Gerecht EU 17 mei 2011, T-299/08, ECLI:EU:T:2011:217
Tekst
Zaak T‑299/08
Elf Aquitaine SA
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van natriumchloraat – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht – Beginsel van persoonlijk karakter van straffen en sancties – Beginsel van legaliteit van sancties –Onschuldpresumptie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Rechtszekerheidsbeginsel – Misbruik van bevoegdheid – Geldboeten – Verzwarende omstandigheid – Afschrikking – Verzachtende omstandigheid – Medewerking tijdens administratieve procedure – Significante toegevoegde waarde”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
2. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud – Eerbiediging van rechten van verdediging – Draagwijdte
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23 en 27, lid 1)
3. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria
(Art. 81, lid 1, EG)
4. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
5. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria
(Art. 81, lid 1, EG)
6. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking houdende toepassing van mededingingsregels – Beschikking met meer dan één adressaat – Noodzaak van toereikende motivering, met name ten aanzien van entiteit die voor inbreuk aansprakelijk wordt gehouden
(Art. 81, lid 1, EG en 253 EG)
7. Handelingen van de instellingen – Vermoeden van geldigheid – Beschikking van Commissie waarin aan moedermaatschappij door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk op mededingingsrecht wordt toegerekend
(Art. 249 EG)
8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 25 en 30)
9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van beschuldigde onderneming – Vereiste van gedrag dat vaststelling van inbreuk door Commissie heeft verlicht
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 18 en 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punten 20, 21 en 23, sub b)
10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van rechter van Unie
(Art. 229 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31)
1. Het gedrag van een dochteronderneming kan aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen. De reden daarvoor is dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming vormen, waardoor de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij kan richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was.
In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochter en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter.
In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochter. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan haar dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij deze moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt.
De Commissie hoeft genoemd vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed namelijk niet te onderbouwen met aanvullende aanwijzingen. Zelfs wanneer de Commissie in eerdere beschikkingen dit vermoeden met aanvullende aanwijzingen heeft onderbouwd, is een dergelijke vaststelling zonder gevolgen voor de conclusie dat de Commissie zich mag baseren op uitsluitend de vaststelling dat een moedermaatschappij nagenoeg het gehele maatschappelijke kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft om aan te nemen dat zij een beslissende invloed over deze dochteronderneming uitoefende.
(cf. punten 49‑52, 59)
2. De eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt dat een onderneming die een schending van de mededingingsregels wordt verweten, tijdens de administratieve procedure bij de Commissie in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd.
Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden waarin op duidelijke wijze alle wezenlijke elementen worden aangegeven waarop de Commissie zich in die fase van de procedure baseert, zodat voor de betrokkenen voldoende duidelijk is welke gedragingen hun worden verweten en zij dienstig verweer kunnen voeren alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft.
Een dergelijke mededeling van punten van bezwaar vormt de procedurele waarborg voor de toepassing van het grondbeginsel van gemeenschapsrecht dat de rechten van de verdediging in elke procedure moeten worden geëerbiedigd. Dit beginsel vereist met name, dat de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie richt aan een onderneming waaraan zij wegens schending van de mededingingsregels een sanctie wil opleggen, de voornaamste tegen deze onderneming in aanmerking genomen elementen bevat, zoals de verweten feiten, de kwalificatie daarvan en de bewijselementen waarop de Commissie zich baseert, zodat deze onderneming in de gelegenheid is om nuttig haar argumenten aan te voeren in het kader van de tegen haar ingeleide administratieve procedure.
De mededeling van punten van bezwaar moet met name op ondubbelzinnige wijze de rechtspersoon vermelden waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd, aan hem worden toegezonden en aangeven in welke hoedanigheid de vermeende feiten aan deze rechtspersoon worden toegerekend. De betrokken onderneming wordt namelijk door de mededeling van punten van bezwaar ingelicht over alle wezenlijke elementen waarop de Commissie zich in die fase van de procedure baseert. Bijgevolg kan de betrokken onderneming pas na de toezending van genoemde mededeling haar rechten van verdediging volledig doen gelden.
Wanneer de Commissie dus een moedermaatschappij in een mededeling van punten van bezwaar ervan in kennis stelt dat zij voornemens is om haar het inbreukmakend gedrag van haar dochteronderneming toe te rekenen op basis van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed, vormt het feit dat de Commissie jegens deze vennootschap geen enkele onderzoeksmaatregel heeft genomen alvorens haar bedoelde mededeling van punten van bezwaar te betekenen, geen schending van de rechten van verdediging van deze onderneming. In dat verband wordt genoemde vennootschap tijdens de administratieve procedure in staat gesteld om dienstig haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de door de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar gestelde feiten en omstandigheden, zowel in haar opmerkingen naar aanleiding van bedoelde mededeling als tijdens een hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur.
(cf. punten 134‑140)
3. Volgens het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties kan aan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een sanctie worden opgelegd voor feiten die hem individueel ten laste worden gelegd. Dit beginsel geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de mededingingsregels kan leiden.
Dit beginsel moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met het begrip onderneming in de zin van artikel 81 EG. Wanneer dus een economische entiteit de mededingingsregels schendt, moet zij zich volgens het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid voor deze inbreuk verantwoorden.
Het is niet het feit dat de moedervennootschap haar dochteronderneming heeft aangespoord de inbreuk te plegen, noch a fortiori haar betrokkenheid bij die inbreuk, die de Commissie de mogelijkheid biedt een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd aan de moedervennootschap van een groep van vennootschappen te richten, maar het feit dat zij één enkele onderneming vormen in de zin van artikel 81 EG.
Derhalve schendt de Commissie het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties niet wanneer zij een moedermaatschappij veroordeelt voor een inbreuk die zij geacht wordt zelf te hebben gepleegd wegens de economische en juridische banden die haar met haar dochteronderneming verenigen en op basis waarvan zij het marktgedrag van laatstgenoemde heeft kunnen bepalen.
(cf. punten 178‑181)
4. Het beginsel van de legaliteit van straffen vereist dat de wet duidelijk definieert welke inbreuken en straffen zij beteugelt. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele op basis van de tekst van de relevante bepaling, en desnoods met behulp van de uitlegging die daaraan door de rechter wordt gegeven, kan weten welk handelen of nalaten zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid doet intreden.
Krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 kan de Commissie bij beschikking geldboeten opleggen aan ondernemingen die onder meer een inbreuk op het bepaalde in artikel 81 EG plegen. Daar waar de moedermaatschappij en haar dochteronderneming zijn geacht tezamen een onderneming in de zin van dat laatste artikel te vormen, mag de Commissie, zonder het beginsel van de legaliteit van sancties te schenden, een geldboete opleggen aan de rechtspersonen die van bedoelde onderneming deel uitmaken.
(cf. punten 187‑189)
5. Het beginsel van gelijke behandeling vereist dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld.
In de context van een beschikking van de Commissie waarbij aan een moedermaatschappij een geldboete wordt opgelegd voor een door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk op de mededingingsregels, onder toepassing van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed door de moedermaatschappij die nagenoeg het volledige maatschappelijke kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, beschikt de Commissie over een beoordelingsruimte om te beslissen of zij de moedermaatschappij voor de inbreuk aansprakelijk moet houden.
Aangezien de Commissie bijgevolg de mogelijkheid, maar niet de verplichting heeft om een moedermaatschappij voor de inbreuk aansprakelijk te houden, wanneer aan de voorwaarden voor een dergelijke aansprakelijkstelling is voldaan, brengt het loutere feit dat de Commissie niet tot een dergelijke aansprakelijkstelling is overgegaan in een andere zaak, niet met zich mee dat zij verplicht is om in de bestreden beschikking dezelfde beoordeling te maken. Een dergelijke aansprakelijkstelling is evenwel onderworpen aan het toezicht van de rechterlijke instanties van de Unie, die moeten nagaan of aan de voorwaarden voor een dergelijke aansprakelijkstelling is voldaan.
(cf. punten 196‑198)
6. De krachtens artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden inzicht kunnen krijgen in de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet nodig dat de motivering ingaat op alle relevante gegevens of juridische aspecten, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
Wanneer een beschikking tot toepassing van artikel 81 EG meer dan één adressaat heeft en het een probleem is aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, moet deze beschikking een toereikende motivering bevatten ten aanzien van elk van de adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk moeten worden gehouden. Voor een toereikende motivering ten aanzien van de moedermaatschappijen van de dochterondernemingen die een inbreuk hebben gepleegd, moet de beschikking van de Commissie derhalve een omstandige uiteenzetting bevatten van de redenen die kunnen rechtvaardigen dat de inbreuk aan deze vennootschappen wordt toegerekend.
(cf. punten 216‑217)
7. De beschikkingen van de Commissie worden geacht rechtsgeldig te zijn en bijgevolg rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet zijn nietig verklaard of ingetrokken. Bovendien is de Commissie niet gehouden om de tegen een onderneming ingeleide procedure wegens inbreuken op de mededingingsregels op te schorten tot aan de uitspraak van de beslissing van de rechter van de Unie op een beroep dat door diezelfde onderneming is ingesteld tegen een andere beschikking waarbij haar voor andere inbreuken op de mededingingsregels een sanctie is opgelegd. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de Commissie immers om de vaststelling van beschikkingen in zaken die op andere feiten betrekking hebben op te schorten.
(cf. punt 241)
8. In het kader van de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan ondernemingen die een inbreuk op artikel 81 EG plegen, ligt de aansprakelijkheid voor de inbreuk in beginsel bij de natuurlijke of rechtspersoon die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming op de dag van vaststelling van de beschikking waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, inmiddels door een andere persoon geleid. Beschikkingen van de Commissie op grond van artikel 81 EG moeten met het oog op de toepassing en de tenuitvoerlegging ervan evenwel worden gericht tot entiteiten met rechtspersoonlijkheid. Wanneer de Commissie een beschikking vaststelt op grond van artikel 81, lid 1, EG, moet zij dus de natuurlijke of rechtspersonen identificeren die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het gedrag van de betrokken onderneming en daarvoor kunnen worden bestraft. De beschikking zal tot deze personen worden gericht.
De richtsnoeren die de Commissie vaststelt voor de berekening van de hoogte van de geldboeten waarborgen de rechtszekerheid van de ondernemingen, doordat zij de methode bepalen die de Commissie zichzelf voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten heeft opgelegd. Het bestuursorgaan mag in een concreet geval niet hiervan afwijken zonder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling.
Wanneer twee ondernemingen, te weten een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, ten tijde van het plegen van de inbreuk een onderneming in de zin van artikel 81 EG vormden, maar deze niet meer in die vorm bestaat op de datum van vaststelling van de beschikking waarbij hun een geldboete wordt opgelegd, mag de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 hoofdelijk een geldboete opleggen aan deze beide ondernemingen, die zich voor de inbreuk moeten verantwoorden, en mag zij uitsluitend ten aanzien van de moedermaatschappij uit hoofde van punt 30 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd, een verhoging op het basisbedrag van de geldboete toepassen, in aanmerking genomen dat zij op basis van haar bijzonder hoge omzet, ten opzichte van andere entiteiten die op de datum van vaststelling van de beschikking zijn bestraft, gemakkelijker de nodige middelen kan bijeenbrengen om een geldboete te betalen.
Het feit dat de geldboete die met het oog op de afschrikking alleen aan de moedermaatschappij is opgelegd, wordt berekend aan de hand van het basisbedrag van de geldboete die hoofdelijk aan de beide vennootschappen wordt opgelegd, waarin reeds een specifieke verhoging met het oog op afschrikking is opgenomen, kan niet onbillijk zijn.
De hoofdelijk aan beide ondernemingen opgelegde geldboete stemt immers overeen met het basisbedrag van de geldboete, waarin reeds een bijkomende verhoging is opgenomen, berekend aan de hand van een zeker percentage van de waarde van de verkopen van de dochteronderneming overeenkomstig punt 25 van genoemde richtsnoeren, „om ondernemingen ervan te weerhouden deel te nemen aan horizontale overeenkomsten inzake prijzen, marktverdeling en productiebeperking”.
Daarentegen strekt de uitsluitend aan de moedermaatschappij opgelegde geldboete, die een belangrijke verhoging van het basisbedrag van de geldboete omvat, overeenkomstig punt 30 van genoemde richtsnoeren ertoe om „[er]voor [te] zorgen dat de geldboeten een voldoende afschrikkende werking hebben” voor de ondernemingen van wie de omzet, buiten de verkopen van goederen en diensten waarop de inbreuk betrekking heeft om, bijzonder hoog is.
Het aanvullende bedrag dat krachtens punt 25 van genoemde richtsnoeren wordt opgelegd en de specifieke verhoging die uit hoofde van punt 30 van diezelfde richtsnoeren ten aanzien van de moedermaatschappij is toegepast, beantwoorden dus aan verschillende doelstellingen van afschrikking, waarmee de Commissie terecht rekening mag houden bij de vaststelling van de geldboete.
(cf. punten 250‑253, 255‑256, 288‑289)
9. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake van de methode voor de berekening van de geldboeten en kan daarbij rekening houden met een groot aantal factoren, zoals de medewerking van de betrokken ondernemingen tijdens het door haar diensten gevoerde onderzoek. In dit verband moet de Commissie ingewikkelde feitelijke beoordelingen verrichten, onder meer met betrekking tot de medewerking van elk van deze ondernemingen. In het kader van de beoordeling van de medewerking van de kartelleden kan alleen een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie worden veroordeeld, aangezien zij beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij de waardering van de kwaliteit en het nut van de door een onderneming verleende medewerking, met name in vergelijking met de bijdragen van andere ondernemingen.
Ofschoon de Commissie dient te motiveren waarom naar haar oordeel de door de ondernemingen aangedragen elementen in het kader van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken, een bijdrage vormen die al dan niet een vermindering van de opgelegde geldboete rechtvaardigen, staat het daarentegen aan de ondernemingen die de beschikking van de Commissie in dat opzicht willen betwisten om aan te tonen dat zij zonder dergelijke door deze ondernemingen vrijwillig verstrekte inlichtingen niet in staat zou zijn geweest om de hoofdbestanddelen van de inbreuk te bewijzen en dus een boetebeschikking vast te stellen.
De verlaging van geldboeten in geval van medewerking van de aan inbreuken op het mededingingsrecht deelnemende ondernemingen berust op de overweging dat een dergelijke medewerking de taak van de Commissie verlicht om een inbreuk vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken. Gelet op de bestaansreden van de vermindering, kan de Commissie het nut van de verstrekte inlichtingen, dat noodzakelijkerwijs wordt afgemeten aan de hand van de reeds in haar bezit zijnde bewijselementen, niet buiten beschouwing laten.
Wanneer de medewerking van een onderneming slechts inhoudt dat zij bepaalde informatie die een andere onderneming reeds bij wijze van medewerking heeft verstrekt, bevestigt, en dan nog op een minder duidelijke en expliciete wijze, is de mate van medewerking van deze onderneming, hoewel die voor de Commissie in zekere zin van nut kan zijn, niet vergelijkbaar met de medewerking van de onderneming die deze informatie als eerste heeft verstrekt. Een verklaring die een verklaring waarover de Commissie reeds beschikte, tot op zekere hoogte slechts bevestigt, verlicht de taak van de Commissie namelijk niet aanzienlijk. Zij kan derhalve niet volstaan als rechtvaardiging voor een vermindering van het boetebedrag wegens medewerking. Bovendien heeft een aan het onderzoek meewerkende onderneming geen recht op verlaging van de geldboete wanneer de medewerking die zij heeft verleend, niet verder is gegaan dan datgene waartoe zij krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 gehouden is.
(cf. punten 340‑344)
10. Wat het toezicht door de rechter van de Unie op beschikkingen van de Commissie op mededingingsgebied betreft, is het Gerecht, naast tot de eenvoudige wettigheidstoetsing waarbij het beroep tot nietigverklaring slechts kan worden verworpen of de aangevochten handeling nietig kan worden verklaard, op basis van de volledige rechtsmacht die hem krachtens artikel 229 EG is toebedeeld bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003, bevoegd om de aangevochten handeling te herzien, zelfs als deze niet nietig wordt verklaard, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld om de hoogte van de geldboete te wijzigen.
(cf. punt 379)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
17 mei 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van natriumchloraat – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Toerekenbaarheid van inbreukmakende gedraging – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht – Beginsel van persoonlijk karakter van straffen en sancties – Beginsel van legaliteit van sancties – Onschuldpresumptie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Rechtszekerheidsbeginsel – Misbruik van bevoegdheid – Geldboeten – Verzwarende omstandigheid – Afschrikking – Verzachtende omstandigheid – Medewerking tijdens administratieve procedure – Significante toegevoegde waarde”
In zaak T‑299/08,
Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk), vertegenwoordigd door É. Morgan de Rivery en S. Thibault-Liger, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door X. Lewis, É. Gippini Fournier en R. Sauer als gemachtigden,
verweerster,
betreffende, primair, een verzoek om nietigverklaring van beschikking C(2008) 2626 definitief van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (EER) (Zaak COMP/38.695 – Natriumchloraat), voor zover deze op haar betrekking heeft, en, subsidiair, een verzoek om nietigverklaring of verlaging van het bedrag van de geldboeten die haar bij genoemde beschikking zijn opgelegd,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe (rapporteur) en S. Soldevila Fragoso, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juni 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Bij beschikking C(2008) 2626 definitief van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (EER) (Zaak COMP/38.695 – Natriumchloraat) (hierna: „bestreden beschikking”), heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen onder meer verzoekster, Elf Aquitaine SA, die tot 2006 de moedermaatschappij was van de vennootschap Arkema France (voorheen Atochem SA, nadien Elf Atochem SA, vervolgens Atofina SA en Arkema SA), beboet vanwege hun deelname aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende de markt van natriumchloraat in de EER, voor de periode van 11 mei 1995 tot en met 9 februari 2000 voor zover het verzoekster en Arkema France betreft (punten 12‑15 en artikel 1 van de bestreden beschikking).
2 Natriumchloraat is een sterk oxiderende stof die wordt verkregen door elektrolyse van een waterige oplossing van natriumchloride in een diafragmacel. Natriumchloraat kan in kristalvorm of als een oplossing worden vervaardigd. Het wordt hoofdzakelijk toegepast bij de vervaardiging van chloordioxide, dat op zijn beurt dient voor het bleken van chemische pulp in de pulp- en papierindustrie. Andere, veel minder frequente toepassingen zijn de zuivering van drinkwater, het bleken van textiel, gebruik als herbicide en de raffinage van uranium (punt 2 van de bestreden beschikking).
3 De belangrijkste concurrenten op de markt van natriumchloraat in de EER waren in 1999 de hierna te omschrijven ondernemingen. Om te beginnen had EKA Chemicals AB (hierna: „EKA”), waarvan het aandelenkapitaal volledig in handen was van de groep Akzo Nobel, een marktaandeel van 49 %. Finnish Chemicals Oy, waarvan het aandelenkapitaal indirect en volledig werd gehouden door Erikem Luxembourg SA (hierna: „ELSA”), had een marktaandeel van 30 %. Vervolgens had Arkema France, waarvan 97,55 % van het aandelenkapitaal van 1992 tot en met 2000 in verzoeksters handen was, een marktaandeel van 9 %. Aragonesas Industrias y Energia SAU (hierna: „Aragonesas”), waarvan het aandelenkapitaal tussen 1992 en 2000 volledig of in meerderheid direct of indirect werd gehouden door Uralita SA, had net als Solvay SA/NV een marktaandeel van 5 %, terwijl andere producenten gezamenlijk een marktaandeel van 2 % hadden (punten 13, 14, 25‑30, 42 en 46 van de bestreden beschikking).
4 EKA heeft op 28 maart 2003 bij de Commissie een verzoek ingediend om immuniteit uit hoofde van de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”), met betrekking tot het bestaan van een mededingingsregeling op de markt van natriumchloraat (hierna: „mededingingsregeling”). EKA heeft dit verzoek onderbouwd met schriftelijk bewijs en een mondelinge verklaring (punten 54 en 55 van de bestreden beschikking).
5 De Commissie heeft EKA bij beschikking van 30 september 2003 voorwaardelijke immuniteit verleend overeenkomstig punt 15 van de mededeling inzake medewerking van 2002 (punt 55 van de bestreden beschikking).
6 Op 10 september 2004 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) verzoeken om inlichtingen gezonden aan Finnish Chemicals, aan Arkema France en aan Aragonesas (punt 56 van de bestreden beschikking).
7 Op 18 oktober 2004 heeft Arkema France in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie, genoemd in punt 6 hierboven, een verzoek uit hoofde van de mededeling inzake medewerking van 2002 gedaan (punt 57 van de bestreden beschikking).
8 Finnish Chemicals heeft op 29 oktober 2004 bij de Commissie een verzoek uit hoofde van de mededeling inzake medewerking van 2002 ingediend en haar mondeling inlichtingen over de mededingingsregeling verschaft. Finnish Chemicals heeft dit verzoek bij brief van 2 november 2004 bevestigd en tegelijk schriftelijk bewijs van haar deelname aan de inbreuk in kwestie overgelegd (punt 58 van de bestreden beschikking).
9 Vanaf 4 november 2004 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003, verzoeken om inlichtingen gericht aan onder meer Arkema France, Aragonesas, EKA en Finnish Chemicals. Zij heeft deze beide laatste ook ontmoet. Aan verzoekster heeft zij voor het eerst op 11 april 2008 een verzoek om inlichtingen gezonden (punten 59‑65 van de bestreden beschikking).
10 Bij brief van 11 juli 2007 heeft de Commissie Arkema France in kennis gesteld van haar voornemen om haar verzoek uit hoofde van de mededeling inzake medewerking van 2002 af te wijzen (punt 563 van de bestreden beschikking).
11 Bij brief van diezelfde dag heeft de Commissie Finnish Chemicals in kennis gesteld van haar voornemen om, overeenkomstig de mededeling inzake medewerking van 2002, een vermindering toe te kennen van 30 tot 50 % van het bedrag van de geldboete waaraan zij blootgesteld stond (punt 583 van de bestreden beschikking).
12 De Commissie heeft op 27 juli 2007 een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die, behalve aan verzoekster, ook aan EKA, Akzo Nobel NV, Finnish Chemicals, ELSA, Arkema France, Aragonesas en Uralita was geadresseerd. Deze hebben daarop binnen de gestelde termijn geantwoord (punten 66 en 67 van de bestreden beschikking).
13 Op 20 november 2007 hebben onder meer Arkema France en verzoekster hun recht om te worden gehoord uitgeoefend tijdens een hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur (punt 68 van de bestreden beschikking).
14 De Commissie heeft de bestreden beschikking op 11 juni 2008 vastgesteld. Zij is op 16 juni 2008 aan verzoekster betekend.
15 In de bestreden beschikking wijst de Commissie er in wezen op dat Arkema France, EKA, Finnish Chemicals en Aragonesas een strategie hebben gevoerd die erin bestond de natriumchloraatmarkt te stabiliseren, om uiteindelijk de verkoopvolumes voor natriumchloraat onder elkaar te kunnen verdelen, het prijsbeleid ten opzichte van hun klanten te coördineren en zo de marges te maximaliseren. De werking van het kartel berustte op veelvuldige contacten in de vorm van bilaterale of multilaterale bijeenkomsten en telefoongesprekken, zonder echter een vastgesteld schema te volgen. Volgens de Commissie heeft de afstemming plaatsgevonden vanaf 21 september 1994 wat EKA en Finnish Chemicals betreft, vanaf 17 mei 1995 wat Arkema France betreft, vanaf 16 december 1996 wat Aragonesas betreft en vanaf 13 februari 1997 wat ELSA betreft. Deze praktijken hebben tot 9 februari 2000 voortgeduurd, althans voor zover het Arkema France, EKA, Finnish Chemicals en Aragonesas betreft (punten 69‑71 van de bestreden beschikking).
16 Wat specifiek het inbreukmakend gedrag van Arkema France aangaat, merkt de Commissie op dat de in de bestreden beschikking uiteengezette feiten aantonen dat zij rechtstreeks heeft deelgenomen aan de betrokken mededingingsverstorende praktijken. De Commissie merkt tevens op dat verzoekster gedurende de gehele periode van de inbreuk 97 % van het aandelenkapitaal van Arkema France in handen had. Om die reden meent de Commissie dat het redelijk is ervan uit te gaan dat zij zich moest voegen naar het door haar moedermaatschappij bepaalde beleid en dat zij dus niet zelfstandig kon handelen. De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat kan worden vermoed dat verzoekster beslissende invloed op Arkema France heeft uitgeoefend, hetgeen door aanvullende aanwijzingen, die zij opsomt, wordt bevestigd (punten 384 en 386 van de bestreden beschikking).
17 Voor de berekening van het bedrag van de geldboete die aan met name Arkema France en verzoekster is opgelegd, heeft de Commissie zich gebaseerd op de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”) (punt 498 van de bestreden beschikking).
18 De Commissie geeft om te beginnen aan dat ter bepaling van het basisbedrag van de geldboete die aan Arkema France is opgelegd, moet worden uitgegaan van een bedrag dat overeenstemt met 19 % van de waarde van de verkopen van de producten waarop de mededingingsregeling in kwestie betrekking had. Daar Arkema France gedurende ten minste vier jaar en acht maanden aan de inbreuk heeft deelgenomen, meent de Commissie dat dit bedrag met vijf moet worden vermenigvuldigd om rekening te houden met de duur van de inbreuk. Daarnaast meent de Commissie dat het noodzakelijk is, teneinde de betrokken ondernemingen, en met name Arkema France, ervan te weerhouden aan horizontale prijskartels deel te nemen, een aanvullend bedrag van 19 % van deze verkopen als boete op te leggen. Zij komt derhalve tot de conclusie dat aan Arkema France en aan verzoekster hoofdelijk een geldboete van 22 700 000 EUR moet worden opgelegd (punten 510 en 521‑523 van de bestreden beschikking).
19 Wat de bijstelling van het basisbedrag van de geldboete betreft, merkt de Commissie daarnaast bij wijze van verzwarende omstandigheden op dat zij Arkema France op de datum van vaststelling van de bestreden beschikking, reeds had beboet in drie beschikkingen waarin zij verantwoordelijk werd gehouden voor eerdere kartelactiviteiten. De Commissie stelt zich in wezen op het standpunt dat het recidivegedrag van Arkema France een verhoging rechtvaardigt met 90 % van basisbedrag van de geldboete die haar wordt opgelegd. Daarnaast wijst de Commissie op geen enkele verzachtende omstandigheid ten gunste van Arkema France of verzoekster die een verlaging van de geldboete rechtvaardigt. Meer bepaald meent de Commissie dat, rekening houdend met alle betrokken feiten, er „geen enkele bijzondere omstandigheid” is die kan rechtvaardigen dat Arkema France buiten de werkingssfeer van de mededeling inzake medewerking van 2002 om, een boetevermindering wordt toegekend (punten 525, 526, 538 en 544 van de bestreden beschikking).
20 Vervolgens geeft de Commissie in wezen aan dat, om ervoor te zorgen dat de geldboeten voldoende afschrikkende werking hebben, en om er rekening mee te houden dat verzoekster een bijzonder hoge omzet heeft naast de verkopen van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, en dat deze, tot slot, absoluut gezien veel hoger is dan de omzet van de overige betrokken ondernemingen, op haar een verhoging met 70 % van het basisbedrag van de geldboete moet worden toegepast (punten 545, 548 en 559 van de bestreden beschikking).
21 Daarnaast stelt de Commissie vast dat de geldboeten voor Arkema France en Elf Aquitaine in het bijzonder, lager zijn dan 10 % van hun respectievelijke totale omzet in 2007 en dat de geldboeten die hun onder toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 kunnen worden opgelegd, voor Arkema France 43 130 000 EUR bedraagt en voor verzoekster 38 590 000 EUR (punten 551 en 552 van de bestreden beschikking).
22 Tot slot meent de Commissie dat verzoekster geen boetevermindering uit hoofde van de mededeling inzake medewerking van 2002 dient te krijgen, daar de informatie die zij haar verstrekt heeft hoegenaamd geen significante toegevoegde waarde in de zin van punt 21 van die mededeling had. Daarentegen meent de Commissie dat Finnish Chemicals haar heeft voorzien van bewijs dat significante toegevoegde waarde in de zin van punt 21 van diezelfde mededeling had. Zij heeft haar bijgevolg een vermindering toegekend van 50 % van het bedrag van de geldboete die haar anders zou zijn opgelegd (punten 580, 588 en 591 van de bestreden beschikking).
23 De artikelen 1 en 2 van het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking zijn als volgt verwoord:
„Artikel 1
De volgende ondernemingen hebben inbreuk gepleegd op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door, in de aangegeven periodes, deel te nemen aan een complex geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen met het oog op de toewijzing van verkoopvolumes, de vaststelling van prijzen, de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over prijzen en verkoopvolumes en de controle op de uitvoering van de concurrentiebeperkende afspraken met betrekking tot natriumchloraat op de EER-markt:
a) [EKA], van 21 september 1994 tot 9 februari 2000;
b) Akzo Nobel [...], van 21 september 1994 tot 9 februari 2000;
c) Finnish Chemicals [...], van 21 september 1994 tot 9 februari 2000;
d) [ELSA], van 13 februari 1997 tot 9 februari 2000;
e) Arkema France, van 17 mei 1995 tot 9 februari 2000;
f) [verzoekster], van 17 mei 1995 tot 9 februari 2000;
g) Aragonesas [...], van 16 december 1996 tot 9 februari 2000;
h) Uralita [...], van 16 december 1996 tot 9 februari 2000.
Artikel 2
Wegens de in artikel 1 bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd:
a) EKA [...] en Akzo Nobel [...], hoofdelijk 0 euro;
b) Finnish Chemicals [...]: 10 150 000 EUR, waarvan hoofdelijk met [ELSA] (in liquidatie): 50 900 EUR;
c) Arkema France [...] en [verzoekster], hoofdelijk 22 700 000 EUR;
d) Arkema France [...]: 20 430 000 EUR;
e) [verzoekster]: 15 890 000 EUR;
f) Aragonesas [...] en Uralita [...], hoofdelijk 9 900 000 EUR.
[...]”
24 In artikel 3 van het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking gelast de Commissie de in artikel 1 van die beschikking bedoelde ondernemingen om onmiddellijk een einde te maken aan de inbreuk, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, en zich voortaan te onthouden van iedere in artikel 1 van die beschikking beschreven handeling of gedraging, alsook van iedere handeling of gedraging die dezelfde of gelijkaardige doelstellingen of gevolgen heeft.
25 In artikel 4 van het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking zijn de geadresseerden van de bestreden beschikking opgesomd, zijnde de in artikel 1 van die beschikking bedoelde ondernemingen.
Procesverloop en conclusies van partijen
26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 augustus 2008, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
27 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Gerecht heeft bepaalde vragen aan verzoekster en aan de Commissie gesteld. Het heeft deze laatste tevens verzocht bepaalde documenten over te leggen. Op het transcript van het mondelinge verzoek om immuniteit van EKA na, dat de Commissie heeft geweigerd over te leggen, hebben partijen binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken gevolg gegeven.
28 Partijen hebben ter terechtzitting van 2 juni 2010 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
29 Bij beschikking van 11 juni 2010, Elf Aquitaine/Commissie (T‑299/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Gerecht de Commissie gelast het transcript van het mondelinge verzoek om immuniteit van EKA over te leggen en toegestaan dat dit document door de advocaten van verzoekster kon worden ingezien ter griffie van het Gerecht. De Commissie heeft dit document binnen de gestelde termijn overgelegd en verzoeksters advocaten hebben het ter griffie van het Gerecht ingezien. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verzoekster aangegeven dat, hoewel zij niet kon bevestigen dat dit document hetzelfde was als datgene waartoe haar toegang was verleend in het kader van de administratieve procedure bij de Commissie, zij geen reden had om eraan te twijfelen dat het hetzelfde document betrof.
30 De mondelinge behandeling is gesloten op 16 juli 2010.
31 Verzoekster verzoekt het Gerecht:
– primair, de bestreden beschikking krachtens artikel 230 EG nietig te verklaren voor zover zij op haar betrekking heeft;
– subsidiair, de bedragen van de geldboeten die haar bij de bestreden beschikking zijn opgelegd krachtens artikel 229 EG nietig te verklaren of te verlagen;
– in ieder geval, de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 De Commissie verzoekt het Gerecht:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. De primaire vordering, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking
33 Ter ondersteuning van haar verzoek om nietigverklaring van de bestreden beschikking voor zover deze laatste haar betreft, voert verzoekster tien middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van de regels betreffende de toekenning van de aansprakelijkheid voor een inbreuk binnen groepen van ondernemingen. Het tweede middel is ontleend aan schending van zes fundamentele beginselen als gevolg van de toekenning van de aansprakelijkheid voor het inbreukmakend gedrag in kwestie. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste weergave van de reeks van aanwijzingen die daarin worden weergegeven. Het vierde middel is ontleend aan een tegenstrijdigheid in de motivering van de bestreden beschikking. Het vijfde middel is ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. Het zesde middel is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het achtste middel is ontleend aan ongegrondheid van de oplegging van een boete op persoonlijke titel. Het negende middel is ontleend aan schending van de beginselen en regels die van toepassing zijn op de berekening van de hoofdelijk aan Arkema France en haarzelf opgelegde boete. Het tiende middel is ontleend aan schending van de bepalingen van de mededeling inzake medewerking van 2002.
Eerste middel, ontleend aan schending van de regels betreffende de toekenning van de aansprakelijkheid voor een inbreuk binnen groepen van ondernemingen
34 Het eerste middel van verzoekster, inhoudende dat de Commissie de regels betreffende de toekenning van de aansprakelijkheid voor een inbreuk binnen groepen van ondernemingen heeft geschonden, valt uiteen in vijf onderdelen.
Eerste onderdeel, ontleend aan schending van het recht bij de toekenning van de aansprakelijkheid voor het inbreukmakend gedrag in kwestie aan verzoekster
– Argumenten van partijen
35 Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie het recht heeft geschonden door in punt 369 van de bestreden beschikking te oordelen dat zij niet gehouden was om concreet het vermoeden te staven dat – in wezen – een moedermaatschappij die het gehele aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, op deze laatste daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent (hierna: „vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed”).
36 In de eerste plaats volgt zowel uit de in overvloed aanwezige rechtspraak als uit de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie, dat zij het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed moet staven aan de hand van concrete aanwijzingen waaruit die invloed blijkt. Deze aanwijzingen moeten aantonen hetzij dat de moedermaatschappij bij de inbreuk betrokken was, hetzij dat zij daarvan op de hoogte was, hetzij dat de interne organisatie binnen de groep zodanig was dat zij concreet kon ingrijpen in het commerciële beleid van haar dochteronderneming. Verzoekster betoogt meer in het bijzonder dat de Commissie in de bijna veertig jaar vóór de vaststelling van beschikking C(2004) 4876 definitief van 19 januari 2005 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/E-1/37.773 – MCAA) (PB 2006, L 353, blz. 12; hierna: „MCAA-beschikking”), is uitgegaan van concrete aanwijzingen ter staving van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed. Zij preciseert ook dat de Commissie in punt 574 van de beschikking van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (COMP/C.39181 – Kaarsenwas) (PB 2009, C 295, blz. 17; hierna: „kaarsenwasbeschikking”), heeft erkend dat zij vóór 2005 de aansprakelijkheid voor een inbreuk niet aan de moedermaatschappij toekende zonder concrete aanwijzingen ter staving van dit vermoeden aan te dragen.
37 In de tweede plaats doet verzoekster opmerken dat de Commissie in de beschikking van 10 december 2003 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/E-2/37.857 – Organische peroxides) (PB 2005, L 110, blz. 44; hierna: „organische-peroxidebeschikking”) de aansprakelijkheid voor de bij deze beschikking beboete inbreuk niet aan verzoekster had toegekend, daar zij van oordeel was dat Arkema France volledig autonoom op de markt opereerde.
38 Verzoekster betoogt in de derde plaats, in wezen, dat de verplichting voor de Commissie om in het kader van de toepassing van artikel 81 EG aanvullende aanwijzingen aan te dragen die het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed staven, steun vindt in de rechtspraak betreffende de toerekening aan een staat van een door een overheidsonderneming genomen maatregel in het staatssteunrecht. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie (C‑482/99, Jurispr. blz. I‑4397), en het arrest van het Gerecht van 26 juni 2008, SIC/Commissie (T‑442/03, Jurispr. blz. II‑1161). Volgens haar kan een particuliere aandeelhouder van een groep ondernemingen overeenkomstig artikel 295 EG niet, in naam van het beginsel van gelijke behandeling, slechter worden behandeld dan een publieke aandeelhouder.
39 Verzoekster geeft in de vierde plaats te kennen dat de beoordeling van de Commissie in punt 369 van de bestreden beschikking dat zij niet verplicht is om het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed te staven aan de hand van bijkomende aanwijzingen die de door de moedermaatschappij over de dochteronderneming uitgeoefende controle bewijzen, haaks staat op de praktijk die wordt gehanteerd in de meerderheid van de lidstaten van de Unie, zoals België, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk, die ontegenzeglijk een invloed op het gemeenschapsrecht heeft. In al deze staten gaan de nationale mededingingsautoriteiten af op een reeks van aanwijzingen die het zelfstandig gedrag van een dochteronderneming ten opzichte van haar moedermaatschappij moeten aantonen. Ofschoon het daarnaast juist is dat de Commissie niet aan de praktijk van de nationale mededingingsautoriteiten van de lidstaten gebonden is, dient de Commissie daar niettemin rekening mee te houden, gelet op de mechanismen van nauwe samenwerking die in haar betrekkingen met deze autoriteiten binnen het Europese mededingingsnetwerk vigeren.
40 De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
41 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie, na in de punten 369 tot en met 372 van de bestreden beschikking de rechtspraak over de toerekenbaarheid van het inbreukmakend gedrag van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij in herinnering te hebben gebracht, in de punten 386 en 387 van genoemde beschikking het volgende heeft vastgesteld:
„(386) Gedurende de gehele inbreukperiode heeft [verzoekster] meer dan 97 % van de aandelen in [Arkema France] gehouden. Gelet op het feit dat er in dergelijke omstandigheden redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de dochteronderneming zich naar het door haar moedermaatschappij vastgestelde beleid moet schikken (en dus niet zelfstandig kan handelen) en dat de moedermaatschappij op geen hindernis zal stuiten op het moment waarop zij het beleid voor haar dochteronderneming wil vaststellen, kan worden vermoed [dat verzoekster] een beslissende invloed heeft uitgeoefend over [Arkema France]. Er zijn overigens andere factoren die dit vermoeden dat de invloed die door [verzoekster] is uitgeoefend, wel degelijk beslissend was, bevestigen. Om te beginnen waren de leden van de raad van bestuur van [Arkema France] alle aangewezen door [verzoekster]. Bovendien was [P.] tussen 1994 en 1999 tegelijk lid van de algemeen directiecomité van [Arkema France] en [verzoekster] en lid van de raad van bestuur van [Arkema France]. Datzelfde geldt voor [I.], die lid was van de raad van bestuur van [Arkema France] tussen 1994 en 1998 en van het algemene directiecomité van [verzoekster] tussen 1994 en 1997. Ook [W.] had een zetel in de raad van bestuur van [Arkema France] tussen 1994 en 1999 en is benoemd tot lid van het algemeen directiecomité van [verzoekster] in 1999. Overigens waren nog meerdere andere personen, zoals [D.] (1994‑2000) en [R.] (1994‑1997), tegelijk lid van de raad van bestuur van [Arkema France] en [verzoekster]. Gelet op de diverse personele overlappingen tussen de bestuurs- en toezichtsorganen van [Arkema France] waarvan de leden (wat de bestuursorganen betreft) zijn aangewezen en – naar mag worden aangenomen – ook konden worden teruggetrokken door [verzoekster], is het duidelijk dat laatstgenoemde op de hoogte is gesteld van alle door [Arkema France] genomen beslissingen en daarop op elk moment een invloed kon uitoefenen. Bovendien was er geen enkele andere aandeelhouder die een invloed kon uitoefenen over het commerciële beleid van de dochteronderneming.
(387) Gelet op het vermoeden dat voortvloeit uit de deelneming van [verzoekster] in [Arkema France] op het moment van de inbreuk (meer dan 97 %) en de organisatorische banden, meent de Commissie dat [verzoekster] een beslissende invloed heeft uitgeoefend op het gedrag van haar dochteronderneming [Arkema France]”.
42 Daarnaast heeft de Commissie in de punten 396 tot en met 415 van de bestreden beschikking het betoog van Arkema France en verzoekster verworpen dat zij in hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van punten van bezwaar hadden aangevoerd en dat ertoe strekte de toekenning van de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk aan verzoekster te bestrijden.
43 Uit de overwegingen van de bestreden beschikking die hierboven in de punten 41 en 42 zijn uiteengezet, volgt dus dat de Commissie de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk aan verzoekster heeft toegekend op basis van het vermoeden dat een moedermaatschappij die meer dan 97 % van het aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, een beslissende invloed op laatstgenoemde uitoefent. De Commissie heeft tevens gemeend dat dit vermoeden werd bevestigd door aanvullende aanwijzingen die zij in de bestreden beschikking heeft uiteengezet en dat de door Arkema France en verzoekster aangevoerde argumenten in hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van punten van bezwaar, genoemd vermoeden niet konden weerleggen.
44 Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie, zoals verzoekster stelt, het recht heeft geschonden door tot de conclusie te komen dat het feit dat zij meer dan 97 % van het aandelenkapitaal van Arkema France in handen had, op zich reeds volstond om haar de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk toe te kennen.
45 In zijn arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 54), heeft het Hof eraan herinnerd dat de mededingingregels zien op de activiteiten van ondernemingen (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 59) en dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 112; 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, Jurispr. blz. I‑289, punt 107, en 11 juli 2006, FENIN/Commissie, C‑205/03 P, Jurispr. blz. I‑6295, punt 25).
46 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 De inbreuk op de mededingingregels moet op ondubbelzinnige wijze worden toegerekend aan een rechtspersoon waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd, en de mededeling van punten van bezwaar dient aan hem te worden toegezonden. Belangrijk is ook dat in de mededeling van punten van bezwaar wordt vermeld in welke hoedanigheid de gestelde feiten aan een rechtspersoon worden verweten (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Het is vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 De reden daarvoor is dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming vormen in de zin van de hierboven in de punten 45 en 46 genoemde rechtspraak. Dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, stelt de Commissie in staat een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij te richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het aandelenkapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Ofschoon het juist is dat het Hof in zijn arrest van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925, punten 28 en 29), niet alleen heeft gewezen op het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochteronderneming maar ook op andere omstandigheden, zoals het feit dat de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochteronderneming niet werd betwist en dat de twee vennootschappen in de administratieve procedure dezelfde vertegenwoordiger hadden, neemt dit niet weg dat het Hof dergelijke omstandigheden slechts heeft vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en niet om de toepassing van genoemd vermoeden afhankelijk te stellen van het overleggen van extra aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Uit een en ander volgt dat wanneer een moedermaatschappij 100 % van het aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Gerecht dat wanneer een moedermaatschappij vrijwel het gehele aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, daaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat genoemde dochteronderneming haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt en dat zij dus tezamen met haar moedermaatschappij één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormt (zie in die zin arrest Gerecht van 30 september 2003, Michelin/Commissie, T‑203/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 290 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat verzoekster niet betwist, zoals de Commissie in punt 386 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, dat zij ten tijde van de betrokken feiten meer dan 97 % van het aandelenkapitaal van Arkema France in handen had, meer bepaald 97,55 %, zoals is vastgesteld in punt 13 van de bestreden beschikking. Daarnaast heeft verzoekster, daar waar zij stelt dat het ontbreken van een andere aandeelhouder die naast haarzelf in het aandelenkapitaal van Arkema France deelneemt niet van dien aard is dat dit het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed bevestigt, echter geen enkel argument aangedragen dat kan afdoen aan de beoordeling van de Commissie in punt 396 van de bestreden beschikking, dat het feit dat vrijwel het gehele aandelenkapitaal van een dochteronderneming in handen van haar moedermaatschappij is, kan worden gelijkgesteld met het bezit van het geheel van genoemd kapitaal, aangezien, in beginsel althans, „de minderheidsaandeelhouders in dat geval over geen bijzonder rechten beschikken, anders dan hun deling in de winst van de dochteronderneming”.
57 Bijgevolg heeft de Commissie terecht overeenkomstig de hierboven in de punten 45 tot en met 55 uiteengezette rechtspraak in de bestreden beschikking vermoed dat verzoekster een beslissende invloed op Arkema France uitoefende, op basis van de vaststelling dat zij vrijwel het gehele aandelenkapitaal in handen had.
58 Geen van de door verzoekster aangevoerde argumenten doet af aan deze conclusie.
59 In de eerste plaats moeten de argumenten worden verworpen dat zowel uit de rechtspraak als uit de beschikkingspraktijk van de Commissie van vóór de vaststelling van de MCAA-beschikking volgt dat de Commissie het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed moet onderbouwen met concrete aanwijzingen. Uit de punten 45 tot en met 55 hierboven volgt immers dat het met vaste rechtspraak in overeenstemming is dat het Hof in het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie (punt 45 supra), eraan heeft herinnerd dat de Commissie genoemd vermoeden niet hoeft te onderbouwen met aanvullende aanwijzingen. Ook als, zoals de Commissie in haar kaarsenwasbeschikking heeft aangegeven, haar beschikkingspraktijk vóór de vaststelling van de MCAA-beschikking inhield dat zij het vermoeden van de uitoefening een beslissende invloed met aanvullende aanwijzingen onderbouwde, kan een dergelijke vaststelling geen gevolgen hebben voor de conclusie in punt 57 hierboven dat de Commissie zich in de bestreden beschikking terecht mocht baseren op het enkele bezit door verzoekster van vrijwel het gehele aandelenkapitaal van Arkema France om te vermoeden dat zij een beslissende invloed daarop uitoefende.
60 In de tweede plaats moet het argument worden verworpen dat de Commissie het recht heeft geschonden door de aansprakelijkheid voor het betrokken inbreukmakende gedrag aan verzoekster toe te kennen, terwijl zij niet tot een dergelijke toekenning is overgegaan in de organische-peroxidebeschikking. Daar waar, zoals volgt uit de punten 45 tot en met 55 hierboven, de Commissie op basis van een juiste uitlegging van het begrip onderneming in de zin van artikel 81, lid 1, EG, in de bestreden beschikking de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk aan verzoekster heeft toegekend, kan het enkele feit dat de Commissie niet tot een dergelijke toekenning is overgegaan in een eerdere beschikking waarbij Arkema France is beboet, niet de rechtmatigheid van de bestreden beschikking in dit opzicht in twijfel trekken. Aangezien de Commissie daarnaast de mogelijkheid maar niet de verplichting bezit om de aansprakelijkheid voor de inbreuk aan een moedermaatschappij toe te kennen (zie in die zin arrest Hof van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P en C‑135/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 82, en arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punt 331), kan uit het enkele feit dat de Commissie niet tot een dergelijke toekenning is overgegaan in de organische-peroxidebeschikking niet worden afgeleid dat zij verplicht is om zulks in een latere beschikking eveneens te doen (zie in die zin arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, „PVC II”, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 990).
61 Voor zover verzoekster, in de derde plaats, in wezen betoogt dat het arrest Frankrijk/Commissie, punt 38 supra (punten 50‑52, 55 en 56), en het arrest SIC/Commissie, punt 38 supra (punten 94, 95, 98, 99, 101‑105 en 107), lijken te bevestigen dat de Commissie aanvullende aanwijzingen moet aandragen ter bevestiging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed waarop zij zich in het kader van de toepassing van artikel 81, lid 1, EG baseert, moet dit argument niet ter zake dienend worden verklaard. De punten in kwestie, die handelen over de vraag of een door een publieke onderneming getroffen maatregel aan de staat kan worden toegerekend, en dus of een dergelijke maatregel staatssteun in de zin van artikel 87 EG vormt, houden in de eerste plaats immers geen enkel verband met de voorwaarden voor toekenning van de aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 81 EG aan een moedermaatschappij en verzetten zich in de tweede plaats niet tegen het bestaan van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed op het gebied van inbreuken op artikel 81 EG, waarvan de rechters van de Unie expliciet de rechtmatigheid hebben erkend, zoals volgt uit de rechtspraak die hierboven in de punten 45 tot en met 55 is uiteengezet.
62 In de vierde plaats is niet ter zake dienend het argument dat, in wezen, de rechtspraak in meerdere lidstaten van de Europese Unie en in de Verenigde Staten vereist dat het bestaan van een beslissende invloed van de moedermaatschappij over haar dochteronderneming wordt onderbouwd met concrete aanwijzingen. Afgezien immers van het feit dat de rechtspraak van genoemde staten de Commissie niet bindt en deze niet het relevante juridische kader vormt voor het onderzoek van de wettigheid van de bestreden beschikking, betekent het feit dat het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed in de rechtspraak van genoemde staten niet wordt erkend, ook als dit juist zou blijken te zijn, hoe dan ook niet dat dit onrechtmatig zou zijn in het gemeenschapsrecht.
63 Gelet op een en ander, moet het eerste onderdeel gedeeltelijk worden verworpen en gedeeltelijk als niet ter zake dienend worden beschouwd.
Tweede onderdeel, ontleend aan schending van de beginselen van juridische en economische zelfstandigheid van vennootschappen
– Argumenten van partijen
64 Verzoekster betoogt dat, wanneer het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed niet, zoals het geval was in de beschikkingspraktijk van de Commissie vóór de vaststelling van de MCAA-beschikking, wordt onderbouwd met aanvullende aanwijzingen die de inmenging van de moedermaatschappij in de activiteit van haar dochteronderneming op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft bevestigen, een dergelijk vermoeden onverenigbaar is met het beginsel van de zelfstandigheid van de rechtspersoon, aangezien dit leidt tot automatische aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor door haar dochteronderneming begane inbreuken.
65 Verzoekster geeft in de eerste plaats te kennen dat slechts bij wijze van een naar behoren gerechtvaardigde uitzondering op het beginsel van de economische zelfstandigheid van de rechtspersoon, een moedermaatschappij kan worden geacht deel uit te maken van het bereik van de onderneming in de zin van artikel 81 EG. In een dergelijk uitzonderlijk geval kan een moedermaatschappij de aansprakelijkheid worden toegekend voor de door haar dochteronderneming begane inbreuk en hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de geldboete die aan genoemde dochteronderneming wordt opgelegd, maar kan zij niet persoonlijk tot een geldboete worden veroordeeld.
66 Verzoekster geeft te kennen dat het vennootschapsrecht in de lidstaten van de Unie het beginsel van de juridische autonomie van de rechtspersoon kent, met inbegrip van dochterondernemingen waarvan het aandelenkapitaal volledig in handen van hun moedermaatschappij is. Dit beginsel vloeit voort uit de karakteristieke eigenschappen van de rechtspersoonlijkheid en verleent onder meer volledige rechtsbevoegdheid en een eigen vermogen aan elke vennootschap, die volledig aansprakelijk is voor haar eigen handelen, waaronder voor de gevolgen van haar economische activiteit op de markt. Zij preciseert in dat verband dat het beginsel van de economische autonomie van een dochteronderneming, dat voortvloeit uit haar juridische autonomie, in de rechtspraak is erkend. Dit beginsel levert ook een fundamentele bijdrage tot de goede werking van moderne economieën. Bijgevolg beschikken verzoekster en Arkema France, als afzonderlijke rechtspersonen, ieder over hun eigen juridische en economische autonomie.
67 Verzoekster stelt in de tweede plaats dat het beginsel dat de dochteronderneming economisch autonoom is, een concrete uitwerking is van het gebruik dat zij van het geheel van de karakteristieke juridische eigenschappen van haar rechtspersoonlijkheid maakt. De analyse van het recht van het merendeel van de lidstaten van de Unie toont aan dat het beginsel van de autonomie van de rechtspersoon onderdeel is van de juridische fundamenten waarop hun sociale samenleving is gestoeld, waarvan slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken, zoals volgt uit de onderscheiden nationale rechtspraak. Voorts mag de Commissie, wanneer zij het mededingingsrecht toepast, niet de rechtspraak van de rechters in de lidstaten van de Unie negeren, omdat zij anders de noodzakelijke convergentie van de verschillende mededingingsregels binnen het Europese en het internationale mededingingsnetwerk in gevaar zou brengen.
68 De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
69 Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie, door haar de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk toe te kennen, de beginselen van de juridische en economische autonomie van de vennootschappen heeft geschonden.
70 Zonder dat een uitspraak hoeft te worden gedaan over de draagwijdte van de beginselen van de juridische en economische autonomie van de vennootschappen, of over het bestaan van het tweede beginsel, volstaat het vast te stellen dat deze hoe dan ook niet kunnen inhouden dat een vennootschap waarvan het gehele of vrijwel het gehele kapitaal in handen van een andere vennootschap is, noodzakelijkerwijs autonoom opereert op de markt, vanwege het enkele feit dat zij over rechtspersoonlijkheid of eigen economische middelen beschikt. Een dergelijke veronderstelling houdt immers in het geheel geen rekening met de vele mogelijkheden die er in de praktijk bestaan voor een moedermaatschappij die het gehele of vrijwel gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft om het gedrag van deze laatste formeel of informeel te beïnvloeden.
71 Bijgevolg zijn de beweerde, door verzoekster ingeroepen beginselen van de juridische en economische autonomie in casu door de Commissie niet geschonden.
72 Het in dat verband door verzoekster gehouden betoog kan niet slagen. De argumenten dat het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed in strijd is met het in sommige lidstaten van de Unie toepasselijke recht, is ongegrond om de hierboven in punt 62 uiteengezette redenen, namelijk dat het recht van deze staten niet het relevante rechtskader vormt waarbinnen de rechtmatigheid van de bestreden beschikking moet worden beoordeeld. Voor zover verzoekster daarnaast stelt dat de Commissie het in de lidstaten van de Unie toepasselijke vennootschapsrecht heeft geschonden door haar de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk toe te kennen, en daarmee ook het subsidiariteitsbeginsel, moet worden vastgesteld dat het met artikel 81, lid 1, EG in overeenstemming is dat, wanneer een economische entiteit inbreuk maakt op de mededingingsregels, zij zich moet verantwoorden voor deze inbreuk, waarvoor de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 een sanctie mag opleggen.
73 In het licht van een en ander moet het tweede onderdeel worden afgewezen.
Derde onderdeel, dat eraan is ontleend dat de aanwijzingen waarvan de Commissie in de bestreden beschikking is uitgegaan, niet het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed bevestigen
– Argumenten van partijen
74 Verzoekster geeft in wezen te kennen dat de Commissie het recht heeft geschonden en kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door te oordelen dat de drie aanvullende factoren die in punt 386 van de bestreden beschikking zijn genoemd (zie punt 41 hierboven), het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed bevestigen. Zij stelt in wezen dat het feit dat zij de leden van de raad van bestuur van haar dochteronderneming heeft benoemd en dat vijf leden van het algemeen directiecomité of de raad van bestuur van Arkema France zitting hebben gehad in haar algemeen directiecomité of haar raad van bestuur, genoemd vermoeden niet bevestigen.
75 De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
76 Volgens de hierboven in de punten 52 tot en met 55 uiteengezette rechtspraak is de Commissie niet verplicht om met aanvullende factoren het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed te onderbouwen, daar zij dit vermoeden mag hanteren wanneer een moedermaatschappij het gehele of vrijwel gehele aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft. Het staat daarentegen aan verzoekster om dit vermoeden te weerleggen, door afdoende bewijs aan te dragen dat haar dochteronderneming zich autonoom op de markt heeft gedragen.
77 Ook al zou moeten worden overwogen dat de Commissie, zoals verzoekster stelt, zich in punt 386 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft beroepen op aanwijzingen die het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed niet konden bevestigen, kan een dergelijke onjuistheid dus hoe dan ook niet afdoen aan het feit dat zij zich terecht mocht baseren op het bezit van het gehele of vrijwel gehele aandelenkapitaal van haar dochteronderneming door verzoekster, om te vermoeden dat zij daarover een beslissende invloed uitoefende.
78 Derhalve is het derde onderdeel niet ter zake dienend, zonder dat verzoeksters argumenten die er in wezen toe strekken de relevantie van de door de Commissie in de bestreden beschikking aangehouden aanwijzingen om het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed te bevestigen, behoeven te worden onderzocht.
Vierde onderdeel, ontleend aan het feit dat de Commissie ten onrechte heeft overwogen dat verzoekster geen reeks van aanwijzingen ter weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed heeft aangedragen
– Argumenten van partijen
79 Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie ten onrechte heeft overwogen dat verzoekster geen reeks van aanwijzingen heeft aangedragen ter weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed, of ten bewijze van de autonomie van Arkema France op de markt, of dat zij zich niet in het commerciële beleid van haar dochteronderneming heeft ingemengd. Zij zet nader uiteen dat, anders dan de Commissie stelt, de reeks van aanwijzingen die zij heeft aangedragen zich niet ertoe beperkt, aan te tonen dat zij niet aan de mededingingsregeling had deelgenomen of dat zij daar geen wetenschap van had.
80 Verzoekster geeft met haar eerste hoofdargument te kennen dat zij aan de hand van een reeks van overeenstemmende aanwijzingen heeft aangetoond dat Arkema France autonoom was op de markt.
81 Verzoekster herinnert er in de eerste plaats aan dat, zoals zij in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel heeft opgemerkt (zie punt 37 hierboven), de Commissie de autonomie van Arkema France op de markt heeft erkend in de organische-peroxidebeschikking. Daarnaast stelt zij dat, indien de Commissie in haar beschikking van 3 mei 2006, Waterstofperoxide en perboraat (zaak COMP/F/38.620), (PB L 353, blz. 54; hierna: „waterstofperoxidebeschikking”), op geen enkel moment heeft getracht om het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed met enig concreet element te onderbouwen, de reden hiervoor moet zijn geweest dat zij meende dat er geen aanwijzing was die genoemd vermoeden kon onderbouwen. Daar waar, ten slotte, natriumchloraat onderdeel is van dezelfde productfamilie als de producten waarop de organische-peroxidebeschikking en de waterstofperoxidebeschikking betrekking hebben en deze binnen de groep Elf Aquitaine op precies dezelfde wijze worden aangestuurd als de producten waarop deze beide beschikkingen betrekking hebben, kan de Commissie niet met succes betogen dat verzoekster zich in de onderhavige zaak in de commerciële strategie van Arkema France heeft ingemengd.
82 Verzoekster betoogt in de tweede plaats dat Arkema France onderdeel was van een groep die door een gedecentraliseerd bestuur van de dochterondernemingen werd gekenmerkt en dat verzoekster derhalve slechts als niet-operationele holdingmaatschappij aan het hoofd van de groep werkzaam was, die geenszins in het operationele beheer van haar dochterondernemingen ingreep. Om die reden had de Commissie haar niet de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk mogen toekennen, net zo min als zij, om diezelfde reden, tot een aansprakelijkstelling had mogen overgaan van een van de moedermaatschappijen die zijn beboet in haar beschikking van 20 oktober 2004 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/C.38.238, Ruwe tabak – Spanje) (PB 2007, L 102, blz. 14; hierna: „beschikking Ruwe tabak Spanje”).
83 Verzoekster betoogt in de derde plaats dat Arkema France haar strategie steeds autonoom heeft gedefinieerd.
84 Anders dan de Commissie in punt 324 van de mededeling van punten van bezwaar heeft gesteld en zoals zij tijdens de hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur heeft erkend, heeft verzoekster nimmer het ondernemingsplan of de begroting voor de activiteiten van Arkema France specifiek in verband met natriumchloraat vastgesteld of goedgekeurd. Arkema France beschikte ten tijde van de feiten integendeel over alle noodzakelijke middelen en organisatorische, juridische en financiële hulpmiddelen, om de commerciële strategie voor de activiteiten op het gebied van natriumchloraat te definiëren en om het beheer over deze activiteiten te voeren.
85 Verzoekster voert daarnaast nog een reeks argumenten aan die moeten aantonen dat Arkema France autonoom op de markt opereerde. Om te beginnen was Arkema France volledig bevoegd om zonder voorafgaande toestemming van haar moedermaatschappij contracten te sluiten, hetgeen haar de mogelijkheid heeft gegeven om haar commerciële beleid volkomen zelfstandig te voeren. Vervolgens heeft Arkema France steeds volledig vrij het product- of dienstenassortiment bepaald dat zij op de natriumchloraatmarkt bracht, aangezien verzoekster nimmer enige instructie of richtlijn aan haar dochteronderneming heeft gezonden over haar productie, de gehanteerde prijzen en de afzet van haar productie. Arkema France genoot daarnaast volledige vrijheid om, zonder tussenkomst van haar moedermaatschappij, haar verkoopdoelstellingen en brutomarges te definiëren, waarbij geen enkel personeelslid van verzoekster zich in dit soort van besluiten heeft kunnen inmengen. Verzoekster was bovendien nimmer aanwezig op de markten of op de stroomopwaartse of stroomafwaartse markten ten opzichte van die waarop haar dochteronderneming opereerde. Tot slot is Arkema France onder eigen naam en voor eigen rekening op de natriumchloraatmarkt opgetreden, en niet als haar vertegenwoordiger of handelsagent.
86 In de vierde plaats beschikte Arkema France volgens verzoekster over volledige financiële autonomie. Een dergelijke vaststelling vloeit voort uit de hierboven in de punten 81 tot en met 85 uiteengezette overwegingen alsook de vrij beperkte omvang van de activiteit op het gebied van natriumchloraat binnen de groep ten tijde van de litigieuze feiten. Zij voegt daaraan toe dat het financiële toezicht dat zij bij Arkema France uitoefende, zeer algemeen was en dus geen betrekking kon hebben op de activiteit op het gebied van natriumchloraat.
87 Verzoekster betoogt in de vijfde plaats dat Arkema France haar niet over haar activiteit op de markt informeerde en dat de rekening en verantwoording die Arkema France aan haar aflegde, strikt binnen het kader bleef van de verplichtingen van een holding op het gebied van de toepasselijke boekhoudregels en regels inzake financiële regulering. De afgelegde rekening en verantwoording is bijgevolg op een zeer algemeen niveau gebleven en zij had geen betrekking op het commerciële beleid van Arkema France.
88 Verzoekster geeft in de zesde plaats te kennen dat, gelet op al de overwegingen in de punten 81 tot en met 87 hierboven, de Commissie had moeten vaststellen dat de activiteit van Arkema France niet aan instructies van haar moedermaatschappij was gebonden. Daarnaast volgt zowel uit de rechtspraak als uit de beschikkingspraktijk van de Commissie dat het geheel van aanwijzingen die verzoekster heeft aangedragen om het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen, relevant zijn voor het bewijs van de autonomie van haar dochteronderneming. Door de aanwijzingen die verzoekster haar had verstrekt te verwerpen, heeft de Commissie in feite deze wijze van bewijslevering voor het weerleggen van genoemd vermoeden geweigerd.
89 Met haar tweede hoofdargument geeft verzoekster te kennen dat de Commissie ten onrechte in punt 370 van de bestreden beschikking geen bewijskracht heeft toegekend aan het feit dat zij niet aan de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk heeft deelgenomen en aan het feit dat zij niet van genoemde inbreuk op de hoogte was, om haar van aansprakelijkheid te ontslaan, en dit terwijl de Commissie uitdrukkelijk in de bestreden beschikking heeft erkend dat verzoekster direct noch indirect bij de betrokken inbreuk betrokken was. De deelname aan of de wetenschap van een inbreuk zijn door de Commissie en de rechterlijke instanties van de Unie evenwel als een relevante aanwijzing beschouwd in het kader van de toerekening van de verantwoordelijkheid voor deze inbreuk aan de moedermaatschappij.
90 Met haar derde hoofdargument merkt verzoekster op dat de Commissie in punt 403 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat zij noch op de natriumchloraatmarkt in de EER noch op de markten die stroomopwaarts of stroomafwaarts ten opzichte van dit product lagen, actief was, geen bewijs van haar onafhankelijkheid leverde. Een dergelijk standpunt is onverenigbaar met de rechtspraak zoals die volgt uit het arrest van het Gerecht van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie (T‑30/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
91 De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
92 Verzoekster stelt in wezen dat zij een reeks van aanwijzingen heeft aangedragen die aantonen dat Arkema France autonoom opereerde op de natriumchloraatmarkt en dat zij zich niet in het commerciële beleid van haar dochteronderneming heeft ingemengd.
93 Uit de rechtspraak die meer in het bijzonder in de punten 52 tot en met 55 hierboven is aangehaald, volgt dat wanneer de Commissie zich baseert op het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed om de aansprakelijkheid voor een inbreuk aan een moedermaatschappij toe te kennen, het aan laatstgenoemde staat om het vermoeden te weerleggen door afdoende bewijs aan te dragen dat haar dochteronderneming zich autonoom op de markt gedraagt. Om de autonomie van haar dochteronderneming op de markt aan te tonen en dus genoemd vermoeden te weerleggen, staat het daarnaast aan de moedermaatschappij om elke factor naar voren te schuiven die van invloed is op de organisatorische, economische en juridische banden tussen haarzelf en haar dochteronderneming om aan te tonen dat zij niet één enkele economische entiteit vormen.
94 In de onderhavige zaak moet derhalve worden onderzocht of de Commissie terecht heeft overwogen dat de bestanddelen van de reeks van aanwijzingen die verzoekster heeft aangedragen, niet konden aantonen dat Arkema France autonoom was op de markt en niet het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed konden weerleggen.
95 In de eerste plaats is verzoeksters argument dat het standpunt van de Commissie in de organische-peroxidebeschikking en in de waterstofperoxidebeschikking aantoont dat Arkema France zich autonoom op de markt gedroeg, ongegrond. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekster genoemde beschikkingen onjuist uitlegt, daar de Commissie daarin geenszins tot de conclusie is gekomen dat Arkema France autonoom handelde, noch in het bijzonder op de natriumchloraatmarkt, noch in het algemeen op andere markten waarop zij producten in de handel bracht. Zoals immers volgt uit met name artikel 1 van de organische-peroxidebeschikking, heeft de Commissie zich ertoe beperkt Arkema France (voorheen Atofina) te beboeten, zonder zich uit te spreken over de vraag of de aansprakelijkheid voor deze inbreuk aan verzoekster moest worden toegekend. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de Commissie in de waterstofperoxidebeschikking in wezen tot de conclusie is gekomen, met name in punt 427 van genoemde beschikking, dat de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk in die beschikking aan verzoekster moest worden toegekend. Bijgevolg kan noch op basis van de ene noch op basis van de andere beschikking de conclusie worden getrokken dat de Commissie zich in vergelijkbare omstandigheden als die van de onderhavige zaak, op het standpunt heeft gesteld dat Arkema France autonoom opereerde op de markt.
96 Daar waar bovendien, zoals hierboven in punt 60 is vastgesteld, de Commissie over de mogelijkheid, maar niet de verplichting beschikt om de aansprakelijkheid voor een inbreuk aan een moedermaatschappij toe te kennen en zij in casu op basis van een juiste uitlegging van artikel 81 EG de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk aan verzoekster heeft toegekend, kan de eventuele vaststelling dat de Commissie in eerdere zaken heeft geoordeeld dat er geen reden tot een dergelijke aansprakelijkstelling was, dan wel het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed heeft bevestigd op basis van aanvullende aanwijzingen, hoe dan ook niet de conclusie wettigen dat zij in de onderhavige zaak het recht heeft geschonden door de aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk aan verzoekster toe te kennen.
97 In de tweede plaats moeten ook verzoeksters argumenten worden verworpen dat de autonomie van Arkema France wordt aangetoond door het gedecentraliseerde bestuur van de groep Elf Aquitaine en door het feit dat verzoekster slechts een „niet-operationele holding” was die zich niet in het operationele beheer van haar dochterondernemingen inmengde, zodat de Commissie haar dus niet de aansprakelijkheid voor de inbreuk had mogen toekennen, nu zij dit ook niet ten aanzien van een andere moedermaatschappij had gedaan in de beschikking Ruwe tabak Spanje.
98 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de stelling dat verzoekster een „niet-operationele holding” is, niet is onderbouwd met enig concreet element dat kan aantonen dat zij geenszins beslissende invloed over haar dochteronderneming uitoefende. Zoals daarnaast uit de hierboven in punt 60 uiteengezette rechtspraak volgt, kan het feit dat de Commissie in de beschikking Ruwe tabak Spanje de aansprakelijkheid voor een inbreuk niet aan een moedermaatschappij had toegekend, in geen geval afdoen aan de vaststelling dat in de bestreden beschikking aan de voorwaarden voor een dergelijke toekenning is voldaan.
99 Bovendien, en hoe dan ook, is in de context van een groep van ondernemingen een houdstermaatschappij een onderneming die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en die tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat verzoekster een beslissende invloed over het gedrag van haar dochteronderneming heeft uitgeoefend door met name de financiële investeringen binnen de groep Elf Aquitaine te coördineren. Bovendien is de interne verdeling van de verschillende activiteiten van verzoekster, die lijkt op gedecentraliseerd bestuur, over de verschillende divisies en afdelingen een normaal fenomeen binnen groepen van ondernemingen zoals die waar verzoekster aan het hoofd van staat. Derhalve weerlegt dit argument geenszins het vermoeden dat verzoekster en Arkema France één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormden.
100 Voor zover verzoekster in de derde plaats stelt dat Arkema France haar commerciële strategie op de natriumchloraatmarkt steeds autonoom heeft gedefinieerd, aangezien zij nimmer het ondernemingsplan of de begroting voor de activiteiten van Arkema France specifiek voor dit product heeft vastgesteld of goedgekeurd en deze laatste in wezen de middelen had om autonoom op de markt te opereren, en voorts dat Arkema France over volledige financiële autonomie beschikte, aangezien het toezicht dat zij op haar dochteronderneming hield zeer algemeen was, moeten ook deze argumenten worden verworpen.
101 Afgezien van het feit dat verzoeksters argumenten op generlei wijze concreet zijn onderbouwd, moet immers worden opgemerkt dat op basis van het feit dat zij nimmer het ondernemingsplan en de begroting voor de activiteiten van Arkema France heeft vastgesteld of goedgekeurd, niet kan worden vastgesteld dat zij dit niet kon wijzigen, afkeuren of toezicht op de uitvoering ervan kon houden.
102 Bovendien is niet uitgesloten dat verzoekster een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming heeft uitgeoefend door met name de financiële investeringen binnen de groep Elf Aquitaine te coördineren.
103 Indien tot slot, zoals verzoekster overigens ook heeft betoogd in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar (zie bladzijde 71 van genoemd antwoord) en zoals volgt uit punt 392 van de bestreden beschikking, zij de belangrijkste verbintenissen van haar dochteronderneming controleerde, versterkt deze omstandigheid alleen maar de conclusie van de Commissie dat genoemde dochteronderneming niet autonoom was ten opzichte van verzoekster.
104 In de vierde plaats moet verzoeksters argument worden verworpen dat Arkema France haar niet over haar marktoptreden informeerde en aan haar, conform het Franse recht en haar statuten, slechts in zeer algemene bewoordingen rekening en verantwoording aflegde. Afgezien van het feit dat dit argument op generlei wijze concreet is onderbouwd, lijkt de erkenning door verzoekster, zoals uiteengezet in punt 103 hierboven, van het feit dat zij de belangrijkste verbintenissen van haar dochteronderneming controleerde, dit argument eerder tegen te spreken.
105 Voor zover verzoekster in de vijfde plaats te kennen geeft dat zij nimmer aan de inbreuk heeft deelgenomen, dat zij daarvan geen wetenschap had en dat zij noch op een hoger noch op een lager gelegen markt ten opzichte van de natriumchloraatmarkt opereerde, en ook niet op die markt zelf, die voor haar van ondergeschikt belang was, moet worden vastgesteld dat deze factoren de autonomie van Arkema France niet kunnen aantonen. Om te beginnen volgt uit de rechtspraak dat het niet het feit is dat de moedervennootschap haar dochteronderneming heeft aangespoord de inbreuk te plegen, noch a fortiori haar betrokkenheid bij die inbreuk, die de Commissie de mogelijkheid biedt de beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd aan de moedervennootschap van een groep van vennootschappen te richten, maar het feit dat zij één enkele onderneming vormen (arrest Michelin/Commissie, punt 55 supra, punt 290). Vervolgens kan geen enkele conclusie meer worden getrokken uit het feit dat verzoekster en Arkema France op verschillende markten opereerden of dat de natriumchloraatmarkt voor verzoekster van ondergeschikt belang was. Overwogen moet immers worden dat binnen een groep zoals die aan het hoofd waarvan verzoekster staat, de verdeling van de taken een normaal fenomeen is dat het vermoeden niet kan weerleggen dat verzoekster en Arkema France één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormden. Deze argumenten zijn derhalve niet ter zake dienend.
106 Wat in de zesde plaats verzoeksters argument betreft dat de Commissie haar in feite het recht om het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen heeft geweigerd, door te oordelen dat de aanwijzingen die zij had aangevoerd niet de autonomie van Arkema France konden aantonen, moet ook dit worden verworpen. In de bestreden beschikking heeft de Commissie immers niet alleen niet bestreden dat verzoekster aanwijzingen ter weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed mocht aandragen, zij heeft ook terecht, na onderzoek van de reeks van aanwijzingen die verzoekster haar had aangeleverd, de conclusie getrokken dat, zoals volgt uit de vaststellingen in de punten 95 tot en met 105 hierboven, de bestanddelen van de reeks genoemd vermoeden niet konden weerleggen.
107 Gelet op een en ander, moet de conclusie luiden dat de Commissie terecht heeft geoordeeld dat verzoekster geen bewijs had aangedragen dat het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed kon weerleggen.
108 Derhalve moet het vierde onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet ter zake dienend worden verklaard.
Vijfde onderdeel, ontleend aan de omvorming van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed in een onweerlegbaar vermoeden
– Argumenten van partijen
109 Verzoekster betoogt dat de Commissie, door de afwijzing van de reeks van aanwijzingen die zij haar had verstrekt, het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed, dat een weerlegbaar vermoeden zou moeten zijn, tot een onweerlegbaar vermoeden heeft omgevormd.
110 Verzoekster geeft in de eerste plaats te kennen dat de omvorming van een weerlegbaar vermoeden tot een onweerlegbaar vermoeden afbreuk doet aan het beginsel van het vermoeden van onschuld. Om te beginnen is deze omvorming een probatio diabolica, dat wil zeggen bewijs dat onmogelijk in twijfel kan worden getrokken en dus ontoelaatbaar is in het licht van de rechtspraak. Vervolgens heeft verzoekster ter terechtzitting gepreciseerd dat een dergelijk vermoeden in strijd was met het beginsel van het vermoeden van onschuld dat is opgenomen in het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest Salabiaku v Frankrijk van 7 oktober 1988 (series A, nr. 141-A, punt 28), en in het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1), dat krachtens artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen. Tot slot heeft zij in antwoord op vragen van het Gerecht tijdens de terechtzitting gepreciseerd dat zij het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, als onverenigbaar met de bovenstaande bepalingen beschouwde.
111 Verzoekster betoogt in de tweede plaats dat de Commissie het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed dat zij in de bestreden beschikking heeft gehanteerd, tot een onweerlegbaar vermoeden heeft gemaakt.
112 Ten eerste volgt uit de punten 396 en 412 van de bestreden beschikking dat de Commissie zelf ook van oordeel is dat de weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed in de praktijk vrijwel onmogelijk is, aangezien de Commissie daarin met name aangeeft dat „dit vermoeden in vrijwel alle gevallen opgaat”.
113 Ten tweede heeft de Commissie geweigerd om de aanwijzingen die verzoekster had verstrekt ter weerlegging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed in aanmerking te nemen, terwijl dergelijke aanwijzingen, wanneer zij door de Commissie worden aangevoerd, genoemd vermoeden kunnen bevestigen.
114 Ten derde volgt uit punt 401, in fine, van de bestreden beschikking dat de Commissie ten onrechte van oordeel was dat een moedermaatschappij voor een inbreuk aansprakelijk moet worden gehouden, of zij zich nu wel of niet in de activiteit van haar dochteronderneming heeft ingemengd, of zij haar nu wel of niet vrij heeft laten handelen en of zij nu wel of niet wetenschap van de door haar dochteronderneming begane inbreuken had.
115 Ten vierde heeft de Commissie niet de passende conclusies getrokken uit haar onjuiste uitlegging, die zij tijdens de hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur heeft erkend, van de opmerkingen die Arkema France op 18 oktober 2004 had gemaakt in antwoord op het verzoek om inlichtingen dat zij haar op 10 september 2004 had toegezonden, en waarin zij Elf Atochem en verzoekster met elkaar had verward.
116 Ten vijfde heeft de Commissie in de bestreden beschikking niet gesteund op concrete factoren die de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed van verzoekster op het commerciële bestuur van Arkema France aantonen, maar op blote stellingen, in de vorm van andere vermoedens en veronderstellingen die zij nimmer heeft geverifieerd.
117 Ten zesde moet uit de afwijzing van al de bestanddelen van de reeks van aanwijzingen die verzoekster heeft aangedragen, worden afgeleid dat de Commissie negatief schriftelijk bewijs verlangt dat een moedermaatschappij zich niet in het commerciële beleid van haar dochteronderneming heeft ingemengd.
118 De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
119 Verzoekster geeft in wezen te kennen dat de Commissie met de afwijzing van de reeks die verzoekster haar had verstrekt, het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed tot een onweerlegbaar vermoeden heeft omgevormd. Een dergelijk vermoeden is onrechtmatig in het licht van zowel het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
120 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig de rechtspraak die hierboven in punt 52 is aangehaald, van verzoekster niet is verlangd dat zij het bewijs levert dat zich niet in het beheer van haar dochteronderneming heeft ingemengd, maar enkel dat zij afdoende bewijs aandraagt om aan te tonen dat haar dochteronderneming zich autonoom op de betrokken markt gedroeg.
121 De omstandigheid dat verzoekster in casu geen bewijs heeft geleverd dat het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed kan weerleggen, zoals volgt uit het onderzoek van het vierde onderdeel van het eerste middel (zie punten 95‑106 hierboven), betekent niet dat genoemd vermoeden in geen enkel geval kan worden weerlegd.
122 Om die reden moet in de eerste plaats als niet ter zake dienend worden beschouwd, verzoeksters argument dat in punt 110 hierboven is uiteengezet, dat in wezen inhoudt dat het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft gehanteerd en waarvan de rechtmatigheid door het Hof in het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 45 supra, is erkend, in strijd is met het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit beginsel is erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het EVRM en zoals dit is uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en door de rechterlijke instanties van de Unie. In de tweede plaats moeten de argumenten worden verworpen die hierboven zijn uiteengezet in de punten 111 tot en met 117, die in wezen inhouden dat de Commissie ten onrechte heeft overwogen dat de aanwijzingen die verzoekster haar had verstrekt aantoonden dat zij een beslissende invloed op Arkema France uitoefende. Zoals is vastgesteld in het kader van het vierde onderdeel van het eerste middel (zie punten 95‑106 hierboven), is het vanwege het feit dat geen van de aanwijzingen die verzoekster had aangedragen de conclusie kon dragen dat in casu Arkema France autonoom op de markt optrad, dat de Commissie de aansprakelijkheid voor de inbreuk in de bestreden beschikking aan verzoekster heeft toegekend.
123 Bijgevolg moet het vijfde onderdeel van het eerste middel en daarmee het eerste middel in zijn geheel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet ter zake dienend worden verklaard.
Tweede middel, ontleend aan schending van zes fundamentele beginselen als gevolg van de toerekening van de verantwoordelijkheid voor het betrokken inbreukmakend gedrag aan verzoekster
124 Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie zes fundamentele beginselen heeft geschonden door het inbreukmakend gedrag van Arkema France aan haar toe te rekenen. Het onderhavige middel valt dus uiteen in zes onderdelen.
Eerste onderdeel, ontleend aan schending van verzoeksters rechten van verdediging
– Argumenten van partijen
125 Verzoekster meent in wezen dat haar rechten van verdediging zijn geschonden voordat en nadat de mededeling van punten van bezwaar haar is toegezonden.
126 Verzoekster geeft in de eerste plaats te kennen dat het oordeel van de Commissie in punt 406 van de bestreden beschikking, dat zij niet gehouden was om bepaalde onderzoekshandelingen jegens haar te verrichten vóór de betekening van de mededeling van punten van bezwaar, wordt ontkracht door de rechtspraak die volgt uit de arresten van het Hof van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie (C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10921), en 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725). Zij meent dat de Commissie gebruik van haar onderzoeksbevoegdheden had moeten maken vóór de toezending van de mededeling van punten van bezwaar, om aanwijzingen ter bevestiging van het vermoeden van de uitoefening van een beslissende invloed over verzoekster te verzamelen, in plaats van zich te beperken tot die welke Arkema France haar had verstrekt. Ter terechtzitting heeft zij gepreciseerd dat een dergelijke verplichting ook voortvloeit uit het arrest van het Gerecht van 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie (T‑99/04, Jurispr. blz. II‑1501), en de mededeling van de Commissie inzake goede praktijken voor procedures op grond van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU (hierna: „praktijkcode”), die op de datum van de terechtzitting beschikbaar was op de website van de Commissie.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex