Gerecht EU 11 december 2014, T-251/11, ECLI:EU:T:2014:1060

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

11 december 2014 ( *1 )

„Staatssteun — Elektriciteit — Steun voor energie-intensieve ondernemingen — Oostenrijkse wet op groene elektriciteit — Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard — Begrip staatssteun — Staatsmiddelen — Toerekenbaarheid aan de staat — Selectiviteit — Algemene groepsvrijstellingsverordening — Bevoegdheidsoverschrijding — Gelijke behandeling”

In zaak T‑251/11,

Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en J. Bauer als gemachtigden, bijgestaan door T. Rabl, advocaat,

verzoekster,

ondersteund door

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Behzadi-Spencer en S. Ossowski en vervolgens door S. Behzadi-Spencer en L. Christie als gemachtigden,

interveniënt,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en T. Maxian Rusche en vervolgens door Maxian Rusche en R. Sauer als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van besluit 2011/528/EU van de Commissie van 8 maart 2011 betreffende de staatssteun in zaak C 24/09 (ex N 446/08) – Staatssteun voor energie-intensieve ondernemingen, Wet op groene elektriciteit, Oostenrijk (PB L 235, blz. 42),

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: A. Dittrich, president, J. Schwarcz (rapporteur) en V. Tomljenović, rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 februari 2014,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Op grond van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB L 140, blz. 16; hierna: „richtlijn hernieuwbare energiebronnen”) zijn de lidstaten van de Europese Unie verplicht om uiterlijk in 2020 bindende nationale streefcijfers voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik te halen. Die richtlijn stelt het te halen streefcijfer vast, maar laat de keuze van de middelen om dat cijfer te halen aan het oordeel van de lidstaten over. Volgens bijlage I, „Totale nationale streefcijfers voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2020”, bij die richtlijn was voor de Republiek Oostenrijk een streefdoel van 34 % vastgesteld.

2 Bij het Ökostromgesetz, zoals gewijzigd in 2008 (Oostenrijkse wet op groene elektriciteit, BGBl. I, 114/2008; hierna „ÖSG, zoals gewijzigd”), heeft de Republiek Oostenrijk besloten haar nationaal streefcijfer te halen. In dat verband zijn twee fundamentele maatregelen vastgesteld. In de eerste plaats moedigt het ÖSG, zoals gewijzigd, de productie van groene elektriciteit aan door iedere producent van groene elektriciteit de aankoop tegen een vaste prijs van de volledige hoeveelheid dergelijke elektriciteit te garanderen. Deze elektriciteit wordt aangekocht door een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit, voor de uitvoering van de taken waarvan een concessie is verleend aan een privaatrechtelijke naamloze vennootschap, de Abwicklungsstelle für Ökostrom AG (hierna: „ÖMAG”). Volgens de wet wordt de gegarandeerde vaste prijs, die hoger is dan de marktprijs voor elektriciteit, jaarlijks vastgesteld bij wege van een bestuurlijk besluit van de Oostenrijkse federale minister van Economie en Werk (later de Oostenrijkse federale minister van Economie, Gezin en Jeugd en vervolgens de Oostenrijkse federale minister van Wetenschap, Onderzoek en Economie; hierna: „bevoegde Oostenrijkse federale minister”).

3 In de tweede plaats voorziet het ÖSG, zoals gewijzigd, in doorberekening van de aldus opgekomen kosten aan de verbruikers van elektriciteit. Enerzijds betaalt iedere op het openbare net aangesloten eindverbruiker een jaarlijkse bijdrage, die losstaat van zijn verbruik en tussen 15 en 15 000 EUR kan schommelen naargelang van het niveau van zijn aansluiting op het net, zoals bepaald in § 22, lid 1, en § 22a, lid 1, van het ÖSG, zoals gewijzigd. Anderzijds zijn de elektriciteitsleveranciers verplicht, alle groene elektriciteit die ÖMAG bezit, af te nemen en dit eveneens tegen een bij bestuurlijk besluit vastgestelde vaste prijs (hierna: „verrekenprijs”). Die leveranciers mogen de extra kosten die hun daardoor zijn opgekomen, vervolgens aan hun klanten doorberekenen in het kader van de herfactureringsprijs. Volgens § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, dat nog niet in werking is getreden, is de Republiek Oostenrijk echter van plan een specifieke compensatieregeling in te voeren voor de energie-intensieve ondernemingen, waarbij de door deze laatsten verschuldigde betalingen worden beperkt tot een bijzonder bedrag, dat voor elke onderneming die voor deze regeling in aanmerking komt, wordt berekend naargelang van haar jaarlijkse nettoproductiewaarde (hierna: „compenserende vergoeding”).

4 Op 27 juni 2008 heeft de Republiek Oostenrijk de Commissie van de Europese Gemeenschappen door middel van een voorafgaande aanmelding laten weten dat zij van plan is wijzigingen aan te brengen in de van kracht zijnde Oostenrijkse wet op groene elektriciteit, waarvan de Commissie de destijds geldende versie had goedgekeurd bij een besluit van 4 juli 2006 betreffende de verenigbaar van deze regeling met de interne markt [Staatssteunmaatregelen NN 162/A/2003 en N 317/A/2006 – „Förderung der Elektrizitätserzeugung aus erneuerbaren Energieträgern im Rahmen des österreichischen Ökostromgesetzes (Einspeisetarife)” (Steun voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het kader van de Oostenrijkse wet op groene elektriciteit) (feed-in-tarieven)].

5 Op 4 september 2008 heeft de Republiek Oostenrijk het ÖSG, zoals gewijzigd, in zijn geheel bij de Commissie aangemeld. Ten vervolge op verschillende mededelingen en ontmoetingen tussen de Commissie en de Oostenrijkse autoriteiten over deze aanmelding vanaf 28 oktober 2008 en op een klacht die de Bundesarbeitskammer (Oostenrijkse federale kamer van arbeid) op 9 juli 2009 bij de Commissie heeft ingediend over met name de „vrijstelling” waarin het ÖSG, zoals gewijzigd, voor energie-intensieve ondernemingen voorziet, heeft de Commissie de belanghebbenden op 22 juni 2009 aangemaand om hun opmerkingen over de betrokken maatregel in te dienen (PB C 217, blz. 12; hierna: „aanmaning”).

6 Zoals met name uit punt 78 van de aanmaning blijkt, heeft de Commissie enerzijds geoordeeld dat het ÖSG, zoals gewijzigd, wat de maatregelen voor de producenten van groene elektriciteit betreft, verenigbaar is met artikel 87, lid 3, sub c, van het EG-Verdrag. De Commissie heeft in dit verband overwogen dat, hoewel het om staatssteun gaat, deze steun verenigbaar is met de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PB 2008, C 82, blz. 1; hierna: „richtsnoeren”).

7 Wat anderzijds de „steun” voor de energie-intensieve ondernemingen betreft, heeft de Commissie betwijfeld of deze wel verenigbaar is met de regels betreffende steunmaatregelen van de staten (punt 78 van de aanmaning). Zij heeft, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat die steun, gelet op de bepalingen ter uitvoering ervan, tot gevolg heeft dat aan die ondernemingen een ongeoorloofd voordeel wordt toegekend. Volgens haar voldoet die maatregel dienaangaande aan de in artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag genoemde criteria en dient hij te worden aangemerkt als een steunmaatregel van de staat, waarvan niets erop wijst dat hij verenigbaar zou kunnen zijn met de regels van de gemeenschappelijke markt. Zij heeft met name overwogen dat er geen enkele grond is voor de conclusie dat punt 4 van de richtsnoeren van toepassing is, of dat is voldaan aan de voorwaarden om de betrokken steun verenigbaar met de interne markt te kunnen achten. Bovendien moet volgens haar bij de beoordeling van die maatregel rekening worden gehouden met de negatieve gevolgen van die maatregel voor het milieu, daar deze maatregel de prijs van elektriciteit voor de grote energieverbruikers verlaagt.

8 Daarop heeft de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) besloten de formele onderzoeksprocedure te openen (punten 83‑85 van de aanmaning). Dit besluit ging vergezeld van een uitnodiging aan de Republiek Oostenrijk om haar standpunt te bepalen en de Commissie alle voor de beoordeling van de betrokken maatregel relevante informatie te verstrekken, en van een kopie van de aanmaning voor de potentiële begunstigden van de betrokken maatregel. Ten slotte heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk herinnerd aan de schorsende werking waarin artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag voorziet, en ook verwezen naar artikel 14 van verordening nr. 659/1999 en daarbij beklemtoond dat alle onrechtmatige steun van de begunstigden kan worden teruggevorderd.

9 Bij brief van 8 oktober 2009 heeft de Republiek Oostenrijk haar opmerkingen over het besluit tot opening van de formele onderzoeksprocedure ingediend. De Oostenrijkse autoriteiten zijn van mening dat de betrokken maatregel geen staatssteun vormt, met name omdat hij niet selectief is en omdat geen staatsmiddelen worden gebruikt. Deze autoriteiten hebben ook gewezen op de inherente logica van de betrokken maatregel, die volgens hen een objectieve differentiatie mogelijk maakt tussen ondernemingen die voor die maatregel in aanmerking komen, en ondernemingen die daar niet van kunnen genieten, en hebben beklemtoond dat een dergelijke differentiatie geen staatssteun vormt. Zij hebben in het bijzonder betoogd dat die maatregel veel gelijkenissen vertoont met het Erneuerbare-Energien-Gesetz (Duitse wet op de groene energie, BGBl. 2008, blz. I 2074; hierna „EEG”).

10 Bij brief van 7 oktober 2009 heeft de Bundesarbeitskammer opmerkingen over de maatregel voor de energie-intensieve ondernemingen aan de Commissie meegedeeld. Bij brief van 22 december 2009 heeft de Republiek Oostenrijk geantwoord op die standpuntbepaling, die haar door de Commissie bij brief van 23 november 2009 was meegedeeld, en op 22 april 2010 heeft zij nadere preciseringen verstrekt over de betrokken maatregel.

11 Bij brieven van 21 juni en – na een bijeenkomst met de Oostenrijkse autoriteiten op 9 juli – van 19 juli 2010, heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk verzocht, haar aanvullende informatie te verstrekken, hetgeen de Republiek Oostenrijk op 13 september 2010 heeft gedaan.

12 Bij een aan de Commissie gerichte brief van 24 november 2010 heeft de Republiek Oostenrijk het belang van het ÖSG, zoals gewijzigd, beklemtoond en verzocht dat vóór het begin van de maand december 2010 een besluit wordt genomen in deze zaak. Op 9 december 2010 heeft nog een bijeenkomst van vertegenwoordigers van de Commissie met vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk plaatsgevonden.

13 Bij brief van 30 december 2010 heeft de Republiek Oostenrijk de argumenten die zij in de loop van de procedure ter ondersteuning van de maatregel had aangevoerd, herhaald en de Commissie verzocht, het vrijstellingsmechanisme voor de energie-intensieve ondernemingen goed te keuren. Op 25 januari 2011 heeft de Commissie geantwoord op deze brief.

14 Op 8 maart 2011 heeft de Commissie besluit 2011/528/EU betreffende de staatssteun in zaak C 24/09 (ex N 446/08) – Staatssteun voor energie-intensieve ondernemingen, Wet op groene elektriciteit, Oostenrijk (PB L 235, blz. 42; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld. Zij heeft, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat het betrokken mechanisme neerkomt op een selectief voordeel dat erin bestaat de energie-intensieve ondernemingen gedeeltelijk vrij te stellen van een last die zij normaliter moeten dragen. Volgens haar leidt een dergelijk mechanisme tot een verlies van staatsmiddelen en is het aan de staat toe te rekenen. Zij heeft eveneens geoordeeld dat dit mechanisme de mededinging en de handelsvoorwaarden kan vervalsen op een wijze die strijdig is met het gemeenschappelijk belang. Zij heeft aldus geoordeeld dat de betrokken maatregel, voor zover daarbij gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend voor energie-intensieve ondernemingen, een steunmaatregel van de staat vormt die de werkingskosten van die ondernemingen verlaagt en niet kan worden gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het stelsel, en om die reden onverenigbaar is met de interne markt.

15 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt:

„Artikel 1

De staatssteun in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting tot afname van groene elektriciteit die [de Republiek Oostenrijk] voornemens is aan energie-intensieve ondernemingen te verlenen, is niet verenigbaar met de interne markt.

Deze steun mag derhalve niet worden verleend.

Artikel 2

[De Republiek Oostenrijk] deelt de Commissie binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van dit besluit mee welke maatregelen [zij] heeft getroffen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.”

Procedure en conclusies van de partijen

16 Bij een op 18 mei 2011 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Republiek Oostenrijk het onderhavige beroep ingesteld. Op 4 augustus 2011 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend. Op 19 oktober 2011 heeft de Republiek Oostenrijk haar repliek ingediend en op 5 december 2011 heeft de Commissie haar dupliek ingediend. Op 26 september 2011 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een verzoek tot interventie aan de zijde van verzoekster ingediend. Bij beschikking van 11 november 2011 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Op 3 februari 2012 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn memorie in interventie ingediend. Op 2 april 2012 heeft de Commissie opmerkingen ingediend over deze memorie.

17 Bij een wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vijfde kamer, waaraan de onderhavige zaak dan ook is toegewezen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten de mondelinge behandeling te openen en in het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het de partijen schriftelijk een aantal vragen gesteld, waarop deze binnen de gestelde termijn hebben geantwoord.

18 Ter terechtzitting van 27 februari 2014 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

19 De Republiek Oostenrijk verzoekt het Gerecht: — het bestreden besluit nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.

20 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het eerste en het tweede middel niet-ontvankelijk te verklaren; — subsidiair, het eerste en het tweede middel ongegrond te verklaren; — het derde en het vierde middel ongegrond te verklaren; — de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

21 Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Gerecht: — het eerste middel gegrond te verklaren en, in de veronderstelling dat het ontvankelijk is, het bestreden besluit nietig te verklaren.

In rechte

22 Ter ondersteuning van het beroep voert de Republiek Oostenrijk vier middelen aan. Ten eerste schendt het bestreden besluit artikel 107, lid 1, VWEU omdat de Commissie erin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de bevinding te komen dat de regeling van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, staatssteun vormt. Ten tweede schendt dat besluit diezelfde bepaling omdat de Commissie erin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de bevinding te komen dat bovengenoemde maatregel selectief is. Ten derde heeft de Commissie artikel 107, lid 3, VWEU onjuist toegepast en haar bevoegdheid overschreden. Ten vierde heeft de Commissie vergelijkbare situaties ongelijk behandeld ter zake van de economische gevolgen ervan en van de gevolgen ervan voor de mededinging.

Ontvankelijkheid van het eerste en het tweede middel

23 De Commissie voert aan dat de Republiek Oostenrijk in het kader van het eerste en het tweede middel de motivering van het bestreden besluit niet onderzoekt en ook niet nader heeft aangegeven in welke punten de Commissie blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens haar heeft de Republiek Oostenrijk alleen uiteengezet om welke redenen de regeling van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, geen staatssteun is, en daarbij in wezen de stellingen herhaald die zij tijdens de administratieve procedure had aangevoerd. Bijgevolg zijn deze middelen niet-ontvankelijk op grond van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie verwijst in dit verband naar de arresten van 15 december 1961, Fives Lille Cail e.a./Hoge Autoriteit (19/60, 21/60, 2/61 en 3/61, Jurispr., EU:C:1961:30, punten 617 en 644) en 31 maart 1992, Commissie/Denemarken (C‑52/90, Jurispr., EU:C:1992:151, punt 17). Elke uitbreiding van de argumenten in het kader van de repliek is eveneens niet-ontvankelijk.

24 In dupliek betoogt de Commissie nog dat het in het verzoekschrift overnemen van de volledige inhoud van de klacht niet voldoet aan de bepalingen van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Zij verwijst in dit verband naar de beschikking van 28 april 1993, De Hoe/Commissie (T‑85/92, Jurispr., EU:T:1993:39, punt 23) en beklemtoont dat de klacht in het ambtenarenrecht functioneel vergelijkbaar is met de administratieve procedure in het recht dat van toepassing op steunmaatregelen van de staten.

25 Volgens de Republiek Oostenrijk blijkt uit het verzoekschrift duidelijk dat de grief inzake schending van het VWEU zowel op schending van artikel 107, leden 1 en 3, VWEU (voor het eerste, het tweede en het derde middel) als op schending van het beginsel van gelijke behandeling (voor het vierde middel) is gebaseerd. Volgens haar is het overdreven formalistisch te eisen dat in het verzoekschrift of in de samenvatting van de middelen exact wordt aangegeven tegen welke punten van het bestreden besluit de middelen zijn gericht.

26 Het Gerecht herinnert er in dit verband aan dat volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Die uiteenzetting moet zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht, in voorkomend geval zonder nadere informatie, op het beroep uitspraak kan doen (arrest van 11 juli 2007, Asklepios Kliniken/Commissie, T‑167/04, Jurispr., EU:T:2007:215, punt 39).

27 Volgens vaste rechtspraak is het, teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, doch een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het betoog rechtens, die volgens bovengenoemde bepaling in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet ondervangen (zie arrest Asklepios Kliniken/Commissie, punt 26 supra, EU:T:2007:215, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Wat meer in het bijzonder de twee middelen betreft die volgens de Commissie niet-ontvankelijk zijn, dient er allereerst op te worden gewezen dat uit de tekst van het verzoekschrift blijkt dat de Republiek Oostenrijk in het kader van het eerste middel betoogt dat de in het kader van het betrokken mechanisme aangewende middelen niet van de staat afkomstig zijn en dat het in het kader van dat mechanisme ook niet gaat om steun die aan de staat is toe te rekenen, en zich daarvoor baseert op voldoende nauwkeurige en begrijpelijke stellingen die niet alleen betrekking hebben op de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval maar ook verwijzen naar de rechtspraak en de rechtsleer. Dit betoog heeft de Commissie in staat gesteld haar verweer voor te bereiden en stelt het Gerecht in staat om, in voorkomend geval zonder nadere informatie, uitspraak te doen op het onderhavige beroep, zoals wordt verlangd in het arrest Asklepios Kliniken/Commissie, punt 26 supra, EU:T:2007:215. Vaststaat overigens dat, anders dan de Commissie beweert, het betrokken deel van de motivering van het bestreden besluit gemakkelijk kan worden gevonden.

29 Verder blijkt uit de tekst van het verzoekschrift dat de Republiek Oostenrijk in het kader van het tweede middel kritiek levert op het oordeel van de Commissie dat de betrokken maatregel selectief is omdat hij energie-intensieve ondernemingen gedeeltelijk vrijstelt van bepaalde betalingen waarin het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet. Volgens de Republiek Oostenrijk is er geen sprake van feitelijke selectiviteit en evenmin van juridische selectiviteit. Zij verstrekt in dit verband voldoende nauwkeurige uitleg over de aard en de logica van het stelsel van het ÖSG, zoals gewijzigd, en vraagt zich om te beginnen af of § 22c van deze wet werkelijk als een uitzondering op het „referentiestelsel” moet worden geanalyseerd. Vervolgens stelt zij voldoende nauwkeurig dat, zelfs indien dat het geval is, dient te worden geoordeeld dat het stelsel door zijn logica en zijn interne structuur wordt gerechtvaardigd. Voor het betwisten van het bestaan van enige selectiviteit baseert zij zich verder enerzijds op de bewoordingen van het ÖSG, zoals gewijzigd, en anderzijds op concrete elementen, met name tabellen waaruit blijkt dat elke onderneming, ongeacht haar grootte en haar werkterrein, van de in bovengenoemde bepaling geformuleerde regel kan profiteren. Zij heeft aldus overduidelijk proberen te antwoorden op bepaalde stellingen die de Commissie in het bestreden besluit heeft geformuleerd, anders dan deze laatste voor het Gerecht heeft betoogd. Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat, wat het tweede middel betreft, het betoog van de Republiek Oostenrijk, dat bovendien is onderbouwd door een aantal verwijzingen naar de rechtspraak en naar de eerdere beslissingspraktijk van de Commissie, deze laatste eveneens in staat stelde haar verweer voor te bereiden en het Gerecht in staat stelt om, in voorkomend geval zonder nadere informatie, uitspraak te doen op het onderhavige beroep.

30 De in de punten 28 en 29 hierboven geformuleerde slotsom wordt niet ontkracht door de van de Commissie uitgaande verwijzing naar de beschikking De Hoe/Commissie, punt 24 supra (EU:T:1993:39). Enerzijds heeft deze beschikking betrekking op een ander rechtsgebied, namelijk het ambtenarenrecht, waarvan de bestuurlijke klachtprocedure, anders dan de Commissie stelt, niet kan worden gelijkgesteld met de procedure voor de beoordeling of staatssteun verenigbaar is met de interne markt. Anderzijds betreft deze beschikking, zoals met name uit punt 23 ervan blijkt, de beoordeling van een bijzonder geval waarin de volledige inhoud van een klacht was opgenomen in de tekst zelf van het verzoekschrift, hetgeen veel weg had van een gewone verwijzing naar een bijlage. Een dergelijke algemene verwijzing naar andere geschriften verschilt echter van het onderhavige geval, waarin de Republiek Oostenrijk in het verzoekschrift voldoende nauwkeurige en begrijpelijke stellingen heeft opgebouwd (zie punten 28 en 29 hierboven).

31 Gelet op een en ander dienen de stellingen van de Commissie betreffende de niet-ontvankelijkheid van de eerste twee middelen dus ongegrond te worden verklaard.

Ten gronde

Voorafgaande uiteenzetting van een aantal hoofdpunten van de betrokken maatregel en van het standpunt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft ingenomen

32 Zoals uit de punten 1 tot en met 3 hierboven blijkt, heeft de Republiek Oostenrijk met het ÖSG, zoals gewijzigd, haar bindend nationaal streefcijfer voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik, zoals vastgesteld in de richtlijn hernieuwbare energiebronnen, willen halen. De Commissie is met het bestreden besluit slechts opgekomen tegen de in § 22c van die wet bepaalde vrijstelling voor energie-intensieve ondernemingen en alleen deze vrijstelling is het voorwerp van het onderhavige beroep. Het Gerecht is echter van oordeel dat die bepaling moet worden geanalyseerd in de context ervan, dit wil zeggen in het kader van de algemene structuur waarin het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet.

33 In dit verband is het nuttig om, alvorens de verschillende middelen van de Republiek Oostenrijk te analyseren, nog te wijzen op een aantal andere relevante punten van de algehele structuur van het ÖSG, zoals gewijzigd. Ten eerste wordt in het derde deel van die wet weliswaar bepaald dat de Republiek Oostenrijk aan een of meer ondernemingen een concessie verleent voor het uitvoeren van de taken van een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit, maar was op de datum van het bestreden besluit ÖMAG, een privaatrechtelijke naamloze vennootschap, de enige onderneming die van de Oostenrijkse autoriteiten een dergelijke concessie van nationale omvang had gekregen. Bovendien blijkt uit punt 15 van het bestreden besluit dat de Commissie niet beschikt over aanwijzingen dat de door de overheid gecontroleerde aandeelhouders, die 49,6 % van de aandelen van ÖMAG in handen hebben, zeggenschap, althans gezamenlijke zeggenschap, over ÖMAG kunnen uitoefenen, daar de door particulieren gecontroleerde aandeelhouders 50,4 % van de aandelen van ÖMAG bezitten. Partijen waren het er echter niet over eens, noch tijdens de administratieve procedure noch voor het Gerecht, welk belang moet worden gehecht aan het feit dat de staat of bestuurlijke entiteiten een zekere ex‑postcontrole kunnen verrichten bij ÖMAG.

34 Ten tweede bestaat, zoals bij wijze van inleiding in de punten 2 en 3 hierboven is gezegd, een ander wezenlijk element van het betrokken mechanisme, en in het bijzonder van de vrijstelling waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet, hierin dat de nadere regels voor de concrete toepassing ervan, zoals de nadere regels voor de levering van elektriciteit aan de elektriciteitsleveranciers of de prijs die de leveranciers, en bijgevolg de bijdrage die de eindverbruikers, moeten betalen, vooraf door de Oostenrijkse autoriteiten bij wet of bij bestuurlijk besluit worden vastgesteld.

35 Ten derde wordt, volgens § 15, lid 1, punt 3, van het ÖSG, zoals gewijzigd, de totale geproduceerde hoeveelheid groene elektriciteit die de leveranciers van elektriciteit bij ÖMAG moeten aankopen, aldus verdeeld dat voor alle leveranciers het quotum groene elektriciteit hetzelfde is ten opzichte van de totale hoeveelheid elektriciteit waarover die leveranciers beschikken. Vaststaat dat het die leveranciers van elektriciteit in beginsel is toegestaan de extra kosten die hun daardoor opkomen, door te berekenen aan de eindverbruikers door deze een hogere elektriciteitsprijs in rekening te brengen. Deze als principe vastgestelde regeling geldt echter niet voor de energie-intensieve ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd.

36 Ten vierde moet, ter zake van de vrijstelling voor de energie-intensieve ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, met nadruk worden gewezen op twee belangrijke elementen.

37 Het eerste element is dat elke onderneming die voldoet aan de in de Oostenrijkse wettelijke regeling gestelde voorwaarden, er recht op heeft dat zij op haar verzoek wordt vrijgesteld door de Oostenrijke energietoezichthouder, die ter zake overigens geen beoordelingsbevoegdheid heeft. Het ÖSG, zoals gewijzigd, verbiedt de leveranciers de aan de groene elektriciteit verbonden extra kosten in rekening te brengen aan de energie-intensieve ondernemingen die een dergelijke vrijstelling hebben gekregen. § 22c, lid 5, van deze wet bepaalt met name dat de overeenkomsten tussen de elektriciteitsleveranciers en de grote elektriciteitsverbruikers dwingend een bepaling moeten bevatten op grond waarvan de leveranciers aan deze laatsten, vanaf het ogenblik waarop dezen de betrokken vrijstelling hebben gekregen, geen door de afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit toegewezen groene elektriciteit leveren en geen extra kosten voor groene elektriciteit in rekening brengen. Elk andersluidend beding is nietig.

38 Het tweede element bestaat hierin dat elke energie-intensieve onderneming die van de aankoopverplichting is vrijgesteld, op grond van § 22c, lid 2, van het ÖSG, zoals gewijzigd, verplicht is, rechtstreeks aan ÖMAG en niet aan de elektriciteitsleveranciers een „compenserende vergoeding” te betalen ter hoogte van 0,5 % van de nettoproductiewaarde van het voorgaande kalenderjaar.

39 Ten vijfde dient, wegens het bijzondere belang van punt 58 in de redenering die de Commissie in het bestreden besluit heeft gevolgd, erop te worden gewezen dat de Commissie in dat punt van het besluit heeft verklaard dat het betrokken mechanisme ertoe leidt dat vanaf een bepaald bedrag de bijdrage van energie-intensieve ondernemingen aan de inkomsten van ÖMAG „beperkt is tot een bepaald maximum”. Volgens haar zijn deze ondernemingen dus op grond van de bepalingen van het ÖSG, zoals gewijzigd, vrijgesteld van een heffing die zij onder normale marktomstandigheden hadden moeten betalen. Volgens de Commissie houdt dit in dat ondernemingen die gebruik kunnen maken van dat vrijstellingsmechanisme, worden bevoordeeld.

40 Om tot de in punt 39 hierboven bedoelde slotsom te komen heeft de Commissie, na in punt 55 van het bestreden besluit te hebben verwezen naar de rechtspraak over de voordelen die een gevolg zijn van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van een regelende heffing, in punt 56 van dat besluit de betrokken maatregel beoordeeld en is zij daarbij tot de bevinding gekomen dat deze maatregel is bedoeld om van de elektriciteitsverbruikers afkomstige inkomsten te genereren voor de financiering van de productie van groene elektriciteit. Volgens haar bevinden de energie-intensieve ondernemingen zich feitelijk en juridisch in dezelfde situatie als alle andere verbruikers van elektriciteit, omdat zij allemaal elektriciteit verbruiken die zij afnemen van leveranciers die verplicht zijn om een bepaalde hoeveelheid groene elektriciteit te kopen tegen de verrekenprijs. Zonder het vrijstellingsmechanisme betalen energie-intensieve ondernemingen de elektriciteitsleveranciers de extra kosten voor die groene elektriciteit, die op de betrokken facturen nader worden gespecificeerd. De elektriciteitsleveranciers rekenen de extra kosten die voortvloeien uit hun verplichting om groene elektriciteit te kopen van ÖMAG immers door aan hun klanten die niet voor vrijstelling in aanmerking komen.

Eerste middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU doordat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de bevinding te komen dat regeling van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, staatssteun vormt

41 Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel bestaat in de stelling dat de geldmiddelen die worden aangewend voor de financiering van de regeling van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, geen staatsmiddelen zijn. Het tweede onderdeel bestaat in de stelling dat die geldmiddelen in elk geval niet afkomstig zijn van de staat.

– Eerste onderdeel van het eerste middel

42 De Republiek Oostenrijk betwist dat de compensatieregeling voor energie-intensieve ondernemingen waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet, met staatsmiddelen wordt bekostigd. Volgens haar zijn de feiten van het onderhavige geval vergelijkbaar met die welke ten grondslag lagen aan de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr., EU:C:2001:160). Zij wijst er met name op dat in die zaak beslissend was dat de betalingen uitsluitend tussen particuliere ondernemingen gebeurden, zodat die geldmiddelen de particuliere sector nooit verlieten en nooit onder zeggenschap van de staat kwamen. Om die redenen heeft het Hof vastgesteld dat het feit dat een bepaalde financiële transactie op een wet is gebaseerd en bepaalde ondernemingen voordelen verleent, niet volstaat om de betrokken geldmiddelen als staatsmiddelen aan te merken.

43 In dit verband betoogt de Republiek Oostenrijk verder dat zowel in het Duitse als in het Oostenrijkse stelsel van steun voor groene elektriciteit door de staat erkende marktdeelnemers zonder overheidsgezag als ontvanger, betaler en doorverkoper van de groene elektriciteit fungeren en dat in geen van beide stelsels is bepaald dat de verliezen met begrotingsmiddelen worden gedekt. De verplichting tot aankoop, betaling en doorverkoop is vastgesteld in de wet. Volgens de Republiek Oostenrijk neemt de staat aldus in geen van beide stelsels deel aan de verrekening, maar stelt hij alleen de algemene toepassingsregels vast zonder dat dit een last voor de overheidsbegroting meebrengt. Zij verwijst dienaangaande naar de arresten van 17 maart 1993, Sloman Neptun, (C‑72/91 en C‑73/91, Jurispr., EU:C:1993:97), en 15 juli 2004, Pearle e.a., (C‑345/02, Jurispr., EU:C:2004:448, punten 36 e.v.).

44 Het Verenigd Koninkrijk steunt het standpunt van de Republiek Oostenrijk dat de betrokken maatregel geen „met staatsmiddelen bekostigde” steunmaatregel is. Het voert enerzijds aan dat het een uitgemaakte zaak is dat steun kan worden geacht met staatsmiddelen te zijn bekostigd wanneer hij, in de plaats van rechtstreeks door de staat te worden verleend, wordt geïnd en uitbetaald door een orgaan dat met de distributie en het beheer van die steun is belast (arrest van 22 maart 1977, Steinike & Weinlig, 78/76, Jurispr., EU:C:1977:52, punten 21 en 22). Het voert anderzijds aan dat het Hof heeft bevestigd dat een maatregel niet als met staatsmiddelen bekostigde steunmaatregel wordt beschouwd om de enkele reden dat de betaling aan de begunstigde door de staat is voorgeschreven. Indien de staat dus een derde gelast om met eigen geldmiddelen een betaling te doen aan de begunstigde, vormt deze betaling geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Het verwijst daartoe naar het arrest PreussenElektra, punt 42 supra, EU:C:2001:160, punten 59 en 61, en het arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, Jurispr., EU:C:2008:413, punten 40, 47, 66, 69, 70, 72 en 74).

45 Het Verenigd Koninkrijk wijst er met name op dat het Hof in het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), weliswaar heeft overwogen dat de aangewende geldmiddelen als staatsmiddelen konden worden aangemerkt, maar zich daarvoor op drie feitelijke elementen heeft gebaseerd. Ten eerste kwamen de bedragen die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, voort uit een door de wettelijke regeling aan de elektriciteitsverbruikers opgelegde prijstoeslag. Die prijstoeslag was een fiscale maatregel en vormde dus van meet af aan staatsmiddelen. Ten tweede was het voor het beheer van de geïnde gelden verantwoordelijke orgaan belast met de exploitatie van een dienst van algemeen economisch belang en had het daarnaast het recht om een deel van de inkomsten te behouden. Ten derde had het betrokken orgaan niet het recht om de opbrengst van de prijstoeslag te gebruiken voor andere doelen dat die welke in de wet werden genoemd, en werd daar streng op toegezien. Het Hof heeft ook beklemtoond dat de betrokken gelden onder zeggenschap van de staat bleven en dus tot aan de distributie ervan ter beschikking bleven van de bevoegde nationale autoriteiten. Volgens het Verenigd Koninkrijk voldoet het ÖSG, zoals gewijzigd, in zijn geheel echter niet aan bovengenoemde voorwaarden en vooral niet aan de eerste en de derde voorwaarde.

46 Het Gerecht wijst erop dat de Commissie in punt 61 van het bestreden besluit, zakelijk weergegeven, heeft verklaard dat het betrokken mechanisme tot een vermindering van de inkomsten van ÖMAG leidt, omdat de elektriciteitsleveranciers geen groene elektriciteit voor vrijgestelde ondernemingen hoeven aan te kopen en de rechtstreekse betalingen van deze laatsten aan ÖMAG lager uitvallen dan die welke ÖMAG zonder de vrijstelling zou hebben ontvangen.

47 Vervolgens heeft de Commissie in punt 62 van het bestreden besluit beklemtoond dat zij dus moet nagaan of de middelen waarover ÖMAG op grond van het ÖSG, zoals gewijzigd, beschikt, als staatsmiddelen moeten worden beschouwd. Indien dat het geval is, leidt de betrokken maatregel volgens haar tot een verlies van overheidsinkomsten en wordt hij dus met staatsmiddelen bekostigd.

48 In dit verband is de Commissie, ten eerste, na de arresten PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), en Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), te hebben geanalyseerd om daaruit consequenties te trekken voor de beoordeling van de onderhavige zaak, in punt 68 van het bestreden besluit nagegaan of de betrokken Oostenrijkse regeling voorziet in een heffing. Zij is tot de slotsom gekomen dat dit wel degelijk het geval is, aangezien het ÖSG, zoals gewijzigd, de elektriciteitsleveranciers ertoe verplicht een bepaalde hoeveelheid groene elektriciteit aan te kopen tegen de verrekenprijs, die hoger ligt dan de marktprijs en elk jaar door de bevoegde Oostenrijkse federale minister wordt vastgesteld, waarbij die wet alleen referentiewaarden vastlegt. Het verschil tussen de marktprijs voor elektriciteit en de van overheidswege vastgestelde verrekenprijs moet volgens haar als een „elektriciteitsheffing” worden beschouwd. De Commissie heeft ook beklemtoond dat, anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), de betrokken geldmiddelen in het onderhavige geval niet worden betaald aan andere marktdeelnemers die gewone commerciële bedrijfsactiviteiten verrichten, maar aan een orgaan dat door de staat specifiek is belast met het innen en verdelen van deze middelen, en dit uitsluitend voor doelstellingen van algemeen belang. In de punten 69 tot en met 71 van het bestreden besluit heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat ÖMAG een concessie voor het uitvoeren van de taken van een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit heeft en door middel daarvan is belast met het beheer van een economische dienst van algemeen belang, namelijk de inning van de betrokken heffing van alle elektriciteitsleveranciers.

49 Ten tweede heeft de Commissie, in de punten 72 en volgende van het bestreden besluit, aangegeven dat de betrokken geldmiddelen bestemd zijn voor een wettelijk vastgesteld doel, en dat dit streng wordt gecontroleerd. Zij heeft beklemtoond dat ÖMAG volgens § 23 van het ÖSG, zoals gewijzigd, verplicht is de betrokken inkomsten te beheren op een speciale bankrekening, die alleen voor de aankoop van groene elektriciteit wordt gebruikt, en de bevoegde Oostenrijkse federale minister en de Oostenrijkse rekenkamer te allen tijde inzage moet geven in alle documenten die betrekking hebben op die rekening.

50 Op grond van al deze elementen is de Commissie in punt 74 van het bestreden besluit tot de slotsom gekomen dat „overeenkomstig de zaken [die aanleiding hebben gegeven tot de arresten Essent Netwerk Noord e.a. (EU:C:2008:413) en Steinike & Weinlig (EU:C:1977:52), punt 44 supra] [...] de middelen die door ÖMAG worden geïnd en beheerd, als staatsmiddelen moeten worden beschouwd”.

51 Ten derde heeft de Commissie vervolgens, in de punten 75 en volgende van het bestreden besluit, geweigerd het bestaan te aanvaarden van analogie tussen de onderhavige zaak en de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160). Zij heeft, zakelijk weergegeven, vastgesteld dat het in het onderhavige geval niet ter zake dienend is de Duitse wettelijke regeling, in de eerdere of in de huidige versie ervan, te onderzoeken en dat in elk geval de Oostenrijkse wettelijke regeling daar aanzienlijk van afwijkt. Dit is volgens haar met name het geval omdat de Duitse regeling, die door het Hof is beoordeeld in het kader van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), slechts voorzag in een afnameverplichting tussen op de markt werkzame particuliere ondernemingen, terwijl het Oostenrijkse stelsel, dat als een belasting op elektriciteit kan worden aangemerkt, voorziet in een door de staat aangewezen en gecontroleerd tussenorgaan. Volgens de Commissie zijn in de Oostenrijkse regeling ook rechtstreekse betalingen van de staat aan ÖMAG mogelijk (punt 76 van het bestreden besluit).

52 Ten vierde heeft de Commissie beklemtoond dat het niet ter zake dienend is dat ÖMAG een privaatrechtelijk orgaan is, daar ÖMAG is aangewezen om een heffing te innen en te beheren, zodat de betrokken middelen staatsmiddelen zijn (punten 79 en 80 van het bestreden besluit). Ten slotte heeft zij geoordeeld dat het niet ter zake dienend is dat het totale bedrag dat de elektriciteitsleveranciers aan ÖMAG betalen, door het betrokken mechanisme niet ongunstig wordt beïnvloed, omdat uitsluitend de verdeling van dat bedrag over de verschillende categorieën verbruikers verandert. Zij heeft in dit verband verklaard dat doorslaggevend is of een door een onderneming ontvangen voordeel tot een verlies aan staatsinkomsten leidt, hetgeen wel degelijk het geval is in de betrokken Oostenrijkse regeling. Volgens haar spreekt het overigens vanzelf dat de staat inkomsten uit andere bronnen moet zoeken om de aldus opgelopen verliezen te compenseren (punten 81‑85 van het bestreden besluit).

53 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak voor de kwalificatie als „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is vereist dat is voldaan aan alle in deze bepaling bedoelde voorwaarden (zie in die zin arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra, EU:C:2008:413, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie in die zin Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra, EU:C:2008:413, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Wat de eerste voorwaarde betreft, dient er in de eerste plaats op te worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak alleen voordelen die rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen worden bekostigd, als steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zijn te beschouwen. Uit de tekst van deze bepaling en uit de procedureregels van artikel 108 VWEU blijkt immers, dat de uit andere dan staatsmiddelen bekostigde voordelen niet binnen de werkingssfeer van de betrokken bepalingen vallen. Het onderscheid tussen steunmaatregelen van de staten en met staatsmiddelen bekostigde steunmaatregelen is bedoeld om niet alleen de rechtstreeks door de staat bekostigde steun onder het begrip steunmaatregel te brengen, maar ook die welke wordt toegekend door publiek‑ of privaatrechtelijke lichamen die door de staat zijn aangewezen of ingesteld (zie in die zin arresten Steinike & Weinlig, punt 44 supra, EU:C:1977:52, punt 21, en Sloman Neptun, punt 43 supra, EU:C:1993:97, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het gemeenschapsrecht kan immers niet aanvaarden dat louter door de oprichting van autonome, met de verdeling van steun belaste instanties de regels betreffende staatssteun kunnen worden omzeild (arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, Jurispr., EU:C:2002:294, punt 23).

55 In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd dat niet in alle gevallen behoeft te worden aangetoond dat staatsmiddelen zijn overgedragen, om het aan een of meerdere ondernemingen verleende voordeel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te kunnen aanmerken (zie arrest Frankrijk/Commissie, punt 54 supra, EU:C:2002:294, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 In de derde plaats dient te worden beklemtoond dat reeds uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 107, lid 1, VWEU alle geldelijke middelen omvat die de overheid daadwerkelijk kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Dus ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de betrokken maatregel, niet permanent in het bezit van de schatkist, het feit dat zij constant onder staatscontrole en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, volstaat om ze als staatsmiddelen aan te merken (zie arrest Frankrijk/Commissie, punt 54 supra, EU:C:2002:294, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 In het onderhavige geval beklemtonen de Republiek Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk dat in het kader van de onderhavige maatregel op geen enkel moment overheidsgeld een rol speelt. Zij zoeken daarvoor in het bijzonder steun in het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160). De Commissie beroept zich daarentegen vooral op de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra, EU:C:2008:413, en Steinike & Weinlig, punt 44 supra, EU:C:1977:52, punt 21). Vaststaat bovendien dat de Commissie in het bestreden besluit de drie bovengenoemde arresten tot in de details analyseert, maar in de procedure voor het Gerecht aan het arrest Steinike & Weinlig, punt 44 supra (EU:C:1977:52), meer waarde als „beginselarrest” probeert te verlenen en daarbij de arresten PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160) en Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413) louter ziet als ad-hocbeslissingen waaruit geen algemene voorwaarden kunnen worden afgeleid waaraan een maatregel moet voldoen om te kunnen worden beschouwd als maatregel die rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen wordt bekostigd.

58 Vaststaat dat de arresten PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160) en Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), niet aldus mogen geanalyseerd dat de slotsom waartoe het Hof in het recentste arrest is gekomen, tot gevolg heeft dat de in het oudere arrest gekozen oplossingen achterhaald zijn. Integendeel, zij moeten aldus worden gelezen dat daarmee wordt gereageerd op uiteenlopende feitelijke situaties (zie in die zin ook arrest van 19 december 2013, Vent De Colère e.a., C‑262/12, Jurispr., EU:C:2013:851, punten 34 en 35).

59 Met betrekking tot het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), dient erop te worden gewezen dat het Hof, om de kwalificatie staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG (thans artikel 107, lid 1, VWEU) uit te sluiten, zich in wezen heeft gebaseerd op het feit dat de in die zaak aan de orde zijn Duitse regeling, die enerzijds de particuliere elektriciteitsondernemingen de verplichting oplegde om de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen aan te kopen tegen minimumprijzen die hoger lagen dan de economische waarde ervan, en anderzijds de financiële last die daaruit voortvloeide, verdeelde tussen de particuliere elektriciteitsondernemingen en de particuliere toeleverende netexploitanten, geen elementen bevatte waaruit kon worden afgeleid dat er sprake was van rechtstreekse of indirecte overdracht van staatsmiddelen. In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat die regeling de ondernemingen die elektriciteit uit hernieuwbare bronnen produceren, een onbetwistbaar voordeel verleende, en dat een dergelijk voordeel het gevolg was het optreden van de overheid, niet volstond om de betrokken maatregel als steun aan te merken. Verder heeft het Hof het feit dat particulieren die de door de betrokken Duitse wet opgelegde extra lasten moesten betalen, als een wezenlijk element beschouwd (zie het dictum en de punten 55 en 56 van dat arrest). Uit de analyse van de feiten van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, blijkt ook dat het mechanisme van de Duitse wet, anders dan de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde Oostenrijkse maatregel, niet voorzag in tussenpersonen die belast waren met het innen en beheren van de bedragen die de steun vormden, en dus niet in entiteiten die, qua structuur en rol, vergelijkbaar waren met ÖMAG. Anders dan in het onderhavige geval werd het door het Hof in het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), geanalyseerde voordeel, dat enerzijds bestond in de aan de begunstigde ondernemingen verleende garantie dat zij alle energie uit hernieuwbare bronnen zouden kunnen doorverkopen, en anderzijds in een verkoopprijs die hoger lag dan de marktprijs, verleend op het tijdstip van het sluiten van leveringsovereenkomst en van de betaling van de tegenprestatie.

60 Wat daarentegen de zaak betreft die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), die betrekking had op een maatregel bestaande in een nationale regeling op grond waarvan een toeslag op de elektriciteitsprijs mocht worden geheven ten behoeve van een bij wet aangewezen vennootschap (hierna: „SEP”), die verplicht was de zogenoemde „gestrande kosten” te betalen, dient eraan te worden herinnerd dat het Hof tot de bevinding is gekomen dat het daarbij ging om het gebruik van staatsmiddelen in de zin van artikel 87, lid 1, EG. In dit verband blijkt uit de punten 65 en volgende van dat arrest dat het Hof zich ten eerste heeft gebaseerd op de vaststelling dat de betrokken aan SEP afgedragen geldbedragen voortvloeiden uit een door de staat bij wet aan de afnemers van elektriciteit opgelegde prijstoeslag en dat was aangetoond dat het om een heffing ging. Volgens het Hof waren die bedragen dus met staatsmiddelen bekostigd.

61 Ten tweede heeft Hof, zoals uit de punten 67 tot en met 69 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413) blijkt, beklemtoond dat de betrokken heffing werd betaald aan de netbeheerders of aan de vergunninghouders, die deze moesten afdragen aan SEP, die een in de wet bepaald bedrag [400 miljoen Nederlandse gulden (NLG)] behield en de rest aan de bevoegde minister in Nederland afdroeg. Het heeft eveneens verklaard dat SEP, waarvan het kapitaal volledig in handen was van de elektriciteitsproductie-ondernemingen, destijds bij wet was belast met het beheer van een economische dienst van algemeen belang. Bovendien had SEP geen enkele mogelijkheid om de opbrengst van de belasting te gebruiken voor andere doeleinden dan die welke waren vastgesteld in de wet, en werd zij bij de vervulling van deze taak ook streng gecontroleerd, aangezien zij op grond van de wet verplicht was een accountantsverklaring over de getrouwheid van de afrekening van de ontvangen en afgedragen bedragen over te leggen.

62 Ten derde heeft het Hof, zoals uit punt 70 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413) blijkt, vastgesteld „[h]et [...] van weinig belang [was] dat deze aangewezen vennootschap tegelijkertijd de ontvangen belastingen [centraliseerde], de verzamelde middelen [beheerde] en een deel van deze middelen toegewezen [kreeg]. De wettelijke mechanismen en met name de door een accountant goedgekeurde afrekeningen [boden] immers de mogelijkheid om deze verschillende functies te onderscheiden en het gebruik van de middelen te controleren. Hieruit [volgde] dat, zolang de aangewezen vennootschap het bedrag van 400 miljoen NLG niet aan zichzelf [had] toegewezen en daarover aldus de vrije beschikking [kreeg], dit bedrag onder staatscontrole [bleef] en dus ter beschikking [bleef] van de bevoegde nationale autoriteiten, wat [volstond] om deze middelen als staatsmiddelen aan te merken.”

63 In punt 71 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), heeft het Hof nog beklemtoond dat de betrokken wet kennelijk tot doel had, de elektriciteitsproductie-ondernemingen via hun dochteronderneming SEP de mogelijkheid te bieden om niet-marktconforme kosten die zij in het verleden hadden gedragen, te recupereren.

64 Om deze redenen is het Hof in de punten 72 en 72 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), dan ook tot de slotsom gekomen dat de zaak die aanleiding had gegeven tot dit arrest, zich onderscheidde van de maatregel die aan de orde was in het arrest Pearle e.a., punt 43 supra (EU:C:2004:448). Het Hof heeft beklemtoond dat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot laatstgenoemd arrest, de voor een reclamecampagne gebruikte middelen door een beroepsorganisatie waren ingezameld bij de leden aan wie deze campagne ten goede kwam, door middel van bijdragen die verplicht dienden te worden gebruikt voor de organisatie van deze campagne. Volgens het Hof ging het dus noch om een last voor de staat noch om middelen die onder controle van de staat bleven. Het heeft ook beklemtoond dat de omstandigheid dat de reclamecampagne werd georganiseerd door een particuliere vereniging van opticiens, een zuiver commercieel doel had en geen deel uitmaakte van een door de overheid uitgestippeld beleid, anders dan het geval was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), waarin de nationale wetgever had beslist om het betrokken geldbedrag aan de aangewezen vennootschap toe te wijzen.

65 Ten slotte heeft het Hof in punt 74 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), uitdrukkijk verklaard dat de betrokken maatregel verschilt van die welke aan de orde was in het arrest, PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), en beklemtoond dat er in laatstgenoemde zaak geen enkele rechtstreekse of indirecte overdracht van staatsmiddelen aan de ondernemingen die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren, was geweest, maar alleen een verplichting was opgelegd om dergelijke elektriciteit tegen minimumprijzen af te nemen. Het Hof heeft benadrukt dat in die zaak de ondernemingen door de staat niet waren belast met het beheer van staatsmiddelen, maar verplicht waren om met hun eigen financiële middelen aankopen te verrichten.

66 Anders dan de Republiek Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk stellen, bevat het ÖSG, zoals gewijzigd, een aantal elementen waardoor het veel gelijkenis vertoont met de maatregel die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413).

67 In de eerste plaats dient er immers op te worden gewezen dat, net als SEP in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), in het onderhavige geval ÖMAG door het ÖSG, zoals gewijzigd, is belast met het beheer van het stelsel van steun voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. In dit verband wijst de Commissie terecht op het feit dat ÖMAG in 2006 is opgericht met het uitdrukkelijke doel om een concessie te vragen voor het vervullen van de taken die een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit volgens de §§ 14 tot en met 14e van die wet heeft. Zoals de Commissie betoogt, kan het stelsel waarin die wet voorziet, worden omschreven als een overheidsconcessie, daar de betrokken geldmiddelen uitsluitend worden betaald voor de door de Oostenrijkse wetgever vastgestelde doelstellingen van openbaar belang. Die geldmiddelen, die overeenkomen met de meerkosten die de elektriciteitsleveranciers aan ÖMAG betalen voor de groene elektriciteit, waarvan de prijs hoger is dan de marktprijs voor elektriciteit, gaan niet rechtstreeks van de betalende ondernemingen over op de producenten van de groene elektriciteit, dat wil zeggen op andere marktdeelnemers die normale commerciële activiteiten verrichten, maar vereisen het optreden van een tussenpersoon, die belast is met de inning en het beheer van die gelden. Anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest PreussenElektra, punt 42 supra (EU:C:2001:160), is er geen sprake van een gewone bij wet opgelegde aankoopverplichting waarbij het toegekende voordeel automatisch wordt verleend op het moment van het sluiten van de leveringsovereenkomsten en van de betaling van de tegenprestatie.

68 In de tweede plaats staat vast dat, net als in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), de onderhavige zaak betrekking heeft op voor de financiering van de betrokken maatregel bestemde geldmiddelen die worden verkregen door lasten die het ÖSG, zoals gewijzigd, aan particulieren oplegt, daar deze wet voorziet in een verplichte prijstoeslag in verband met de aankoop van groene elektriciteit. Naar analogie met de punten 43 tot en met 47 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), dient te worden geoordeeld dat die prijstoeslag of meerkosten kan worden gelijkgesteld met een parafiscale heffing op de elektriciteit in Oostenrijk, die door een overheidsinstantie in het openbaar belang is vastgesteld aan de hand van een objectief criterium, namelijk het aantal kilowattuur (kWh) getransporteerde elektriciteit. Zoals de Commissie in punt 68 van het bestreden besluit beklemtoont, worden zowel de af te nemen hoeveelheid groene elektriciteit als de prijs door de wet bepaald, waarbij § 22b van het ÖSG, zoals gewijzigd, preciseert dat de hoogte van de verrekenprijs elk jaar door de bevoegde Oostenrijkse federale minister wordt vastgelegd. Bovendien heeft de Republiek Oostenrijk of het Verenigd Koninkrijk niet gesteld en bevat het dossier ook geen enkele aanwijzing, dat het opleggen van die toeslag, via de betrokken maatregel, uitgaat van betalingsplichtige entiteiten, of dat ÖMAG uitsluitend handelt als een instrument in het kader van een systeem dat door deze laatsten zelf is opgezet, of dat deze laatsten het gebruik van de financiële middelen zelf bepalen. Bijgevolg, en naar analogie met punt 66 van het arrest Essent Netwerk Noord e.a., punt 44 supra (EU:C:2008:413), kan worden geoordeeld dat de betrokken bedragen met staatsmiddelen zijn bekostigd en kunnen worden gelijkgesteld met een parafiscale heffing. De bijzondere vraag of steun in de vorm van vrijstelling van een parafiscale heffing een voordeel oplevert, en of dat voordeel selectief is (zie in die zin arrest van 7 maart 2012, British Aggregates/Commissie, T‑210/02 RENV, Jurispr., EU:T:2012:110, punten 46‑49 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zal worden behandeld in het kader van de beoordeling van het tweede middel van de Republiek Oostenrijk (zie punten 94 en volgende).

69 In de derde plaats staat weliswaar vast dat ÖMAG een privaatrechtelijke naamloze vennootschap en geen overheidsorgaan is, en dat de aandeelhouders van ÖMAG die onder controle van de overheid staan, minder dan de helft van de aandelen bezitten en niet in staat zijn zeggenschap of zelfs gezamenlijke zeggenschap uit te oefenen over ÖMAG (zie punten 33 en 45 hierboven), doch in de omstandigheden van het onderhavige geval volstaat dit niet voor afwijzing van de slotsom, dat er in het kader van de betrokken maatregel sprake is van staatsmiddelen.

70 Zoals in de punten 67 en 68 hierboven is opgemerkt, is ÖMAG immers belast met het beheer van het stelsel van steun voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en wordt zij overigens streng gecontroleerd bij de vervulling van die taak, zoals de Commissie in het bestreden besluit en in haar bij het Gerecht ingediende schrifturen beklemtoont, zodat zij de in het kader van de betrokken maatregel geïnde geldmiddelen, die haar moeten worden afgedragen door de ondernemingen waarop die maatregel betrekking heeft, niet voor andere dan de door de Oostenrijkse wetgever vastgestelde doelstellingen kan gebruiken. In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat, ook al is ÖMAG een privaatrechtelijke naamloze vennootschap, de activiteit van dit orgaan in het kader van de concessie voor de vervulling van de taken van een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit, niet die is van een economische entiteit die vrijelijk een op het maken van winst gerichte activiteit verricht op de markt, maar een activiteit is die de Oostenrijkse wetgever heeft beperkt tot het vervullen van de in de betrokken concessie afgebakende taken.

71 Hieraan dient te worden toegevoegd dat ÖMAG verplicht is, de op grond van de betrokken maatregel verkregen geldmiddelen te beheren op een specifieke rekening, die onder toezicht van de overheid staat, zoals met name blijkt uit de §§ 15, 21 en 23 van het ÖSG, zoals gewijzigd. Dit vormt, wanneer het in samenhang met de specifieke bevoegdheden en verplichtingen van ÖMAG wordt geanalyseerd, een extra aanwijzing dat het niet gaat om geldmiddelen die overeenkomen met die welke normaliter aan de privésector toebehoren en volledig ter beschikking staan van de onderneming die ze beheert, maar om bijzondere geldmiddelen waarvan het gebruik voor strikt bepaalde doeleinden door de Oostenrijkse wetgever vooraf is vastgesteld (zie naar analogie arrest van 27 januari 1998, Ladbrook Racing/Commissie, T‑67/94, Jurispr., EU:T:1998:7, met name punten 105 en volgende).

72 Wat in het bijzonder het in de punten 70 en 71 hierboven in herinnering geroepen overheidstoezicht op ÖMAG betreft, dit wordt op verschillende niveaus uitgeoefend. Ten eerste wordt toezicht uitgeoefend door de bevoegde Oostenrijkse federale minister, die volgens § 21 in fine van het ÖSG, zoals gewijzigd, in het kader van zijn functie van toezichthouder, de uitgaven van ÖMAG moet controleren en deze bij besluit moet goedkeuren, en volgens § 23 van die wet, gelezen in samenhang met § 15, lid 2, ervan, op elk tijdstip toegang moet krijgen tot alle documenten betreffende de specifieke rekeningen van ÖMAG en de betrokken geldmiddelen. Verder blijkt uit § 24 van de betrokken wet dat de bevoegde Oostenrijkse federale minister ook onverwijld op de hoogte moet worden gebracht van de ontwikkelingen die de verwezenlijking van bepaalde in de berokken wet genoemde doelstellingen kunnen belemmeren, en wel door de Oostenrijkse energietoezichthouder, die tot taak heeft, regelmatig toe te zien op de verwezenlijking van die doelstellingen.

73 Ten tweede wordt in § 23 van het ÖSG, zoals gewijzigd, bepaald dat ÖMAG elk jaar een omstandig rapport moet indienen bij de voor elektriciteit bevoegde Oostenrijkse energietoezichthouder.

74 Ten derde moet, zoals de Commissie in punt 72 van het bestreden besluit heeft beklemtoond, ook de Oostenrijkse rekenkamer, niettegenstaande de eigendomsstructuur van ÖMAG, volgens § 15, lid 5, van het ÖSG, zoals gewijzigd, ex-postcontroles bij de ÖMAG uitvoeren.

75 Het bestaan van een dergelijk strikt toezicht op de overeenstemming van de handelingen van ÖMAG met de toepasselijke wettelijke bepalingen, ook al wordt het ex post verricht, is weliswaar op zichzelf niet doorslaggevend, maar past in de algemene logica van de door het ÖSG, zoals gewijzigd, opgezette structuur en versterkt aldus de slotsom die uit de door dit orgaan uitgeoefende bevoegdheden en na te komen verplichtingen kan worden getrokken, namelijk dat ÖMAG niet vrij en voor eigen rekening handelt, maar ter uitvoering van een concessie optreedt als beheerder van met staatsmiddelen verleende steun. In dit verband faalt de door de Republiek Oostenrijk ter terechtzitting verdedigde stelling dat het toezicht door de Oostenrijkse rekenkamer geen enkele invloed heeft op de wijze waarop ÖMAG die geldmiddelen gebruikt. Zelfs al zou bovengenoemd toezicht geen rechtstreekse invloed hebben op het dagdagelijkse beheer van de betrokken geldmiddelen door ÖMAG, toch vormt het wel degelijk een extra instrument om ervoor te zorgen dat de handelingen van ÖMAG binnen het door het ÖSG, zoals gewijzigd, afgebakende kader blijven.

76 In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de Commissie in de punten 61 en 62 van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met de punten 82 tot en met 86 van dat besluit, terecht heeft verklaard dat het voordeel waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voor energie-intensieve ondernemingen voorziet, in het onderhavige geval gelijkenissen vertoont met een extra last voor de staat, aangezien kan worden geoordeeld dat elke vermindering van het bedrag van de door die ondernemingen verschuldigde heffing, leidt tot een verlies aan inkomsten voor de staat, die echter later op andere ondernemingen worden verhaald, waardoor de opgelopen verliezen worden gecompenseerd. Als tegenprestatie voor „de beperking van de bijdrage van de energie-intensieve ondernemingen tot een bepaald maximum”, wordt een elektriciteitsleverancier krachtens § 15a, lid 1, sub a, van het ÖSG, zoals gewijzigd, immers vrijgesteld van de aankoop van groene elektriciteit bij ÖMAG ten belope van de hoeveelheid elektriciteit die hij verkoopt aan de eindverbruiker die is vrijgesteld van de verplichting om groene elektriciteit aan te kopen.

77 Deze gevolgtrekkingen worden niet ontkracht door de andere stellingen van de Republiek Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk.

78 Allereerst faalt de stelling dat de staat niet voorziet in dekking van eventuele verliezen door geldmiddelen uit de begroting, en ook de stelling dat elk risico van insolvabiliteit dat zou kunnen voortvloeien uit het feit dat ÖMAG in strijd met de bepalingen van het ÖSG, zoals gewijzigd, handelt, door ÖMAG en niet door de staat wordt gedragen.

79 Opgemerkt dient immers te worden, dat alleen de situatie die voortvloeit uit toepassing van de betrokken maatregel zoals die is aangemeld, in het onderhavige geval ter zake dienend is, en niet een eventuele activiteit van ÖMAG die niet in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke bepalingen. Tussen partijen is echter in confesso dat ÖMAG, wanneer zij volledig in overeenstemming met en binnen de grenzen van die maatregel handelt, in beginsel geen behoefte heeft aan ondersteuning door de staat, aangezien overeenkomstig § 21 en volgende van het ÖSG, zoals gewijzigd, met name de verrekenprijs samen met de jaarlijkse bijdrage die elke op het openbare net aangesloten eindverbruiker verschuldigd is, ook de kosten van ÖMAG dekken. Zoals de Republiek Oostenrijk in haar antwoord op een vraag van het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft aangegeven, omvat dit de dekking van een eventuele inkomstenderving van ÖMAG in een voorafgaand jaar als gevolg van bijvoorbeeld een beperking van de bijdrage van bepaalde energie-intensieve ondernemingen tot een bepaald maximum. Bijgevolg verklaart de Republiek Oostenrijk terecht dat, ofwel ÖMAG op geen enkel ogenblik inkomsten heeft gederfd, ofwel een dergelijke inkomstenderving hooguit tijdelijk was omdat zij het jaar nadien werd gecompenseerd. Daarbij komt dat, zoals de Commissie in haar antwoord op de vragen van het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang onder verwijzing naar § 22b van het ÖSG, zoals gewijzigd, en het als bijlage bij het verweerschrift gevoegde activiteitenrapport van ÖMAG voor 2006 betoogt, de verrekenprijs zelfs in de loop van het jaar kan worden aangepast. In dit verband dient ook te worden verwezen naar de uitleg die de Republiek Oostenrijk heeft gegeven in haar antwoorden op de vragen van het Gerecht over het feit dat de bevoegde Oostenrijkse federale minister volgens § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, de aan ÖMAG te betalen compenserende vergoeding mocht wijzigen na afweging van de verschillende relevante economische gegevens. In die omstandigheden staat vast dat de Republiek Oostenrijk ter terechtzitting op tegenspraak heeft betoogd dat ÖMAG de aan haar activiteit verbonden risico’s dient te dragen, en dat dit met name geldt voor het risico van insolvabiliteit en gebrek aan liquide middelen.

80 In elk geval blijkt uit de analyse van het ÖSG, zoals gewijzigd, dat de betrokken maatregel in beginsel ervoor zorgt dat ÖMAG ononderbroken toegang heeft tot de geldmiddelen die zij nodig heeft voor de vervulling van de taken van algemeen belang die haar in het kader van de concessie voor de vervulling van de taken van een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit zijn toegewezen, en daardoor bovengenoemde in dat verband te dragen risico’s van een tekort aan liquide middelen, of zelfs van insolvabiliteit, tot een minimum beperkt. Dat versterkt echter nog de in de punten 70, 71 en 75 hierboven geformuleerde slotsom, dat ÖMAG niet handelde als een typische onderneming op de markt, die alle normale risico’s en ups en downs, daaronder begrepen financiële risico’s draagt, maar wel degelijk als een bijzondere entiteit, waarvan de rol strikt is afgebakend door de betrokken wettelijke regeling. Gelet op het voorgaande hoeft niet ook nog de relevantie te worden beoordeeld van de stelling die de Commissie in haar antwoord op de door het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang gestelde vragen heeft geponeerd, namelijk dat „§ 23, lid 2, punt 5, van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet in de mogelijkheid van bepaalde ‚andere toelagen’ zonder nadere precisering en zonder dat de rechtsgrondslag van dergelijke toelagen, zelfs buiten het ÖSG, zoals gewijzigd, door de Republiek Oostenrijk tijdens de administratieve procedure nader is aangegeven”, of van de door de Commissie in datzelfde kader genoemde mogelijkheid dat ÖMAG de Republiek Oostenrijk aansprakelijk stelt ingeval de bevoegde Oostenrijkse federale minister de verrekenprijs niet aldus vaststelt dat alle extra kosten van ÖMAG die volgens de betrokken wet voor vergoeding in aanmerking komen, ook daadwerkelijk worden vergoed. De Republiek Oostenrijk betwist immers niet dat haar regeling, voor zover de toepasselijke bepalingen in acht worden genomen, in beginsel voorziet in een mechanisme van volledige vergoeding van de meerkosten die ÖMAG opkomen als gevolg van de verplichting om de groene elektriciteit van de producenten in Oostenrijk aan te kopen tegen een prijs die hoger ligt dan de marktprijs.

81 Vervolgens falen ook de stellingen van de Republiek Oostenrijk dat, ten eerste, de betrokken maatregel niet voorziet in rechtstreekse betaling van „begrotingsmiddelen” van de staat aan ÖMAG, ten tweede de betrokken geldmiddelen de particuliere sector nooit verlaten, ten derde die geldmiddelen niet „ter beschikking van de staat” staan, ten vierde ÖMAG niet over „overheidsgezag” beschikt en eventuele beroepen tegen ÖMAG luidens de betrokken maatregel volgens de normale rechterlijke procedure in civiele zaken en niet volgens de procedure in bestuurlijke zaken worden behandeld, en ten slotte dat ÖMAG „neutraal en onafhankelijk” is ten aanzien van de verschillende spelers op de markt.

82 Enerzijds is immers reeds vastgesteld dat de betrokken geldmiddelen van meet af aan als staatsmiddelen moeten worden beschouwd, met name omdat het gaat om verplichte betalingen in het algemeen belang, en anderzijds dat ÖMAG, wat de concessie voor de vervulling van de taken van een afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit betreft, handelt in een kader dat door de Oostenrijkse wetgever duidelijk is afgebakend, en daarbij dezelfde doelstellingen nastreeft en overigens strikt wordt gecontroleerd door de Oostenrijkse bevoegde instanties. In dit verband heeft het Hof onlangs bevestigd dat middelen die afkomstig zijn uit krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat verplichte bijdragen die overeenkomstig deze wettelijke regeling worden beheerd en verdeeld, als staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, zelfs indien zij worden beheerd door entiteiten die losstaan van de overheid (zie in die zin arrest Vent De colère, punt 58 supra, EU:C:2013:851, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en naar analogie, punt 26). Volgens het Hof moet een mechanisme van volledige compensatie van de meerkosten die voor ondernemingen voortvloeien uit de verplichting tot aankoop van door windkracht opgewekte elektriciteit tegen een hogere prijs dan de marktprijs, welke compensatie wordt gefinancierd door alle eindverbruikers van elektriciteit op het nationale grondgebied, zoals het mechanisme waarin de geanalyseerde Franse wettelijke regeling voorziet, als een met staatsmiddelen bekostigde maatregel worden aangemerkt.

83 Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat de betrokken maatregel het gebruik van staatsmiddelen inhoudt.

84 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het eerste middel

85 De Republiek Oostenrijk voert aan de betrokken maatregel in het onderhavige geval geen aan de staat toe te rekenen steun is. Zij verwijst dienaangaande naar de arresten Frankrijk/Commissie (punt 54 supra, EU:C:2002:294, punten 55 en volgende) en PreussenElektra (punt 42 supra, EU:C:2001:160, punt 20) en betoogt dat rekening moet worden gehouden met een samenstel van aanwijzingen, zoals de mate waarin het orgaan dat de maatregel neemt, in de structuur van de overheid is geïntegreerd, de aard van diens activiteiten ervan en de uitoefening daarvan op de markt, het juridische statuut van het orgaan, de mate waarin de overheid toezicht uitoefent op het door het orgaan gevoerde beheer, en andere. Zij stelt ten eerste dat degene die bij wege van een concessie de taken van de bij het ÖSG, zoals gewijzigd, ingestelde afwikkelingsinstantie voor groene elektriciteit uitoefent, een particuliere onderneming is. Zij verwijst daarvoor, a contrario, naar het arrest van 12 december 1996, Air France/Commissie, (T‑358/94, Jurispr., EU:T:1996:194, punt 38). Ten tweede moet geen enkel orgaan van bovengenoemde rechtspersoon door de staat worden goedgekeurd of aangewezen en is de staat ook niet vertegenwoordigd in die organen. Ten derde is noch de vorm van bovengenoemde rechtspersoon noch de samenstelling van de aandeelhouders ervan bij wet geregeld. Ten vierde beschikt de staat niet over het recht om de activiteiten van die rechtspersoon afhankelijk te stellen van zijn instemming. Ten vijfde wordt bovengenoemde rechtspersoon niet beheerst door een aan goedkeuring van de staat onderworpen reglement en is hij ook niet onderworpen aan machtiging door de staat of aan specifieke sancties. Ten zesde dienen de geschillen tussen bovengenoemde rechtspersoon en de elektriciteitsleveranciers voor de gewone rechterlijke instanties te worden gebracht.

86 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak, wat de voorwaarde van toerekenbaarheid van de maatregel aan de staat betreft, moet worden onderzocht of de overheid bij de vaststelling van die maatregel betrokken was (zie in die zin arrest Vent De colère, punt 58 supra, EU:C:2013:851, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87 In het onderhavige geval staat vast dat het mechanisme van steun voor de groene elektriciteit alsmede het mechanisme van vrijstelling voor energie-intensieve ondernemingen is ingesteld bij de wet, in het onderhavige geval het ÖSG, zoals gewijzigd, en dus moet worden geacht aan te staat te kunnen worden toegerekend. In die omstandigheden hoeven, anders dan de Republiek Oostenrijk betoogt, de eventuele integratie van ÖMAG in de structuur van de overheid, de aard van de activiteiten ervan en de uitoefening daarvan op de markt, het juridische statuut van het orgaan of de mate waarin de overheid toezicht uitoefent op het door het orgaan gevoerde beheer niet nader te worden geanalyseerd. In elk geval is in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel al vastgesteld dat ÖMAG deel uitmaakt van een door de Oostenrijkse wetgever opgezette structuur, waarbij deze laatste niet alleen de aard van de activiteiten van ÖMAG en de concrete uitoefening daarvan heeft bepaald, maar ook heeft voorzien in ex-posttoezicht door bevoegde overheidsorganen, en bovendien de manoeuvreerruimte van ÖMAG bij uitvoering van de concessie op gedetailleerde wijze vooraf heeft bepaald, zodat ÖMAG niet kan worden beschouwd als een particuliere marktdeelnemer met winstoogmerk die vrij handelt op een markt waar mededinging heerst.

88 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het eerste middel, en dus dat middel in zijn geheel, worden afgewezen.

Tweede middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU doordat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de bevinding te komen dat de betrokken maatregel selectief is

89 De Republiek Oostenrijk voert aan dat het selectiviteitscriterium algemene maatregelen van economisch beleid onderscheidt van steunmaatregelen van de staten. Van laatstgenoemde maatregelen is sprake wanneer een nationale maatregel bepaalde ondernemingen of bepaalde producties kan begunstigen ten opzichte van andere die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling (arrest van 29 april 2004, GIL Insurance e.a., C‑308/01, Jurispr., EU:C:2004:252, punt 68). Volgens de Republiek Oostenrijk gebeurt het onderzoek van de selectiviteit van een maatregel die een steunmaatregel van de staat kan vormen, in verschillende fasen. Allereerst dient een referentiestelsel te worden gezocht, vervolgens dient een afwijking van dat stelsel te worden vastgesteld en ten slotte dient te worden onderzocht of die afwijking door de aard en de logica van het stelsel kan worden gerechtvaardigd.

90 Aldus is de eerste vraag volgens de Republiek Oostenrijk, of § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, inderdaad als een „uitzondering” op het „referentiestelsel” kan worden beschouwd. Zij baseert haar betoog met name op het arrest van 10 april 2008, Nederland/Commissie (T‑233/04, Jurispr., EU:T:2008:102).

91 In de tweede plaats stelt de Republiek Oostenrijk dat, zelfs indien het Gerecht van oordeel zou zijn dat de regeling van § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, een afwijking van het referentiestelsel vormt, deze regeling gerechtvaardigd wordt door de logica en de interne opzet ervan. Zij is er immers op gericht de last van de financiering van de groene elektriciteit billijk te verdelen over de groepen van verbruikers, daarbij rekening houdende met de logica van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz.51; hierna ook: „richtlijn energiebelasting”). De Republiek Oostenrijk verwijst met name naar eerdere vergelijkbare procedures voor de Commissie (N 271/2006, betreffende „Tax Relief for Supply of surplus Heating” in Denemarken en N 820/2006 betreffende „belastingverminderingen voor procedés die veel energie verbruiken” in Duitsland).

92 In de derde plaats betoogt de Republiek Oostenrijk dat § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, „rechtens” niet selectief is, omdat de compensatieregeling geldt voor alle ondernemingen, ongeacht de grootte of de sector van activiteit ervan. Er is ook geen sprake van „feitelijke” selectiviteit. Zij voert aan dat zonder selectiviteit de betrokken maatregel geen steunmaatregel van de staat is (zij verwijst naar het arrest van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, C‑143/99, Jurispr., EU:C:2001:598, punt 36).

93 Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat, ook al kunnen bepaalde argumenten van de Republiek Oostenrijk aldus worden begrepen dat zij betrekking hebben op de vraag of er sprake is van een voordeel voortvloeiend uit de toepassing van de vrijstelling waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet, haar tweede middel in wezen vooral is gebaseerd op het ontbreken van selectiviteit van een dergelijk voordeel. Het Gerecht acht het in elk geval nuttig, die twee vragen samen te behandelen.

94 Wat in de eerste plaats het bestaan van een voordeel betreft, is het vaste rechtspraak dat het begrip steun een algemenere strekking heeft dan het begrip subsidie, daar het niet alleen positieve prestaties zoals de subsidie zelf omvat, maar ook overheidsmaatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben. Wat belastingen betreft, heeft het Hof bovendien gepreciseerd dat een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van die van de andere belastingplichtigen, als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is aan te merken. Ook een maatregel waarbij aan bepaalde ondernemingen een belastingvermindering of een uitstel van betaling van de normaliter verschuldigde belasting wordt verleend, kan een steunmaatregel van de staat zijn (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 68 supra, EU:T:2012:110, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 In de tweede plaats dient, wat de selectiviteit van het voordeel betreft, te worden nagegaan of een overheidsmaatregel in het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen die, gelet op de doelstelling van de betrokken maatregel, zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 68 supra, EU:T:2012:110, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 Volgens vaste rechtspraak ziet het begrip staatssteun niet op overheidsmaatregelen die tussen ondernemingen differentiëren, en dus a priori selectieve maatregelen zijn, wanneer deze differentiatie het gevolg is van de aard en de opzet van het stelsel waarbinnen deze maatregelen zijn getroffen (zie in die zin arrest van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C‑487/06 P, Jurispr., EU:C:2008:757, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft gepreciseerd dat de betrokken lidstaat kon aantonen dat een maatregel rechtstreeks uit de basis‑ of hoofdbeginselen van zijn belastingstelsel voortvloeide en dat in dit verband een onderscheid moest worden gemaakt tussen enerzijds de doelstellingen van een specifiek belastingstelsel die buiten dat stelsel zijn gelegen, en anderzijds de voor het bereiken van dergelijke doelstellingen noodzakelijke mechanismen die inherent zijn aan het belastingstelsel zelf. Belastingvrijstellingen die een doelstelling nastreven die vreemd is aan het belastingstelsel waarvan zij deel uitmaken, mogen immers niet ontsnappen aan de vereisten die uit artikel 107, lid 1, VWEU voortvloeien (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 68 supra, EU:T:2012:110, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Voorts is, volgens de rechtspraak, ter beoordeling van de selectiviteit van het door een maatregel verschafte voordeel, de afbakening van het referentiekader des te belangrijker bij belastingmaatregelen, aangezien het bestaan van een voordeel slechts ten opzichte van een zogenoemde „normale” belasting kan worden vastgesteld. De kwalificatie van een nationale belastingmaatregel als „selectief” veronderstelt aldus dat allereerst wordt bepaald en onderzocht welke algemene of „normale” belastingregeling in de betrokken lidstaat geldt. Vervolgens moet worden beoordeeld en vastgesteld of het door de betrokken belastingmaatregel verschafte voordeel eventueel selectief is ten opzichte van die algemene of „normale” belastingregeling, door te bewijzen dat die maatregel van de algemene regeling afwijkt voor zover zij differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die, gelet op het doel van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 68 supra, EU:T:2012:110, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 Verder dient erop te worden gewezen dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het door overheidsinterventies nagestreefde doel niet volstaat om ten aanzien daarvan meteen de kwalificatie als „steunmaatregel” in de zin van artikel 107 VWEU uit te sluiten (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 96 supra, EU:C:2008:757, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 107, lid 1, VWEU maakt namelijk geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar ziet op de gevolgen ervan (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 96 supra, EU:C:2008:757, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovengenoemde bepaling definieert de maatregelen van de staten aldus onafhankelijk van de door de lidstaten van de Unie gebruikte technieken voor de toepassing ervan (zie in die zin arrest British Aggregates/Commissie, punt 96 supra, EU:C:2008:757, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99 Ten slotte is het ook vaste rechtspraak dat noch de omstandigheid dat een groot aantal ondernemingen voor een maatregel in aanmerking komt, noch het feit dat deze ondernemingen tot verschillende sectoren behoren, een voldoende grond kan zijn om de selectiviteit van deze maatregel in twijfel te trekken en dus uit te sluiten dat deze als staatssteun kan worden aangemerkt (zie arrest Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, punt 92 supra, EU:C:2001:598, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook de omstandigheid dat de betrokken maatregel door objectieve, horizontaal van toepassing zijnde criteria wordt bepaald, doet geen twijfel rijzen omtrent de selectiviteit ervan, aangezien op grond van die omstandigheid alleen kan worden vastgesteld dat de litigieuze steun een steunregeling vormt en geen individuele steunmaatregel is (zie in die zin arrest van 13 februari 2003, Spanje/Commissie, C‑409/00, Jurispr., EU:C:2003:92, punt 49).

100 Na het relevante deel van het bestreden besluit in herinnering te hebben geroepen, dienen in het onderhavige geval de criteria te worden opgespoord die de „normale” regeling van het ÖSG, zoals gewijzigd, bepalen.

101 In dit verband blijkt uit het onderdeel „voordeel” van het bestreden besluit en ook uit het onderdeel waarin de „staatsmiddelen en toerekenbaarheid” worden geanalyseerd, dat de Commissie het gehele ÖSG, zoals gewijzigd, zoals het is aangemeld, gelijkstelt met een belastingregeling in het kader waarvan het voordeel in wezen voortvloeit uit een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van een regelende heffing (zie in die zin met name de punten 55, 64 en 68‑70 van het bestreden besluit).

102 Vervolgens verklaart de Commissie in het onderdeel over de selectiviteit van het voordeel, te weten de punten 88 tot en met 103 van het bestreden besluit, zakelijk weergegeven, dat de betrokken maatregel, voor zover hij ziet op het voordeel waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet, selectief is omdat hij, ofschoon hij openstaat voor elke onderneming waarvan de kosten als gevolg van haar bijdrage aan de bevordering van het gebruik van groene elektriciteit met meer dan 0,5 % van haar nettoproductiewaarde toenemen, de facto voorbehouden blijft voor een bepaalde categorie van ondernemingen, te weten energie-intensieve ondernemingen, die zich voornamelijk bezighouden met de productie van goederen. Daardoor zou deze maatregel een aantal andere op het Oostenrijkse grondgebied gevestigde ondernemingen beletten daarvan te profiteren.

103 In het bijzonder met betrekking tot de omstandigheid dat het uit de betrokken maatregel voortvloeiende voordeel vooral op bepaalde ondernemingen is gericht, verklaart de Commissie in punt 101 van het bestreden besluit het volgende: „Bij haar toetsing heeft de Commissie vastgesteld dat de aangemelde regeling vooral gericht is op een zeer beperkt aantal ondernemingen, voor het merendeel productiebedrijven. In dit verband heeft [de Republiek Oostenrijk] op 9 september 2010 gegevens overgelegd die betrekking hadden op de toenmalige toepassing van de regeling die voorzag in steunintensiteiten die lager waren dan de aanmeldingsdrempels. Volgens deze gegevens hebben van de circa 300000 Oostenrijkse bedrijven rond 2000 een beroep op de regeling gedaan (dat is minder dan 1 % van alle Oostenrijkse bedrijven). Daarnaast komt in het kader van de huidige toepassing van de regeling circa 66 % van de middelen ten goede aan ondernemingen die zich met de ‚productie van goederen’ bezighouden [verwijzing naar het feit dat er binnen deze economische sector sprake is van een nadruk op specifieke deelsectoren zoals de productie van hout, papier, levensmiddelen, glas, keramiek, metalen en chemicaliën]. Met het oog op de situatie dat [de Republiek Oostenrijk] de steunintensiteiten boven de ‚de minimis’-drempels zou verhogen (dus beneden de drempels die op dit moment voorlopig worden toegepast), heeft de Commissie daarnaast vastgesteld dat de maatregel dan waarschijnlijk nog meer op ondernemingen gericht zal zijn die in de goederenproductie actief zijn. Uit de door [de Republiek Oostenrijk] verstrekte gegevens blijkt namelijk dat slechts twaalf ondernemingen van hogere steunintensiteiten zouden profiteren ten opzichte van de huidige versie van de regeling; slechts twee van die ondernemingen zijn in de vervoerssector actief, terwijl de overige tien zich met goederenproductie bezighouden [verwijzing naar een brief van de Republiek Oostenrijk van 9 september 2010 in antwoord op de vragen van de Commissie van 19 juli 2010, blz. 17 en tabel 5 op blz. 17].”

104 In punt 102 van het bestreden besluit komt de Commissie tot de slotsom dat de aangemelde regeling niet, of slechts in geringe mate, ten goede zal komen aan bepaalde sectoren van de Oostenrijkse economie en dat hoofdzakelijk ondernemingen uit één bepaalde sector, de productie van goederen, van die regeling zullen profiteren.

105 In dit verband dient allereerst te worden ingegaan op de stelling van de Republiek Oostenrijk dat, zakelijk weergegeven, § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, niet kan worden beschouwd als een „uitzondering” op het „referentiestelsel”, te weten de rest van die wet, of in elk geval door de aard van dat stelsel wordt gerechtvaardigd.

106 Met de Commissie dient echter te worden geoordeeld dat de algemene regeling van het ÖSG, zoals gewijzigd, in haar geheel beschouwd, en de bijzondere bepaling van § 22c van die wet niet in die zin hetzelfde voorwerp en hetzelfde doel hebben, dat die bepaling kan worden geacht noodzakelijk deel uit te maken van de algemene regeling en geen in het kader van die regeling verleende bijzondere vrijstelling te vormen.

107 Zoals in punt 32 hierboven in herinnering is gebracht, heeft de Republiek Oostenrijk met het ÖSG, zoals gewijzigd, immers haar bindend nationaal streefcijfer voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik, zoals vastgesteld in de richtlijn hernieuwbare energiebronnen, willen halen. Daartoe is voorzien in een mechanisme om alle in Oostenrijk geproduceerde groene energie af te zetten. Dat bestaat in de bij de §§ 19 tot en met 22b van het ÖSG, zoals gewijzigd, aan alle elektriciteitsleveranciers opgelegde verplichting om de totale hoeveelheid groene elektriciteit van ÖMAG af te nemen tegen een verrekenprijs die hoger ligt dan de marktprijs. Deze verplichting heeft tot gevolg dat deze leveranciers, om de extra kosten daarvan, die overeenkomen met het verschil tussen de verrekenprijs en de prijs van elektriciteit op de markt, door te berekenen, aan alle niet vrijgestelde ondernemingen die energie verbruiken in Oostenrijk, een toeslag op de prijs van de elektriciteit in rekening brengen, te weten de „meerkosten in verband met de groene elektriciteit” (zie ook punt 107 van het bestreden besluit).

108 Vaststaat echter dat het inherente ecologische doel van deze algemene regeling van het ÖSG, zoals gewijzigd, die overigens als zodanig niet het voorwerp van de onderhavige procedure is aangezien de Commissie niet heeft geoordeeld dat de steun aan de producenten van de groene elektriciteit onverenigbaar is met de interne markt (zie punten 6, 14 en 15) hierboven, verschilt van het doel dat de Republiek Oostenrijk heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de vrijstelling waarin § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, voorziet.

109 Wat dit laatste betreft, heeft de Republiek Oostenrijk immers herhaaldelijk betoogd, zowel tijdens de administratieve procedure als voor het Gerecht, dat de maatregel voorziet in een maximum voor de bijdrage van de energie-intensieve ondernemingen om „de lasten die het [stelsel van steun aan de groene elektriciteit] meebrengt draaglijk te maken [...] uit economische en industrieel oogpunt” en ondernemingen die door dat stelsel bijzonder worden geraakt, te beschermen. Zij is in het bijzonder van mening dat de energie-intensieve ondernemingen bijzonder blootstaan aan de internationale concurrentie en dat de toeslag in verband met de lasten van groene elektriciteit leidt tot een concurrentienadeel ten opzichte van derde staten of andere lidstaten van de Unie die van de verbruikers van elektriciteit geen financiële bedrage ter financiering van de groene elektriciteit vorderen of eveneens voorzien in een maximum voor de bijdrage van de energie-intensieve ondernemingen. Zij verwijst bovendien naar de regelingen in Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Zij is dan ook van mening dat de algemene regeling van het ÖSG, zoals gewijzigd, een concurrentienadeel meebrengt voor alle Oostenrijkse ondernemingen, maar dat bepaalde ondernemingen sterker worden geraakt dan anderen. Om dit tegen te gaan beoogt het in § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, bepaalde maximum het „onevenredige” concurrentienadeel voor de energie-intensieve ondernemingen te verminderen. Per slot van rekening gaat het volgens de Republiek Oostenrijk niet om een concurrentievoordeel voor die ondernemingen, maar slechts om een compensatie of een vermindering van een bestaand concurrentienadeel (zie ook de punten 106 en 107 in fine van het bestreden besluit). Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat met de betrokken vrijstelling een ander doel wordt nagestreefd dan met het ÖSG, zoals gewijzigd, als zodanig, ook al kan de „compenserende vergoeding” waarin samen met die vrijstelling voor de energie-intensieve ondernemingen is voorzien en die bestemd is om de steun aan de groene elektriciteit mede te financieren, indirect positieve gevolgen hebben voor het milieu.

110 De normale belastingheffing, die het referentiekader vormt en de maatstaf is voor het bepalen of er volgens de rechtspraak British Aggregates/Commissie (punt 68 supra, EU:T:2012:110, en met name punt 49 ervan) eventueel sprake is van selectieve voordelen voor bepaalde marktdeelnemers, bestaat uit het ÖSG, zoals gewijzigd, als zodanig, waarbij een regeling van steun voor de productie van groene elektriciteit is ingevoerd die alle elektriciteitsleveranciers en verbruikers van elektriciteit in Oostenrijk verplichtingen oplegt en waarop § 22c van het ÖSG, zoals gewijzigd, een uitzondering vormt.

111 Wat deze uitzondering betreft, dient in de eerste plaats te worden afgewezen de algemene stelling van de Republiek Oostenrijk dat deze uitzondering geen voordeel vormt, maar slechts een „concurrentienadeel” vermindert dat de Oostenrijkse ondernemingen, in het bijzonder de energie-intensieve Oostenrijkse ondernemingen, lijden.

112 Voor zover vaststaat dat het ÖSG, zoals gewijzigd, een regeling vormt waarvan de gevolgen een last kunnen creëren die normaal op het budget van een energie verbruikende onderneming in Oostenrijk drukt, dient immers ten eerste te worden vastgesteld dat de Republiek Oostenrijk, door bij wege van het bepalen van een maximum voor de bijdrage van de Oostenrijkse energie-intensieve ondernemingen aan de betrokken regeling ervan af te zien een deel van de uit de aankoop van groene elektriciteit voortvloeiende meerkosten door te berekenen, die ondernemingen bevrijdt van een last die normaliter op hun budget drukt. Deze ondernemingen genieten dus wel degelijk een voordeel ten opzichte van de andere ondernemingen die elektriciteit verbruiken in Oostenrijk (zie in die zin arrest van 3 maart 2005, Heiser, C‑172/03, Jurispr., EU:C:2005:130, punt 38).

113 Verder dient er in dit verband op te worden gewezen dat, ofschoon de Republiek Oostenrijk in haar antwoord op de vragen van het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft beklemtoond dat het in punt 112 hierboven bedoelde maximum of, met andere woorden, de compenserende vergoeding die de energie-intensieve ondernemingen betalen, kan variëren, aangezien de bevoegde Oostenrijkse federale minister onder bepaalde voorwaarden die compenserende vergoeding op meer dan 0,5 % van de nettoproductiewaarde in het voorafgaande jaar te bepalen, zij daarmee echter niet heeft aangevoerd dat een dergelijke wijziging het aan die ondernemingen toegekende voordeel zodanig zal verminderen dat het volledig verdwijnt, met name doordat het verschil tussen die compenserende vergoeding en het bedrag dat de die ondernemingen volgens het ÖSG, zoals gewijzigd, zonder een vrijstelling als die van § 22c van die wet, zouden betalen, verdwijnt of miniem wordt. Bovendien is het ook niet onbelangrijk daar in dit verband aan toe te voegen dat zoals zowel uit bovengenoemde bepaling als uit de antwoorden van de Republiek Oostenrijk op de vragen van het Gerecht blijkt, de vrijstelling voor energie-intensieve ondernemingen zelfs negatieve gevolgen kan hebben voor de groepen aan de bevordering van de groene energie bijdragende energie verbruikende ondernemingen die niet voor die vrijstelling aanmerking komen, omdat deze een grotere financiële last zullen moeten dragen. Dit versterkt nog het effect van het aan de energie-intensieve ondernemingen toegekende voordeel.

114 Ten tweede dient te worden vastgesteld dat, zelfs al zou het bepalen van een maximum voor de betrokken bijdrage het nadeel compenseren dat de Republiek Oostenrijk in haar toelichting heeft genoemd, een dergelijke maatregel in elk geval niet kan worden gerechtvaardigd door het feit dat hij erop gericht is distorsies van de mededinging op de communautaire elektriciteitsmarkt weg te werken.

115 Dienaangaande behoeft slechts te worden herinnerd aan vaste rechtspraak volgens welke de omstandigheid dat een lidstaat van de Unie via unilaterale maatregelen de mededingingsvoorwaarden in een bepaalde economische sector probeert aan te passen aan die welke in andere lidstaten heersen, aan die maatregelen het karakter van steun niet ontneemt (zie arrest Heiser, punt 112 supra, EU:C:2005:130, punt 54 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in