HvJ EU 28 november 2024, C-293/23, ECLI:EU:C:2024:992
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
28 november 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor elektriciteit – Richtlijn (EU) 2019/944 – Artikel 2, punten 28 en 29 – Begrip ‚distributie’ – Begrip ‚distributiesysteembeheerder’ – Begrip ‚distributiesysteem’ – Artikelen 30 tot en met 39 – Beheer van het distributiesysteem – Onderneming die een energie‑installatie exploiteert die bestaat uit een warmte‑krachtkoppelingsinstallatie en een elektriciteitsnet en die huurders van een wooncomplex voorziet van verwarming, warm water en elektriciteit – Gelijktijdige verkoop van opgewekte elektriciteit – Nationale regeling waarbij de beheerder van een dergelijke installatie wordt vrijgesteld van de verplichtingen die krachtens die richtlijn op distributiesysteembeheerders rusten”
In zaak C‑293/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 13 december 2022, ingekomen bij het Hof op 9 mei 2023, in de procedure
ENGIE Deutschland GmbH
tegen
Landesregulierungsbehörde beim Sächsischen Staatsministerium für Wirtschaft, Arbeit und Verkehr,
in tegenwoordigheid van:
Zwickauer Energieversorgung GmbH,
Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– ENGIE Deutschland GmbH, vertegenwoordigd door D. Legler, Rechtsanwalt,
– de Landesregulierungsbehörde beim Sächsischen Staatsministerium für Wirtschaft, Arbeit und Verkehr, vertegenwoordigd door A. Hennersdorf, J. Leuschke en K. Meißner als gemachtigden,
– Zwickauer Energieversorgung GmbH, vertegenwoordigd door K. M. Schwabe, Rechtsanwalt,
– de Bundesnetzagentur für Elektrizität, Gas, Telekommunikation, Post und Eisenbahnen, vertegenwoordigd door J. Kargel en C. Mögelin als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet en T. Scharf als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 en volgende van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ENGIE Deutschland GmbH (hierna: „ENGIE”) en de Landesregulierungsbehörde beim Sächsischen Staatsministerium für Wirtschaft, Arbeit und Verkehr (regulerende instantie van de deelstaat Saksen bij het ministerie van Economie, Arbeid en Vervoer van Saksen, Duitsland) (hierna: „regulerende instantie van de deelstaat Saksen”) over de weigering van Zwickauer Energieversorgung GmbH (hierna: „ZEV”), een distributiesysteembeheerder, om twee elektriciteitsinstallaties van ENGIE als afnemerinstallaties op zijn systeem aan te sluiten en om de noodzakelijke meetpunten ter beschikking te stellen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2012/27
3 In artikel 2, punt 21, van richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB 2012, L 315, blz. 1), is het begrip „distributiesysteembeheerder” voor de doelstellingen van richtlijn 2012/27 gedefinieerd als een „distributiesysteembeheerder” in de zin van onder meer richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55).
Verordening 2019/943
4 In artikel 2, punt 48, van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54), wordt het begrip „distributiesysteembeheerder” gedefinieerd als de „distributiesysteembeheerder” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944.
Richtlijn 2019/944
5 De overwegingen 7, 8, 18, 65 en 68 van richtlijn 2019/944 luiden: „(7) Met het oog op de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit moeten de lidstaten de integratie van hun nationale markten en samenwerking tussen systeembeheerders op Europees en regionaal niveau stimuleren, en de in de [Europese] Unie nog altijd bestaande geïsoleerde systemen, die elektriciteitseilanden vormen, integreren. (8) […] [D]e richtlijn [beoogt] hardnekkige belemmeringen voor de voltooiing van [de] interne markt voor elektriciteit weg te nemen. Het verfijnd regelgevingskader moet bijdragen aan het overwinnen van de bestaande problemen van gefragmenteerde nationale markten […]. […] (18) […] De integratie van elektriciteitsmarkten vergt intensieve samenwerking tussen systeembeheerders, marktdeelnemers en regulerende instanties, […]. […] (65) Niet-discriminerende toegang tot het distributienet is bepalend voor de toegang tot afnemers downstream op kleinhandelsniveau. Om gelijke mededingingsvoorwaarden op kleinhandelsniveau te creëren, moeten de activiteiten van de distributiesysteembeheerders daarom worden gemonitord om te voorkomen dat zij profiteren van hun verticale integratie ten gunste van hun concurrentiepositie op de markt, met name ten aanzien van huishoudelijke en kleine niet-huishoudelijke afnemers. […] (68) Uitsluitend het wegwerken van stimulansen voor verticaal geïntegreerde bedrijven om hun concurrenten met betrekking tot nettoegang en -investeringen te discrimineren, kan een effectieve ontvlechting waarborgen. Ontvlechting van de eigendom, hetgeen met zich brengt dat de neteigenaar wordt aangewezen als de systeembeheerder en onafhankelijk is van belangen bij de productie en levering, is duidelijk een effectieve en stabiele manier om het inherente belangenconflict op te lossen en de voorzieningszekerheid te waarborgen. […]”
6 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze richtlijn bepaalt in de eerste twee alinea’s: „Bij deze richtlijn worden, met het oog op het scheppen van echt geïntegreerde, concurrerende, consumentgerichte en flexibele, eerlijke en transparante elektriciteitsmarkten in de Unie, gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie, de energieopslag en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten. Steunend op de voordelen van een geïntegreerde markt, is deze richtlijn erop gericht de consument betaalbare, transparante energieprijzen en -kosten, een hoge mate van voorzieningszekerheid en een soepele overgang naar een duurzaam koolstofarm energiesysteem te bieden. De richtlijn stelt belangrijke regels vast met betrekking tot de organisatie en de werking van de elektriciteitssector van de Unie, met name regels betreffende empowerment en bescherming van consumenten, betreffende de open toegang tot de geïntegreerde markt, betreffende de toegang van derde partijen tot de transmissie‑ en distributie-infrastructuur, ontvlechtingsvoorschriften, en regels betreffende de onafhankelijkheid van regulerende instanties in de lidstaten.”
7 Artikel 2 („Definities”) van die richtlijn luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚afnemer’: een grootafnemer of een eindafnemer van elektriciteit; […] 7) ‚kleine onderneming’: onderneming met minder dan vijftig werknemers en een jaaromzet en/of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 10 miljoen EUR; […] 11) ‚energiegemeenschap van burgers’: een juridische entiteit die: a) gebaseerd is op vrijwillige en open deelname en waarover leden of aandeelhouders, die natuurlijke personen, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, of kleine ondernemingen zijn, feitelijke zeggenschap hebben; b) waarvan het hoofddoel veeleer bestaat uit het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen aan haar leden of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is dan uit winst maken, en c) zich bezig kan houden met de productie, waaronder uit hernieuwbare bronnen, distributie, levering, verbruik, aggregatie, energieopslag, energie-efficiëntiediensten, oplaaddiensten voor elektrische voertuigen of andere energiediensten aan haar leden of aandeelhouders kan aanbieden; 12) ‚levering’: verkoop, wederverkoop daaronder begrepen, van elektriciteit aan afnemers; […] 28) ‚distributie’: transport van elektriciteit langs hoog-, midden‑ en laagspanningsdistributiesystemen met het oog op de belevering aan afnemers, de levering zelf niet inbegrepen; 29) ‚distributiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het distributiesysteem alsook, indien van toepassing, de interconnecties ervan met andere systemen, en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar distributie van elektriciteit; […] 42) ‚kleinschalig geïsoleerd systeem’: systeem met een verbruik van minder dan 3000 GWh in 1996 en waarvan minder dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen wordt verkregen; 43) ‚kleinschalig verbonden systeem’: systeem met een verbruik van minder dan 3000 GWh in 1996 waarvan meer dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen wordt verkregen; […]”
8 Artikel 4 („Vrije keuze van leverancier”) van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat de afnemers vrij zijn om elektriciteit te kopen bij de leverancier van hun keuze en dat alle afnemers vrij zijn om op hetzelfde moment over meer dan één elektriciteitsleveringscontract te beschikken, mits de vereiste aansluit‑ en meetpunten zijn aangelegd.”
9 Artikel 12 („Het recht om over te stappen en regels inzake overstapgerelateerde vergoedingen”) van richtlijn 2019/944 bepaalt in de leden 1 en 4 het volgende: „1. Het overstappen op een andere leverancier […] geschiedt binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek. De lidstaten zorgen ervoor dat een afnemer die wil overstappen op een andere leverancier […], wanneer hij zich houdt aan de contractuele voorwaarden, het recht heeft om binnen een termijn van ten hoogste drie weken vanaf de datum van het verzoek over te stappen. […] […] 4. De lidstaten zorgen ervoor dat het recht om over te stappen op een andere leverancier […] voor alle afnemers geldt, zonder discriminatie ten aanzien van kosten, moeite en tijd.”
10 Artikel 15 („Actieve afnemers”) van deze richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers het recht hebben op te treden als actieve afnemers […]. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat actieve afnemers: […] e) onderwerpen worden aan transparante en niet-discriminerende nettarieven die de kosten weerspiegelen, waarbij de elektriciteit die in het net wordt ingevoed en de elektriciteit die uit het net wordt verbruikt, apart worden verrekend […], waarbij ervoor wordt gezorgd dat zij op een passende en evenwichtige wijze bijdragen aan het delen van de totale kosten van het systeem; […]”
11 Artikel 16 („Energiegemeenschappen van burgers”) luidt: „1. De lidstaten voorzien in een ondersteunend regelgevingskader voor energiegemeenschappen van burgers waarbij ervoor wordt gezorgd dat: […] e) energiegemeenschappen van burgers worden onderworpen aan […] transparante en niet-discriminerende nettarieven die de kosten weerspiegelen […], waarbij wordt gewaarborgd dat zij op voldoende en evenwichtige wijze bijdragen aan het delen van de totale kosten van het systeem. […] 4. De lidstaten kunnen besluiten om energiegemeenschappen van burgers het recht toe te kennen […] distributienetten in hun dekkingsgebied te beheren en om de desbetreffende procedures vast te stellen, onverminderd hoofdstuk IV of andere regels en bepalingen die van toepassing zijn op distributiesysteembeheerders. Indien dat recht wordt toegekend, zorgen de lidstaten ervoor dat energiegemeenschappen van burgers: […] b) worden onderworpen aan passende nettarieven bij de aansluitpunten tussen hun net en het distributienet buiten de energiegemeenschap van burgers en dat in dergelijke nettarieven apart rekening wordt gehouden met de elektriciteit die in het distributienet wordt ingevoed en de elektriciteit die vanuit het distributienet buiten de energiegemeenschap van burgers wordt verbruikt […]; […]”
12 Artikel 18 van die richtlijn legt de regels vast voor facturen en factureringsinformatie.
13 Hoofdstuk IV („Beheer van het distributiesysteem”) van richtlijn 2019/944 bevat de artikelen 30 tot en met 39.
14 Artikel 30 („Aanwijzing van distributiesysteembeheerders”) van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten wijzen een of meer distributiesysteembeheerders aan, of verlangen van de bedrijven die eigenaar zijn van of verantwoordelijk zijn voor distributiesystemen, dat zij een of meer distributiesysteembeheerders aanwijzen voor een op grond van doelmatigheid en economisch evenwicht door de lidstaten te bepalen periode.”
15 Artikel 31 („Taken van distributiesysteembeheerders”) van die richtlijn luidt: „1. De distributiesysteembeheerder is verantwoordelijk voor het waarborgen van het vermogen van het systeem op lange termijn om te voldoen aan een redelijke vraag naar de distributie van elektriciteit, en voor het beheren, onderhouden en ontwikkelen onder economische voorwaarden van een zeker, betrouwbaar en efficiënt elektriciteitsdistributiesysteem in zijn gebied, met inachtneming van het milieu en energie-efficiëntie. 2. De distributiesysteembeheerder mag in geen geval tussen gebruikers of categorieën systeemgebruikers discrimineren, met name niet ten gunste van verwante bedrijven. 3. De distributiesysteembeheerder verstrekt de systeemgebruikers de informatie die zij voor efficiënte toegang tot het systeem, inclusief gebruik ervan, nodig hebben. […] 6. Wanneer een distributiesysteembeheerder verantwoordelijk is voor de aankoop van producten en diensten die nodig zijn voor een efficiënt, betrouwbaar en veilig beheer van het distributiesysteem, zijn de regels die hij daartoe vaststelt objectief, transparant en niet-discriminerend, en worden deze opgesteld in overleg met de transmissiesysteembeheerders en andere relevante marktdeelnemers. De voorwaarden, met inbegrip van de regels en tarieven voor het verstrekken van dergelijke producten en diensten aan distributiesysteembeheerders, indien van toepassing, worden overeenkomstig artikel 59, lid 7, vastgesteld op niet-discriminerende wijze en waarin de kosten worden weerspiegeld. Deze voorwaarden worden gepubliceerd. […] 9. Distributiesysteembeheerders werken samen met transmissiesysteembeheerders voor de effectieve deelname van met hun net verbonden marktdeelnemers op de detailhandels-, groothandels‑ en balanceringsmarkten. […] 10. Lidstaten of de door hen aangewezen bevoegde instanties kunnen distributiesysteembeheerders toestaan activiteiten te verrichten anders dan genoemd in deze richtlijn en in verordening [2019/943] indien deze activiteiten nodig zijn voor de distributiesysteembeheerders om aan hun verplichtingen krachtens deze richtlijn of [die verordening] te voldoen, mits de regulerende instantie tot de noodzaak van een dergelijke afwijking heeft [besloten]. Dit lid laat het recht van de distributiesysteembeheerder om netwerken die geen elektriciteitsnetwerken zijn te bezitten, te ontwikkelen, te beheren of te exploiteren onverlet, indien de lidstaat of de aangewezen bevoegde instantie een dergelijk recht heeft verleend.”
16 De artikelen 32 tot en met 37 van richtlijn 2019/944 hebben respectievelijk betrekking op de stimulansen voor het gebruik van flexibiliteit in distributienetwerken (artikel 32), de integratie van elektromobiliteit in het elektriciteitsnet (artikel 33), de taken van distributiesysteembeheerders met betrekking tot gegevensbeheer (artikel 34), de ontvlechting van distributiesysteembeheerders wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerd bedrijf (artikel 35), de regels betreffende de eigendom van energieopslagfaciliteiten door distributiesysteembeheerders (artikel 36) en de vertrouwelijkheid die distributiesysteembeheerders moeten eerbiedigen (artikel 37).
17 In artikel 38 („Gesloten distributiesystemen”) van deze richtlijn is het volgende bepaald: „1. De lidstaten kunnen voorzien in regulerende instanties of andere bevoegde instanties om een systeem dat elektriciteit distribueert binnen een geografisch afgebakende industriële of commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten en dat niet, onverminderd lid 4, huishoudelijke afnemers van elektriciteit voorziet, als gesloten distributiesysteem aan te merken indien: a) het beheer of het productieproces van de gebruikers van dat systeem om specifieke technische of veiligheidsredenen geïntegreerd is, of b) het systeem primair elektriciteit distribueert aan de eigenaar of beheerder van het systeem of de daarmee verwante bedrijven. 2. Gesloten distributiesystemen worden voor de toepassing van deze richtlijn als distributiesystemen beschouwd. De lidstaten kunnen voorzien in regulerende instanties om de beheerder van een gesloten distributiesysteem te ontheffen van [de in de punten a) tot en met e) van dit lid genoemde verplichtingen]. […] 4. Incidenteel gebruik door een klein aantal huishoudens die werkzaam zijn bij of vergelijkbare betrekkingen hebben met de eigenaar van het distributiesysteem en gevestigd zijn in het gebied dat door een gesloten distributiesysteem wordt bediend, sluit niet uit dat een ontheffing uit hoofde van lid 2 wordt toegestaan.”
18 Artikel 39 van die richtlijn bevat nadere bepalingen over de regels voor gecombineerd beheer.
19 Hoofdstuk VIII („Slotbepalingen”) van die richtlijn bevat de artikelen 65 tot en met 74.
20 In artikel 66 („Ontheffingen”) van richtlijn 2019/944 is het volgende bepaald: „1. De lidstaten die kunnen aantonen dat zich wezenlijke beheersproblemen voordoen voor hun kleinschalige verbonden systemen en kleinschalige geïsoleerde systemen, kunnen de [Europese] Commissie om ontheffing vragen van de desbetreffende bepalingen van de artikelen 7 en 8 en van hoofdstukken IV, V en VI […]. Kleinschalige geïsoleerde systemen en Frankrijk kunnen, met het oog op Corsica, ook om ontheffing vragen van de artikelen 4, 5 en 6. De Commissie stelt de lidstaten van dergelijke verzoeken in kennis alvorens een besluit te nemen, en houdt daarbij rekening met de eerbiediging van de vertrouwelijkheid. 2. Door de Commissie verleende ontheffingen als bedoeld in lid 1 zijn beperkt in de tijd en onderworpen aan voorwaarden die erop gericht zijn de concurrentie aan te scherpen en de integratie van de interne markt te verbeteren, alsook te waarborgen dat de omschakeling op hernieuwbare energie, meer flexibiliteit, energieopslag, elektromobiliteit en vraagrespons niet worden gehinderd door de ontheffing. Voor ultraperifere gebieden in de zin van artikel 349 VWEU, die niet met de elektriciteitsmarkten van de Unie onderling kunnen worden verbonden, is de ontheffing niet beperkt in de tijd en is ze onderworpen aan voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat de omschakeling op hernieuwbare energie niet door wordt gehinderd door de ontheffing. Besluiten om ontheffing te verlenen worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. 3. Artikel 43 is niet van toepassing op Cyprus, Luxemburg en Malta. Voorts zijn de artikelen 6 en 35 niet van toepassing op Malta, en zijn de artikelen 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50 en 52 niet van toepassing op Cyprus. […] 4. Tot 1 januari 2025 of een latere in een besluit op grond van lid 1 van dit artikel op te nemen datum is artikel 5 niet van toepassing op Cyprus en Corsica. 5. Artikel 4 is niet van toepassing op Malta tot 5 juli 2027 […]”.
21 Artikel 72 („Intrekking”) van deze richtlijn luidt als volgt: „Richtlijn [2009/72] wordt met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht en de toepassingsdatum van de aldaar genoemde richtlijn. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.”
22 Artikel 73 („Inwerkingtreding”) van richtlijn 2019/944 bepaalt in de tweede alinea het volgende: „Artikel 6, lid 1, artikel 7, leden 2 tot en met 5, artikel 8, lid 1, artikel 8, lid 2, onder a) tot en met i), en k), en artikel 8[,] leden 3 en 4, artikel 9, leden 1, 3, 4 en 5, artikel 10, leden 2 tot en met 10, de artikelen 25, 27, 30, 35 en 37, artikel 38, leden 1, 3 en 4, de artikelen 39, 41, 43, 44 en 45, artikel 46, lid 1, artikel 46, lid 2, onder a), b) en c), en e) tot en met h), artikel 46, leden 3 tot en met 6, de artikelen 47 tot en met 50, de artikelen 52, 53, 55, 56, 60, 64 en 65 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2021.”
Duits recht
23 § 3 van het Energiewirtschaftsgesetz (wet betreffende het energiebeheer) van 7 juli 2005 (BGBl. I, blz. 1970 en 3621), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „EnWG”), bepaalt: „In de zin van deze wet wordt verstaan onder […] 3. beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen natuurlijke of rechtspersonen of juridisch niet-zelfstandige organisatorische eenheden van een energiebedrijf die tot taak hebben elektriciteit te distribueren en verantwoordelijk zijn voor het beheer, het onderhoud alsmede, indien noodzakelijk, de uitbreiding van het distributiesysteem in een bepaald gebied en eventueel de interconnecties ervan met andere systemen, […] 15. energie-installaties installaties voor het produceren, opslaan, transporteren of leveren van energie, voor zover zij niet uitsluitend dienen voor de transmissie van signalen, waaronder ook distributie-installaties van eindafnemers […], 16. energieleveringssystemen elektriciteitsleveringssystemen en gasleveringssystemen op een of meer spannings‑ of drukniveaus met uitzondering van afnemerinstallaties in de zin van punt 24a […], […] 18. energiebedrijf natuurlijke of rechtspersonen die energie aan anderen leveren, een energieleveringssysteem exploiteren of als eigenaar bevoegd zijn om over een energieleveringssysteem te beschikken; door een afnemerinstallatie te beheren of voor een eigen bedrijf een afnemerinstallatie te beheren, wordt de beheerder geen energiebedrijf, […] 24a. afnemerinstallaties energie-installaties voor het leveren van energie, a) die zich in een aaneengesloten gebied bevinden, b) die zijn verbonden met een energieleveringssysteem of met een installatie voor energieproductie, c) die voor het waarborgen van een doeltreffende en zuivere mededinging bij de levering van elektriciteit en gas van gering belang zijn en d) die aan iedereen zonder discriminatie en kosteloos ter beschikking worden gesteld met het doel de aangesloten eindafnemers door middel van transmissie energie te leveren, ongeacht de gekozen energieleverancier, […]”
24 § 20, lid 1d, EnWG […] „De beheerder van het energieleveringssysteem waarop de afnemerinstallatie […] is aangesloten, moet het meetpunt ter registratie van de door de afnemerinstallatie van het gemeenschappelijke leveringssysteem afgenomen en aan het gemeenschappelijke leveringssysteem geleverde hoeveelheid elektriciteit (totaalwaarde) beschikbaar stellen alsmede alle meetpunten die noodzakelijk zijn voor het verlenen van toegang tot het leveringssysteem voor individuele meters binnen de afnemerinstallatie (voor de boekhouding relevante individuele meters). Bij levering aan de eindafnemers door derden worden de meterstanden voor zover nodig aan de hand van de individuele meters verrekend. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
25 ENGIE is een onderneming die actief is op het gebied van de levering van energie. Zij beheert op verschillende plaatsen onder meer warmte-krachtkoppelinginstallaties, buurtverwarmingssystemen en installaties voor de levering van energie, waarmee zij eindafnemers voorziet van warmte en elektriciteit. ZEV beheert het elektriciteitsdistributiesysteem van Zwickau (Duitsland).
26 Op grond van een warmteleveringsovereenkomst met een woningcorporatie, de Zwickauer Wohnungsbaugenossenschaft eG (hierna: „ZWG”), de eigenaar van het betreffende terrein, verzorgde ENGIE de verwarming en warmwatervoorziening van vier flatgebouwen met 96 wooneenheden, gelegen op een terrein van 9000 m2 (hierna: „locatie 1”), alsmede van zes flatgebouwen met 160 wooneenheden, gelegen op een terrein van 25500 m2 (hierna: „locatie 2”), waarbij zij op beide locaties telkens gebruikmaakte van een energiecentrale en een daarop aangesloten buurtverwarmingssysteem. De locaties 1 en 2 grenzen aan elkaar maar de buurtverwarmingssystemen zijn niet met elkaar verbonden. De flatgebouwen op deze twee locaties waren al aangesloten op het distributiesysteem waarvan ZEV de beheerder is.
27 In 2018 had ENGIE het voornemen twee warmte-krachtkoppelinginstallaties met een elektrisch vermogen van respectievelijk 20 kW (locatie 1) en 40 kW (locatie 2), alsook twee galvanisch gescheiden elektriciteitsnetten te bouwen en te beheren, waarop de eindafnemers, te weten de huurders, moesten worden aangesloten. ENGIE wilde de in deze warmte-krachtkoppelinginstallaties naast warmte en warm water opgewekte elektriciteit aan de huurders verkopen, waarbij de jaarlijkse energietransmissie werd geraamd op 288 MWh (locatie 1) en 480 MWh (locatie 2). Zij registreerde derhalve bij ZEV systeemaansluitingen voor twee onderscheiden afnemerinstallaties met elektrohoofdaansluitingen op de locaties 1 en 2 en verzocht om aansluiting van die installaties op verweersters systeem alsmede om de beschikbaarstelling van de noodzakelijke meetpunten overeenkomstig § 20, lid 1d, EnWG. ZEV heeft die verzoeken afgewezen omdat deze geen betrekking hadden op afnemerinstallaties in de zin van § 3, punt 24a, EnWG.
28 Daarop heeft ENGIE bij de regulerende instantie van de deelstaat Saksen een verzoek ingediend dat ertoe strekte ZEV te verplichten om die installaties als afnemerinstallaties op haar systeem aan te sluiten en een afrekening overeenkomstig § 20, lid 1d, EnWG mogelijk te maken. Die verzoeken zijn bij besluit van 19 juli 2019 afgewezen. Nadat het door ENGIE bij het Oberlandesgericht Dresden (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Saksen, Dresden, Duitsland) ingestelde beroep tot nietigverklaring van dat besluit bij beschikking van 16 september 2020 was verworpen, heeft die onderneming cassatieberoep ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
29 De verwijzende rechter preciseert om te beginnen dat ENGIE en ZWG op 21 en 27 april 2020, dat wil zeggen in de loop van de procedure voor het Oberlandesgericht Dresden, een nieuwe warmteleveringsovereenkomst hebben gesloten waarin was bepaald dat de bouw van beide warmte-krachtkoppelingsinstallaties in beginsel uiterlijk in december 2020 moest zijn voltooid.
30 Volgens de verwijzende rechter moet het bij hem ingestelde cassatieberoep worden toegewezen indien blijkt dat de installaties in kwestie afnemerinstallaties in de zin van § 3, punt 24a, EnWG zijn. Hij is van mening dat dit het geval is, aangezien aan alle voorwaarden van deze bepaling is voldaan. Deze rechter stelt in het bijzonder dat alle elektriciteitsleveranciers, met inbegrip van ENGIE, gelijk worden behandeld, aangezien zij de installatie kosteloos gebruiken, en hij benadrukt in dit verband dat ENGIE geen verbruiksafhankelijke vergoeding voor het gebruik van deze installaties ontvangt, maar een uniform maandelijks basistarief, ongeacht het verbruik.
31 De toepassing van § 3, punt 24a, EnWG op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installaties is volgens de verwijzende rechter echter onverenigbaar met artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 en volgende van richtlijn 2019/944, indien zou blijken dat die installaties deel uitmaken van het distributiesysteem in de zin van dat artikel 2, punten 28 en 29. Krachtens § 3, punt 16, EnWG maken de afnemerinstallaties namelijk geen deel uit van een elektriciteitsleveringssysteem en zijn de exploitanten ervan geen distributiesysteembeheerders in de zin van § 3, punt 3, van die wet, zodat zij niet zijn onderworpen aan de in de §§ 11 en volgende van deze wet bedoelde regeling, aangezien het aansluitpunt van de installatie voor eigen verbruik op het energieleveringssysteem het einde van het gereguleerde systeem en de start van de niet-gereguleerde installatie voor eigen verbruik aangeeft.
32 Het Hof heeft zich echter nog niet uitgesproken over de vraag of het begrip „distributiesysteem” in de zin van richtlijn 2019/944 ook afnemerinstallaties als bedoeld in § 3, punt 24a, EnWG omvat, en het antwoord op die vraag ligt niet voor de hand. Hoewel uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de Uniewetgever bepaalde transmissie‑ of distributiesystemen niet wegens hun grootte of hun elektriciteitsverbruik van de werkingssfeer van die richtlijn heeft willen uitsluiten, is de vraag welke structuren als distributiesystemen moeten worden beschouwd en welke criteria in dat verband gelden, niet beslecht.
33 In dit verband lijdt het volgens de verwijzende rechter geen twijfel dat door verhuurders beheerde installaties voor de interne distributie binnen een pand, ongeacht de grootte ervan, of voor de levering van energie bestemde installaties die toebehoren aan een vereniging van huiseigenaren en waardoor 20 eengezinswoningen op een perceel worden beleverd, geen distributiesystemen vormen. Gelet op de grootte van de in het bij hem aanhangige geding aan de orde zijnde installaties en op de omstandigheid dat ENGIE zowel de beheerder van deze installaties als de elektriciteitsleverancier is, is het in casu echter niet zeker dat deze installaties geen deel uitmaken van het distributiesysteem in de zin van richtlijn 2019/944.
34 Bovendien heeft de aansluiting van dergelijke installaties als afnemerinstallaties op het distributiesysteem gevolgen voor de doelstellingen van artikel 1, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2019/944. Deze gevolgen, zowel positief als negatief, zijn verwaarloosbaar voor een installatie op zichzelf beschouwd. De toename van de aansluiting van vergelijkbare installaties als afnemerinstallaties op het distributiesysteem zal die gevolgen echter vergroten.
35 Om te beginnen kan de verbinding van installaties voor de levering van energie met dergelijke decentrale productie-installaties de overgang naar een duurzaam koolstofarm energiesysteem vergemakkelijken. Bij de aansluiting van een groot aantal vergelijkbare installaties op het distributiesysteem wordt het beheer van het systeem in het algemeen echter duurder en minder efficiënt. De beheerder van het distributiesysteem waarop dergelijke installaties zijn aangesloten, blijft namelijk gehouden voldoende netcapaciteit beschikbaar te houden om bij het uitvallen van decentrale productie-installaties de levering in stand te houden. Tegelijkertijd draagt een steeds kleiner wordend aantal eindafnemers de totale kosten van het systeem, aangezien voor elektriciteit die door een decentrale productie-installatie wordt geproduceerd en in de daarop aangesloten afnemerinstallatie wordt verbruikt, overeenkomstig de §§ 20 en volgende EnWG immers geen nettarief hoeft te worden betaald. Uit artikel 15, lid 2, onder e), en artikel 16, lid 1, onder e), van richtlijn 2019/944 volgt echter dat zelfs actieve afnemers en energiegemeenschappen op voldoende en evenwichtige wijze moeten bijdragen aan het delen van de totale kosten van het systeem.
36 Vervolgens leidt het feit dat de kosten voor de bouw, het beheer en het onderhoud van die installaties op grond van de warmteleveringsovereenkomst door de ZWG en uiteindelijk door de eindafnemers – de huurders – worden gedragen tot vervalsing van de mededinging tussen ENGIE en de andere elektriciteitsleveranciers, aangezien ENGIE noch de kosten voor de installaties voor de levering van energie behoeft te dragen, noch nettarieven behoeft te betalen. Naarmate ENGIE meer installaties van vergelijkbare soort en grootte beheert, zijn derhalve grotere gevolgen voor de mededinging te verwachten.
37 Ten slotte is er in relatie tot de eindafnemers sprake van een aan het systeem inherent belangenconflict, aangezien ENGIE jegens hen zowel eigenaar en beheerder van de afnemerinstallatie als elektriciteitsleverancier is. Als elektriciteitsleverancier heeft zij er belang bij om zo hoog mogelijke elektriciteitsprijzen op te leggen, maar dit belang zou worden geschaad bij een transparante vaststelling van de door haar geheven tarieven voor de bouw, het beheer en het onderhoud van de installaties in kwestie. In casu blijkt uit de in het kader van de warmteleveringsovereenkomst gesloten overeenkomsten dat het gebruikstarief niet afzonderlijk wordt getoond. Derhalve kunnen de huurders niet vaststellen welke tarieven in totaal zijn geheven voor de door hen gebruikte elektriciteit.
38 In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staan artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 en volgende van richtlijn 2019/944 in de weg aan een bepaling zoals § 3, punt 24a, juncto § 3, punt 16, EnWG, volgens welke de beheerder van een energie-installatie voor de levering van energie niet onder de verplichtingen van een distributiesysteembeheerder valt, wanneer hij de energie-installatie in de plaats van het huidige distributiesysteem bouwt en beheert, teneinde met door warmte-krachtkoppeling geproduceerde elektriciteit verscheidene flatgebouwen, met maximaal 200 verhuurde wooneenheden en met een jaarlijkse energietransmissie van maximaal 1000 MWh, van elektriciteit te voorzien, waarbij de kosten van de bouw en het beheer van de energie-installatie als onderdeel van een uniform, voor de geleverde warmte te betalen maandelijks basistarief door de eindafnemers (huurders) worden gedragen en de beheerder de geproduceerde elektriciteit aan de huurders verkoopt?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
39 ENGIE betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en voert in wezen aan dat de verwijzende rechter noch de feiten noch het toepasselijke recht voldoende heeft gepreciseerd, zodat het Hof geen antwoord kan geven dat nuttig is voor de beslechting van het hoofdgeding. Bovendien blijkt volgens haar uit de feitelijke en juridische gegevens die in de verwijzingsbeslissing ontbreken en die ENGIE uitvoerig uiteenzet, dat de gestelde vraag geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding en dat de twijfels van de verwijzende rechter over de gevolgen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installaties, of de toename van dergelijke installaties, kunnen hebben voor de doelstellingen van richtlijn 2019/944, voor een verhoging van de nettarieven die worden betaald door uitsluitend op het openbare net aangesloten eindafnemers, of voor de mededinging, ongegrond zijn.
40 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging of beoordeling van de geldigheid van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arresten van 10 december 2002, Der Weduwe,C‑153/00, EU:C:2002:735, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 april 2024, Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bolzano, C‑178/22, EU:C:2024:371, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging of de beoordeling van de geldigheid van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging of de beoordeling van de geldigheid van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk of rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, EU:C:2006:758, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 april 2024, Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bolzano, C‑178/22, EU:C:2024:371, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In casu heeft de verwijzende rechter, zoals blijkt uit hetgeen in de punten 25 tot en met 38 van het onderhavige arrest is uiteengezet, het Hof een vraag gesteld over de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2019/944 in het kader van een geding tussen een energiebedrijf dat twee energie-installaties exploiteert en een regulerende instantie van een deelstaat over, in wezen, de vraag of die bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de exploitatie van installaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet wordt geacht onder het begrip „beheer van een distributiesysteem” in de zin van die richtlijn te vallen. Zoals ook uit die punten blijkt, heeft de verwijzende rechter in dit verband duidelijk uiteengezet welke gegevens, feitelijk en rechtens, dit geding kenmerken, waarvan de realiteit overigens niet in twijfel wordt getrokken, en waarom hij twijfelt over de uitlegging van die bepalingen in het licht van de toepasselijke nationale regeling.
43 In die omstandigheden blijkt niet duidelijk dat de gestelde vraag irrelevant is of dat zij behoort tot een van de in punt 41 van het onderhavige arrest genoemde gevallen waarin het Hof kan weigeren uitspraak te doen op het ingediende verzoek.
44 In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU mag het Hof zich immers enkel op basis van het feitenrelaas van de nationale rechter uitspreken over de uitlegging van het Unierecht (arresten van 5 december 2013, Nordecon en Ramboll Eesti, C‑561/12, EU:C:2013:793, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 maart 2023, Colt Technology Services e.a., C‑339/21, EU:C:2023:214, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet de prejudiciële vraag, ongeacht de overwegingen van ENGIE met betrekking tot de door de verwijzende rechter gemaakte beoordeling van de feiten, worden onderzocht op basis van die beoordeling (zie naar analogie arrest van 12 oktober 2023, INTER CONSULTING, C‑726/21, EU:C:2023:764, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Voorts heeft de kritiek van ENGIE op de twijfels van de verwijzende rechter over de gevolgen die installaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, of de toename van dergelijke installaties, kunnen hebben, betrekking op de inhoud van het antwoord op de prejudiciële vraag en kan daarmee dus niet worden aangetoond dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
46 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
47 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 tot en met 39 van richtlijn 2019/944 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de verplichtingen van een distributiesysteembeheerder niet gelden voor een onderneming die – ter vervanging van het oude distributiesysteem – een energie-installatie bouwt en beheert die is bestemd om verscheidene flatgebouwen, met maximaal 200 wooneenheden, te voorzien van elektriciteit die door warmte-krachtkoppeling wordt geproduceerd en waarvan de jaarlijkse energietransmissie maximaal 1000 MWh bedraagt, waarbij de kosten van de bouw en het beheer van de energie-installatie worden gedragen door de eindafnemers, de huurders van die woningen, en waarbij die onderneming de geproduceerde elektriciteit aan die afnemers verkoopt.
48 In dit verband blijkt uit de motivering van de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing dat het feit dat een dergelijke onderneming niet aan die verplichtingen is onderworpen, voortvloeit uit het feit dat een dergelijke energieinstallatie geen „energieleveringssysteem” in de zin van § 3, punt 16, EnWG vormt, een entiteit die een dergelijke installatie beheert bijgevolg overeenkomstig § 3, punt 18, van deze wet niet wordt beschouwd als een „energiebedrijf” en zij derhalve niet valt onder het begrip „beheerder van elektriciteitsdistributiesystemen”, zoals gedefinieerd in § 3, punt 3, van die wet. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze laatste bepaling in wezen de definitie van het begrip „distributiesysteembeheerder” in artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944 overneemt, waarbij de taken en verplichtingen van de „distributiesysteembeheerders” in het bijzonder worden bepaald in de artikelen 30 tot en met 39 van deze richtlijn. Die artikelen vormen hoofdstuk IV van die richtlijn, dat betrekking heeft op het beheer van elektriciteitsdistributiesystemen.
49 Voor de beantwoording van de gestelde vraag moet dus in de eerste plaats worden bepaald of een energie-installatie als die welke in punt 47 van het onderhavige arrest is beschreven, onder het begrip „distributiesysteem” in de zin van richtlijn 2019/944 kan vallen.
50 Hoewel dit begrip in richtlijn 2019/944 niet als zodanig wordt gedefinieerd, wordt het begrip „distributie” daarentegen in artikel 2, punt 28, van deze richtlijn gedefinieerd als het „transport van elektriciteit langs hoog-, midden‑ en laagspanningsdistributiesystemen met het oog op de belevering aan afnemers, de levering zelf niet inbegrepen”. Het begrip „levering” verwijst volgens artikel 2, punt 12, van deze richtlijn naar de verkoop van elektriciteit aan „afnemers”, waarbij de term „afnemers” volgens artikel 2, punt 1, van die richtlijn ziet op grootafnemers of eindafnemers van elektriciteit.
51 Aangezien deze definities niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijzen, vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bepalingen ervan in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Uit de in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte definities volgt duidelijk dat een distributiesysteem een systeem is dat wordt gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ en laagspanningselektriciteit, met het oog op de verkoop ervan aan grootafnemers of eindafnemers (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Alleen het spanningsniveau van de vervoerde elektriciteit, dat ten minste moet overeenkomen met laagspanning, en de categorie van afnemers voor wie de vervoerde elektriciteit bestemd is, zijn dus relevante criteria om te bepalen of een systeem een distributiesysteem in de zin van richtlijn 2019/944 is (zie naar analogie arresten van 28 november 2018, Solvay Chimica Italia e.a., C‑262/17, C‑263/17 en C‑273/17, EU:C:2018:961, punten 30 en 37, en 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug,C‑31/18, EU:C:2019:868, punten 46, 48 en 49).
54 Daarentegen zijn noch de datum waarop dat systeem is opgezet, noch het feit dat de vervoerde elektriciteit is geproduceerd door een afnemerinstallatie in de specifieke zin die de nationale wetgeving aan dat begrip geeft, noch de omstandigheid dat een dergelijk systeem wordt beheerd door een particuliere entiteit en daarmee een beperkt aantal productie‑ en verbruikseenheden is verbonden, noch de grootte of het elektriciteitsverbruik ervan, in dit verband relevante criteria, aangezien de Uniewetgever niet de bedoeling heeft gehad om bepaalde distributiesystemen of transmissiesystemen van de werkingssfeer van die richtlijn uit te sluiten op grond van dergelijke criteria (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Evenmin zijn het feit dat de vervoerde elektriciteit wordt opgewekt door een warmte-krachtkoppelinginstallatie of het feit dat de installaties voor dat vervoer kosteloos ter beschikking van elk van hen staan, in dit verband relevante criteria, aangezien de Uniewetgever de methode voor de productie van de vervoerde elektriciteit of het tarief voor het gebruik van de betrokken infrastructuur niet heeft gehanteerd als criteria om een distributiesysteem te identificeren.
56 Richtlijn 2019/944 beoogt weliswaar, overeenkomstig overweging 8 ervan, hardnekkige belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit weg te nemen, maar voert geen uitputtende harmonisatie door van de regels betreffende onder andere de distributie van elektriciteit. Bovendien somt artikel 2, punt 28, van die richtlijn weliswaar de criteria op aan de hand waarvan een distributiesysteem kan worden aangewezen, maar in deze bepaling wordt de lidstaten toch enige beleidsruimte gelaten bij de afbakening van het aldus geïdentificeerde systeem (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punten 50 en 51).
57 Bij gebreke van een bepaling ter zake in richtlijn 2019/944 blijven de lidstaten, mits zij de criteria van artikel 2, punt 28, van deze richtlijn in acht nemen, dus met name bevoegd om, met inachtneming van de definities van die richtlijn, te bepalen of de interconnectiepunten al dan niet deel uitmaken van het distributiesysteem (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punten 52 en 53).
58 Daarentegen mogen de lidstaten, naast de criteria die betrekking hebben op het spanningsniveau en de categorie van afnemers die via het systeem worden beleverd, geen andere, aanvullende criteria hanteren om het begrip „distributiesysteem” te definiëren, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de autonome en uniforme uitlegging van artikel 2, punt 28, van richtlijn 2019/944 (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 55).
59 Hoewel richtlijn 2019/944 geen uitputtende harmonisatie invoert van de domeinen waarop zij betrekking heeft, speelt het begrip „distributiesysteem” in de zin van deze richtlijn namelijk een fundamentele rol in de opzet ervan, aangezien deze richtlijn, om de hardnekkige belemmeringen voor de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit weg te nemen, de beheerders van deze systemen aan specifieke regels onderwerpt, zoals met name blijkt uit de bepalingen van hoofdstuk IV (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 56).
60 In die omstandigheden mogen de lidstaten, teneinde een uniforme toepassing van richtlijn 2019/944 te verzekeren op grond waarvan de door deze richtlijn beoogde, door concurrentie gekenmerkte markt tot stand kan worden gebracht, bij de definitie van het begrip „distributiesysteem” in de zin van die richtlijn uitsluitend verwijzen naar de twee criteria die in punt 28 van artikel 2 van deze richtlijn zijn genoemd en die betrekking hebben op het spanningsniveau respectievelijk de categorie van afnemers die via het systeem worden beleverd (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 57).
61 Hieruit volgt dat de lidstaten zich niet op het standpunt kunnen stellen dat een bepaald type systeem van het begrip „distributiesysteem” in de zin van richtlijn 2019/944 moet worden uitgesloten op basis van een aanvullend criterium ten opzichte van die welke in artikel 2, punt 28, van deze richtlijn zijn vastgesteld (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug,C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 58).
62 Aangezien dit begrip in de gehele Unie zowel uniform moet worden toegepast als uniform moet worden uitgelegd, zijn de lidstaten dan ook niet gerechtigd installaties waarvan vaststaat dat zij worden gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit bestemd voor verkoop aan afnemers, uit te sluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2019/944, ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel (zie naar analogie arrest van 28 november 2018, Solvay Chimica Italia e.a., C‑262/17, C‑263/17 en C‑273/17, EU:C:2018:961, punten 34‑37).
63 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een onderneming die een distributiesysteem beheert in de zin van richtlijn 2019/944, kan worden uitgesloten van het begrip „distributiesysteembeheerder” in de zin van deze richtlijn, zij opgemerkt dat artikel 2, punt 29, van deze richtlijn het begrip „distributiesysteembeheerder” definieert als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, zo nodig, de ontwikkeling van het distributiesysteem alsook, indien van toepassing, de interconnecties ervan met andere systemen, en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar distributie van elektriciteit.
64 Aangezien ook deze definitie niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, moet zij overeenkomstig de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd.
65 Uit de definitie in artikel 2, punt 29, gelezen in samenhang met hetgeen in de punten 52 tot en met 62 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet, volgt duidelijk dat een onderneming die een energie-installatie exploiteert die wordt gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit met het oog op de levering ervan aan grootafnemers of eindafnemers, onder het begrip „distributiesysteembeheerder” in de zin van artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944 valt.
66 In dit verband is het juist dat artikel 30 van richtlijn 2019/944 bepaalt dat de lidstaten een of meer distributiesysteembeheerders aanwijzen of van de bedrijven die eigenaar zijn van of verantwoordelijk zijn voor distributiesystemen verlangen dat zij een of meer distributiesysteembeheerders aanwijzen voor een op grond van doelmatigheid en economisch evenwicht door de lidstaten te bepalen periode.
67 Uit dit artikel kan echter niet worden afgeleid dat de lidstaten een entiteit die onder het begrip „distributiesysteembeheerder” in de zin van artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944 valt, mogen uitsluiten van de werkingssfeer van deze richtlijn. Indien de lidstaten, overeenkomstig hetgeen in punt 62 van het onderhavige arrest is vastgesteld, installaties waarvan vaststaat dat zij worden gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit bestemd voor verkoop aan afnemers, niet van de werkingssfeer van die richtlijn mogen uitsluiten, kunnen zij namelijk evenmin gerechtigd zijn om de entiteit die onder meer verantwoordelijk is voor het beheer en het onderhoud van een dergelijke installatie uit te sluiten van het begrip „distributiesysteembeheerder” in de zin van dat artikel 2, omdat anders de werkingssfeer van richtlijn 2019/944 zou kunnen worden omzeild en afbreuk zou worden gedaan zowel aan het nuttig effect van de begrippen „distributie” en „distributiesysteem” in de zin van deze richtlijn als aan de uniforme toepassing van het Unierecht.
68 Bijgevolg kunnen de lidstaten een onderneming die een energie-installatie beheert die bestemd is om flatgebouwen van elektriciteit te voorzien, niet uitsluiten van het begrip „distributiesysteembeheerder” in de zin van artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944 indien deze installatie wordt gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit met het oog op de levering ervan aan eindafnemers die bewoner zijn van die gebouwen.
69 Wat in de derde plaats de vraag betreft of het de lidstaten vrijstaat om distributiesysteembeheerders in de zin van artikel 2, punt 29, van richtlijn 2019/944 niet te onderwerpen aan de verplichtingen die krachtens deze richtlijn op deze beheerders rusten, moet worden opgemerkt dat de lidstaten krachtens deze richtlijn, ten eerste, overeenkomstig artikel 16 ervan kunnen voorzien in een ondersteunend regelgevingskader voor energiegemeenschappen van burgers en kunnen bepalen dat deze, zelfs wanneer zij eigenaar zijn van distributiesystemen of een distributiesysteem hebben opgericht en dit op autonome wijze beheren, in aanmerking komen voor de vrijstellingen van artikel 38, lid 2, van die richtlijn voor gesloten distributiesystemen.
70 Het begrip „energiegemeenschap van burgers” in de zin van richtlijn 2019/944 ziet volgens artikel 2, punt 11, ervan echter enkel op een juridische entiteit waarover met name leden of aandeelhouders, die natuurlijke personen, lokale autoriteiten of kleine ondernemingen zijn, feitelijk zeggenschap hebben, waarbij het begrip „kleine onderneming” in artikel 2, punt 7, van die richtlijn wordt gedefinieerd als een onderneming met minder dan vijftig werknemers en een jaaromzet en/of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 10 miljoen EUR.
71 Ten tweede bepaalt artikel 38 van richtlijn 2019/944 dat de lidstaten, mits wordt voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarden, kunnen voorzien in bevoegde nationale instanties om een systeem dat elektriciteit distribueert binnen een geografisch afgebakende industriële of commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten en dat niet, onverminderd lid 4 van dat artikel, huishoudelijke afnemers van elektriciteit voorziet, als „gesloten distributiesysteem” te kwalificeren, en dat deze instanties de beheerder van een dergelijk gesloten distributiesysteem dan ontheffen van bepaalde verplichtingen die krachtens deze richtlijn aan distributiesysteembeheerders moeten worden opgelegd. De verplichtingen waarvan ontheffing mogelijk is, zijn opgesomd in artikel 38, lid 2, onder a) tot en met e), van richtlijn 2019/944. Uit artikel 38, lid 4, van deze richtlijn volgt evenwel dat incidenteel gebruik door een klein aantal huishoudens die werkzaam zijn bij of vergelijkbare betrekkingen hebben met de eigenaar van het distributiesysteem en gevestigd zijn in het gebied dat door een gesloten distributiesysteem wordt bediend, niet uitsluit dat een ontheffing uit hoofde van lid 2 van dat artikel wordt toegestaan.
72 Ten derde wordt in artikel 66, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2019/944 bepaald dat de lidstaten die kunnen aantonen dat zich wezenlijke beheersproblemen voordoen voor hun kleinschalige verbonden systemen en kleinschalige geïsoleerde systemen, de Commissie om ontheffing kunnen vragen van de desbetreffende bepalingen van onder meer hoofdstuk IV van die richtlijn. Artikel 66, lid 2, bepaalt echter in wezen dat de Commissie zich over een dergelijk verzoek uitspreekt door middel van een besluit dat wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voorts ziet het begrip „kleinschalig verbonden systeem” volgens artikel 2, punt 43, van die richtlijn op systemen met een verbruik van minder dan 3000 GWh in 1996 en waarvan meer dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen kan worden verkregen, terwijl het begrip „kleinschalig geïsoleerd systeem” volgens artikel 2, punt 42, van die richtlijn ziet op systemen met een verbruik van minder dan 3000 GWh in 1996 en waarvan minder dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen kan worden verkregen.
73 Ten vierde bevat artikel 66, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 2019/944 bepaalde afwijkingen voor Cyprus, Luxemburg, Malta en de Franse regio Corsica.
74 Ten vijfde voorzien sommige bepalingen van hoofdstuk IV van richtlijn 2019/944, met als opschrift „Beheer van het distributiesysteem”, in wezen op ad‑hocbasis, erin dat de lidstaten kunnen besluiten bepaalde in die artikelen bedoelde verplichtingen niet toe te passen op bepaalde ondernemingen of in bepaalde omstandigheden. Dat is met name het geval voor artikel 32, lid 5, artikel 33, lid 3, artikel 35, lid 4, en artikel 36, lid 2, van deze richtlijn.
75 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt in casu niet dat een installatie als die in het hoofdgeding of de beheerder van een dergelijke installatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een van de in de punten 69 tot en met 74 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte ontheffingen of vrijstellingen. In het bijzonder blijkt om te beginnen niet dat een dergelijke installatie onder het begrip „energiegemeenschap van burgers” in de zin van artikel 2, punt 11, van richtlijn 2019/944 kan vallen, met name gelet op het feit dat de exploitant die zeggenschap over haar uitoefent, geen „kleine onderneming” in de zin van artikel 2, punt 7, van deze richtlijn lijkt te zijn. Aangezien een installatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, huishoudelijke afnemers niet van elektriciteit voorziet als aanvulling op de belevering van een industriële of commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten, maar dit hoofdzakelijk of zelfs exclusief doet, kan de beheerder van een dergelijke installatie in elk geval evenmin in aanmerking komen voor de ontheffingen die de lidstaten op grond van artikel 38 van die richtlijn aan beheerders van gesloten distributiesystemen kunnen verlenen. Afgezien van het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installaties zich niet bevinden in een van de in punt 73 van het onderhavige arrest bedoelde lidstaten of regio’s, blijkt ten slotte niet dat een installatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, indien zij op grond van de in punt 62 van het onderhavige arrest genoemde criteria zou moeten worden aangemerkt als een distributiesysteem in de zin van richtlijn 2019/944, onder het begrip „kleinschalig verbonden systeem” of „kleinschalig geïsoleerd systeem” in de zin van deze richtlijn kan vallen. Overigens blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat de Bondsrepubliek Duitsland voor installaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, een afwijking op grond van artikel 66, lid 1, van die richtlijn heeft gekregen, en evenmin dat deze lidstaat de Commissie heeft verzocht om in aanmerking te komen voor een dergelijke afwijking voor die installaties.
76 In de vierde en laatste plaats zij opgemerkt dat wanneer het – in andere omstandigheden dan die waarvoor deze richtlijn uitdrukkelijk in een ontheffing of vrijstelling voorziet – de lidstaten zou worden toegestaan installaties voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit die bestemd zijn voor verkoop aan afnemers uit te sluiten van de categorie van distributiesystemen in de zin van richtlijn 2019/944, en, bijgevolg, entiteiten die dergelijke installaties exploiteren, niet te onderwerpen aan de verplichtingen die krachtens deze richtlijn op de „distributiesysteembeheerders” in de zin van deze richtlijn rusten, afbreuk zou worden gedaan aan de doelstellingen van deze richtlijn, gelet op de fundamentele rol van deze distributiesystemen en de beheerders ervan in de opzet van deze richtlijn en overigens in het algemeen bij de regulering van de interne markt voor elektriciteit van de Unie. In deze context moet ook worden opgemerkt dat het begrip „distributiesysteembeheerder” overeenkomstig artikel 2, punt 21, van richtlijn 2012/27 en artikel 2, punt 48, van verordening 2019/943, ook in het kader van deze richtlijn respectievelijk deze verordening wordt gebruikt.
77 Dienaangaande moet in het bijzonder worden gewezen op de essentiële rol die richtlijn 2019/944 aan systeembeheerders toebedeelt bij de voltooiing van de integratie van de nationale markten, waarvoor met name een hoge mate van samenwerking tussen de systeembeheerders op het niveau van de Unie en op regionaal niveau vereist is, zoals in wezen blijkt uit de overwegingen 7 en 18 van deze richtlijn. Een nationale regeling als die welke in punt 47 van het onderhavige arrest is beschreven, kan een niet onaanzienlijk aantal entiteiten die nochtans beheerders zijn van systemen waarvan vaststaat dat zij worden gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit bestemd voor verkoop aan afnemers, uitsluiten van de werkingssfeer van de op de distributiesysteembeheerders rustende verplichtingen en aldus bijdragen tot het behoud van gefragmenteerde markten, wat indruist tegen de daadwerkelijk geïntegreerde markten die richtlijn 2019/944 overeenkomstig artikel 1 ervan beoogt in te stellen.
78 Zou een dergelijke uitsluiting worden toegestaan, dan zou dit bovendien afbreuk kunnen doen aan de doelstelling om in de Unie niet alleen echt geïntegreerde, maar tevens concurrerende elektriciteitsmarkten te scheppen, die gericht zijn op de consument en flexibel, eerlijk en transparant zijn, en waarmee met name betaalbare energieprijzen en -kosten kunnen worden gewaarborgd, overeenkomstig datzelfde artikel 1, aangezien de verplichtingen die op de distributiesysteembeheerders rusten er met name toe strekken, zoals in wezen blijkt uit de overwegingen 65 en 68 van deze richtlijn, ten behoeve van de consumenten gelijke mededingingsvoorwaarden op kleinhandelsniveau te creëren.
79 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 tot en met 39 van richtlijn 2019/944 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de verplichtingen van een distributiesysteembeheerder niet gelden voor een onderneming die – ter vervanging van het oude distributiesysteem – een energie-installatie bouwt en beheert die is bestemd om verscheidene flatgebouwen, met maximaal 200 wooneenheden, te voorzien van elektriciteit die door warmte-krachtkoppeling wordt geproduceerd en waarvan de jaarlijkse energietransmissie maximaal 1000 MWh bedraagt, waarbij de kosten van de bouw en het beheer van de energie-installatie worden gedragen door de eindafnemers, de huurders van die woningen, en waarbij die onderneming de geproduceerde elektriciteit aan die afnemers verkoopt, indien die installatie wordt gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit met het oog op de verkoop ervan aan afnemers en indien geen van de uitdrukkelijk in die richtlijn vastgestelde ontheffingen of afwijkingen van die verplichtingen van toepassing is.
80 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of richtlijn 2019/944 ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, met dien verstande dat indien deze rechter uiteindelijk zou oordelen dat richtlijn 2009/72 op dit geding van toepassing is, het antwoord op de gestelde vraag mutatis mutandis zou gelden. De definities van de begrippen „distributie” en „distributiesysteembeheerder” in artikel 2, punten 28 en 29, van richtlijn 2019/944 zijn immers identiek aan die van dezelfde begrippen die reeds in richtlijn 2009/72 voorkwamen. Voorts zijn de doelstellingen van richtlijn 2019/944 weliswaar nauwkeuriger en gedetailleerder dan die van richtlijn 2009/72 en legt richtlijn 2019/944 nieuwe taken en verplichtingen op aan de distributiesysteembeheerders, maar dit neemt niet weg dat het begrip „distributiesysteem” reeds van fundamenteel belang was in de opzet van richtlijn 2009/72 (zie in die zin arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 56) en dat deze richtlijn reeds tot doel had gemeenschappelijke regels vast te stellen voor onder meer de distributie van elektriciteit met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de Unie, en met name reeds tot doel had een volledig opengestelde markt tot stand te brengen waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren, teneinde de interne elektriciteitsmarkt te voltooien (zie in die zin arrest van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punten 38 en 39), door in dit verband met name te voorzien in een geheel van taken en verplichtingen die op de beheerders van dergelijke systemen rusten, zonder toe te staan dat daarvan wordt afgeweken buiten de gevallen waarin deze richtlijn uitdrukkelijk voorziet.
Kosten
81 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, punten 28 en 29, en de artikelen 30 tot en met 39 van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de verplichtingen van een distributiesysteembeheerder niet gelden voor een onderneming die – ter vervanging van het oude distributiesysteem – een energie-installatie bouwt en beheert die is bestemd om verscheidene flatgebouwen, met maximaal 200 wooneenheden, te voorzien van elektriciteit die door warmte-krachtkoppeling wordt geproduceerd en waarvan de jaarlijkse energietransmissie maximaal 1000 MWh bedraagt, waarbij de kosten van de bouw en het beheer van de energie-installatie worden gedragen door de eindafnemers, de huurders van die woningen, en waarbij die onderneming de geproduceerde elektriciteit aan die afnemers verkoopt, indien die installatie wordt gebruikt voor het transport van hoog-, midden‑ of laagspanningselektriciteit met het oog op de verkoop ervan aan afnemers en indien geen van de uitdrukkelijk in die richtlijn vastgestelde ontheffingen of afwijkingen van die verplichtingen van toepassing is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371
- HvJ EU 12 oktober 2023, C-726/21, ECLI:EU:C:2023:764
- HvJ EU 16 maart 2023, C-339/21, ECLI:EU:C:2023:214
- HvJ EU 17 oktober 2019, C-31/18, ECLI:EU:C:2019:868
- HvJ EU 28 november 2018, C-262/17, ECLI:EU:C:2018:961
- HvJ EU 5 december 2013, C-561/12, ECLI:EU:C:2013:793
- HvJ EU 5 december 2006, C-94/04, ECLI:EU:C:2006:758
- HvJ EU 10 december 2002, C-153/00, ECLI:EU:C:2002:735