie de dumpingpraktijken worden toegerekend”, worden vastgesteld dat de toerekening van de dumpingpraktijken aan de onderneming waarvan de procesbevoegdheid wordt onderzocht geen noodzakelijke voorwaarde is voor de conclusie dat deze individueel wordt geraakt. Volgens de in punt 73 supra aangehaalde rechtspraak belet de erkenning dat bepaalde categorieën marktdeelnemers het recht hebben om een beroep tot nietigverklaring van een antidumpingverordening in te stellen, niet dat andere marktdeelnemers eveneens individueel kunnen worden geraakt door een dergelijke verordening omdat zij zekere bijzondere hoedanigheden hebben welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseren. Dienaangaande zij opgemerkt dat de toerekening van een dumpingpraktijk aan een producent of exporteur een element is dat deze kan individualiseren, maar geen noodzakelijke voorwaarde is voor deze marktdeelnemers. De Unierechter heeft immers de individuele geraaktheid van dergelijke marktdeelnemers erkend zonder zich te baseren op het feit dat de dumpingpraktijken aan hen konden worden toegerekend (arresten Allied Corporation e.a./Raad, punt 69 supra, EU:C:1985:227, punt 4; Shanghai Bicycle/Raad, punt 92 supra, EU:T:1997:134, punt 39, en Champion Stationery e.a./Raad, punt 92 supra, EU:T:1998:266, punt 47).
136 Bijgevolg kan het argument van de Raad dat de leden van verzoeksters niet individueel worden geraakt omdat zij op basis van gegevens met betrekking tot hun commerciële activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als producenten of exporteurs aan wie de dumpingpraktijken worden toegerekend, niet slagen. Indien dit anders zou zijn, dan zou dit immers in strijd zijn met het beginsel, zoals dit volgt uit de in de punten 69 tot en met 73 supra aangehaalde rechtspraak, volgens hetwelk zelfs niet uitgesloten is dat zowel de importeurs als de producenten van de Unie procesbevoegdheid kunnen hebben.
137 Ten tweede is de Raad, ondersteund door de Commissie, van mening dat de factor die bepaalde ondernemingen individualiseert ten opzichte van andere ondernemingen binnen de waardeketen, is gelegen in het feit dat de dumping is aangetoond op basis van gegevens die deze hadden verstrekt met betrekking tot hun commerciële activiteiten. De Raad en de Commissie verwijzen in dit verband naar de rechtspraak inzake de individuele geraaktheid van geassocieerde importeurs. De Commissie betoogt meer in het bijzonder, dat uit het arrest Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, punt 70 supra (EU:C:1990:115), alsook uit de beschikking van 7 maart 2014, FESI/Raad (T‑134/10, EU:T:2014:143), volgt dat beslissend is of de instellingen de gegevens daadwerkelijk hebben gebruikt op een wijze die de onderneming die ze verstrekt heeft, individualiseert.
138 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt dat de door de Commissie aangevoerde rechtspraak in casu irrelevant is, aangezien de situatie van de vier steekproefproducenten niet vergelijkbaar is met die van geassocieerde importeurs. De rechtspraak maakt onderscheid tussen de voorwaarden waaronder, enerzijds, de producenten en exporteurs en, anderzijds, de importeurs, individueel worden geraakt door de verordeningen houdende instelling van antidumpingrechten (arresten Nashua Corporation e.a./Commissie en Raad, punt 70 supra, EU:C:1990:115, punten 14 en 15, en Gestetner Holdings/Raad en Commissie, punt 70 supra, EU:C:1990:116, punten 17 en 18).
139 Bovendien kan, anders dan de Raad stelt, het feit dat is besloten om geen gebruik te maken van de door de steekproefproducenten van bio-ethanol verstrekte gegevens om ten aanzien van hen een individuele dumpingmarge te berekenen, hetgeen nu juist datgene is waartegen verzoeksters in hun eerste middel opkomen, de ontvankelijkheid van een door deze producenten ingesteld beroep niet uitsluiten.
140 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht in de zaak Shanghai Bicycle/Raad (punt 92 supra, EU:T:1997:134, punt 38), waarin één enkel antidumpingrecht werd opgelegd op importen van het betrokken, uit China afkomstige product, heeft geoordeeld dat aan de rechtsbescherming van individuele ondernemingen die door een antidumpingrecht worden geraakt, niet kan worden afgedaan door de enkele omstandigheid dat het bij het betrokken recht om één enkel recht gaat, dat is ingesteld met verwijzing naar een staat en niet met verwijzing naar individuele ondernemingen. Om dezelfde reden kan het feit dat het in casu door de bestreden verordening opgelegde antidumpingrecht één enkel, voor het gehele land geldend recht is, dat is ingesteld zonder verwijzing naar individuele producenten, niet in de weg staan aan de rechtsbescherming van de leden van verzoeksters.
141 Enerzijds kan het enkele feit dat de instellingen een beroep doen op steekproeven, geen geldige reden vormen voor afwijzing van de procesbevoegdheid van de producenten buiten de steekproef, waarvan de gegevens niet zijn gebruikt door de instellingen. Dit volgt met name uit het arrest van 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad (T‑161/94, Jurispr., EU:T:1996:101, punten 47 en 48), waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat het feit dat de Commissie had besloten om geen gebruik te maken van de door een exporteur verschafte informatie met betrekking tot de materiële aspecten van de zaak, niet af kon doen aan de conclusie dat die exporteur door dat voorbereidend onderzoek werd geraakt. Dit geldt dus a fortiori voor de situatie van een producent die deel uitmaakt van een steekproef.
142 Anderzijds zou, indien de ontvankelijkheid van een beroep dat is ingesteld door een in de steekproef opgenomen producent of exporteur afhankelijk zou worden gesteld van het gebruik van door die producent of exporteur verstrekte gegevens, dit erop neerkomen dat de toepassing van de bepalingen van de basisverordening op producenten als die in de onderhavige zaak, naar believen van de Raad, onttrokken wordt aan elk rechtstreeks toezicht door het Gerecht.
143 Bijgevolg moet het argument dat de factor die bepaalde ondernemingen individualiseert ten opzichte van andere ondernemingen binnen de waardeketen is gelegen in het feit dat de dumping is aangetoond op basis van gegevens die deze hadden verstrekt, worden verworpen.
144 Ten derde is de Commissie, anders dan verzoeksters, van mening dat de omvang van de productie van hun leden geen relevant element vormt om hun individuele geraaktheid door de bestreden verordening te bepalen. Dienaangaande zij opgemerkt dat uit de vaststellingen in de punten 119 tot en met 130 supra volgt dat de vier steekproefproducenten, die leden zijn van verzoeksters, individueel worden geraakt door de betrokken verordening, zonder dat de omvang van hun productie van het betrokken product behoeft te worden onderzocht.
145 Bijgevolg volgt uit de vaststellingen in de punten 132 tot en met 144 supra dat de argumenten van de Raad en de Commissie volgens welke de vier steekproefproducenten niet rechtstreeks worden geraakt door de bestreden verordening, moeten worden verworpen.
– Bestaan van alternatieve rechtsmiddelen
146 De Commissie betoogt dat aan de leden van verzoeksters geen rechtsmiddelen worden ontnomen wanneer zij bio-ethanol naar de Unie zouden willen gaan uitvoeren. Ten eerste kunnen zij in hun overeenkomsten met de importeurs vastleggen dat zij de lasten van de douanerechten dragen, zodat zij de douaneschuld kunnen aanvechten voor de rechterlijke instanties van de lidstaten. Ten tweede kunnen de door een antidumpingrecht geraakte leden ook verzoeken om een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur, overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening. Volgens de Commissie kunnen, overeenkomstig die bepaling, de nieuwe exporteurs in het betrokken land van export, die het product niet hebben uitgevoerd tijdens het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd, verzoeken om inleiding van een dergelijk nieuw onderzoek indien zij aantonen dat zij na het onderzoektijdvak daadwerkelijk naar de Unie hebben uitgevoerd of indien zij kunnen aantonen dat zij een contractuele en onherroepelijke verbintenis zijn aangegaan tot het uitvoeren van een aanzienlijke hoeveelheid producten naar de Unie. Het geldende recht wordt dan ingetrokken ten aanzien van deze invoer, die is onderworpen aan registratie. De instellingen leiden een versnelde procedure in, na afloop waarvan zij bepalen of er, wat deze nieuwe exporteur betreft, al dan niet sprake is van een dumping. In voorkomend geval vorderen zij het recht met terugwerkende kracht in.
147 Allereerst moet worden vastgesteld dat de vraag of de leden van verzoeksters andere rechtsmiddelen ter beschikking staan om hun rechten te doen gelden, geen enkele invloed heeft op het onderzoek naar de rechtstreekse en individuele geraaktheid door de bestreden verordening.
148 Vervolgens moet, voor zover de Commissie met dit argument voorstelt dat de producent of exporteur de goederen verkoopt volgens de uitvoeringsvoorwaarde van handelsovereenkomsten (incoterm) die „Franco inclusief rechten” (DDP) wordt genoemd, teneinde de mogelijkheid te hebben om voor de nationale rechterlijke instanties op te komen tegen de mededeling van de douaneschuld door de nationale autoriteiten, of dat deze een handelstransactie opzet met een koper in de Unie met als enig doel de douaneschuld voor de nationale rechterlijke instanties, en eventueel voor het Hof, te kunnen betwisten, worden opgemerkt dat, overeenkomstig hetgeen in de punten 69 tot en met 73 en 122 supra is overwogen, een dergelijke beperking van de ontvankelijkheid van een door producenten als de vier steekproefproducenten ingesteld beroep tot nietigverklaring, niet bestaat. Zoals is opgemerkt in de punten 109 en 110 supra, zijn de antidumpingrechten immers gekoppeld aan het betrokken product. Hieruit volgt dat de contractuele banden tussen een exporteur en een producent geen enkele invloed hebben op de vraag of de in voornoemde rechtspraak voorziene voorwaarden al dan niet moeten worden vervuld. Bijgevolg dient het argument van de Commissie te worden verworpen.
149 Tot slot dient, voor zover de Commissie zich met haar argument beroept op de mogelijkheid om te verzoeken om een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur krachtens artikel 11, lid 4, van de basisverordening, te worden vastgesteld, enerzijds, dat de vierde alinea van voornoemd lid de mogelijkheid van een dergelijk nieuw onderzoek uitdrukkelijk uitsluit in situaties waarin de Commissie gebruik heeft gemaakt van het steekproefonderzoek. Anderzijds vormt dit lid in elk geval geen alternatief, passend rechtsmiddel voor een producent die voldoet aan de voorwaarden die zijn voorzien in de rechtspraak die is uiteengezet in de punten 69 tot en met 73 supra. Dit lid staat hem immers, bijvoorbeeld, niet toe de gevolgen van het antidumpingrecht voor zijn productie te omzeilen, voor zover de betrokken producent niet is begonnen deze rechtstreeks naar de Unie uit te voeren. Dit argument moet daarom worden verworpen.
150 Uit al hetgeen in de punten 92 tot en met 149 supra is overwogen, volgt dat verzoeksters op grond van de tweede situatie waarop artikel 263, vierde alinea, VWEU doelt, bevoegd zijn om het onderhavige beroep in te stellen, voor zover dit strekt tot nietigverklaring van de bestreden verordening, voor zover deze betrekking heeft op de vier steekproefproducenten.
Procesbevoegdheid van verzoeksters als vertegenwoordigers van hun leden, niet zijnde de vier steekproefproducenten
151 Vastgesteld moet worden dat verzoeksters in hun stukken geen enkel concreet argument hebben aangevoerd en aan het dossier voor het Gerecht geen enkele informatie hebben toegevoegd op grond waarvan het Gerecht zou kunnen concluderen dat een of meer van hun leden die geen deel uitmaakten van de steekproef van Amerikaanse producenten, rechtstreeks werden geraakt door het bij de bestreden verordening ingestelde antidumpingrecht.
152 Buiten de vier Amerikaanse steekproefproducenten, Marquis Energy, Murex en CHS, hebben verzoeksters immers geen van hun andere leden die in casu procesbevoegdheid zouden kunnen hebben, met naam en toenaam geïdentificeerd.
153 Bovendien hebben verzoeksters geen enkel element aangedragen om aan te tonen dat het bio-ethanol van enig ander lid was uitgevoerd naar de Unie en, bijgevolg, was onderworpen aan het betrokken antidumpingrecht. In deze omstandigheden kunnen de andere leden van verzoeksters niet worden geacht rechtstreeks door de bestreden verordening te worden geraakt.
154 Aangezien niet is komen vast te staan dat de leden van verzoeksters, niet zijnde de vier steekproefproducenten, rechtstreeks werden geraakt door de bestreden verordening, moet, overeenkomstig de in punt 65 supra aangehaalde rechtspraak worden opgemerkt dat verzoeksters niet op grond van de tweede of derde situatie waarop artikel 263, vierde alinea, VWEU doelt, bevoegd zijn om het onderhavige beroep in te stellen, voor zover dit strekt tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze betrekking heeft op hun leden, niet zijnde de vier steekproefproducenten.
Procesbelang
155 Opgemerkt zij dat de Commissie van mening is dat verzoeksters geen reëel en actueel belang hebben bij nietigverklaring van de bestreden verordening. Zij betoogt dat verzoeksters niet hebben betwist dat hun leden geen bio-ethanol hadden uitgevoerd naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en dat zij evenmin hebben aangetoond dat hun leden hiermee waren aangevangen op de datum van instelling van het beroep. Hun verkopen waren dus niet onderworpen aan het bij de bestreden verordening ingestelde antidumpingrecht. Bijgevolg kan nietigverklaring van de bestreden verordening geen rechtsgevolgen hebben voor hun leden.
156 Verzoeksters betwisten deze argumenten.
157 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 40, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de conclusies van het verzoek tot voeging slechts kunnen strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen. Bovendien bepaalt artikel 142, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dat de interveniënt het geding aanvaardt in de stand waarin het zich op het ogenblik van zijn interventie bevindt. Hieruit volgt dat de Commissie niet bevoegd is een aan het ontbreken van procesbelang van verzoeksters ontleende niet-ontvankelijkheidsgrond aan te voeren die niet is aangevoerd door de Raad, en dat het Gerecht derhalve niet verplicht is om het onderhavige middel van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken. Aangezien het een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde betreft, dient het procesbelang van verzoeksters ambtshalve te worden onderzocht (zie in die zin arrest CIRFS e.a./Commissie, punt 86 supra, EU:C:1993:111, punten 20‑23).
158 Vastgesteld moet worden dat het procesbelang de essentiële en eerste voorwaarde vormt voor elk beroep in rechte (arrest van 10 april 2013, GRP Security/Rekenkamer, T‑87/11, EU:T:2013:161, punt 44) en, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid, moet bestaan op het tijdstip waarop het beroep wordt ingesteld. Het procesbelang moet, op straffe van afdoening zonder beslissing, blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing (zie arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr., EU:C:2007:322, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak).
159 Het bestaan van een procesbelang veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, Jurispr., EU:C:2012:471, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad, T‑299/05, Jurispr., EU:T:2009:72, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
160 In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie in wezen van mening is dat het bij de bestreden verordening ingestelde antidumpingrecht het uit de productie van de leden van verzoeksters afkomstige bio-ethanol niet treft op de grond dat deze is uitgevoerd door de handelaren/mengers. In punt 104 supra is evenwel reeds vastgesteld dat de vier Amerikaanse steekproefproducenten de producenten waren van het product dat, bij zijn invoer in de Unie, werd getroffen door het antidumpingrecht. Bijgevolg hebben, enerzijds, verzoeksters in casu een procesbelang omdat de nietigverklaring van het door de bestreden verordening ingestelde antidumpingrecht, dat de importen treft in de Unie van bio-ethanol die is geproduceerd door hun in de steekproef opgenomen leden, deze leden een voordeel kan opleveren. Anderzijds moet worden opgemerkt dat verzoeksters in casu een procesbelang hebben voor zover zij, in het kader van het tiende middel, stellen dat hun eigen procedurele rechten zijn geschonden.
161 Uit een en ander volgt dat: — het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zoverre het strekt tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze betrekking heeft op Marquis Energy (zie punt 51 supra); — de eerste negen middelen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover verzoeksters zich beroepen op hun bevoegdheid om persoonlijk in rechte op te treden (zie punt 87 supra); — het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zoverre het strekt tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze betrekking heeft op de leden van verzoeksters, niet zijnde de vijf Amerikaanse steekproefproducenten (zie punten 55 en 154 supra).
162 Niettemin moet worden vastgesteld dat het onderhavige beroep ontvankelijk is voor zover verzoeksters verzoeken: — ten eerste, om nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze betrekking heeft op de vier Amerikaanse steekproefproducenten (zie punt 150 supra) en, — ten tweede, om nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover zij, in het tiende middel, stellen dat tijdens de antidumpingprocedure hun eigen procedurele rechten zijn geschonden (zie punt 87 supra).
2. Ten gronde
Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 2, lid 8, artikel 9, lid 5, en artikel 18, leden 1, 3 en 4, van de basisverordening, schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur, en aan kennelijke beoordelingsfouten die de Raad heeft begaan door te weigeren een individuele dumpingmarge te berekenen en, in voorkomend geval, een individueel antidumpingrecht toe te kennen aan de leden van verzoeksters die waren opgenomen in de steekproef
163 Voor zover het onderhavige beroep ontvankelijk is op de grond dat het is ingesteld in naam van de vier Amerikaanse steekproefproducenten, dient het onderzoek ten gronde van de zaak te beginnen met dat van het eerste middel.
164 Met hun eerste middel betogen verzoeksters, in wezen, dat de Raad, door te weigeren individuele dumpingmarges te berekenen voor hun leden, die de, in de steekproef van producenten/exporteurs opgenomen, producenten zijn van het betrokken product in de Verenigde Staten, en door in plaats daarvan een voor het gehele land geldende dumpingmarge vast te stellen, verschillende artikelen van de basisverordening, alsmede het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
165 Het eerste middel bestaat uit vier onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op schending van artikel 2, lid 8, van de basisverordening voor wat betreft de bepaling van de uitvoerprijs. Het tweede onderdeel heeft betrekking op schending van artikel 9, lid 5, van voornoemde verordening, dat de verplichting vastlegt voor de instellingen om individuele rechten vast te stellen voor elke leverancier. Het derde onderdeel heeft betrekking op gestelde schendingen van artikel 18, leden 1, 3 en 4, van voornoemde verordening, inzake het gebruik van de beste informatie die beschikbaar is, doordat de instellingen voor de berekening van een voor het gehele land geldende dumpingmarge gebruik hebben gemaakt van informatie die door de onafhankelijke handelaren/mengers was verstrekt. Het vierde onderdeel, tot slot, heeft betrekking op schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur.
166 Om te beginnen moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden onderzocht.
167 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betogen verzoeksters in wezen dat de Raad een individuele dumpingmarge en een individueel dumpingrecht had moeten vaststellen voor elk van de vier Amerikaanse steekproefproducenten. Door in plaats daarvan voor alle partijen die actief zijn in de bio-ethanolindustrie in de Verenigde Staten gebruik te maken van een dumpingmarge en een dumpingrecht die voor het gehele land gelden, heeft de Raad artikel 9, lid 5, van de basisverordening alsmede het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en zijn motiveringsplicht geschonden.
168 Meer in het bijzonder zijn verzoeksters van mening dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening de artikelen 6.10 en 9.2 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „WTO-antidumpingovereenkomst”) omzet in Unierecht. Volgens verzoeksters leggen de artikelen 6.10 en 9.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst een verplichting op om individuele dumpingmarges te berekenen en individuele antidumpingrechten toe te kennen aan producenten en exporteurs, behalve in het geval van „exporteurs” die bij een steekproefonderzoek niet zijn opgenomen in de steekproef en behalve in het geval van exporteurs die één enkele economische eenheid vormen met de staat. Derhalve is de door de Commissie gegeven uitlegging van de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening gebruikte uitdrukking „niet praktisch mogelijk”, volgens welke het mogelijk is om ook andere dan bovengenoemde uitzonderingen te hanteren op de verplichting om dumpingmarges en individuele antidumpingrechten in te stellen, zoals de structuur van de Amerikaanse uitvoer van bio-ethanol of de wijze waarop het product wordt uitgevoerd, onjuist en onwettig.
169 De Raad, ondersteund door ePure, betwist deze argumenten. Hij is in wezen van mening dat wanneer de instellingen, zoals in casu, niet in staat zijn om elke aankoop te traceren, noch om de normale waarden te vergelijken met de overeenkomstige uitvoerprijzen, artikel 9, lid 5, van de basisverordening hen niet kan verplichten om individuele antidumpingmaatregelen vast te stellen voor elke producent. De Raad zou daar onmogelijk toe in staat zijn. Voorts betoogt hij dat de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening gebruikte uitdrukking „niet praktisch mogelijk” een meer algemene strekking heeft dan die welke wordt gehanteerd in de artikelen 6.10 en 9.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst en daardoor toestaat een uitzondering toe te passen op de verplichting om in casu dumpingmarges en individuele antidumpingrechten vast te stellen.
170 Dienaangaande zij opgemerkt dat artikel 9, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening, in zijn oorspronkelijke versie – die in casu van toepassing is aangezien in artikel 2, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 765/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012, tot wijziging van de basisverordening (PB L 237, blz. 1) wordt bepaald dat de gewijzigde versie van artikel 9, lid 5, van de basisverordening van toepassing is op alle procedures die na de inwerkingtreding van verordening nr. 765/2012 worden ingeleid – bepaalt dat een antidumpingrecht, op niet-discriminerende wijze, in een passend percentage, wordt ingesteld op producten uit alle bronnen waarvan de invoer met dumping plaatsvindt en schade veroorzaakt, tenzij in verband met die invoer overeenkomstig deze verordening verbintenissen zijn aanvaard. In datzelfde lid wordt ook bepaald dat in de verordening waarbij het recht wordt ingesteld, het recht voor elke leverancier wordt vermeld of, indien dit niet praktisch mogelijk is, en in het algemeen wanneer artikel 2, lid 7, onder a), van toepassing is, het land van levering.
171 Artikel 6.10 van de WTO-antidumpingovereenkomst bepaalt het volgende: „De autoriteiten stellen in het algemeen een individuele dumpingmarge vast voor elke gekende betrokken exporteur of producent van het onderzochte product. Indien het aantal exporteurs, producenten en importeurs van de betrokken productsoorten zo groot is dat een dergelijke vaststelling niet praktisch mogelijk is, mogen de autoriteiten hun onderzoek beperken tot, hetzij een redelijk aantal belanghebbenden of producten door, op grond van de informatie waarover zij op het tijdstip van de selectie beschikken, gebruik te maken van statistisch significante steekproeven, hetzij het hoogste percentage van het exportvolume uit het betrokken land dat redelijkerwijs onderzocht kan worden.”
172 Artikel 9.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst, luidt als volgt: „Wordt op een product een antidumpingrecht ingesteld, dan wordt dit recht, op niet-discriminerende basis, per geval geheven op de invoer van dat product uit alle dumping- en schadeveroorzakende bronnen, met uitzondering van die bronnen waarvan prijsverbintenissen in de zin van deze Overeenkomst zijn aanvaard. De autoriteiten maken de naam van de leverancier of leveranciers van het betrokken product bekend. Indien het om verschillende leveranciers uit hetzelfde land gaat en het niet praktisch mogelijk is al deze leveranciers te noemen, mogen de autoriteiten het betrokken leveranciersland noemen.”
173 Om te bepalen of de Raad terecht een voor het gehele land geldende dumpingmarge heeft kunnen berekenen en, bijgevolg, terecht een voor het gehele land geldend antidumpingrecht heeft kunnen vaststellen, dient derhalve te worden onderzocht, ten eerste, of de WTO-antidumpingovereenkomst in casu relevant is voor de uitlegging van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, ten tweede, of de vier Amerikaanse steekproefproducenten volgens de algemene regel recht hebben op toepassing van een individueel antidumpingrecht krachtens artikel 9, lid 5, van de basisverordening en, ten derde, of de Raad terecht heeft geoordeeld dat er sprake was van een uitzondering op deze algemene regel omdat het „niet praktisch mogelijk” was om in de bestreden verordening het individuele recht voor elke leverancier te vermelden.
Toepassing in casu van de WTO-antidumpingovereenkomst
174 Uit de considerans van de basisverordening, en in het bijzonder uit overweging 3 ervan, blijkt dat deze verordening met name tot doel heeft de nieuwe en gedetailleerde bepalingen van de WTO-antidumpingovereenkomst in Unierecht om te zetten (zie naar analogie arresten van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, Jurispr., EU:C:2003:4, punt 55, en 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie, T‑45/06, Jurispr., EU:T:2008:398, punt 89). Bovendien wordt in diezelfde overweging ook bepaald dat het, ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van voornoemde bepalingen, aanbeveling verdient deze overeenkomst voor zover mogelijk in Unierecht om te zetten. Tot de in die considerans genoemde bepalingen, die door de basisverordening zijn omgezet in Unierecht, behoren met name die welke betrekking hebben op de instelling van antidumpingrechten, te weten de artikelen 6.10 en 9.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst.
175 Niettemin is herhaaldelijk geoordeeld dat de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie, waarvan de WTO-antidumpingovereenkomst deel uitmaakt, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan de Unierechter de wettigheid van handelingen van de instellingen van de Unie toetst (zie arresten Petrotub en Republica/Raad, punt 174 supra, EU:C:2003:4, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 december 2014, LVP, C‑306/13, Jurispr., EU:C:2014:2465, punt 44en aldaar aangehaalde rechtspraak).
176 Bovendien heeft de Unierechter geoordeeld dat indien zou worden aangenomen dat het toezicht op de verenigbaarheid van het Unierecht met de WTO-regels rechtstreeks aan de Unierechter toekomt, de wetgevende of uitvoerende organen van de Unie daardoor de manoeuvreerruimte zouden verliezen waarover de corresponderende organen van de handelspartners van de Unie wel beschikken. Vast staat immers dat een aantal overeenkomstsluitende partijen, waaronder de belangrijkste handelspartners van de Unie, uit de inhoud en de strekking van de WTO-overeenkomsten juist hebben afgeleid dat deze overeenkomsten niet behoren tot de normen waaraan hun rechterlijke instanties de wettigheid van hun nationale rechtsregels toetsen. Een dergelijk gebrek aan wederkerigheid zou, indien het werd aanvaard, een onevenwichtige toepassing van de WTO-regels in de hand kunnen werken (zie arresten van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr., EU:C:2008:476, punt 119en aldaar aangehaalde rechtspraak, en LVP, punt 175 supra, EU:C:2014:2465, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).
177 Slechts ingeval de Unie uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de Uniehandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, dient de Unierechter de wettigheid van de betrokken Uniehandeling aan de WTO-regels te toetsen (zie arresten Petrotub en Republica/Raad, punt 174 supra, EU:C:2003:4, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak, en LVP, punt 175 supra, EU:C:2014:2465, punt 47).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 december 2014, C-306/13, ECLI:EU:C:2014:2465
- Gerecht EU 12 december 2014, T-643/11, ECLI:EU:T:2014:1076
- HvJ EU 19 juli 2012, C-337/09, ECLI:EU:C:2012:471
- Gerecht EU 21 maart 2012, T-115/06, ECLI:EU:T:2012:136
- HvJ EU 16 februari 2012, C-191/09, ECLI:EU:C:2012:78
- HvJ EU 13 oktober 2011, C-463/10, ECLI:EU:C:2011:656
- Gerecht EU 13 september 2010, T-314/06, ECLI:EU:T:2010:390
- HvJ EU 1 oktober 2009, C-141/08, ECLI:EU:C:2009:598
- Gerecht EU 18 maart 2009, T-299/05, ECLI:EU:T:2009:72
- Gerecht EU 24 september 2008, T-45/06, ECLI:EU:T:2008:398
- HvJ EU 9 september 2008, C-120/06, ECLI:EU:C:2008:476
- HvJ EU 27 september 2007, C-351/04, ECLI:EU:C:2007:547
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322
- Gerecht EU 4 oktober 2006, T-193/04, ECLI:EU:T:2006:292
- HvJ EU 22 juni 2006, C-182/03, ECLI:EU:C:2006:416
- HvJ EU 13 december 2005, C-78/03, ECLI:EU:C:2005:761
- Gerecht EU 23 oktober 2003, T-255/01, ECLI:EU:T:2003:282
- HvJ EU 9 januari 2003, C-76/00, ECLI:EU:C:2003:4
- Gerecht EU 28 februari 2002, T-598/97, ECLI:EU:T:2002:52
- Gerecht EU 17 januari 2002, T-47/00, ECLI:EU:T:2002:7