Gerecht EU 18 maart 2009, T-299/05, ECLI:EU:T:2009:72
Tekst
Zaak T‑299/05
Shanghai Excell M&E Enterprise Co. Ltd en Shanghai Adeptech Precision Co. Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Dumping – Invoer van elektronische weegschalen uit China – Status van marktgerichte onderneming – Artikel 2, lid 7, sub a en c, en lid 10, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Belang dat moet worden beoordeeld op tijdstip van instelling van beroep – Beroep van importeur waarmee deze opkomt tegen procedure die tot oplegging van antidumpingrecht heeft geleid – Vervallen antidumpingrecht
(Art. 230 EG en 233, eerste alinea, EG)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Individuele behandeling van exporteurs in land zonder markteconomie – Voorwaarden – Beoordelingsvrijheid van instellingen – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Verordening nr. 384/96 van de Raad)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vaststelling van normale waarde – Invoer uit landen zonder markteconomie in zin van artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 384/96 – Toepassing van regels voor landen met markteconomie – Strikte uitlegging – Toepassing beperkt tot producenten die voldoen aan cumulatieve voorwaarden van artikel 2, lid 7, sub c, van die verordening
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 7)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vaststelling van normale waarde – Invoer uit landen zonder markteconomie in zin van artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 384/96 – Procedure tot beoordeling van voorwaarden op basis waarvan producent aanspraak kan maken op status van marktgerichte onderneming
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 7, sub c)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Nieuw onderzoek – Vaststelling van normale waarde – Werkwijze in oorspronkelijk onderzoek die niet strookt met artikel 2 van verordening nr. 384/96
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, 17 en 11, lid 9)
6. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vaststelling van normale waarde – Toepassing van aangenomen waarde
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10)
7. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs – Correcties
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10)
1. Gelet op het voorwerp van het beroep moet het procesbelang van een verzoeker op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld.
Het feit dat de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd in de loop van het geding ophoudt effect te sorteren, brengt op zich evenwel niet mee dat de gemeenschapsrechter de zaak zonder beslissing moet afdoen omdat er op de datum van uitspraak van het arrest geen voorwerp of procesbelang meer is. Bovendien kan een verzoeker een belang behouden bij een vordering tot nietigverklaring van een handeling van een gemeenschapsinstelling om te voorkomen dat de onrechtmatigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet. Dat procesbelang vloeit voort uit artikel 233, eerste alinea, EG, op grond waarvan de instellingen waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden zijn de maatregelen te nemen welke nodig zijn voor de uitvoering van het arrest. Dit procesbelang kan alleen bestaan indien de gestelde onrechtmatigheid zich in de toekomst kan herhalen, onafhankelijk van de omstandigheden van de zaak die aanleiding hebben gegeven tot het door de verzoeker ingestelde beroep.
Zulks is het geval bij een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld door ondernemingen die ingevolge een herzieningsprocedure aan een antidumpingrecht zijn onderworpen, ook al is dit recht niet meer van toepassing, voor zover zij opkomen tegen de procedure die tot de oplegging van dit recht heeft geleid. In tegenstelling tot de inhoudelijke beoordeling of er sprake is van een dumpingpraktijk, kunnen de modaliteiten van een herzieningsprocedure in de toekomst immers in het kader van soortgelijke procedures worden overgenomen, zodat de verzoekers hun belang om tegen de bestreden verordening op te komen behouden, zelfs al heeft deze voor hen geen gevolgen meer, met het oog op toekomstige tegen hen gerichte antidumpingprocedures.
Verder kan een verzoeker een belang behouden om nietigverklaring te vorderen van een handeling die hem rechtstreeks raakt, teneinde van de gemeenschapsrechter de vaststelling van een jegens hem begane onrechtmatigheid te verkrijgen, zodat deze vaststelling als grondslag kan dienen voor een eventueel beroep tot schadevergoeding waarmee de door de bestreden handeling berokkende schade passend kan worden vergoed. Bovendien kan deze vaststelling van een onrechtmatigheid de basis vormen voor eventuele buitengerechtelijke onderhandelingen tussen de Raad en de verzoekers met het oog op de vergoeding van de door hen geleden schade.
Aanvaarding dat door de instellingen vastgestelde handelingen die beperkte gevolgen in de tijd hebben en die buiten werking treden nadat een beroep tot nietigverklaring is ingesteld maar vóórdat het Gerecht het desbetreffende arrest heeft kunnen uitspreken, aan elk rechterlijk toezicht ontsnappen, indien zij niet tot de inning van geldbedragen hebben geleid, zou bovendien onverenigbaar zijn met de geest van artikel 230 EG, dat vooronderstelt dat in een rechtsgemeenschap zoals de Europese Gemeenschap noch de lidstaten noch de instellingen kunnen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele basishandvest dat in het EG-Verdrag is belichaamd, noch aan het recht dat hieruit voortvloeit.
(cf. punten 43, 46, 48‑51, 53, 55‑57)
2. De gemeenschapsinstellingen beschikken op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Hieruit volgt dat de gemeenschapsrechter bij zijn toezicht op de beoordelingen van de instellingen enkel dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Hetzelfde geldt voor feitelijke situaties van politieke en juridische aard in het betrokken land, die de gemeenschapsinstellingen moeten beoordelen om te bepalen of een exporteur onder marktvoorwaarden handelt zonder staatsinmenging van betekenis, en dus in aanmerking kan komen voor de toekenning van de status die de marktgerichte ondernemingen toekomt.
Het behoort tot de ruime beoordelingsmarge van de gemeenschapsinstellingen om te onderzoeken of de boekhouding van ondernemingen die aanspraak maken op de status van marktgerichte onderneming, in overeenstemming is met de door deze instellingen gekozen, internationaal erkende boekhoudnormen. Indien de betrokken ondernemingen niet akkoord gaan met deze keuze, dienen zij aan te tonen dat de door de instellingen gekozen standaardnormen niet internationaal worden erkend of dat eventuele inbreuken van hun boekhouding op deze normen geen inbreuken vormen in het licht van andere internationaal erkende standaardnormen.
(cf. punten 79‑81, 90, 255)
3. De in artikel 2, lid 7, sub b, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 omschreven methode van vaststelling van de normale waarde moet als uitzondering op de specifieke methode van artikel 2, lid 7, sub a, die in beginsel van toepassing is op de invoer uit landen zonder markteconomie, strikt worden uitgelegd.
Bovendien rust de bewijslast op de producent-exporteur die in aanmerking wenst te komen voor de status van marktgerichte onderneming. Volgens artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening moet het verzoek immers „voldoende bewijs bevatten”. De gemeenschapsinstellingen hoeven derhalve niet te bewijzen dat de producent-exporteur de voor de toekenning van die status gestelde voorwaarden niet vervult. Het staat daarentegen aan de gemeenschapsinstellingen om te beoordelen of het door de producent-exporteur geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat de in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening cumulatief gestelde voorwaarden zijn vervuld, en aan de gemeenschapsrechter om na te gaan of die beoordeling op een kennelijke onjuistheid berust.
(cf. punten 76, 82‑83)
4. In het kader van de procedure tot beoordeling van de voorwaarden op basis waarvan een producent aanspraak kan maken op de status van marktgerichte onderneming, bevat artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96, dat in een termijn van drie maanden vanaf de inleiding van de procedure door de Commissie voorziet, geen enkele indicatie betreffende de gevolgen van de overschrijding van deze termijn. Inzonderheid preciseert dit artikel niet of bij een dergelijke overschrijding noodzakelijkerwijs voormelde status moet worden toegekend, dan wel het onderzoek niet kan worden voortgezet. Dit zijn de enige redenen waarom een verordening tot instelling van definitieve antidumpingrechten, vastgesteld na een beschikking betreffende de toekenning van deze status, wegens die overschrijding automatisch nietig zou kunnen worden verklaard. Aangezien een dergelijke precisering evenmin uit een andere bepaling van de basisverordening blijkt, dienen het doel en de structuur van deze verordening te worden onderzocht om uit te maken of deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat zij de verplichte toekenning van de voormelde status meebrengt of dat het betrokken onderzoek niet kan worden voortgezet ingeval de termijn van drie maanden door de Commissie wordt overschreden.
In dit verband blijkt uit de bepalingen van de basisverordening betreffende andere termijnen, met name die van artikel 8, lid 5, en artikel 9, leden 2 en 4, dat ingeval de basisverordening aan de niet-inachtneming van een proceduretermijn door de instellingen het gevolg beoogt te verbinden dat een verzoek van rechtswege is ingewilligd, dan wel daaraan andere concrete gevolgen beoogt te verbinden, deze verordening dit uitdrukkelijk aangeeft. Bovendien volgt uit het doel en de structuur van de basisverordening – althans in het kader van sommige herzieningsonderzoeken – dat deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de overschrijding door de Commissie van de voor het onderzoek gestelde termijn van drie maanden de gemeenschapsinstellingen belet, een verordening vast te stellen waarbij aan de betrokken ondernemingen antidumpingrechten worden opgelegd. Het zou immers onjuist zijn om te concluderen dat indien de ondernemingen die het voorwerp van een herzieningsonderzoek uitmaken in een land zonder markteconomie gevestigd waren en voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking wensen te komen, de Commissie het tegen hen gevoerde onderzoek niet kan voortzetten wanneer zij de termijn van drie maanden overschrijdt, aangezien dit in strijd zou zijn met het doel van hun initieel verzoek, namelijk een nieuw onderzoek van hun individuele situatie. Het zou eveneens onjuist zijn om te concluderen dat de Commissie een nieuw onderzoek zou moeten inleiden, aangezien dit er in de praktijk op zou neerkomen dat deze termijn nog meer wordt overschreden.
Bovendien heeft de in artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening gestelde termijn tot doel, te waarborgen dat bij de beslissing over de vraag of de betrokken producent aan de in dit artikel genoemde criteria voldoet, niet bepalend is, hoe zij de berekening van de dumpingmarge beïnvloedt. Derhalve verzet de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening zich ertegen dat de instellingen, na een beslissing over de status van marktgerichte onderneming te hebben genomen, de informatie waarover zij dienaangaande beschikten, achteraf opnieuw evalueren. Derhalve zou aan het nuttig effect van deze termijn niet worden afgedaan indien voor het tijdvak tussen het verstrijken van de termijn van drie maanden en de beslissing over de status van marktgerichte onderneming, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, moest worden vastgesteld dat de Commissie door het gedrag van de ondernemingen die om erkenning als marktgerichte onderneming hadden verzocht niet kon weten welk effect haar beslissing betreffende de status van marktgerichte onderneming zou kunnen hebben op de berekening van de dumpingmarge.
Bij gebreke van een bepaling waarin expliciet of impliciet wordt vastgesteld welke gevolgen de overschrijding van een proceduretermijn heeft, kan deze overschrijding ten slotte enkel leiden tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de handeling waarvoor het besluitvormingsproces in deze termijn voorziet, indien vaststaat dat deze handeling bij ontbreken van die beweerde onregelmatigheid mogelijkerwijs een andere inhoud had kunnen hebben.
(cf. punten 116‑117, 119‑120, 122, 124‑125, 127‑128, 138)
5. Ook al schrijft artikel 11, lid 9, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 voor dat de Commissie bij alle overeenkomstig dit artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk gaat als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, volgt uit dit artikel eveneens dat de toegepaste methode in overeenstemming moet zijn met de bepalingen van de artikelen 2 en 17 van de basisverordening.
Bijgevolg zijn de instellingen niet gehouden, in een herzieningsonderzoek de in het oorspronkelijke onderzoek gehanteerde werkwijze toe te passen, indien deze methode niet strookt met de bepalingen van artikel 2 van de basisverordening. Bij de vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde zou elke andere uitlegging met betrekking tot ondernemingen uit een land zonder markteconomie die niet de status van marktgerichte onderneming hebben verkregen en waarvoor de normale waarde van een vergelijkbaar land is toegepast, immers tot een absurde situatie leiden waarin, indien de Raad de normale waarde op basis van de samenvoeging van de reële uitvoerprijzen en de reële verkoopprijzen van de exporteur van het gekozen vergelijkbare land berekent, deze ondernemingen op goede gronden nietigverklaring van de verordening waarbij hun antidumpingrechten worden opgelegd, zouden kunnen vorderen wegens schending van artikel 2, lid 3, van de basisverordening, terwijl, indien de Raad de normale waarde op basis van een geconstrueerde waarde berekent, deze ondernemingen nietigverklaring van deze verordening zouden kunnen vorderen wegens schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening.
Bovendien omvat de verplichting van artikel 11, lid 9, van de basisverordening niet de verplichting of het verbod om in het kader van het herzieningsonderzoek verificatiebezoeken te verrichten, naargelang dergelijke bezoeken al dan niet in het kader van het oorspronkelijke onderzoek zijn verricht. Het verifiëren van informatie kan immers niet worden geacht deel uit te maken van de methode die is gekozen om uit te maken of er sprake is van dumping, maar enkel als een middel om inlichtingen te verkrijgen op basis waarvan deze methode kan worden toegepast.
(cf. punten 176‑178, 187)
6. Volgens de opzet van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 heeft de berekening van de normale waarde tot doel, de verkoopprijs van een product te bepalen zoals deze zou zijn wanneer dit product in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht, en moeten bijgevolg de kosten die verband houden met de verkoop op de binnenlandse markt in aanmerking worden genomen om de geconstrueerde waarde te berekenen. De instellingen hoeven bij de berekening van de normale waarde niet de reële kosten van de onderzochte onderneming in aanmerking te nemen, maar zij moeten een redelijke schatting maken van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten die deze onderneming zou moeten dragen indien zij het betrokken product in voldoende hoeveelheden in haar land van oorsprong zou verhandelen.
Wat de praktijk van aftrek voor commissies betreft, die overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening noodzakelijk kan blijken teneinde rekening te houden met verschillen tussen de uitvoerprijs en de normale waarde die de vergelijkbaarheid daarvan beïnvloeden, deze aftrek kan niet op een geconstrueerde – en dus niet reële – waarde worden toegepast. Deze waarde wordt immers in beginsel niet beïnvloed door elementen die afbreuk kunnen doen aan de vergelijkbaarheid ervan, zoals commissies, aangezien zij kunstmatig is vastgesteld door de samenvoeging van verschillende elementen, waartoe echter niet behoren betalingen aan of winstmarges van distributeurs die met een dergelijke commissie vergelijkbaar zouden zijn en zouden moeten worden afgetrokken.
(cf. punten 258, 266)
7. Zowel uit de bewoordingen als uit de strekking van artikel 2, lid 10, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 blijkt dat een correctie van de uitvoerprijs of van de normale waarde alleen mag worden toegepast om rekening te houden met verschillen betreffende factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan. Dit is evenwel niet het geval voor een commissie die niet daadwerkelijk is betaald.
Om een correctie voor commissies te kunnen toepassen, moeten de instellingen zich baseren op elementen die kunnen aantonen of waaruit kan worden afgeleid dat er daadwerkelijk een commissie is betaald die in een bepaalde mate de vergelijkbaarheid van de uitvoerprijs en de normale waarde kan beïnvloeden.
Gelet op de invoering van een tweede volzin in artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening kan thans evenwel niet alleen een correctie worden toegepast uit hoofde van verschillen tussen de voor de betrokken verkopen betaalde commissies, maar ook uit hoofde van de door de wederverkopers van het product geïnde marge, indien deze laatste functies vervullen die vergelijkbaar zijn met die van een agent die op commissiebasis werkt. Zelfs wanneer aan de met de producenten/exporteurs verbonden verkoopondernemingen geen enkele commissie is betaald, is een aftrek uit hoofde van commissies op de uitvoerprijs dan ook rechtmatig, aangezien deze ook kan worden toegepast ingeval de betrokken wederverkopers functies vervullen die vergelijkbaar zijn met die van een agent en een commerciële marge innen, ook al is er niet daadwerkelijk een commissie betaald.
(cf. punten 272, 274, 279, 281‑282)
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
18 maart 2009 (*)
„Dumping – Invoer van elektronische weegschalen uit China – Status van marktgerichte onderneming – Artikel 2, lid 7, sub a en c, en lid 10, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96”
In zaak T‑299/05,
Shanghai Excell M&E Enterprise Co. Ltd, gevestigd te Shanghai (China),
Shanghai Adeptech Precision Co. Ltd, gevestigd te Huaxin Town (China),
vertegenwoordigd door R. MacLean, solicitor, en E. Gybels, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Talabér‑Ritz en E. Righini, vervolgens door H. van Vliet en Talabér‑Ritz, als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van verordening (EG) nr. 692/2005 van de Raad van 28 april 2005 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China (PB L 112, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: V. Tiili (rapporteur), kamerpresident, F. Dehousse en I. Wiszniewska-Białecka, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 mei 2008,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
A – Onderzoek en aanvankelijke verordeningen
1 Op 27 november 2000 heeft de Raad verordening (EG) nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van bepaalde elektronische weegschalen [...] uit de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Taiwan (PB L 301, blz. 42; hierna: „aanvankelijke verordening”) vastgesteld.
2 Tijdens het onderzoek dat tot de vaststelling van deze verordening heeft geleid (hierna: „oorspronkelijk onderzoek”) heeft de Commissie onder meer onderzocht of er sprake was van dumping met betrekking tot de invoer uit deze drie landen naar de Europese Gemeenschap van elektronische weegschalen voor de kleinhandel met een weegvermogen van niet meer dan 30 kg en een numerieke aanduiding van het gewicht, de eenheidsprijs en het te betalen bedrag (met of zonder inrichting om deze drie vermeldingen af te drukken) (hierna: „elektronische weegschalen”).
3 Wat China betreft, hebben drie producenten/exporteurs besloten om mee te werken aan het onderzoek en zij hebben een individuele behandeling gekregen. Deze drie ondernemingen hebben verzocht om toekenning van de status van marktgerichte onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 7, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 905/98 van de Raad van 27 april 1998 (PB L 128, blz. 18), zoals gerectificeerd (hierna: „basisverordening”). De Raad heeft evenwel geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, sub c, van deze verordening en heeft dit verzoek afgewezen. Bijgevolg dienden de uitvoerprijzen van de Chinese producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening te worden vergeleken met de normale waarde in een vergelijkbaar land met een markteconomie (punten 45‑48 en 52 van de aanvankelijke verordening).
4 De instellingen hebben geoordeeld dat Indonesië het meest geschikte derde land met een markteconomie was voor de vaststelling van de normale waarde (punten 49 en 50 van de aanvankelijke verordening). Deze waarde is derhalve overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van de basisverordening berekend op basis van de normale waarden die zijn vastgesteld voor een Indonesische onderneming, namelijk PT Toshiba TEC Corporation Indonesia (hierna: „Toshiba Indonesia”) (punt 53 van de aanvankelijke verordening).
5 De Raad heeft de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek en in hetzelfde handelsstadium, waarbij is gebleken dat er voor de drie producenten/exporteurs een dumpingmarge van 9 % tot 12,8 % bestond (punt 58 van de aanvankelijke verordening).
6 Gelet op de geringe medewerking van alle andere Chinese producenten/exporteurs, is de residuele dumpingmarge voor hen vastgesteld op het niveau van de hoogste individuele dumpingmarge voor één enkel door de medewerkende ondernemingen geproduceerd model van elektronische weegschaal, te weten 30,7 %.
7 Bijgevolg zijn bij artikel 1, lid 2, van de aanvankelijke verordening aan de drie Chinese producenten/exporteurs die medewerking hadden verleend, individuele antidumpingrechten opgelegd ten belope van maximaal 12,8 %, en is voor alle andere Chinese ondernemingen een recht van 30,7 % ingesteld.
B – Herzieningsonderzoek
8 Verzoeksters, de verbonden ondernemingen Shanghai Excell M&E Enterprise Co. Ltd (hierna: „Shanghai Excell”) en Shanghai Adeptech Precision Co. Ltd (hierna: „Shanghai Adeptech”), vervaardigen in China elektronische weegschalen. Shanghai Excell en Shanghai Adeptech zijn in juni 2003 elektronische weegschalen gaan uitvoeren naar de Gemeenschap. Op hen is een antidumpingrecht toegepast van 30,7 % .
9 Verzoeksters hebben de Commissie verzocht om herziening van de aanvankelijke verordening op grond dat zij een „nieuwe exporteur” in de zin van artikel 11, lid 4, van de basisverordening waren. Zij betoogden dat zij in het oorspronkelijke onderzoektijdvak, dat wil zeggen in de periode van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 1999 (hierna: „oorspronkelijk onderzoektijdvak”), geen elektronische weegschalen naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd en dat zij niet verbonden waren met de producenten/exporteurs waarop de betrokken maatregelen van toepassing waren.
10 Bij verordening (EG) nr. 1408/2004 van de Commissie van 2 augustus 2004 tot inleiding van een procedure, ten behoeve van een nieuwe exporteur, voor de herziening van verordening nr. 2605/2000 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op elektronische weegschalen uit, onder meer, de Volksrepubliek China, tot intrekking van het recht ten aanzien van de invoer door twee Chinese exporteurs en tot registratie van deze invoer (PB L 256, blz. 8), heeft de Commissie een procedure tot herziening met betrekking tot verzoeksters ingeleid. Het antidumpingrecht van 30,7 % op hun elektronische weegschalen is ingetrokken en de Commissie heeft de douaneautoriteiten de opdracht gegeven passende maatregelen te nemen om de invoer van deze weegschalen te registreren, waarbij deze registratie moest worden verricht gedurende negen maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1408/2004.
11 Op 23 februari 2005 heeft de Commissie verzoeksters een brief toegestuurd waarin zij uiteenzette waarom zij voornemens was, hun een individuele behandeling toe te kennen en hun een antidumpingrecht van 54,8 % op te leggen. Bij brief van 7 maart 2005 hebben verzoeksters het standpunt van de Commissie betwist.
C – Bestreden verordening
12 Op 28 april 2005 heeft de Raad verordening (EG) nr. 692/2005 van 28 april 2005 vastgesteld tot wijziging van verordening nr. 2605/2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van elektronische weegschalen uit onder andere de Volksrepubliek China (PB L 112, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”).
13 In de bestreden verordening heeft de Raad bevestigd dat verzoeksters nieuwe exporteurs in de zin van artikel 11, lid 4, van de basisverordening waren (punten 9‑11).
14 De Raad heeft geoordeeld dat, aangezien verzoeksters in China waren gevestigd, de normale waarde – evenals in de aanvankelijke verordening – moest worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, daar verzoeksters niet voldeden aan de eerste twee van de in artikel 2, lid 7, sub c, van deze verordening opgesomde criteria, en zij de elektronische weegschalen dus niet op marktvoorwaarden vervaardigden en verkochten (punten 12‑26). De Raad heeft niettemin geoordeeld dat verzoeksters de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening opgenomen voorwaarden voor de toekenning van een individuele behandeling vervulden (punten 27 en 28).
15 Evenals in de aanvankelijke verordening heeft de Raad overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de geconstrueerde waarde in een referentieland, namelijk Indonesië. De normale waarde is berekend op basis van de informatie die Toshiba Indonesia heeft meegedeeld.
16 De Raad heeft de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek en in hetzelfde handelsstadium, waarbij hij overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening heeft gehouden met verschillen die de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloedden (punten 42‑45). Ten slotte heeft de Raad de gewogen gemiddelde normale waarde voor elk betrokken producttype vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs en geconcludeerd dat er sprake was van een dumpingmarge van 52,6 % (punten 55 en 56).
17 Bijgevolg is bij artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening een antidumpingrecht ten belope van 52,6 % ingesteld op de invoer van verzoeksters in de Gemeenschap.
18 Bij artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening is hetzelfde recht met terugwerkende kracht toegepast op de invoer die is geregistreerd overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1408/2004. Zodoende is verzoeksters vanaf augustus 2004 een recht opgelegd van 52,6 %. Ten slotte is in artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening de douaneautoriteiten van de Europese Unie opgedragen, te stoppen met de registratie van de invoer van verzoeksters.
19 Overeenkomstig artikel 2 van de bestreden verordening is deze verordening in werking getreden op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad, te weten op 4 mei 2005.
20 De bij de aanvankelijke verordening, zoals gewijzigd bij de bestreden verordening, ingestelde rechten zijn overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening op 1 december 2005 vervallen. Na de publicatie van een bericht dat de maatregelen op het punt stonden te vervallen, heeft de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap niet verzocht om een nieuw onderzoek van de vervallen maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening.
Procesverloop en conclusies van partijen
21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 juli 2005, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
22 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 november 2005, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Bij beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 12 januari 2006 is dit verzoek toegewezen.
23 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, naar welke kamer de onderhavige zaak dan ook is verwezen.
24 In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, bedoeld in artikel 64 van de Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht partijen op 19 maart 2008 verzocht enkele schriftelijke vragen te beantwoorden en een aantal documenten over te leggen. Verzoeksters hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.
25 Bij brief van 15 april 2008 heeft de Raad het Gerecht laten weten dat hij geen gevolg kon geven aan deze verzoeken omdat sommige van de gevraagde documenten vertrouwelijk waren en deze hoe dan ook in het bezit van de Commissie waren. Voorts stelde de Raad dat verzoeksters geen procesbelang meer hadden.
26 Bij beschikking van 7 mei 2008 heeft het Gerecht de Raad en de Commissie overeenkomstig de artikelen 65, sub b, 66, lid 1, en 67, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering gelast, sommige van de gevraagde documenten over te leggen en daarbij enige uitleg te verstrekken, met de verduidelijking dat deze documenten in dit stadium niet aan verzoeksters zouden worden meegedeeld. De Raad en de Commissie hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Zij hebben evenwel gepreciseerd dat zij deze documenten als strikt vertrouwelijk beschouwden, aangezien deze gevoelige commerciële informatie over Toshiba Indonesia bevatten.
27 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) besloten de mondelinge behandeling te openen.
28 Partijen zijn ter terechtzitting van 20 mei 2008 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.
29 Ter terechtzitting hebben verzoeksters ermee ingestemd dat het Gerecht in voorkomend geval de informatie in de door de Raad en de Commissie als vertrouwelijk aangemerkte documenten zou gebruiken, waarvan in het proces-verbaal van terechtzitting akte is genomen. Het Gerecht heeft evenwel voor het onderhavige arrest uitsluitend het gebruik van de verzoeksters ter beschikking gestelde informatie noodzakelijk geacht.
30 Eveneens ter terechtzitting hebben verzoeksters afstand gedaan van hun negende middel, volgens hetwelk zij in de bestreden verordening onjuist zijn geïdentificeerd. Ook hiervan is in het proces-verbaal van terechtzitting akte genomen.
31 Ten slotte is er ter terechtzitting de aandacht op gevestigd dat de documenten die verzoeksters het Gerecht ingevolge zijn verzoek van 19 maart 2008 hebben doen toekomen, niet de gevraagde documenten zijn. De Raad heeft verzocht om toelating tot neerlegging van een kopie van deze documenten, die tot het administratieve dossier behoren en haar door verzoeksters zijn overgelegd tijdens het onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. Verzoeksters hebben zich tegen die neerlegging verzet, waarvan in het proces-verbaal van terechtzitting akte is genomen. Het Gerecht heeft verzoeksters een termijn gesteld voor de indiening van hun opmerkingen over deze documenten en over de eventuele toevoeging ervan aan het dossier.
32 Op 30 mei 2008 hebben verzoeksters opmerkingen over de in het vorige punt genoemde documenten ingediend en hun verzet tegen de toevoeging van deze documenten aan het dossier herhaald. Het Gerecht is evenwel van oordeel dat de neerlegging van deze documenten door de Raad enkel de door verzoeksters door onachtzaamheid dan wel opzettelijk gemaakte fout herstelt en dat deze documenten derhalve aan het dossier moeten worden toegevoegd.
33 Op 6 juni 2008 heeft de Raad ter griffie van het Gerecht een corrigendum neergelegd van de informatie die hij het Gerecht ingevolge diens beschikking van 7 mei 2008 had doen toekomen. Bij brief van 6 juni 2008 heeft de Commissie het Gerecht ervan op de hoogte gebracht dat de uitleg die zij het Gerecht ingevolge voornoemde beschikking had verstrekt, tegen de achtergrond van het door de Raad neergelegde corrigendum diende te worden gewijzigd.
34 Op 10 juli 2008 hebben verzoeksters opmerkingen over dit corrigendum ingediend.
35 Op 24 september 2008 is de mondelinge behandeling gesloten.
36 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze hen betreft,
– de Raad te verwijzen in de kosten.
37 In zijn memories concludeert de Raad, ondersteund door de Commissie, dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
38 In zijn brief van 15 april 2008 concludeert de Raad dat het het Gerecht behage:
– vast te stellen dat geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan op het beroep, aangezien verzoeksters geen belang bij de voortzetting van de procedure meer hebben;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
Verzoek om afdoening zonder beslissing
A – Argumenten van partijen
39 De Raad betoogt dat de elektronische weegschalen van verzoeksters niet meer aan antidumpingrechten waren onderworpen na het buiten werking treden van de aanvankelijke verordening, op 1 december 2005. Bovendien blijkt uit de van de lidstaten verkregen informatie dat deze staten de bij de bestreden verordening opgelegde antidumpingrechten maar in zeer geringe mate hebben geheven en dat die geringe bedragen niet door verzoeksters, maar door niet met haar verbonden importeurs zijn betaald.
40 De Raad is dan ook van mening dat nietigverklaring van de bestreden verordening geen rechtsgevolgen zou sorteren voor verzoeksters, die derhalve geen belang meer hebben bij de voortzetting van de onderhavige procedure.
41 Verzoeksters menen dat het Gerecht dit argument van de Raad niet hoeft te onderzoeken, aangezien het te laat is aangevoerd. Voorts bevestigen zij dat zij geen antidumpingrechten hebben betaald ten belope van de door de bestreden verordening opgelegde bedragen. Zij voeren evenwel aan dat de heffing van een zeer hoog antidumpingrecht op hun elektronische weegschalen gedurende bijna vijf maanden hun inspanningen om deze producten te verhandelen in Europa, hebben doen mislukken, hetgeen juist verklaart waarom slechts een zeer gering deel van de antidumpingrechten door hun importeurs is betaald. Bovendien benadrukken verzoeksters dat zij nog steeds procesbelang hebben, aangezien zij voornemens zijn zich later in het kader van een schadevordering op de onrechtmatigheid van de bestreden verordening te beroepen.
B – Beoordeling door het Gerecht
42 Daar het ontbreken van procesbelang een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde is, moet het Gerecht ambtshalve nagaan of een verzoekende partij belang heeft bij nietigverklaring van de door haar bestreden beschikking (beschikking Gerecht van 10 maart 2005, Gruppo ormeggiatori del porto di Venezia e.a./Commissie, T‑228/00, T‑229/00, T‑242/00, T‑243/00, T‑245/00–T‑248/00, T‑250/00, T‑252/00, T‑256/00–T‑259/00, T‑265/00, T‑267/00, T‑268/00, T‑271/00, T‑274/00–T‑276/00, T‑281/00, T‑287/00 en T‑296/00, Jurispr. blz. II‑787, punt 22). Bijgevolg moet het door de Raad aangevoerde argument worden onderzocht, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de beweerde laattijdige aanvoering ervan.
43 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie arrest Hof van 17 april 2008, Flaherty e.a./Commissie, C‑373/06 P, C‑379/06 P en C‑382/06 P, Jurispr. blz. I‑2649, punt 25 en aangehaalde rechtspraak).
44 In casu hadden verzoeksters volgens de Raad bij de instelling van beroep procesbelang, maar hebben zij dit nadien verloren aangezien zij sinds het buiten werking treden van de aanvankelijke verordening – en dus van de bestreden verordening – op 1 december 2005 geen profijt meer kunnen trekken uit eventuele nietigverklaring van deze laatste verordening, daar deze enerzijds niet meer van toepassing is op hun uitvoer naar de Gemeenschap, en hun anderzijds geen enkele terugbetaling als rechtstreeks gevolg van die nietigverklaring zou worden gedaan, gelet op het feit dat zij in het verleden geen enkel antidumpingrecht krachtens deze verordening hebben betaald.
45 Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, moet dit betoog van de Raad evenwel om verschillende redenen worden afgewezen.
46 In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat het buiten werking treden in de loop van het geding van de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, op zich niet meebrengt dat het Gerecht de zaak zonder beslissing moet afdoen omdat er op de datum van uitspraak van het arrest geen voorwerp of procesbelang meer is (zie in die zin arrest Hof van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 47).
47 In dit verband moet worden vastgesteld dat de bestreden verordening door de Raad niet formeel is ingetrokken (zie in die zin arrest Wunenburger/Commissie, punt 46 supra, punt 48).
48 In de tweede plaats is het vaste rechtspraak van het Hof dat de verzoeker een belang kan behouden bij een vordering tot nietigverklaring van een handeling van een gemeenschapsinstelling om te voorkomen dat de onrechtmatigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet (arrest Wunenburger/Commissie, punt 46 supra, punt 50; zie in die zin eveneens arresten Hof van 24 juni 1986, AKZO Chemie/Commissie, 53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 21, en 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 16).
49 Dat procesbelang vloeit voort uit artikel 233, eerste alinea, EG, op grond waarvan de instellingen waarvan de handeling nietig is verklaard gehouden zijn de maatregelen te nemen welke nodig zijn voor de uitvoering van het arrest van het Hof (arrest Wunenburger/Commissie, punt 46 supra, punt 51).
50 Het is juist dat dit procesbelang alleen kan bestaan indien de gestelde onrechtmatigheid zich in de toekomst kan herhalen, onafhankelijk van de omstandigheden van de zaak die aanleiding hebben gegeven tot het door de verzoeker ingestelde beroep (arrest Wunenburger/Commissie, punt 46 supra, punt 52).
51 Zulks is evenwel het geval bij een beroep tot nietigverklaring, zoals het onderhavige, dat is ingesteld door ondernemingen die ingevolge een herzieningsprocedure aan een antidumpingrecht zijn onderworpen, ook al is dit recht niet meer van toepassing, voor zover zij opkomen tegen de procedure die tot de oplegging van dit recht heeft geleid. In tegenstelling tot de inhoudelijke beoordeling of er sprake is van een dumpingpraktijk, kunnen de modaliteiten van een herzieningsprocedure in de toekomst in het kader van soortgelijke procedures worden overgenomen, zodat verzoeksters hun belang om tegen de bestreden verordening op te komen behouden, zelfs al heeft deze voor hen geen gevolgen meer, met het oog op toekomstige tegen hen gerichte antidumpingprocedures (zie in die zin arrest Wunenburger/Commissie, punt 46 supra, punten 56‑59).
52 Dienaangaande zij erop gewezen dat verzoeksters met het onderhavige beroep op meerdere punten opkomen tegen de methode die de Raad in de bestreden verordening heeft gekozen om uit te maken of zij voldeden aan de voorwaarden voor de erkenning als marktgerichte onderneming, en om hun dumpingmarge te berekenen. Deze methoden kunnen in de toekomst in het kader van soortgelijke procedures worden overgenomen.
53 In de derde plaats kan een verzoeker een belang behouden om nietigverklaring te vorderen van een handeling die hem rechtstreeks raakt, teneinde van de gemeenschapsrechter de vaststelling van een jegens hem begane onrechtmatigheid te verkrijgen, zodat deze vaststelling als grondslag kan dienen voor een eventueel beroep tot schadevergoeding waarmee de door de bestreden handeling berokkende schade passend kan worden vergoed (zie in die zin arrest Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punt 74).
54 Dit is in casu het geval. De bestreden verordening heeft de invoer van de elektronische weegschalen van verzoeksters immers gedurende vijf maanden onderworpen aan een antidumpingrecht dat nagenoeg het dubbele bedraagt van het jegens andere Chinese producenten toegepaste recht en dat hun verkoopprijs in de Gemeenschap met meer dan 50 % verhoogt.
55 In die context behouden verzoeksters een belang om de onrechtmatigheid van de bestreden verordening te doen vaststellen, aangezien deze vaststelling de gemeenschapsrechter enerzijds zal binden bij een beroep tot schadevergoeding, en zij anderzijds de basis kan vormen voor eventuele buitengerechtelijke onderhandelingen tussen de Raad en verzoeksters met het oog op de vergoeding van de door hen geleden schade.
56 In de vierde plaats zou aanvaarding van het betoog van de Raad erop neerkomen dat door de instellingen vastgestelde handelingen die beperkte gevolgen in de tijd hebben en die buiten werking treden nadat een beroep tot nietigverklaring is ingesteld maar vóórdat het Gerecht het desbetreffende arrest heeft kunnen uitspreken, aan elk rechterlijk toezicht zouden ontsnappen, indien zij niet tot de inning van geldbedragen hebben geleid.
57 Een dergelijke situatie is evenwel onverenigbaar met de geest van artikel 230 EG, op grond waarvan de gemeenschapsrechter de wettigheid nagaat van de handelingen van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de Europese Centrale Bank (ECB), voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. De Europese Gemeenschap is immers een rechtsgemeenschap in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele basishandvest dat in het EG-Verdrag is belichaamd, noch aan het recht dat hieruit voortvloeit (zie in die zin arrest Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23).
58 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoeksters nog steeds procesbelang hebben.
Ten gronde
59 Verzoeksters voeren ter onderbouwing van hun beroep acht middelen aan, waarvan er een aantal kunnen worden gegroepeerd. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening, het tweede aan schending van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, eerste streepje, van de basisverordening, het derde aan schending van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede streepje, van de basisverordening, het vierde aan schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening. Het vijfde en het achtste middel zijn ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, en het zesde en het zevende middel, ten slotte, aan schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening.
60 Het Gerecht is van oordeel dat allereerst het tweede en het derde middel moeten worden behandeld.
A – Tweede en derde middel, ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, respectievelijk eerste en tweede streepje, van de basisverordening
61 Artikel 2, lid 7, van de basisverordening bepaalt dat, in afwijking van de regels die in de leden 1 tot en met 6 van dit artikel zijn neergelegd, de normale waarde bij invoer uit landen zonder markteconomie in beginsel wordt vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie.
62 Artikel 2, lid 7, sub b, van deze basisverordening bepaalt evenwel:
„Bij antidumpingonderzoeken betreffende de invoer uit [Rusland] en [China] wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de [sub c] vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden produceren en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het [in artikel 2, lid 7, sub a] bepaalde [...] van toepassing.”
63 Ten slotte bepaalt artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening:
„De [in artikel 2, lid 7, sub b] bedoelde verzoeken moeten schriftelijk worden ingediend en voldoende bewijs bevatten van het feit dat de producenten op marktvoorwaarden opereren, dat wil zeggen, wanneer:
– besluiten van bedrijven inzake prijzen, kosten en productiemiddelen, met inbegrip van bijvoorbeeld grondstoffen, kosten van technologie en arbeid, productie, verkoop en investeringen worden genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod, en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt, en kosten en belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk marktvoorwaarden weergeven;
– bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt;
[...]
– omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.
[...]”
64 Verzoeksters hebben onmiddellijk nadat het herzieningsonderzoek was ingeleid, de status van marktgerichte onderneming aangevraagd. De Raad heeft in de bestreden verordening geoordeeld dat dit verzoek moest worden afgewezen op grond dat verzoeksters niet aan de eerste twee in het vorige punt genoemde voorwaarden voldeden (punten 13‑15).
65 Met betrekking tot de eerste van deze voorwaarden heeft de Raad in de bestreden verordening geoordeeld dat verschillende elementen erop wezen dat er voor verzoeksters sprake was van staatsinmenging van betekenis. Deze elementen waren, ten eerste, het feit dat volgens de statuten van een van beide verzoeksters haar partner, een staatsbedrijf dat geen kapitaal in de onderneming bezit en werd opgevoerd alsof het slechts als verhuurder optrad, compensatie kan verlangen indien de onderneming haar productie‑, verkoop‑ en winstdoelen niet bereikt, ten tweede, het feit dat toestemming van de plaatselijke autoriteiten is vereist voor de erkenning van gebouwen als vaste activa en om te kunnen beginnen met het afschrijven van de grondgebruiksrechten, ten derde, het feit dat een van beide verzoeksters nooit huur heeft betaald voor het grondgebruik, en, ten vierde, het feit dat zij bankgaranties genoot die door een derde kosteloos werden verstrekt (punt 16 van de bestreden verordening).
66 Wat de tweede voorwaarde betreft, volgens welke de ondernemingen die voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking wensen te komen, moeten aantonen dat zij over een duidelijke basisboekhouding beschikken die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt, heeft de Raad in punt 17 van de bestreden verordening geoordeeld dat verzoeksters niet bleken te voldoen aan sommige „International Accounting Standards” (internationale boekhoudnormen; hierna: „IAS”) van de International Accounting Standards Board.
67 Betreffende IAS 1 heeft de Raad geoordeeld dat verzoeksters inbreuk maakten op drie fundamentele boekhoudkundige beginselen: het toerekeningsbeginsel, het voorzichtigheidsbeginsel en het beginsel dat de economische realiteit boven de juridische vorm gaat. Volgens de Raad voldeden verzoeksters evenmin aan IAS 2 inzake de inventarisatie, werden hun gebouwen niet geboekt en gedeprecieerd volgens IAS 16, werden de grondgebruiksrechten niet afgeschreven overeenkomstig IAS 38, maakten verzoeksters inbreuk op IAS 21 inzake de gevolgen van wisselkoersschommelingen en op IAS 36 inzake de waardevermindering van activa, wezen verschillende accountantsverslagen van verzoeksters op problemen met betrekking tot de inventarisatie en tekenden deze verslagen aan dat het bedrijf niet de nodige voorzieningen voor waardeverminderingen van activa had getroffen. Tevens heeft de Raad geoordeeld dat het feit dat de accountantsverslagen over de meeste schendingen van de IAS zwegen, erop wees dat de accountantscontroles niet volgens de IAS werden uitgevoerd (punten 17 en 18 van de bestreden verordening).
1. Argumenten van partijen
68 Verzoeksters stellen dat het standpunt van de Raad in de punten 12 tot en met 26 van de bestreden verordening volgens welke zij niet voldeden aan de eerste twee criteria van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, onjuist is.
69 In het kader van het tweede middel beroepen verzoeksters zich op kennelijke onjuistheid van de analyse van de Raad in de bestreden verordening met betrekking tot de vraag of, enerzijds, bij hun besluiten inzake prijzen en kosten van productiemiddelen rekening wordt gehouden met marktsignalen die vraag en aanbod weergeven, en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt, en, anderzijds, de kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk marktvoorwaarden weergeven.
70 In het kader van het derde middel betogen verzoeksters dat de Raad in de bestreden verordening ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet voldeden aan de tweede voorwaarde van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, volgens welke ondernemingen die als marktgerichte onderneming erkend willen worden, moeten beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt.
71 In dit verband merken verzoeksters op dat aangezien de boekhoudnormen die de Commissie in casu heeft toegepast, namelijk de IAS, in China niet gelden, geen enkele in dit land gevestigde onderneming deze normen in acht hoeft te nemen. Indien de toepassing van deze normen werd verlangd, zou dus geen enkele Chinese onderneming de status van marktgerichte onderneming kunnen verkrijgen. Overigens moeten ook in de Gemeenschap, krachtens verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243, blz. 1), slechts sommige ondernemingen de IAS in acht nemen, zulks vanaf 1 januari 2005.
72 Voorts voeren verzoeksters aan dat de Commissie in het proces-verbaal van de Raad betreffende verordening nr. 905/98, waarbij het begrip „status van marktgerichte onderneming” in de basisverordening is ingevoerd, wordt verzocht dit begrip aldus toe te passen dat alle ondernemingen, ongeacht hun omvang, op dezelfde wijze aanspraak op de desbetreffende bepalingen kunnen maken. De gemeenschapsinstellingen hebben evenwel geëist dat de boekhouding van verzoeksters in overeenstemming zou zijn met uitermate strenge normen, waaraan zij als kleine en middelgrote ondernemingen onmogelijk konden voldoen.
73 Verzoeksters kritiseren dat de gemeenschapsinstellingen niet hebben geprobeerd om andere internationaal erkende normen toe te passen, ofschoon zij herhaaldelijk daarom hebben verzocht, en zij wijzen erop dat de Commissie bij haar controleonderzoek in de bedrijfsruimten van Shanghai Adeptech de accountants van deze onderneming heeft verzocht, de lokalen onmiddellijk te verlaten. Daardoor heeft zij deze onderneming elke mogelijkheid ontnomen om de overeenstemming van haar boekhouding met de internationale standaardnormen toe te lichten.
74 Ten slotte zijn verzoeksters van mening dat de Raad, door in de bestreden verordening ongeschikte boekhoudnormen zoals de IAS in plaats van de in artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede streepje, van de basisverordening genoemde „internationale boekhoudnormen” toe te passen, een kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van de gecontroleerde rekeningen van de twee ondernemingen.
75 De Raad repliceert dat het tweede en het derde middel ongegrond moeten worden verklaard.
2. Beoordeling door het Gerecht
76 Uit zowel het gebruik van het woord „en” tussen het vierde en het vijfde streepje [niet van toepassing op de NL versie] van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening als uit de aard zelf van de voorwaarden die in deze bepaling zijn opgenomen, volgt dat deze voorwaarden cumulatief zijn. Wanneer bijgevolg een producent die om de status van marktgerichte onderneming verzoekt, een van deze voorwaarden niet vervult, dient zijn verzoek te worden afgewezen (arrest Gerecht van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T‑35/01, Jurispr. blz. II‑3663, punt 54).
77 Hieruit volgt dat aangezien de Raad in de bestreden verordening heeft geoordeeld dat de aanvraag van verzoeksters tot verkrijging van de status van marktgerichte onderneming moest worden afgewezen op grond dat zij aan geen van de eerste twee voorwaarden van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening voldeden (punten 13‑15), de onderhavige middelen enkel tot nietigverklaring van de bestreden verordening kunnen leiden indien zij beide slagen.
78 In die context is het Gerecht van oordeel dat eerst het derde middel moet worden onderzocht.
79 In dit verband moet vooraf eraan worden herinnerd dat de gemeenschapsinstellingen op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arresten Gerecht van 5 juni 1996, NMB France e.a./Commissie, T‑162/94, Jurispr. blz. II‑427, punt 72; 29 januari 1998, Sinochem/Raad, T‑97/95, Jurispr. blz. II‑85, punt 51; 17 juli 1998, Thai Bicycle/Raad, T‑118/96, Jurispr. blz. II‑2991, punt 32, en 4 juli 2002, Arne Mathisen/Raad, T‑340/99, Jurispr. blz. II‑2905, punt 53, en arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 48).
80 Hieruit volgt dat de gemeenschapsrechter bij zijn toezicht op de beoordelingen van de instellingen enkel dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest Hof van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing/Raad, 240/84, Jurispr. blz. 1809, punt 19; arresten Thai Bicycle/Raad, punt 79 supra, punt 33; Arne Mathisen/Raad, punt 79 supra, punt 54, en Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 49).
81 Hetzelfde geldt voor de feitelijke situaties van politieke en juridische aard in het betrokken land, die de gemeenschapsinstellingen moeten beoordelen om te bepalen of een exporteur onder marktvoorwaarden handelt zonder staatsinmenging van betekenis, en dus in aanmerking kan komen voor de toekenning van de status die de marktgerichte ondernemingen toekomt (arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 49).
82 Voorts zij erop gewezen dat de in artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening omschreven methode van vaststelling van de normale waarde een uitzondering vormt op de specifieke methode van artikel 2, lid 7, sub a, die in beginsel van toepassing is op de invoer uit landen zonder markteconomie. Het is evenwel vaste rechtspraak dat iedere afwijking van of uitzondering op een algemene regel eng moet worden uitgelegd (arresten Hof van 12 december 1995, Oude Luttikhuis e.a., C‑399/93, Jurispr. blz. I‑4515, punt 23; 18 januari 2001, Commissie/Spanje, C‑83/99, Jurispr. blz. I‑445, punt 19, en 12 december 2002, België/Commissie, C‑5/01, Jurispr. blz. I‑11991, punt 56, en arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 50).
83 Ten slotte moet worden benadrukt dat de bewijslast rust op de producent-exporteur die in aanmerking wenst te komen voor de status van marktgerichte onderneming. Immers, volgens artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening moet het verzoek „voldoende bewijs bevatten”. De gemeenschapsinstellingen hoeven derhalve niet te bewijzen dat de producent-exporteur de voor de toekenning van die status gestelde voorwaarden niet vervult. Het staat daarentegen aan de gemeenschapsinstellingen om te beoordelen of het door de producent-exporteur geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat de in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening gestelde voorwaarden zijn vervuld, en aan de gemeenschapsrechter om na te gaan of die beoordeling op een kennelijke onjuistheid berust (arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 53).
84 Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet worden onderzocht of op basis van de argumenten van verzoeksters kan worden geconcludeerd dat het oordeel van de Raad dat zij niet aan de in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening gestelde tweede voorwaarde voldeden, kennelijk onjuist is.
85 In wezen voeren verzoeksters in dit verband in de eerste plaats aan dat de IAS in China niet en in de Gemeenschap enkel voor sommige ondernemingen verplicht zijn.
86 Ten eerste dient er evenwel op te worden gewezen dat het feit dat de Chinese ondernemingen volgens hun nationale recht niet gehouden zijn bepaalde boekhoudnormen in acht te nemen, geen invloed heeft op de vraag of hun boekhouding kan worden beoordeeld aan de hand van deze normen. De tweede in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening neergelegde voorwaarde geeft immers duidelijk aan dat de boekhouding van elke onderneming uit een land zonder markteconomie die de status van marktgerichte onderneming wenst te verkrijgen, onder controle moet staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationaal geldende normen, zonder dat de vraag of deze normen in haar land van oorsprong al dan niet verplicht moeten worden toegepast, ter zake relevant is. Het is overigens juist omdat de staat in kwestie geen markteconomie heeft, dat de basisverordening eist dat de betrokken ondernemingen boekhoudnormen in acht nemen die niet noodzakelijkerwijs nationale normen zijn.
87 Ten tweede moet worden gepreciseerd dat het feit dat de in casu toegepaste internationale boekhoudnormen niet krachtens een gemeenschapshandeling voor alle ondernemingen van de Gemeenschap verplicht zijn, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat deze normen, of andere boekhoudnormen die dezelfde doelstellingen nastreven en deze met dezelfde – of zelfs een grotere – gestrengheid tot stand brengen, voor diezelfde ondernemingen niet krachtens hun nationale wetgevingen verplicht zijn. Voornoemd feit impliceert evenmin dat deze normen internationaal niet ruim zouden zijn erkend of dat zij geen boekhoudkundige beginselen zouden kunnen samenvatten die de meeste landen met een markteconomie, de lidstaten daaronder begrepen, gemeen hebben.
88 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat het voor kleine of middelgrote ondernemingen zoals zij onmogelijk is om aan de IAS te voldoen. Dit argument vormt evenwel een loutere bewering die is onderbouwd noch door enig bewijs, noch door enige summiere uitleg over de redenen waarom de boekhoudnormen die de Commissie in casu heeft toegepast, door een kleine of middelgrote onderneming onmogelijk zouden kunnen worden nageleefd. Dit argument van verzoeksters kan dan ook niet worden aanvaard.
89 In de derde plaats bekritiseren verzoeksters het feit dat de gemeenschapsinstellingen hun boekhouding niet hebben onderzocht aan de hand van andere internationaal erkende boekhoudnormen dan de IAS.
90 Vastgesteld moet evenwel worden dat het tot de ruime beoordelingsmarge van de gemeenschapsinstellingen behoort om te onderzoeken of de boekhouding van ondernemingen die aanspraak maken op de status van marktgerichte onderneming, in overeenstemming is met de door deze instellingen gekozen, internationaal erkende boekhoudnormen. Indien de betrokken ondernemingen niet akkoord gaan met deze keuze, dienen zij aan te tonen dat de door de instellingen gekozen standaardnormen niet internationaal worden erkend of dat eventuele inbreuken van hun boekhouding op deze normen geen inbreuken vormen in het licht van andere internationaal erkende standaardnormen, aangezien de bewijslast op de producent-exporteur rust die voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking wenst te komen (zie punt 83 supra). Verzoeksters hebben in casu evenwel noch het een, noch het ander aangetoond.
91 Ten slotte volstaat voor de verwerping van het geheel van verzoeksters argumenten hoe dan ook de vaststelling dat geen van deze argumenten de in punt 17 van de bestreden verordening geformuleerde conclusie van de Raad weerlegt dat de rekeningen van verzoeksters inbreuk maken op een aantal fundamentele boekhoudkundige beginselen, zoals het toerekeningsbeginsel, het voorzichtigheidsbeginsel en het beginsel dat de economische realiteit boven de juridische vorm gaat. Teneinde geldig op te komen tegen deze conclusie van de Raad, die ruimschoots volstaat ter onderbouwing van zijn standpunt dat verzoeksters niet voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, hadden verzoeksters moeten aantonen dat hun boekhouding deze beginselen eerbiedigt of in overeenstemming is met andere internationale boekhoudnormen dan de IAS, die deze beginselen eerbiedigen. Verzoeksters hebben evenwel in geen enkel opzicht dit bewijs geleverd, doch louter de keuze van de Commissie betreffende de in casu toegepaste internationale normen bekritiseerd.
92 Bijgevolg moet het derde middel worden afgewezen.
93 Gelet op de overwegingen in de punten 76 en 77 supra hoeft het tweede middel derhalve niet te worden onderzocht.
B – Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening
1. Opmerkingen vooraf
94 Artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening bepaalt:
„Binnen drie maanden na de inleiding van de procedure, wordt, na specifieke raadpleging van het Raadgevend Comité en nadat de industrie van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken, vastgesteld of de producent voldoet aan de [...] criteria [van artikel 2, lid 7, sub c]. Deze vaststelling blijft gedurende de hele procedure van kracht.”
95 Op 2 augustus 2004 heeft de Commissie verordening nr. 1408/2004 tot inleiding van een procedure voor een herzieningsonderzoek vastgesteld. Deze verordening is in werking getreden op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad, te weten op 4 augustus 2004.
96 Op 3 augustus 2004 heeft de Commissie verzoeksters een aanvraagformulier voor de toekenning van de status van marktgerichte onderneming (hierna: „smo-formulier”) toegestuurd, betreffende de vraag of zij in aanmerking kwamen voor behandeling als marktgerichte onderneming in de zin van artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening, en betreffende de kwestie van hun individuele behandeling. Het door beide verzoeksters afzonderlijk in te vullen smo-formulier diende binnen vijftien dagen vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/2004 bij de Commissie toe te komen. De Commissie heeft verzoeksters op diezelfde datum een vragenlijst toegestuurd (hierna: „antidumpingvragenlijst”), betreffende de vraag of zij zich schuldig maakten aan antidumpingpraktijken in de Gemeenschap. Deze door beide verzoeksters afzonderlijk in te vullen antidumpingvragenlijst diende bij de Commissie toe te komen uiterlijk op 13 september 2004.
97 Op 19 augustus 2004 hebben verzoeksters de ingevulde smo-formulieren bij de Commissie ingediend, en op 20 augustus 2004 hebben zij een Engelse vertaling doen toekomen van een document dat bij deze formulieren was gevoegd.
98 Op 3 september 2004 heeft de Commissie verzoeksters verzocht om aanvullende inlichtingen betreffende hun antwoorden op de smo-formulieren. Hierop diende uiterlijk op 13 september 2004 te worden geantwoord. Tevens heeft zij verzoeksters verzocht om een met hen verbonden onderneming, namelijk Excell Precision Co. Ltd, gevestigd te Taiwan (hierna: „Excell Taiwan”), alsook alle andere met verzoeksters verbonden ondernemingen die elektronische weegschalen verkochten, een bijlage bij de antidumpingvragenlijst (hierna: „vragenlijstbijlage”) te laten invullen.
99 Op 20 september 2004 hebben verzoeksters de Commissie de ingevulde antidumpingvragenlijsten bezorgd.
100 Op 21 september 2004, nadat de Commissie een termijnverlenging had toegekend, hebben verzoeksters op voornoemde brief van 3 september 2004 geantwoord. Op 4 oktober 2004 heeft de Commissie verzoeksters verzocht, hun antwoord te vervolledigen.
101 Op 5 oktober 2004 hebben verzoeksters de vragenlijstbijlage, die afzonderlijk was ingevuld door Excell Taiwan en door een tweede met hen verbonden Taiwanese onderneming, namelijk Summing International Ltd, aan de Commissie overgelegd.
102 Tussen 18 en 21 oktober 2004 heeft de Commissie de door verzoeksters in hun antwoorden op het smo-formulier verstrekte informatie ter plaatse geverifieerd.
103 Op 26 oktober 2004 heeft de Commissie verzoeksters verzocht, de informatie die zij in hun smo-formulieren hadden verstrekt, te vervolledigen. De antwoorden op deze vragen zijn bij de Commissie neergelegd op 3 november 2004. De Commissie heeft dienaangaande een nieuw verzoek om informatie uitgestuurd, waarop zij op 17 november 2004 de antwoorden heeft ontvangen.
104 Op 7 januari 2005 heeft de Commissie verzoeksters opgedragen, andere met hen verbonden ondernemingen, te weten Bright Advance Co. Ltd en Total Lead Ltd, gevestigd te Samoa, de vragenlijstbijlage te laten vervolledigen.
105 Bij brief van 14 januari 2005 heeft de Commissie verzoeksters laten weten dat hun niet de status van marktgerichte onderneming zou worden toegekend.
106 De afzonderlijk door Bright Advance en Total Lead vervolledigde vragenlijstbijlage is op 25 januari 2005 aan de Commissie overgelegd.
2. Argumenten van partijen
107 Verzoeksters voeren aan dat aangezien het herzieningsonderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur bij verordening nr. 1408/2004 is geopend op 4 augustus 2004, de termijn van drie maanden vanaf de opening van het onderzoek die in artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening aan de Commissie is opgelegd om vast te stellen of een producent aan de voor de status van marktgerichte onderneming vereiste criteria voldoet (hierna: „termijn van drie maanden”), op 4 november 2004 is verstreken. De Commissie heeft evenwel pas een beslissing genomen betreffende hun status van marktgerichte onderneming op 14 november 2005 en deze termijn derhalve zonder rechtvaardiging ruim overschreden.
108 Verzoeksters betogen dat de termijn van drie maanden de rechtszekerheid waarborgt. Blijkens de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de behandeling van voormalige landen met staatshandel in antidumpingprocedures [COM (97) 677 def.] en het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van de basisverordening [COM (97) 677 def.] heeft de termijn van drie maanden tot doel, de gemeenschapsinstellingen te dwingen om een onherroepelijke beslissing betreffende de status van marktgerichte onderneming te nemen zonder het normale verloop van het onderzoek te beïnvloeden. Verzoeksters zijn van mening dat overschrijding van de termijn van drie maanden noodzakelijkerwijs nietigverklaring van de bestreden verordening meebrengt, aangezien deze termijn anders geen nuttig effect zou hebben.
109 Verzoeksters zijn van mening dat zij hun smo-formulieren volledig hebben ingevuld binnen de gestelde termijn, zoals uit punt 13 van de bestreden verordening blijkt. Bovendien heeft de Commissie nadien tal van inlichtingen en verduidelijkingen gevraagd, waarvan er verschillende reeds waren verstrekt. Verzoeksters hebben binnen de gestelde termijnen geantwoord en enkel om een verlenging van vijf dagen voor de beantwoording van de brief van 3 september 2004 verzocht. Weliswaar zijn nog andere verlengingen toegekend, maar deze betroffen de antwoorden op de antidumpingvragenlijst en niet die op het smo-formulier, dat zonder opmerkingen over de volledigheid ervan is aanvaard. Voorts erkennen verzoeksters een aantal antwoordtermijnen inzake verzoeken om informatie betreffende de antidumpingvragenlijsten te hebben overschreden, maar niet die betreffende hun smo-formulieren.
110 Verzoeksters wijzen erop dat de Commissie er twee maanden over heeft gedaan, nadat zij de laatste antwoorden op de verzoeken om inlichtingen betreffende de smo-formulieren had ontvangen, om over hun recht op deze status te beslissen. Voorts menen zij dat de Raad er zich ter rechtvaardiging van de overschrijding van de termijn van drie maanden niet op kan beroepen dat de Commissie hen nog steeds ondervroeg, aangezien de Raad aan deze gang van zaken een einde moest maken.
111 Verzoeksters stellen ten slotte dat overschrijding van de termijn van drie maanden een aanzienlijke invloed heeft gehad op de beslissing om de informatie die zijzelf en Toshiba Indonesia hadden verstrekt, al dan niet te verifiëren. Daar volgens artikel 11, lid 5, van de basisverordening de duur van een herzieningsprocedure in totaal immers is beperkt tot negen maanden, zou met het onderzoek deze termijn zijn overschreden indien de Commissie een controleonderzoek had verricht. Aangezien dit controleonderzoek niet heeft plaatsgevonden, is in de bestreden verordening bij de berekening van de antidumpingmarge geen rekening gehouden met de door verzoeksters gevraagde correcties en kon deze berekening evenmin worden aangepast op basis van de door Toshiba Indonesia verstrekte informatie, die een ander berekeningsresultaat had kunnen opleveren.
112 De Raad erkent dat de Commissie niet binnen de termijn van drie maanden een beslissing over de status van marktgerichte onderneming heeft genomen, maar stelt, ondersteund door de Commissie, dat dit niet tot onrechtmatigheid van de bestreden verordening leidt.
3. Beoordeling door het Gerecht
113 Partijen zijn het erover eens dat de termijn van drie maanden in casu is overschreden. Zij zijn het evenwel oneens over de conclusies die vanuit juridisch oogpunt uit deze overschrijding moeten worden getrokken. Verzoeksters zijn van mening dat, anders dan de Raad betoogt, de termijn van drie maanden dwingend is en dat overschrijding ervan automatisch tot nietigverklaring van de bestreden verordening moet leiden.
114 In dit verband is de voor de afdoening van onderhavige zaak wezenlijke vraag niet of de termijn van drie maanden dwingend is, maar enkel de vraag, welke de gevolgen zijn van de overschrijding van deze termijn door de Commissie, en inzonderheid of deze overschrijding in casu tot nietigverklaring van de bestreden verordening moet leiden.
115 Meteen moet worden verworpen verzoeksters stelling dat elke overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie automatisch tot nietigverklaring van de nadien vastgestelde verordening betreffende het herzieningsonderzoek moet leiden.
116 Artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening bevat immers geen enkele indicatie betreffende de gevolgen van de overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie. Inzonderheid preciseert dit artikel niet of bij een dergelijke overschrijding noodzakelijkerwijs de status van marktgerichte onderneming moet worden toegekend, dan wel het onderzoek in kwestie niet kan worden voortgezet. Dit zijn de enige redenen waarom de bestreden verordening wegens die overschrijding automatisch nietig zou kunnen worden verklaard.
117 Aangezien een dergelijke precisering evenmin uit een andere bepaling van de basisverordening blijkt, dienen het doel en de structuur van deze verordening te worden onderzocht om uit te maken of deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat zij de verplichte toekenning van de status van marktgerichte onderneming meebrengt of dat het betrokken onderzoek niet kan worden voortgezet ingeval de termijn van drie maanden door de Commissie wordt overschreden (zie naar analogie arrest Hof van 20 januari 2005, Merck, Sharp & Dohme, C‑245/03, Jurispr. blz. I‑637, punt 26).
118 Ten eerste moet, met betrekking tot de vraag of uit het doel en de structuur van de basisverordening volgt dat overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie meebrengt dat de status van marktgerichte onderneming moet worden toegekend aan ondernemingen die daarom hebben verzocht, erop worden gewezen dat de basisverordening voor overschrijding door de instellingen van de andere proceduretermijnen dan de termijn van drie maanden in een verschillende behandeling voorziet.
119 Indien de Raad bijvoorbeeld niet binnen een termijn van één maand met gekwalificeerde meerderheid een ander besluit neemt dan het door de Commissie ingediende voorstel om het onderzoek te beëindigen in de gevallen van artikel 8, lid 5, en artikel 9, lid 2, wordt het onderzoek volgens deze bepalingen als beëindigd beschouwd. Evenzo zijn, indien de Raad niet binnen een termijn van één maand met gewone meerderheid een beslissing neemt tot verwerping van het voorstel van de Commissie bedoeld in artikel 9, lid 4, van de basisverordening, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12), of van het voorstel bedoeld in artikel 14, lid 4, van diezelfde verordening, deze voorstellen volgens deze bepalingen goedgekeurd.
120 Vastgesteld moet dus worden dat ingeval de basisverordening aan de niet-inachtneming van een proceduretermijn door de instellingen het gevolg beoogt te verbinden dat een verzoek van rechtswege is ingewilligd, dan wel daaraan andere concrete gevolgen beoogt te verbinden, deze verordening dit uitdrukkelijk aangeeft.
121 Ten tweede zij eraan herinnerd dat aangezien artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening voor sommige landen voorziet in een uitzondering op de methode van vaststelling van de normale waarde van artikel 2, lid 7, sub a, deze uitzondering eng moet worden uitgelegd (zie arrest Shanghai Teraoka Electronic/Raad, punt 76 supra, punt 50, en aangehaalde rechtspraak). Bij gebreke van een desbetreffende bepaling kan deze uitzondering dus niet automatisch worden toegepast ingeval de Commissie de termijn van drie maanden overschrijdt.
122 Wat ten slotte de vraag betreft of uit het doel en de structuur van de basisverordening volgt dat de overschrijding door de Commissie van de termijn van drie maanden de gemeenschapsinstellingen belet, een verordening vast te stellen waarbij antidumpingrechten aan de betrokken ondernemingen worden opgelegd, moet worden geconcludeerd dat de basisverordening – althans in het kader van een herzieningsonderzoek zoals dit in casu aan de orde is – aldus moet worden uitgelegd dat zij zich tegen een dergelijk gevolg verzet.
123 Immers, in het kader van een verzoek om een onderzoek tot herziening van een aanvankelijke verordening ten behoeve van een „nieuwe exporteur” in de zin van artikel 11, lid 4, van de basisverordening verzoeken één of meerdere ondernemingen die zijn onderworpen aan een antidumpingrecht dat is vastgesteld op een tijdstip waarop zij de betrokken producten nog niet naar de Gemeenschap uitvoerden, om een onderzoek van de antidumpingmarge met betrekking tot hun eigen economische situatie, teneinde in voorkomend geval de vaststelling van een nieuw antidumpingrecht te verkrijgen dat enkel op basis van deze situatie is vastgesteld en dat lager zou kunnen uitvallen dan het daarvóór toegepaste recht of zelfs volledig zou kunnen vervallen.
124 In die omstandigheden zou het onjuist zijn om te concluderen dat indien deze ondernemingen in een land zonder markteconomie gevestigd waren en voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking wensen te komen, de Commissie het tegen hen gevoerde onderzoek niet kan voortzetten wanneer zij de termijn van drie maanden overschrijdt, aangezien dit – om redenen waar deze ondernemingen geen vat op hebben – in strijd zou zijn met het doel van hun initieel verzoek, namelijk een nieuw onderzoek van hun individuele situatie.
125 Het zou eveneens onjuist zijn om te concluderen dat de Commissie na het verstrijken van de termijn van drie maanden jegens de betrokken ondernemingen op hun verzoek een nieuw onderzoek zou moeten inleiden, aangezien dit er in de praktijk op zou neerkomen dat deze termijn nog meer wordt overschreden doordat de definitieve beslissing betreffende de status van marktgerichte onderneming naar een nog later stadium wordt verschoven.
126 Daar bijgevolg dient te worden verworpen de stelling dat elke overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie automatisch moet leiden tot nietigverklaring van de nadien vastgestelde verordening betreffende de herziening, dient vervolgens te worden onderzocht of de overschrijding van de termijn van drie maanden in casu tot nietigverklaring van de bestreden verordening moet leiden.
127 In dit verband zij erop gewezen dat de in artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening gestelde termijn met name tot doel heeft, te waarborgen dat bij de beslissing over de vraag of de betrokken producent aan de in dit artikel genoemde criteria voldoet, niet bepalend is, hoe zij de berekening van de dumpingmarge beïnvloedt. Derhalve verzet de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening zich ertegen dat de instellingen, na een beslissing over de status van marktgerichte onderneming te hebben genomen, de informatie waarover zij dienaangaande beschikten, achteraf opnieuw evalueren (zie in die zin arrest Gerecht van 14 november 2006, Nanjing Metalink International/Raad, T‑138/02, Jurispr. blz. II‑4347, punt 44).
128 Derhalve zou aan het nuttig effect van deze termijn niet worden afgedaan indien voor het tijdvak tussen het verstrijken van de termijn van drie maanden en de beslissing over de status van marktgerichte onderneming, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, moest worden vastgesteld dat de Commissie door het gedrag van de ondernemingen die om erkenning als marktgerichte onderneming hadden verzocht niet kon weten welk effect haar beslissing betreffende de status van marktgerichte onderneming zou kunnen hebben op de berekening van de dumpingmarge.
129 In casu moet worden opgemerkt dat de overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie haar niet in staat heeft gesteld, de beslissing over de vraag of verzoeksters voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking dienden te komen te nemen op basis van het effect daarvan op de berekening van de dumpingmarge. Ter zake volstaat de vaststelling dat verzoeksters informatie hadden verstrekt over aan verbonden ondernemingen en niet aan onafhankelijke afnemers gefactureerde uitvoerprijzen, terwijl deze laatste informatie van wezenlijk belang was voor de berekening van de dumpingmarge. De informatie betreffende de aan onafhankelijke afnemers gefactureerde uitvoerprijzen is pas volledig bij de Commissie toegekomen op 28 januari 2005, dat wil zeggen na de definitieve beslissing over de aanvraag voor de status van marktgerichte onderneming.
130 Aangezien de gemeenschapsinstellingen niet hoeven te bewijzen dat een onderneming niet aan de voorwaarden voor toekenning van de status van marktgerichte onderneming voldoet, maar enkel dienen te beoordelen of de door deze onderneming verstrekte elementen volstaan als bewijs dat deze voorwaarden zijn vervuld (zie punt 83 supra), kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij een beslissing over de aanvraag van de onderneming voor de toekenning van de status van marktgerichte onderneming neemt zonder te beschikken over een redelijke termijn vanaf het tijdstip waarop deze onderneming haar alle informatie heeft verstrekt, teneinde haar met name in staat te stellen deze informatie correct te beoordelen, en, zoals in artikel 2, lid 7, sub c, tweede alinea, van de basisverordening is bepaald, het Raadgevend Comité specifiek te raadplegen en de industrie van de Gemeenschap in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken.
131 Benadrukt zij evenwel dat de antwoorden in de aanvankelijk door verzoeksters overgelegde smo-formulieren op verzoek van de Commissie herhaaldelijk op belangrijke punten zijn vervolledigd, onder meer bij de brief die verzoeksters de Commissie op 21 september 2004 hebben toen toekomen nadat de Commissie hun daartoe op hun verzoek een verlenging van de termijn had toegekend. Bovendien heeft de Commissie verzoeksters bij brief van 4 oktober 2004 andermaal moeten verzoeken, hun antwoord te vervolledigen.
132 Evenzo blijkt uit het dossier dat de smo-formulieren die verzoeksters hebben ingevuld en de informatie die zij dienaangaande aan de Commissie hebben toegestuurd, ook in een latere fase aanzienlijke lacunes betreffende onder meer vragen over hun boekhouding vertoonden, waardoor de Commissie onmogelijk binnen de termijn van drie maanden kon beslissen of zij voor de status van marktgerichte onderneming in aanmerking kwamen.
133 Inzonderheid lieten verzoeksters antwoorden aanzienlijke twijfels bestaan over de manier waarop zij boekhoudkundige provisies hadden aangelegd voor de waardevermindering van de activa, zoals blijkt uit een elektronisch bericht dat de Commissie verzoeksters op 26 oktober 2004 heeft toegestuurd. De Commissie mocht er evenwel van uitgaan dat zij over deze informatie diende te beschikken om zich te kunnen uitspreken over de vraag of verzoeksters voldeden aan de tweede voorwaarde van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening.
134 Overigens blijkt uit ditzelfde elektronische bericht dat de Engelse versie van de gecontroleerde rekeningen van Shanghai Adeptech, die voor de Commissie eveneens noodzakelijk was zich te kunnen uitspreken over de vraag of verzoeksters de tweede voorwaarde van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening vervulden, onvolledig was.
135 Ten slotte blijkt uit het betrokken elektronische bericht dat verzoeksters bepaalde informatie betreffende de structuur van het kapitaal van Shanghai Adeptech hadden verstrekt die in tegenspraak was met de overgelegde bewijsstukken. De structuur van het kapitaal van verzoeksters was evenwel voor de beoordeling van de Commissie of zij aan de eerste voorwaarde van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening voldeden, van fundamenteel belang.
136 Tevens blijkt uit het dossier, en met name uit de telefax die verzoeksters de Commissie op 3 november 2004 hebben toen toekomen, dat de informatie die noodzakelijk was om voornoemde lacunes weg te werken pas op laatstgenoemde datum, dat wil zeggen de dag vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden, volledig is verstrekt.
137 Bijgevolg kan punt 13 van de bestreden verordening, anders dan verzoeksters betogen, niet aldus worden uitgelegd dat hun antwoorden op de smo-formulieren volledig waren. Deze uitlegging volgt niet uit de bewoordingen van dat punt, en zij wordt overigens uitdrukkelijk weersproken door de briefwisseling tussen verzoeksters en de Commissie.
138 Ten slotte moet hoe dan ook worden geconcludeerd dat bij gebreke van een bepaling waarin expliciet of impliciet wordt vastgesteld welke gevolgen de overschrijding van een proceduretermijn zoals die in de onderhavige zaak heeft, deze overschrijding enkel kan leiden tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de handeling waarvoor het besluitvormingsproces in deze termijn voorziet, indien vaststaat dat deze handeling bij ontbreken van die beweerde onregelmatigheid mogelijkerwijs een andere inhoud had kunnen hebben (zie in die zin arresten Hof van 29 oktober 1980, van Landewyck e.a./Commissie, 209/78–215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 47, en 23 april 1986, Bernardi/Parlement, 150/84, Jurispr. blz. 1375, punt 28).
139 Verzoeksters hebben evenwel niet aangetoond dat indien de Commissie de termijn van drie maanden niet had overschreden, de Raad een andere, voor hen gunstiger verordening dan de bestreden verordening had kunnen vaststellen.
140 Verzoeksters stellen ter zake immers enkel dat de overschrijding van de termijn van drie maanden invloed heeft gehad op de beslissing van de Commissie, de informatie die zijzelf hadden verstrekt en de door Toshiba Indonesia overgelegde informatie ter plaatse te verifiëren. Tevens voeren zij aan dat indien deze verificaties waren verricht, de Commissie over betere informatie zou hebben beschikt, hetgeen tot de vaststelling van een andere verordening had kunnen leiden.
141 Deze argumenten moeten om twee redenen worden afgewezen.
142 In de eerste plaats hebben verzoeksters niet aangetoond, dat de overschrijding van de termijn van drie maanden door de Commissie verband houdt met haar beslissing om niet tot de voormelde controlebezoeken over te gaan dan wel enige invloed op deze beslissing heeft gehad.
143 Verzoeksters betogen dienaangaande immers louter dat de duur van een herzieningsonderzoek zoals thans aan de orde is, krachtens artikel 11, lid 5, van de basisverordening beperkt is tot in totaal negen maanden, en dat de Commissie deze termijn zou hebben overschreden indien zij die bezoeken wel had verricht.
144 Stellig bepaalt artikel 11, lid 5, van de basisverordening dat herzieningsonderzoeken uit hoofde van lid 4 van dit artikel voltooid moeten zijn binnen negen maanden na de datum van inleiding van de procedure, en dat de geldende antidumpingmaatregelen ongewijzigd van kracht blijven indien het onderzoek niet binnen deze termijn is beëindigd. Verzoeksters leggen evenwel niet uit waarom de termijn van negen maanden niet in acht zou zijn genomen indien de instellingen hadden besloten om de door hen noodzakelijk geachte controlebezoeken te verrichten.
145 In de tweede plaats moet – volledigheidshalve – worden opgemerkt dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat indien de Commissie de door hen geëiste verificatiebezoeken had verricht, dit voor deze instelling noodzakelijkerwijs informatie zou hebben opgeleverd die tot de vaststelling van een voor hen gunstiger verordening zou hebben geleid. Verzoeksters kunnen immers niet beweren dat indien de Commissie de haar door henzelf verstrekte informatie ter plaatse had geverifieerd, de Raad een voor hen gunstiger definitieve verordening had kunnen vaststellen. Wat verder de door Toshiba Indonesia verstrekte informatie betreft, zij opgemerkt dat verzoeksters geen elementen overleggen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ingeval dit bewijsmateriaal ter plaatse was geverifieerd, de bestreden verordening voor hen gunstiger had kunnen zijn.
146 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het onderhavige middel moet worden afgewezen.
C – Vierde middel, ontleend aan schending van artikel 11, lid 9, van de basisverordening
147 Artikel 11, lid 9, van de basisverordening bepaalt:
„Bij alle overeenkomstig dit artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken of met het oog op de terugbetaling van rechten ingestelde onderzoeken gaat de Commissie, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, in het bijzonder de leden 11 en 12 daarvan, en artikel 17.”
148 Tijdens het oorspronkelijke onderzoek hebben drie Chinese producenten/exporteurs besloten om mee te werken. Zij hebben, evenals verzoeksters bij het herzieningsonderzoek, een individuele behandeling verkregen. Evenals verzoeksters bij het herzieningsonderzoek hebben deze drie ondernemingen overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening de status van marktgerichte onderneming aangevraagd.
149 De Raad heeft met betrekking tot de Chinese producenten/exporteurs tijdens het oorspronkelijke onderzoek en met betrekking tot verzoeksters bij het herzieningsonderzoek geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, en het verzoek om toekenning van de status van marktgerichte onderneming van deze ondernemingen afgewezen. Bijgevolg dienden de uitvoerprijzen van de betrokken Chinese producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening te worden vergeleken met de normale waarde in een vergelijkbaar land met een markteconomie (punten 45‑48 en 52 van de aanvankelijke verordening).
150 Zowel in het oorspronkelijke onderzoek als in het herzieningsonderzoek hebben de instellingen geoordeeld dat voor de vaststelling van de normale waarde Indonesië het meest geschikte derde land met een markteconomie was (punten 49 en 50 van de aanvankelijke verordening).
151 Bij het oorspronkelijke onderzoek is de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van de basisverordening berekend op basis van de normale waarden die voor een Indonesische producent, te weten Toshiba Indonesia, waren vastgesteld op basis van de verkoop van het meest concurrerende model van het basissegment dat zowel in Indonesië als op de exportmarkten in voldoende hoeveelheden werd verkocht en waarvan was geconstateerd dat het vergelijkbaar was met de Chinese modellen die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd (punt 53 van de aanvankelijke verordening).
152 Ook bij het herzieningsonderzoek is de normale waarde berekend op basis van de door Toshiba Indonesia meegedeelde informatie. Hoewel de productie en de exportverkopen van deze producent aanzienlijk waren, was de Raad van oordeel dat diens verkopen aan onafhankelijke afnemers op de Indonesische markt onvoldoende waren om de normale waarde vast te stellen, en heeft hij besloten om zich te baseren op een geconstrueerde waarde voor producttypen die vergelijkbaar waren met die welke verzoeksters naar de Gemeenschap uitvoerden, dat wil zeggen op de productiekosten van de in Indonesië vervaardigde elektronische weegschalen, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (hierna: „VAA-kosten”), alsook met een redelijke winstmarge (punten 29‑33 en 37‑39 van de bestreden verordening).
153 De uitvoerprijs is in het oorspronkelijke onderzoek met betrekking tot verkopen aan onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen. Voor de uitvoer via verbonden importeurs is hij overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening samengesteld op basis van de prijs waartegen de producten voor het eerst aan een onafhankelijke koper werden doorverkocht (punten 54 en 55 van de aanvankelijke verordening).
154 Aangezien de Raad bij het herzieningsonderzoek ervan uit was gegaan dat verzoeksters hun elektronische weegschalen via verbonden ondernemingen hadden verkocht, is de exportprijs vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap betaalde wederverkoopprijs (punt 42 van de bestreden verordening).
155 In het oorspronkelijk onderzoek heeft de Raad de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken, heeft hij overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen die de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan beïnvloedden. Een aantal correcties zijn toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, op‑ en overslag, laden en aanverwante kosten, kosten van kredietverlening, commissielonen, invoerheffingen en kosten van dienstverlening na verkoop (punt 56 van de aanvankelijke verordening).
156 Ook bij het herzieningsonderzoek heeft de Raad de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening heeft hij rekening gehouden met verschillen die de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan beïnvloedden. Aangezien hij heeft geconcludeerd dat de met verzoeksters verbonden handelaars functies vervulden die vergelijkbaar waren met die van een agent die op commissiebasis werkt, heeft de Raad overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening inzonderheid een correctie voor commissielonen op de uitvoerprijs toegepast (punten 43‑45 van de bestreden verordening).
1. Argumenten van partijen
157 Verzoeksters wijzen om te beginnen op een contradictie in de aanvankelijke verordening. Punt 50 van deze verordening geeft aan dat, gelet op de grote hoeveelheden die Toshiba Indonesia zowel op haar binnenlandse markt als op de exportmarkten verkocht, de normale waarde voor de Chinese producenten/exporteurs is berekend volgens artikel 2, leden 2 en 3, van de basisverordening. Blijkens de antwoorden die Toshiba Indonesia in de loop van de betrokken procedure op de vragenlijst heeft gegeven, heeft zij evenwel geen elektronische weegschalen op haar binnenlandse markt verkocht.
158 Behalve deze contradictie vermelden verzoeksters dat de gemeenschapsinstellingen tijdens het herzieningsonderzoek belangrijke aspecten van de methode van vaststelling van de normale waarde en van de tijdens het oorspronkelijke onderzoek gehanteerde uitvoerprijs hebben gewijzigd.
159 Zo heeft de Raad, ten eerste, in punt 37 van de bestreden verordening, de VAA-kosten van een met Toshiba Indonesia verbonden onderneming in aanmerking genomen, terwijl de aanvankelijke verordening niet van dergelijke vermeerderingen gewaagde. Ten tweede heeft de Raad in het oorspronkelijke onderzoek, maar niet in het herzieningsonderzoek, correcties op de normale waarde toegepast op basis van de kosten na verkoop, de verlening van een waarborg, de financieringskosten of de kosten van commissieloon betreffende de binnenlandse verkoop (punt 43 van de bestreden verordening). Ten derde zijn verificaties in de bedrijfsruimten van Toshiba Indonesia verricht in de loop van het oorspronkelijke onderzoek, maar niet tijdens het herzieningsonderzoek. Het vereiste om bij de twee onderzoeken op dezelfde wijze te werk te gaan strekt zich evenwel ook uit tot de controleonderzoeken, te meer daar volgens de Raad de omstandigheden waarin Toshiba Indonesia actief was, aanzienlijk waren gewijzigd. Ten vierde heeft de Raad in punt 45 van de bestreden verordening correcties op de uitvoerprijzen toegepast wegens beweerdelijk aan verbonden ondernemingen uitgekeerde verkoopcommissies.
160 De Raad betwist de door verzoeksters aangevoerde argumenten.
2. Beoordeling door het Gerecht
161 Er zij aan herinnerd dat zowel in het oorspronkelijke onderzoek als in het herzieningsonderzoek de normale waarde op basis van gegevens betreffende een in een met China vergelijkbaar land gevestigde producent is vastgesteld. In beide gevallen was het gekozen vergelijkbare land Indonesië en was de gekozen Indonesische producent Toshiba Indonesia.
162 Niettemin zijn verzoeksters van mening dat de methoden volgens welke de twee onderzoeken op basis van deze keuze voor Toshiba Indonesia zijn verricht, een aantal verschillen vertonen. Volgens verzoeksters leveren deze verschillen schending op van artikel 11, lid 9, van de basisverordening.
163 Bijgevolg moet worden geverifieerd of er sprake is van de door verzoeksters gemelde verschillen in aanpak. In voorkomend geval moeten deze verschillen worden onderzocht tegen de achtergrond van voornoemde bepaling, teneinde uit te maken of zij schending daarvan opleveren.
164 Het eerste door verzoeksters onder de aandacht gebrachte verschil in aanpak tussen het oorspronkelijke onderzoek en het herzieningsonderzoek betreft de omstandigheid dat de Raad voor de berekening van de normale waarde van de producten van Toshiba Indonesia in laatstgenoemd onderzoek de VAA-kosten van een met deze vennootschap verbonden onderneming in aanmerking heeft genomen, terwijl hij dit in het oorspronkelijke onderzoek niet heeft gedaan.
165 Vastgesteld moet worden dat er in dit verband daadwerkelijk een verschil tussen de in beide onderzoeken gehanteerde methoden bestaat, zoals de Raad in de punten 40 en 41 van de bestreden verordening zelf heeft toegegeven. Dit verschil blijkt immers duidelijk wanneer de punten 37 en 38 van de bestreden verordening worden vergeleken met punt 53 van de aanvankelijke verordening.
166 Aldus is de normale waarde van de producten van Toshiba Indonesia in de bestreden verordening vastgesteld op basis van de productiekosten van de door deze onderneming geproduceerde elektronische weegschalen, vermeerderd met een bedrag voor de VAA-kosten en een winstmarge. De VAA-kosten die hiervoor in aanmerking zijn genomen, zijn die van Toshiba Indonesia zelf en die van een met haar verbonden onderneming.
167 In de aanvankelijke verordening daarentegen is de normale waarde van de producten van Toshiba Indonesia berekend op basis van de prijzen van haar elektronische weegschalen die vergelijkbaar zijn met die welke in China werden geproduceerd en zowel in Indonesië als op de exportmarkten in voldoende hoeveelheden werden verkocht.
168 Dit verschil tussen beide onderzoeken is te wijten aan het feit dat de Raad in de bestreden verordening een geconstrueerde normale waarde heeft berekend, die dus los stond van de door Toshiba Indonesia toegepaste reële verkoopprijzen, terwijl hij in de aanvankelijke verordening een normale waarde heeft berekend die op reële prijzen was gebaseerd.
169 Artikel 2, lid 3, van de basisverordening bepaalt immers dat wanneer het soortgelijke product niet in voldoende hoeveelheden is verkocht, de normale waarde van dit soortgelijke product op twee manieren kan worden berekend. Ten eerste kan deze waarde worden berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor de VAA-kosten en een redelijke winstmarge. Ten tweede kan deze waarde worden berekend aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn.
170 Zoals uit het dossier en het corrigendum van de Raad van 6 juni 2008 blijkt, was de in het oorspronkelijk onderzoek in aanmerking genomen Indonesische verkoop van elektronische weegschalen onvoldoende om de normale waarde van de producten van Toshiba Indonesia te berekenen. In die omstandigheden heeft de Raad ervoor gekozen om deze waarde te berekenen op basis van de uitvoerprijzen van Toshiba Indonesia en op basis van de Indonesische verkoopprijzen van deze onderneming.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- HvJ EU 18 oktober 2018, C-100/17, ECLI:EU:C:2018:842
- Gerecht EU 5 september 2014, T-471/11, ECLI:EU:T:2014:739
- Gerecht EU 1 juni 2017, T-442/12, ECLI:EU:T:2017:372
- Gerecht EU 3 mei 2018, T-431/12, ECLI:EU:T:2018:251
- Gerecht EU 9 juni 2016, T-276/13, ECLI:EU:T:2016:340
- Gerecht EU 18 november 2015, T-73/12, ECLI:EU:T:2015:865
- Gerecht EU 22 april 2015, T-320/09, ECLI:EU:T:2015:223
- Gerecht EU 1 maart 2018, T-402/15, ECLI:EU:T:2018:107
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663
- Gerecht EU 18 november 2015, T-74/12, ECLI:EU:T:2015:864