HvJ EU 21 mei 2026, C-198/24, ECLI:EU:C:2026:415

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

21 mei 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 655/2014 – Procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken – Voorwaarden voor uitvaardiging – Artikel 7, lid 1 – Spoedeisendheid – Reëel risico dat, zonder een bevel tot conservatoir beslag, de latere inning van de vordering van de schuldeiser onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt – Aard van dat risico – Omstandigheden die het bestaan van dat risico kunnen aantonen – Handelingen van de schuldenaar in het verleden – Belemmeringen voor de inning in de lidstaat van zijn woonplaats – Wetgeving van een lidstaat die voorziet in de niet-ontvankelijkheid van elke vordering in rechte betreffende de rechtmatigheid van het door de regelgeving van deze lidstaat toegestane aanbieden van kansspeldiensten vanuit die lidstaat en in de verplichting voor de gerechten van die lidstaat tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging van elke buitenlandse rechterlijke beslissing die naar aanleiding van een dergelijke vordering is gegeven”

In zaak C‑198/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien (rechter in tweede aanleg, bevoegd in burgerlijke zaken Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 8 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 12 maart 2024, in de procedure

TQ

tegen

Mr Green Limited,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, F. Biltgen, president van de Eerste kamer, waarnemend rechter van de Vierde kamer, N. Jääskinen (rapporteur), R. Frendo en M. Bošnjak, waarnemend rechter van de Vierde kamer, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: E. Sartori, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 juni 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– TQ, vertegenwoordigd door S. R. Thorstensen, Rechtsanwalt,

– Mr Green Limited, vertegenwoordigd door C. Leitgeb, Rechtsanwalt,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door R. Verbeke en Ph. Vlaemminck, advocaten,

– de Maltese regering, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde, bijgestaan door D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogado, D. Inguanez en K. Sammut, avukati,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en L. Wildpanner als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 oktober 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen TQ, een in Oostenrijk woonachtige natuurlijke persoon, en Mr Green Limited, een in Malta gevestigde aanbieder van onlinekansspelen, betreffende een verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen van deze exploitant.

Toepasselijke bepalingen

3 De overwegingen 5, 11 en 14 van verordening nr. 655/2014 luiden als volgt: „(5) Nationale procedures voor het verkrijgen van bewarende maatregelen, zoals bevelen tot conservatoir beslag op bankrekeningen, bestaan in alle lidstaten, maar de voorwaarden waaronder dergelijke maatregelen worden toegestaan en de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging ervan verschillen aanzienlijk. Bovendien kan het aanvragen van nationale bewarende maatregelen in zaken met grensoverschrijdende gevolgen omslachtig blijken, in het bijzonder wanneer de schuldeiser conservatoir beslag wenst te leggen op meerdere rekeningen in verschillende lidstaten. Het lijkt derhalve noodzakelijk en passend om een bindend en rechtstreeks toepasselijk rechtsinstrument van de [Europese] Unie vast te stellen, waarbij een nieuwe Unieprocedure wordt ingesteld voor het op een efficiënte en prompte wijze leggen van conservatoir beslag op tegoeden op bankrekeningen in grensoverschrijdende gevallen. […] (11) De procedure voor een bevel tot conservatoir beslag moet beschikbaar zijn voor een schuldeiser die vóór het begin van de procedure betreffende het bodemgeschil of op eender welk ogenblik tijdens deze procedure de tenuitvoerlegging van een latere rechterlijke beslissing over het bodemgeschil wil verzekeren. Zij moet tevens ter beschikking staan van een schuldeiser die reeds een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen. […] (14) Het bevel tot conservatoir beslag mag slechts worden uitgevaardigd onder voorwaarden die een juist evenwicht bewerkstelligen tussen het belang van de schuldeiser dat hij een bevel verkrijgt en het belang van de schuldenaar dat het bevel niet wordt misbruikt. […] Verder moet de schuldeiser worden verplicht in alle gevallen, ook als hij reeds een rechterlijke beslissing heeft verkregen, het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering dringend gerechtelijk moet worden beschermd en dat de tenuitvoerlegging van de bestaande of toekomstige rechterlijke beslissing zonder het bevel waarschijnlijk verhinderd of ernstig bemoeilijkt zou worden wegens het reële risico dat de schuldenaar, tegen de tijd dat de schuldeiser de bestaande of een toekomstige rechterlijke beslissing ten uitvoer kan doen leggen, zijn tegoeden zal hebben verspild, verborgen of vernietigd, dan wel onder de waarde, in ongebruikelijke mate of door ongebruikelijke handelingen, zal hebben vervreemd. Het gerecht dient het door de schuldeiser verstrekte bewijsmateriaal tot staving van dat risico te beoordelen. Dat bewijsmateriaal zou bijvoorbeeld verband kunnen houden met de handelwijze van de schuldenaar met betrekking tot de schuldvordering of in een eerder geschil tussen de partijen, het kredietverleden van de schuldenaar, de aard van zijn vermogen, en recent door hem verrichte vermogenshandelingen. Bij het beoordelen van het bewijsmateriaal kan het gerecht rekening houden met het op zichzelf niet ongebruikelijke karakter van geldopnames van rekeningen en uitgaven door de schuldenaar die verband houden met de gewone gang van zijn bedrijf of met courante gezinskosten. Het feit dat de vordering niet wordt voldaan of dat zij wordt betwist, of het loutere feit dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft, dient op zich niet te worden beschouwd als een bewijs dat voldoende grond oplevert voor een bevel. Evenmin dient het loutere feit dat de schuldenaar zich in een moeilijke of verslechterende financiële situatie bevindt, op zichzelf worden beschouwd als een bewijs dat voldoende grond oplevert voor een bevel. Het gerecht kan deze factoren echter bij de algemene inschatting van het risico in overweging nemen.”

4 Artikel 1 („Onderwerp”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „Bij deze verordening wordt een Unieprocedure ingesteld waarmee een schuldeiser een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (‚bevel tot conservatoir beslag’ of ‚bevel’) kan verkrijgen, welke verhindert dat de latere inning van de vordering van de schuldeiser wordt belemmerd doordat tegoeden, tot het in het bevel bepaalde bedrag, op een door of namens hem in een lidstaat aangehouden bankrekening worden verplaatst of worden onttrokken.”

5 Artikel 7 („Voorwaarden voor het uitvaardigen van een bevel tot conservatoir beslag”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „Het gerecht vaardigt het bevel tot conservatoir beslag uit indien de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt om het gerecht ervan te overtuigen dat er dringend behoefte bestaat aan een bewarende maatregel in de vorm van een bevel tot conservatoir beslag, gelet op het reële risico dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt.”

6 Artikel 8 („Verzoek om een bevel tot conservatoir beslag”) van deze verordening bepaalt: „1. Het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend door middel van het formulier dat volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld. 2. Het verzoek bevat de volgende elementen: […] j) een beschrijving van alle relevante omstandigheden die overeenkomstig artikel 7, lid 1, grond opleveren voor de uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag”.

7 Artikel 17 („Beslissing over het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag”) van verordening nr. 655/2014 bepaalt in lid 1: „Het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, onderzoekt of aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en vereisten is voldaan.”

8 Artikel 22 („Erkenning en uitvoerbaarheid”) van deze verordening bepaalt: „Een bevel tot conservatoir beslag dat overeenkomstig deze verordening in een lidstaat is uitgevaardigd, wordt in de andere lidstaten zonder speciale procedure erkend, en is er zonder uitvoerbaarverklaring uitvoerbaar.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 TQ, die in Oostenrijk woont, heeft vanuit het grondgebied van deze lidstaat deelgenomen aan onlinekansspelen die werden aangeboden door Mr Green, een onderneming met zetel in Malta die beschikt over een Maltese vergunning voor onlinekansspelen, maar niet over de overeenkomstige Oostenrijkse vergunning krachtens het Bundesgesetz zur Regelung des Glücksspielwesens (Glücksspielgesetz – GSpG) [federale wet betreffende de regeling van kansspelen (wet op de kansspelen – GSpG)] van 28 november 1989 (BGBl. I, 620/1989). In de periode van 3 januari 2017 tot 25 april 2019 heeft hij verlies geleden voor een totaalbedrag van 62878 EUR.

10 TQ heeft bij het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien (rechter in tweede aanleg, bevoegd in burgerlijke zaken Wenen, Oostenrijk), de verwijzende rechter, tegen Mr Green een vordering ingesteld tot terugbetaling van bovengenoemde verliezen. Hij betoogde dat de onderliggende kansspelovereenkomst nietig was omdat Mr Green geen vergunning had op grond van deze federale wet op kansspelen, hetgeen impliceerde dat op deze vennootschap de verplichting rustte om de door hem verloren inzet aan hem terug te betalen. Bij vonnis van 2 december 2021 heeft deze rechter het verzoek van TQ toegewezen en Mr Green veroordeeld tot terugbetaling aan TQ van een totaalbedrag van 62878 EUR, vermeerderd met rente, kosten en bijkomende kosten.

11 Mr Green heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk), dat dit beroep bij arrest van 21 februari 2022 heeft verworpen. Dat arrest en dat vonnis zijn op 13 april 2022 definitief en uitvoerbaar geworden.

12 Aangezien de bovengenoemde bedragen hem niet waren terugbetaald, heeft TQ op 13 februari 2024 bij het Bezirksgericht Innere Stadt Wien (rechter in eerste aanleg voor het district Innere Stadt van Wenen, Oostenrijk) een verzoek ingediend om een Europees bevel tot conservatoir beslag (hierna: „bevel tot conservatoir beslag”) op grond van verordening nr. 655/2014, dat betrekking had op de schuldvordering die was erkend bij het vonnis van 2 december 2021 en het arrest van 21 februari 2022 en was gericht op bankrekeningen die volgens hem door Mr Green werden aangehouden in Ierland, Luxemburg, Malta en Zweden.

13 Voor deze rechter heeft TQ aangevoerd dat ter vaststelling van dit bevel in wezen rekening moest worden gehouden met het feit dat Oostenrijkse gerechten rond januari 2021 meerdere vonnissen hadden uitgesproken waarbij gedwongen tenuitvoerlegging werd toegestaan in soortgelijke procedures als die welke hebben geleid tot het vonnis van 2 december 2021 van het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien en die door andere in Oostenrijk woonachtige spelers tegen Mr Green waren aangespannen, en dat Mr Green vervolgens de overeenkomst had opgezegd die zij had gesloten met Dimoco Europe GmbH (hierna: „Dimoco”), een Oostenrijkse betalingsdienstaanbieder bij wie zij een creditsaldo had en die tot begin februari 2021 de vorderingen voor haar rekening als derde-schuldenaar betaalde. Volgens TQ bestond er derhalve een risico dat Mr Green in de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde lidstaten op dezelfde wijze zou handelen om haar tegoeden aan haar schuldeisers te onttrekken door ze over te brengen naar Malta, waar een wet sinds juni 2023 de tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen tegen kansspelaanbieders met een Maltese vergunning verbiedt.

14 Bij vonnis van 15 februari 2024 heeft het Bezirksgericht Innere Stadt Wien het verzoek van TQ om een bevel tot conservatoir beslag afgewezen met de motivering dat, ten eerste, op basis van de gebeurtenissen in 2021 niet kon worden geconcludeerd dat de inning van de schuldvordering van TQ in 2024 onmogelijk of aanzienlijk moeilijker was gemaakt en, ten tweede, er geen sprake leek te zijn van spoedeisendheid, aangezien TQ dit verzoek pas drie jaar nadat hij de titel had verkregen op grond waarvan Mr Green de betrokken schuldvordering moest voldoen, had ingediend. Bovendien heeft deze rechter met betrekking tot het betoog van TQ inzake de Maltese regeling geoordeeld dat het weliswaar klopte dat de Maltese rechters in eerste aanleg de tenuitvoerlegging van Oostenrijkse vonnissen weigerden, maar dat niet was aangetoond dat ook de hogere rechterlijke instanties van die lidstaat in die zin uitspraak deden.

15 TQ heeft tegen dat vonnis beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, strekkende tot een zodanige wijziging ervan dat zijn verzoek om een bevel tot conservatoir beslag op de betrokken bankrekeningen van Mr Green wordt ingewilligd.

16 In dit verband geeft deze rechter om te beginnen aan dat, volgens zijn uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014, voor uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag aan twee voorwaarden moet zijn voldaan, te weten, ten eerste, dat dit beslag spoedeisend is en, ten tweede, dat er een risico bestaat dat de inning van de betrokken schuldvorderingen zonder dat beslag onmogelijk zou worden gemaakt of zou worden bemoeilijkt. Volgens deze rechter moet volgens overweging 14 van deze verordening het bestaan van een dergelijk risico worden aangetoond door een handeling van de schuldenaar die kort voor de indiening van het verzoek om conservatoir beslag op de betrokken bankrekeningen heeft plaatsgevonden. Hoewel procedures van gedwongen tenuitvoerlegging die na de beëindiging van de overeenkomst tussen Mr Green en Dimoco in Oostenrijk tegen Mr Green zijn ingeleid niet tot resultaat hebben geleid, aangezien Dimoco heeft geweigerd om tot betaling over te gaan op basis van Oostenrijkse beslissingen waarbij de terugbetaling van de betrokken schuldvorderingen is gelast, is deze beëindiging geen „recent verrichte vermogenshandeling” in de zin van overweging 14, aangezien TQ zijn verzoek om een bevel tot conservatoir beslag iets meer dan drie jaar na die beëindiging heeft ingediend en zich ter rechtvaardiging van de noodzaak van een dergelijk bevel niet heeft beroepen op andere handelingen van Mr Green. Bovendien kan de niet-betaling van de betrokken schuldvordering volgens diezelfde rechter evenmin een „recent verrichte vermogenshandeling” vormen waarmee rekening kan worden gehouden in de zin van overweging 14. De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat er bij gebreke van spoedeisendheid geen reden is om conservatoir beslag op de bankrekeningen van de schuldenaar toe te staan op basis van diens handelingen die al drie jaar of meer teruggaan.

17 De verwijzende rechter vraagt zich vervolgens af of in het kader van de toetsing van de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 relevantie moet worden toegekend aan de wijziging op 12 juni 2023 van de Maltese wet op de kansspelen (hierna: „wijziging van de Maltese wet op de kansspelen”), waarbij een artikel 56 A (hierna: „artikel 56 A”) is ingevoerd, op grond waarvan elke vordering tegen kansspelaanbieders met een Maltese vergunning als strijdig met de openbare orde verboden is en de rechterlijke instanties van Malta elke erkenning en/of tenuitvoerlegging in die lidstaat van een na een dergelijke vordering gewezen buitenlands vonnis en/of een buitenlandse beslissing moeten weigeren.

18 In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014, gelet op de bewoordingen ervan, aldus kan worden opgevat dat het „reële risico” dat zonder beslag de inning van schuldvorderingen onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt, niet alleen afhangt van de handelingen van de schuldenaar, maar ook kan voortvloeien uit het gedrag van derden. De wijziging van de Maltese wet op de kansspelen kan dus van invloed zijn op het hoofdgeding, aangezien zij door de bewoordingen ervan in strijd is met artikel 22 van deze verordening en dus in aanmerking moet worden genomen als belemmering voor de tenuitvoerlegging van de schuldvordering van TQ in Malta.

19 Voorts wordt in overweging 14 van verordening nr. 655/2014 erkend dat het evenwicht tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar van doorslaggevend belang is en wordt met het oog op het betrokken risico verwezen naar een handelwijze die aan de schuldenaar kan worden toegerekend; handelingen van derden worden niet genoemd. Aangezien de schuldeiser noch de schuldenaar invloed heeft gehad op de vaststelling van de wijziging van de Maltese wet op de kansspelen, betwijfelt de verwijzende rechter of in het kader van het hoofdgeding rekening kan worden gehouden met de handelwijze van de Maltese wetgever.

20 Ten slotte hebben Oostenrijkse verzoekers volgens de verwijzende rechter in vergelijkbare situaties geprobeerd om in Malta de in hun voordeel gewezen vonnissen in zaken betreffende kansspelen ten uitvoer te doen leggen en heeft de Prim’Awla tal-Qorti Ċivili (burgerlijke rechter, eerste kamer, Malta) geweigerd het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de vraag of de wijziging van de Maltese wet op de kansspelen in strijd is met het Unierecht. De verwijzende rechter wijst er niettemin op dat onmogelijk kan worden vastgesteld of de aldus gegeven beslissingen kracht van gewijsde hebben verkregen dan wel of de tenuitvoerlegging van Oostenrijkse vonnissen in zaken betreffende kansspelen in Malta is geweigerd bij in kracht van gewijsde gegane beslissingen.

21 In deze omstandigheden heeft het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 7, lid 1, van verordening [nr. 655/2014] aldus worden uitgelegd dat handelingen van de schuldenaar van drie jaar of langer geleden en/of hindernissen bij de tenuitvoerlegging van de beslissing in de lidstaat van de schuldenaar niet in aanmerking hoeven te worden genomen?”

Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

22 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 en 24 november 2025, hebben respectievelijk de Maltese regering en Mr Green ingevolge artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.

23 Ter ondersteuning van zijn verzoek voert Mr Green in wezen aan dat de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie het standpunt van deze vennootschap met betrekking tot haar vermeende voornemen om artikel 56 A in te roepen om zich tegen de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen in Malta te verzetten, onjuist heeft uiteengezet.

24 De Maltese regering voert ter ondersteuning van haar verzoek aan dat de conclusie van de advocaat-generaal verschillende onjuistheden bevat met betrekking tot de toepassing door de Maltese rechterlijke instanties van artikel 56 A en tot het feit dat deze bepaling het mogelijk maakt de tegoeden van de schuldenaar voor de schuldeiser te „verbergen”.

25 In dit verband zij eraan herinnerd dat de advocaat-generaal krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) vereist is. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (zie in die zin arresten van 18 december 2025, Storstockholms Lokaltrafik, C‑422/24, EU:C:2025:980, punt 21, en 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Voorts voorzien het Statuut en het Reglement voor de procesvoering niet in de mogelijkheid voor de partijen of de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Bijgevolg kan het feit dat een partij of een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt (zie in die zin arresten van 18 december 2025, Storstockholms Lokaltrafik, C‑422/24, EU:C:2025:980, punt 22, en 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Hieruit volgt dat de respectieve verzoeken van de Maltese regering en Mr Green om heropening van de mondelinge behandeling, voor zover zij daarmee trachten te antwoorden op het standpunt van de advocaat-generaal in zijn conclusie en bepaalde feitelijke elementen te verduidelijken, moeten worden afgewezen.

28 Het is juist dat het Hof volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

29 In casu is het Hof echter van oordeel dat het na de schriftelijke behandeling en de pleitzitting over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te doen op het verzoek om een prejudiciële beslissing. Bovendien vormen de elementen die door de Maltese regering en Mr Green zijn aangevoerd in hun respectieve verzoeken tot heropening van de mondelinge behandeling geen nieuwe feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslissing die het Hof in deze zaak moet nemen.

30 Wat meer in het bijzonder de in de punten 23 en 24 van het onderhavige arrest vermelde feitelijke gegevens betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof niet tot taak heeft om te bepalen of de gestelde feiten zijn bewezen, maar enkel om de relevante bepalingen van het Unierecht uit te leggen. Volgens vaste rechtspraak worden de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht immers door de nationale rechter gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, en staat het niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31 In die omstandigheden is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het niet nodig is om de mondelinge behandeling te heropenen.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

32 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie een verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, rekening kan houden met, ten eerste, een handelwijze van de schuldenaar die meerdere jaren vóór de indiening van dat verzoek heeft plaatsgevonden en, ten tweede, de omstandigheid dat er in de lidstaat waar de schuldenaar is gevestigd een wet bestaat die de inning van de betrokken schuldvordering kan belemmeren.

33 Krachtens artikel 1 van verordening nr. 655/2014 wordt bij die verordening een Unieprocedure ingesteld waarmee een schuldeiser een bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen kan verkrijgen, welke verhindert dat de latere inning van de vordering van de schuldeiser wordt belemmerd doordat tegoeden, tot het in het bevel bepaalde bedrag, op een door of namens hem in een lidstaat aangehouden bankrekening worden verplaatst of worden onttrokken. Dit bevel staat ter beschikking van de schuldeiser als alternatief voor bewarende maatregelen uit hoofde van nationaal recht.

34 Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van deze verordening onderzoekt het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, of aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en vereisten is voldaan.

35 De voorwaarden voor de uitvaardiging van een bevel tot conservatoir beslag zijn opgenomen in artikel 7 van verordening nr. 655/2014.

36 Krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 vaardigt het gerecht het bevel tot conservatoir beslag uit indien de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt om het gerecht ervan te overtuigen dat er dringend behoefte bestaat aan een bewarende maatregel in de vorm van een bevel tot conservatoir beslag, gelet op het reële risico dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt.

37 Zoals het Hof heeft geoordeeld, bepaalt artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 dat de schuldeiser, om op grond van deze bepaling een bevel tot conservatoir beslag te verkrijgen, alleen hoeft aan te tonen dat de maatregel urgent is wegens dreigend gevaar voor de latere inning van zijn schuldvordering [zie in die zin arresten van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen), C‑555/18, EU:C:2019:937, punt 40, en 20 april 2023, Starkinvest, C‑291/21, EU:C:2023:299, punt 50].

38 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft benadrukt, blijkt namelijk ondubbelzinnig uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, dat deze bepaling voorziet in de verplichting voor de schuldeiser om aan te tonen dat er „dringend behoefte” aan een bevel tot conservatoir beslag bestaat, hetgeen wordt gekenmerkt door het bestaan van een „reëel risico” dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de schuldvordering onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt. De dringende aard van de noodzaak om een dergelijk bevel uit te vaardigen en dit „reële risico” vormen dus twee onlosmakelijke aspecten van een en dezelfde voorwaarde en niet twee afzonderlijke voorwaarden.

39 Bijgevolg moet artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 aldus worden uitgelegd dat er dringend behoefte bestaat aan de uitvaardiging van een bevel tot conservatoir beslag wanneer er een reëel risico bestaat dat, zonder een dergelijk bevel, de inning van de vordering op het tijdstip waarop de schuldeiser een bestaande of toekomstige beslissing ten uitvoer kan doen leggen, onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt.

40 Uit het voorgaande volgt dat de relevantie van de door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag genoemde omstandigheden moet worden beoordeeld in het licht van de voorwaarde van de dringende aard wat betreft de noodzaak om een bevel tot conservatoir beslag vast te stellen, die wordt gekenmerkt door het bestaan van een dergelijk reëel risico. In dit verband moet het begrip „reëel risico” in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 worden bepaald en moet meer in het bijzonder worden onderzocht welke omstandigheden het gerecht waarbij een verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, in aanmerking kan nemen om na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan.

41 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling rekening te worden gehouden met zowel de bewoordingen als de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12; 18 december 2025, E. (Verrekening van schuldvorderingen), C‑481/24, EU:C:2025:996, punt 29, en 22 januari 2026, NOVIS, C‑18/24, EU:C:2026:33, punt 49].

42 Wat in de eerste plaats het begrip „reëel risico” in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 betreft, en in het bijzonder de bewoordingen van deze bepaling, moet worden vastgesteld dat uit deze bewoordingen en met name uit het gebruik van het kwalitatieve bijvoeglijk naamwoord „reëel” duidelijk blijkt dat dit begrip aldus moet worden uitgelegd dat het ziet op een risico dat concreet en actueel is op het tijdstip waarop het verzoek tot conservatoir beslag wordt ingediend, en dus niet alleen op een potentieel of eventueel risico.

43 Over de context van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 moet worden opgemerkt dat overweging 14 ervan de draagwijdte van dit begrip verduidelijkt.

44 Dienaangaande blijkt in de kern uit de derde alinea van die overweging 14 dat de schuldeiser, om het gerecht waarbij het verzoek is ingediend ervan te overtuigen dat zijn vordering dringend gerechtelijk moet worden beschermd, moet aantonen dat er een reëel risico bestaat dat, tegen de tijd dat deze schuldeiser in staat is de rechterlijke beslissing ten uitvoer te doen leggen, de schuldenaar zijn tegoeden zal hebben verspild, verborgen of vernietigd, dan wel onder de waarde, in ongebruikelijke mate of door ongebruikelijke handelingen, zal hebben vervreemd. De vierde alinea van overweging 14 voegt daaraan toe dat het loutere feit dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft of dat hij zich in een moeilijke of verslechterende financiële situatie bevindt, op zichzelf niet dient te worden beschouwd als een bewijs dat voldoende grond oplevert voor een bevel tot conservatoir beslag.

45 Op basis van een gecombineerde lezing van de derde en de vierde alinea van overweging 14 moet het „reële risico” in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 aldus worden begrepen dat het gaat om een risico dat voortvloeit uit een opzettelijke gedraging van de schuldenaar en, in het bijzonder, uit het nemen, door de schuldenaar, van maatregelen zoals het verspillen, verbergen of vernietigen van tegoeden, dan wel het vervreemden daarvan onder de waarde, die tot doel hebben om aan de betaling van zijn schuld te ontsnappen, en niet uit elke andere bedreiging voor de inning van de betrokken vordering die niet het resultaat is van een dergelijke handelwijze van de schuldenaar.

46 Deze uitlegging vindt steun in de voorbereidende werkzaamheden van verordening nr. 655/2014 en in het bijzonder in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken [COM(2011) 445 definitief]. Uit deze werkzaamheden blijkt namelijk dat de Uniewetgever niet heeft gekozen voor de ruimere formulering van de zogenoemde „periculum in mora”-voorwaarde betreffende het risico van moeilijkheden bij de inning van de betrokken schuldvordering, die ziet op alle gevallen waarin er sprake is van een risico dat het vermogen van de schuldenaar gewoon afneemt.

47 De in punt 45 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 vindt ook steun in de doelstellingen van deze verordening, die niet alleen tot doel heeft een Unieprocedure in te voeren die ter beschikking staat van de schuldeiser als alternatief voor de bewarende maatregelen waarin het nationale recht voorziet en het mogelijk maakt om met behulp van bindende en rechtstreeks toepasselijke bepalingen op efficiënte en prompte wijze conservatoir beslag te leggen op tegoeden op de betrokken bankrekeningen, maar ook beoogt een juist evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar [zie in die zin de arresten van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen), C‑555/18, EU:C:2019:937, punten 31 en 32, en 20 april 2023, Starkinvest, C‑291/21, EU:C:2023:299, punten 49 en 50].

48 Gelet op de mogelijk negatieve gevolgen van een bevel tot conservatoir beslag voor het vermogen van de schuldenaar en met name voor zijn mogelijkheid om er vrijelijk over te beschikken, zou een uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 in die zin dat elke bedreiging voor de inning van de schuldvordering een „reëel risico” in de zin van die bepaling vormt, het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde evenwicht namelijk kunnen aantasten.

49 Wat betreft de omstandigheden die kunnen aantonen dat er sprake is van een „reëel risico”, zoals gedefinieerd in de punten 42 en 45 van het onderhavige arrest, zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 8, lid 2, onder j), van verordening nr. 655/2014, dat het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag regelt, bepaalt dat het aan de schuldeiser is om de aangezochte rechter een beschrijving te verstrekken van alle relevante omstandigheden die grond opleveren voor de uitvaardiging van een dergelijk bevel.

50 In dit verband bevat de vierde alinea van overweging 14 van verordening nr. 655/2014 een lijst van omstandigheden waarop de schuldeiser zich kan beroepen om de uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag te rechtvaardigen en waarmee het aangezochte gerecht rekening kan houden bij de beoordeling van het bestaan van een „reëel risico” in de zin van artikel 7, lid 1, van die verordening.

51 Deze lijst omvat de handelwijze van de schuldenaar met betrekking tot de vordering van de schuldeiser of bij een eerder geschil tussen de partijen, het kredietverleden van de schuldenaar, de aard van zijn vermogen en iedere recent door hem verrichte vermogenshandeling. Bovendien wordt in overweging 14 een aantal andere omstandigheden genoemd waarmee het aangezochte gerecht ook rekening kan houden, hoewel zij op zich niet kunnen worden geacht te volstaan als grond voor de uitvaardiging van een bevel tot conservatoir beslag.

52 Bovendien moet gelet op de in punt 47 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen die door verordening nr. 655/2014 worden nagestreefd, ten eerste worden vastgesteld dat, om ervoor te zorgen dat er een juist evenwicht bestaat tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar en om de nuttige werking van artikel 7, lid 1, van deze verordening te waarborgen, het vereiste bewijsniveau niet zo hoog kan worden opgevat dat de schuldeiser het bewijs moet leveren van het voornemen van de schuldenaar om zich aan de betaling van de schuldvordering te onttrekken, aangezien een dergelijk vereiste in de praktijk vaak moeilijk te vervullen is.

53 Ten tweede moet het verzoek van de schuldeiser tot uitvaardiging van een dergelijk bevel gebaseerd zijn op concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat het waarschijnlijk is dat de schuldenaar, indien dat bevel niet wordt uitgevaardigd, zijn tegoeden op het moment van eventuele maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging zou kunnen hebben verspild, verborgen of vernietigd, dan wel onder de waarde zou hebben kunnen vervreemd.

54 Derhalve blijkt uit zowel de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 als de context waarin deze bepaling is opgenomen en de doelstelling van deze verordening dat het aangezochte gerecht waarbij een verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, een algemene beoordeling kan maken van de door de schuldeiser aangevoerde omstandigheden, met inbegrip, in voorkomend geval, van de in punt 51 van het onderhavige arrest vermelde factoren, om te bepalen of er, op basis van deze omstandigheden, sprake is van een „reëel risico” dat de schuldenaar, zonder bevel tot conservatoir beslag, maatregelen kan nemen zoals het verspillen, verbergen of vernietigen van tegoeden dan wel het vervreemden daarvan onder de waarde, die, tegen de tijd dat de schuldeiser een bestaande of toekomstige rechterlijke beslissing ten uitvoer kan leggen, de inning van de vordering van de schuldeiser onmogelijk zouden maken of op zijn minst zouden bemoeilijken.

55 Gelet op het voorgaande is het aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om uitspraak te doen over de feiten, om de door TQ tot staving van zijn verzoek om een bevel tot conservatoir beslag aangevoerde omstandigheden in hun geheel te beoordelen en te bepalen of deze omstandigheden voldoende aanwijzingen vormen voor het bestaan van een dergelijk „reëel risico”.

56 In casu vraagt deze rechter zich af of relevantie moet worden toegekend aan handelingen van de schuldenaar die meerdere jaren vóór de indiening van het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag zijn verricht, en met name de beëindiging door deze schuldenaar van zijn handelsrelatie met een betalingsdienstverlener die voor zijn rekening als derde-schuldenaar optrad in de lidstaat van woonplaats van de schuldeiser, alsook aan de wijziging van een wet van de lidstaat waar de schuldenaar is gevestigd, die de inning van de schuldvordering zou kunnen belemmeren.

57 Wat de eerste van deze omstandigheden betreft, moet worden opgemerkt dat de aangezochte rechter, zoals uit de punten 51 en 54 van het onderhavige arrest naar voren komt, in het kader van de algemene beoordeling die hij zou moeten maken om te beoordelen of er dringend een bevel tot conservatoir beslag moet worden uitgevaardigd, rekening kan houden met de handelwijze van de schuldenaar in het verleden. Daarenboven wijst niets in verordening nr. 655/2014 erop dat de relevantie van deze handelwijze noodzakelijkerwijs afhangt van het tijdstip waarop deze heeft plaatsgevonden. Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft benadrukt, legt deze verordening een schuldeiser bovendien niet de verplichting op om zijn verzoek in te dienen op het tijdstip waarop het vermeende risico voor de inning van zijn schuldvordering ontstaat, teneinde een dergelijk bevel te verkrijgen. Daartoe is het immers relevant of dit risico nog steeds bestaat bij de indiening van dat verzoek.

58 Voorts kan, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, voor online opererende ondernemingen die weinig of geen fysiek vermogen in hun lidstaat van vestiging hebben, een tegoed dat zij bij een betalingsexploitant aanhouden een van de weinige vermogensbestanddelen zijn waarop de schuldeiser zijn schuldvordering kan laten invorderen. De beëindiging van de overeenkomst met een dergelijke exploitant kan dus een aanwijzing vormen dat de betrokken schuldenaar een meer algemene strategie toepast die erin bestaat zich in de betrokken lidstaat te onttrekken aan de betaling van zijn schulden of althans de inning van die schuldvorderingen moeilijker te maken.

59 Wat ten tweede de wijziging van de Maltese wet op de kansspelen betreft die, volgens de schuldeiser, de inning van zijn schuldvordering zou kunnen belemmeren, in het bijzonder doordat deze wet de gerechten van de lidstaat waar de schuldenaar is gevestigd verplicht te weigeren om buitenlandse rechterlijke beslissingen – zoals die waarbij van de schuldenaar betaling van de betrokken schuldvordering wordt geëist – op het grondgebied van de schuldenaar uitvoerbaar te verklaren, zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014, zoals blijkt uit punt 45 van het onderhavige arrest, niet ziet op het bestaan van om het even welke bedreiging voor de inning van een schuldvordering, maar op een reëel risico dat verband houdt met het voornemen van de schuldenaar om zich aan de betaling van die vordering te onttrekken. Dit risico moet hoe dan ook concreet en actueel zijn op het moment waarop het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend.

60 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie in wezen opmerkt, het enkele feit dat de schuldeiser zich beroept op een nationale wettelijke regeling als die welke in het vorige punt van het onderhavige arrest is beschreven, niet volstaat om het bestaan van een „reëel risico” in de zin van dat artikel 7, lid 1, aan te tonen. Deze constatering geldt des te meer voor de beoordeling van de noodzaak om een bevel uit te vaardigen tot conservatoir beslag op bankrekeningen van de schuldenaar in andere lidstaten dan die welke deze wettelijke regeling heeft vastgesteld.

61 Een gerecht waarbij een verzoek om een bevel tot conservatoir beslag krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 is ingediend, kan bij een algemene beoordeling van de door de schuldeiser aangevoerde relevante omstandigheden evenwel rekening houden met een nationale wettelijke regeling als die welke in punt 59 van het onderhavige arrest is vermeld, als contextueel element aan de hand waarvan de strekking van de vermogenshandelingen van de schuldenaar kan worden beoordeeld teneinde vast te stellen of hij voornemens is zich aan de betaling van de betrokken schuldvordering te onttrekken.

62 Uit een en ander volgt dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 655/2014 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie een verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag is ingediend, teneinde te bepalen of dit bevel dringend moet worden afgegeven, rekening kan houden met, ten eerste, een handelwijze van de schuldenaar die meerdere jaren vóór de indiening van dat verzoek heeft plaatsgevonden en, ten tweede, de omstandigheid dat er in de lidstaat waar de schuldenaar is gevestigd een wet bestaat die de inning van de betrokken schuldvordering kan belemmeren.

Kosten

63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken

moet aldus worden uitgelegd dat

een nationale rechter bij wie een verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag is ingediend, teneinde te bepalen of dit bevel dringend moet worden afgegeven, rekening kan houden met, ten eerste, een handelwijze van de schuldenaar die meerdere jaren vóór de indiening van dat verzoek heeft plaatsgevonden en, ten tweede, de omstandigheid dat er in de lidstaat waar de schuldenaar is gevestigd een wet bestaat die de inning van de betrokken schuldvordering kan belemmeren.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken