HvJ EU 18 december 2025, C-481/24, ECLI:EU:C:2025:996
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
18 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/7/EU – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a) – Vertragingsrente – Artikel 6, leden 1 en 2 – Vergoeding voor gemaakte invorderingskosten – Voorwaarden – Nationale regeling die voorziet in de verrekeningsverklaring van wederzijdse schuldvorderingen met terugwerkende kracht – Gelijktijdig tenietgaan van schuldvorderingen tot het bedrag van de laagste schuld – Gevolgen voor de interest en de vergoeding ”
In zaak C‑481/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 26 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2024, in de procedure
E. sp.j.
tegen
C. sp. z o.o.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen, en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 mei 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– C. sp. z o.o., vertegenwoordigd door P. Wróblewska, adwokat,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, E. Buczkowska en D. Lutostańska als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens en P. Cottin als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann, R. Kanitz en J. Simon als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Milanowska en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 augustus 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap E. sp.j. en de vennootschap C. sp. z o.o. betreffende een weigering tot betaling op grond van verrekening van hun wederzijdse schuldvorderingen door middel van een verklaring met terugwerkende kracht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 3 en 12 van richtlijn 2011/7 luiden als volgt:
„(3) Veel betalingen voor handelstransacties tussen marktdeelnemers of tussen marktdeelnemers en overheidsinstanties worden later verricht dan contractueel is overeengekomen of in de algemene handelsvoorwaarden is vastgelegd. […] Dergelijke betalingsachterstand heeft een negatieve uitwerking op de liquiditeit en bemoeilijkt het financiële beheer van ondernemingen. Bovendien heeft zij, wanneer de schuldeiser als gevolg van betalingsachterstanden externe financiering nodig heeft, gevolgen voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid. […]
[…]
(12) Betalingsachterstand is een vorm van contractbreuk die door het in rekening brengen van een lage of geen interest op achterstallige betalingen en/of door traag verlopende invorderingsprocedures in de meeste lidstaten voor schuldenaren financieel aantrekkelijk is geworden. […]”
4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt in lid 1:
„Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen […] te versterken.”
5 Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. ,handelstransacties’: transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;
[…]
4. ‚betalingsachterstand’: een betaling die niet is verricht binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn en waar de voorwaarden van artikel 3, lid 1, […] vervuld zijn;
5. ,interest voor betalingsachterstand’: de wettelijke interest voor betalingsachterstand of tussen ondernemingen overeengekomen interest […];
[…]
8. ,verschuldigd bedrag’: de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan, inclusief toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten als vermeld in de factuur of in een gelijkwaardig verzoek tot betaling;
[…]”
6 Artikel 3 van richtlijn 2011/7 luidt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat bij handelstransacties tussen ondernemingen de schuldeiser zonder aanmaning recht heeft op interest voor betalingsachterstand, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de schuldeiser heeft zijn contractuele en wettelijke verplichtingen vervuld, alsmede
b) de schuldeiser heeft het verschuldigde bedrag niet op tijd ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging.
[…]
3. Wanneer aan de voorwaarden in lid 1 wordt voldaan, zorgen de lidstaten voor het volgende:
a) dat met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst, de schuldeiser aanspraak kan maken op interest voor betalingsachterstand;
[…]
5. De lidstaten zien erop toe dat de in de overeenkomst vastgestelde betalingstermijn niet meer dan 60 kalenderdagen bedraagt, tenzij in de overeenkomst uitdrukkelijk anders is overeengekomen en mits daarbij geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser […]”.
7 In artikel 6, leden 1 en 2, van deze richtlijn is het volgende bepaald:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeiser, wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand overeenkomstig [artikel] 3 […] verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde vaste bedrag zonder aanmaning verschuldigd is als vergoeding voor de eigen invorderingskosten van de schuldeiser.”
Pools recht
Burgerlijk wetboek
8 Artikel 498 van de ustawa–Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. 1964, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „burgerlijk wetboek”), luidt:
„§ 1. Wanneer twee personen jegens elkaar zowel schuldenaar als schuldeiser zijn, kan elk van hen zijn schuldvordering met die van de wederpartij verrekenen, mits beide schuldvorderingen betrekking hebben op geldsommen of naar de soort bepaalde zaken van dezelfde kwaliteit en beide schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden en kunnen worden opgeëist voor een rechter of een andere overheidsinstantie.
§ 2. Als gevolg van de verrekening gaan beide schuldvorderingen teniet tot het bedrag van de lagere schuldvordering.”
9 Artikel 499 van het burgerlijk wetboek bepaalt het volgende:
„Verrekening geschiedt door middel van een verklaring aan de wederpartij. Deze verklaring heeft terugwerkende kracht tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden.”
Wet betreffende buitensporige vertragingen
10 Artikel 1 van de ustawa o przeciwdziałaniu nadmiernym opóźnieniom w transakcjach handlowych (wet betreffende de bestrijding van buitensporige vertragingen bij handelstransacties) van 8 maart 2013 (Dz.U. 2013, volgnr. 403), waarbij richtlijn 2011/7 in het Poolse recht is omgezet, in de versie die van toepassing is op het geding (hierna: „wet betreffende buitensporige vertragingen”), luidt als volgt:
„Deze wet stelt de bijzondere rechten van de schuldeiser en de verplichtingen van de schuldenaar vast in verband met betalingstermijnen bij handelstransacties, de gevolgen van de niet-nakoming van die verplichtingen, alsook de procedure betreffende buitensporige vertraging bij de nakoming van geldelijke prestaties.”
11 Artikel 4 van deze wet bepaalt het volgende:
„Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
[…]
3) wettelijke interest voor betalingsachterstand bij handelstransacties:
[…]
b) […] interest tegen het rentetarief van de nationale bank van Polen, vermeerderd met tien procentpunten;
[…]”
12 Artikel 7, lid 1, van die wet luidt als volgt:
„Met uitzondering van transacties waarbij de schuldenaar een overheidsinstantie is, hebben schuldeisers die partij zijn bij handelstransacties, zonder dat een betalingsbevel nodig is en tenzij partijen een hogere interestvoet zijn overeengekomen, recht op wettelijke interest voor betalingsachterstand voor de periode tussen de datum waarop de geldelijke prestatie verschuldigd is tot de datum waarop de betaling plaatsvindt, indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1) de schuldeiser heeft zijn prestatie verricht;
2) de schuldeiser heeft de betaling niet ontvangen binnen de in de overeenkomst vastgestelde termijn.”
13 Artikel 10, lid 1, van deze wet luidt:
„Vanaf de datum waarop de in artikel 7, lid 1, […] bedoelde interest opeisbaar wordt, heeft de schuldenaar, bij wijze van vergoeding voor gemaakte invorderingskosten, zonder aanmaning recht op betaling door de schuldenaar van een bedrag dat omgerekend overeenkomt met:
1) 40 EUR – indien de waarde van de geldelijke prestatie niet hoger is dan 5 000 Poolse zloty [(PLN) (ongeveer 1 175 EUR)];
2) 70 EUR – indien de waarde van de vergoeding hoger is dan 5 000 [PLN (ongeveer 1 175 EUR)], maar lager dan 50 000 [PLN (ongeveer 11 750 EUR)];
[…]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14 De vennootschap E. heeft tien schuldvorderingen op vennootschap C. wegens de uitvoering van vervoersdiensten waarvoor facturen zijn uitgereikt met betalingstermijnen die tussen februari en september 2022 zijn verstreken.
15 Aangezien vennootschap C. deze facturen niet binnen de voorgeschreven termijn had betaald, heeft vennootschap E. een rechtsvordering tot betaling ingesteld bij de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter.
16 Vennootschap E. heeft betaling gevorderd van een bedrag van 26 715,60 PLN (ongeveer 6 280 EUR) uit hoofde van het totaalbedrag van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de voornoemde facturen, vermeerderd met interest, in de zin van artikel 7, lid 1, van de wet betreffende buitensporige vertragingen, berekend over elk van de onbetaald gebleven schuldvorderingen, tegen het in artikel 4, punt 3, onder b), van deze wet opgenomen tarief, alsmede van een bedrag van 1 997,29 PLN (ongeveer 470 EUR) als vergoeding voor gemaakte invorderingskosten, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, wegens vertraagde betaling van elk van deze schuldvorderingen.
17 Vennootschap C. heeft geconcludeerd tot afwijzing van de ingestelde betalingsvordering. Zij geeft aan dat zij vennootschap E. een bedrag van 1 697,40 PLN (ongeveer 400 EUR) heeft betaald en, bij akte van 2 september 2022, een verrekeningsverklaring in de zin van de artikelen 498 en 499 van het burgerlijk wetboek heeft gedaan voor een bedrag van 25 018,20 PLN (ongeveer 5 880 EUR). Vennootschap C. is van mening dat zij aldus een totaalbedrag van 26 715,60 PLN (ongeveer 6 280 EUR) heeft voldaan en dat haar schuld bijgevolg heeft opgehouden te bestaan.
18 Deze verrekeningsverklaring was gebaseerd op een vordering tot schadevergoeding die vennootschap C. tegen vennootschap E. had omdat tijdens een door de vennootschap E. uitgevoerd transport de goederen waren tenietgegaan die vennootschap C. haar had toevertrouwd. De betalingstermijn voor deze schuldvordering, zoals vennootschap C. deze in haar aanmaningsbrief van 15 februari 2022 had gesteld, was op 7 maart 2022 verstreken.
19 De verwijzende rechter zet om te beginnen uiteen dat vennootschap C. betoogt dat vennootschap E., ook al had de verrekeningsverklaring alleen betrekking op de door elk van de betrokken vennootschappen als hoofdsom verschuldigde bedragen, door de terugwerkende kracht die artikel 499 van het burgerlijk wetboek aan een dergelijke verklaring toekent vanaf 7 maart 2022 het recht heeft verloren om de interesten en schadevergoedingen te vorderen als bedoeld in respectievelijk artikel 7, lid 1, en artikel 10, lid 1, van de wet inzake buitensporige betalingsachterstanden. Slechts één van de tien schuldvorderingen van vennootschap E. zou vóór die datum zijn ontstaan.
20 Voorts heeft vennootschap E. haar aansprakelijkheid voor de door vennootschap C. aangevoerde schade niet ontkend, maar wel de doeltreffendheid van de verrekeningsverklaring en het bedrag van deze schade bestreden. De verwijzende rechter verduidelijkt dat het gedeelte van de schade dat niet door die verklaring wordt gedekt, het voorwerp is van een andere bij hem aanhangige procedure.
21 Die rechter is van oordeel dat in het hoofdgeding de vraag rijst naar de gevolgen van de terugwerkende kracht die op grond van artikel 499 van het burgerlijk wetboek aan verrekeningsverklaringen toekomt voor de rechten die voortvloeien uit de wet betreffende buitensporige vertragingen.
22 De verwijzende rechter zet uiteen dat deze bepaling een juridische fictie invoert volgens welke de verrekeningsverklaring terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden, te weten het moment waarop de schuldvordering van de opsteller van die verklaring opeisbaar is geworden omdat de betalingstermijn is verstreken. De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat deze terugwerkende kracht mogelijk in strijd is met artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7.
23 In dit verband merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat door die terugwerkende kracht niet alleen het recht verloren gaat om interest te vorderen, maar ook het recht op een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten. Hoewel deze kosten op meerdere schuldvorderingen betrekking kunnen hebben en dus meerdere keren verschuldigd kunnen zijn, kunnen zij niettemin tenietgaan door één enkele tegenvordering, waarvoor die kosten slechts één keer verschuldigd kunnen zijn. Een dergelijke situatie zou een van de schuldeisers kunnen benadelen.
24 Ten tweede merkt die rechter op dat het bij de in richtlijn 2011/7 bedoelde schuldvorderingen gaat om vorderingen uit overeenkomst en dat die daarom aanleiding geven tot een hogere interestvoet dan andere schuldvorderingen – zoals de vordering tot schadevergoeding van vennootschap C. – die kunnen worden ingeroepen ter ondersteuning van een verrekeningsverklaring.
25 Ten derde zet de verwijzende rechter uiteen dat verrekening een mechanisme is dat voorkomt in meerdere nationale rechtsorden waarin de invulling ervan op uiteenlopende wijze kan plaatsvinden, met name wat betreft de voorschriften in de nationale regelingen tot omzetting van richtlijn 2011/7 over de eventuele terugwerkende kracht en de gevolgen daarvan voor het recht op interest voor betalingsachterstand en de minimumvergoeding. Het bestaan van dergelijke verschillen is in strijd met het „harmonisatiebeginsel”.
26 Ten vierde wijst die rechter erop dat wanneer de verrekeningsverklaring wordt ingediend na het verstrijken van de datum waarop de schuldvorderingen van de persoon op wie die verklaring betrekking heeft opeisbaar zijn geworden, die persoon reeds stappen kan hebben ondernomen om zijn schuldvorderingen in te vorderen, zonder te weten dat deze vervolgens zouden worden verrekend, waardoor hij geen vergoeding kan krijgen van de invorderingskosten.
27 Tegen die achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla m.st. Warszawy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn [2011/7] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen bepalingen van nationaal recht die erin voorzien dat een schuldeiser geen aanspraak kan maken op wettelijke interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten wanneer de schuldenaar het aan de schuldeiser verschuldigde bedrag na het verstrijken van de overeengekomen betalingstermijn heeft voldaan door middel van verrekening die van rechtswege terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
28 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling krachtens welke de wettelijke interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten niet aan de schuldeiser verschuldigd zijn wanneer de schuldenaar het verschuldigde bedrag heeft voldaan door middel van een verrekeningsverklaring die nochtans is gedaan na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn, wegens de terugwerkende kracht van die verklaring tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden.
29 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 30 april 2025, Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main (Uitvoer van liquide middelen naar Rusland), C‑246/24, EU:C:2025:295, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Wat in casu de bewoordingen van de bepalingen betreft waarvan om uitlegging wordt verzocht, zij eraan herinnerd dat de lidstaten er krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2011/7 voor moeten zorgen dat bij handelstransacties tussen ondernemingen een schuldeiser zonder aanmaning recht heeft op interest voor betalingsachterstand, onder de dubbele voorwaarde dat hij zijn verplichtingen heeft vervuld en hij het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging.
31 Volgens artikel 3, lid 3, onder a), van deze richtlijn kan de schuldeiser, wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst, aanspraak maken op deze interest voor betalingsachterstand.
32 Volgens artikel 6, lid 1, van die richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de schuldeiser, wanneer bij handelstransacties tussen ondernemingen interest voor betalingsachterstand overeenkomstig artikel 3 ervan verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen. Bovendien moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 6, lid 2, voor zorgen dat dit vaste bedrag, zelfs al is er geen aanmaningsbrief naar de schuldenaar gestuurd, toch verschuldigd is en dat het strekt tot vergoeding van de eigen invorderingskosten van de schuldeiser.
33 De in richtlijn 2011/7 vastgestelde interest voor betalingsachterstand en het recht op een vast minimumbedrag worden dus automatisch verschuldigd na afloop van de in artikel 3, leden 3 tot en met 5, van deze richtlijn bedoelde betalingstermijn, mits is voldaan aan de voorwaarden van lid 1 van deze richtlijn (arrest van 4 mei 2023, ALD Automotive, C‑78/22, EU:C:2023:379, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Evenwel moet worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van de in de punten 30 tot en met 32 van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen niet blijkt dat deze bepalingen de voorwaarden regelen waaronder de schuldvorderingen die overeenkomen met deze interesten en met dit vaste bedrag in voorkomend geval kunnen tenietgaan, met name omdat – zoals in het hoofdgeding – de hoofdschuld waaruit zij voortvloeien, verdwijnt.
35 Deze letterlijke uitlegging vindt steun in de context van deze bepalingen. Het is juist dat richtlijn 2011/7 bepaalt dat het recht van de schuldeiser op deze interesten en dit vaste bedrag ontstaat uit een „betalingsachterstand”. Zoals blijkt uit de definitie in artikel 2, punt 4, van richtlijn 2011/7, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, ervan, duidt dit begrip op een betaling die niet is verricht binnen de contractuele en wettelijke betalingstermijn, wanneer de schuldeiser zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld en het verschuldigde bedrag niet op de vervaldag heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging.
36 Bovendien wordt het begrip „verschuldigd bedrag” in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn in artikel 2, punt 8, ervan gedefinieerd als de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan, inclusief toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten.
37 Noch deze definities, noch de definitie van het begrip „interest voor betalingsachterstand” in artikel 2, punt 5, noch overigens enige andere bepaling van die richtlijn, regelen echter de voorwaarden waaronder schuldvorderingen die overeenkomen met deze interesten en met dit vaste bedrag in voorkomend geval kunnen tenietgaan.
38 De uitlegging in punt 34 van het onderhavige arrest vindt ook steun in het doel van richtlijn 2011/7. Overeenkomstig artikel 1, lid 1, daarvan heeft deze richtlijn ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van het midden‑ en kleinbedrijf/kleine en middelgrote ondernemingen te versterken.
39 In dit verband volgt uit overweging 3 van deze richtlijn dat betalingsachterstanden een negatieve uitwerking op de liquiditeit van ondernemingen hebben, het financiële beheer ervan bemoeilijken en gevolgen hebben voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid. Evenzo kunnen deze vertragingen volgens overweging 12 van die richtlijn financieel aantrekkelijk zijn voor schuldenaren wanneer daar geen voldoende hoge interesten voor hoeven te worden betaald.
40 Zo heeft het Hof geoordeeld dat deze richtlijn er hoofdzakelijk op gericht is de schuldeiser te beschermen tegen betalingsachterstanden en dergelijke achterstanden te ontmoedigen [zie in die zin arrest van 1 december 2022, X (Levering van medisch materiaal), C‑419/21, EU:C:2022:948, punt 26].
41 Uit de rechtspraak volgt evenwel ook dat richtlijn 2011/7, om de doelstelling van artikel 1, lid 1, ervan na te streven, geen volledige harmonisatie van alle regels op het gebied van betalingsachterstanden bij handelstransacties voorschrijft [arrest van 20 oktober 2022, A (Geen invordering van vertragingsrente), C‑406/21, EU:C:2022:816, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Deze richtlijn bevat immers alleen enkele regels ter zake vastgesteld, waaronder de regels met betrekking tot vertragingsrente en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten [arrest van 20 oktober 2022, A (Geen invordering van vertragingsrente), C‑406/21, EU:C:2022:816, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43 Uit een en ander volgt dat, zoals ook de advocaat-generaal in de punten 39 en 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, richtlijn 2011/7 niet beoogt een algemeen rechtskader voor verbintenissen uit overeenkomst tot stand te brengen, maar enkel bepaalde specifieke regels voorschrijft die in het nationale burgerlijk en handelsrecht moeten worden opgenomen.
44 Bijgevolg staat het de lidstaten, zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vrij om regelingen vast te stellen voor mechanismen inzake het tenietgaan van schuldvorderingen zoals bedoeld in richtlijn 2011/7 die interest betreffen voor betalingsachterstand en het daarin vastgestelde vaste bedrag, zoals een verrekeningsmechanisme, maar onder het voorbehoud dat zij de doelstellingen van richtlijn 2011/7 niet veronachtzamen en deze laatste niet van haar nuttig effect beroven (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C‑256/15, EU:C:2016:954, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In casu is de verwijzende rechter in wezen van oordeel dat de terugwerkende kracht die op grond van het nationale recht automatisch aan een verrekeningsverklaring is verbonden, onverenigbaar kan zijn met deze richtlijn, die vereist dat de schuldeiser het recht wordt toegekend om interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten in rekening te brengen wanneer de betaling van zijn schuldvordering heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de contractueel overeengekomen termijn.
46 Aangezien de wederzijdse schuldvorderingen in dit verband niet tenietgaan op de datum van de verrekeningsverklaring, maar overeenkomstig artikel 499 van het burgerlijk wetboek op de, eerdere, datum waarop verrekening mogelijk is geworden, kan aan deze schuldvorderingen geen recht worden ontleend op interest voor betalingsachterstand vanaf de datum waarop zij tenietgaan.
47 Aangezien een verrekeningsverklaring met terugwerkende kracht niet leidt tot het verlies van een recht op die interesten, maar tot gevolg heeft dat dit recht wordt geacht nooit te hebben bestaan, is het overigens van weinig belang dat de schuldvorderingen die het voorwerp van een verrekening uitmaken, in geval van betalingsachterstand, aanleiding hadden kunnen geven tot interesten die werden berekend op basis van verschillende tarieven naargelang het bij de betrokken schuldvorderingen op grond van hun juridische karakter ging om een contractuele schuldvordering of een schadevergoedingsvordering.
48 Wat betreft het feit dat de schuldeiser tot wie een verrekeningsverklaring is gericht, na een dergelijke verklaring met terugwerkende kracht, geen recht heeft op vergoeding voor gemaakte invorderingskosten, zij eraan herinnerd dat richtlijn 2011/7, met name artikel 6, leden 1 en 2, ervan, niet alleen ten doel heeft betalingsachterstanden te ontmoedigen door te voorkomen dat zij financieel interessant zijn voor de schuldenaar doordat er in een dergelijke situatie lage of geen interest in rekening wordt gebracht, maar ook om de schuldeiser doeltreffend te beschermen tegen dergelijke achterstanden door hem een zo volledig mogelijke schadeloosstelling te bieden voor zijn invorderingskosten (zie in die zin arrest van 20 oktober 2022, BFF Finance Iberia, C‑585/20, EU:C:2022:806, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Niettemin blijkt uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat het recht op het vaste minimumbedrag waarin deze bepaling voorziet, onder dezelfde voorwaarden ontstaat als die in artikel 3 waaronder de interest voor betalingsachterstand verschuldigd wordt. Bijgevolg kan er geen recht op een dergelijk vast bedrag ontstaan zonder dat er een recht op dergelijke interesten bestaat.
50 Het is juist dat een schuldeiser, wanneer hij niet binnen de vastgestelde termijn wordt betaald, stappen kan ondernemen om zijn schuldvordering te innen en aldus bepaalde kosten maakt die hij als gevolg van de terugwerkende kracht van de verrekeningsverklaring niet zal kunnen terugvorderen. Elke normaal geïnformeerde ondernemer-schuldeiser moet echter een dergelijke mogelijkheid van verrekening overwegen zodra deze tegelijkertijd schuldenaar en schuldeiser van een andere onderneming wordt.
51 In casu was, zoals blijkt uit de punten 14 en 18 van het onderhavige arrest, de betalingstermijn van de vordering tot schadevergoeding, zoals vennootschap C. in haar aanmaningsbrief van 15 februari 2022 had gesteld, verstreken op 7 maart 2022, terwijl de tien schuldvorderingen van vennootschap E. op vennootschap C. voortvloeiden uit facturen waarin betalingstermijnen waren opgenomen die tussen februari en september 2022 verstreken. In dergelijke omstandigheden was, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, de mogelijkheid dat vennootschap C. met een verrekeningsverklaring zou komen voor de schuldvorderingen van vennootschap E. die dateerden van na 7 maart 2022, geheel voorzienbaar.
52 Daarentegen zouden, zoals de Nederlandse regering in wezen heeft uiteengezet, de doelstellingen van richtlijn 2011/7 niet in acht worden genomen indien eventuele rente en invorderingskosten die zijn ontstaan vóórdat de verrekening volgens de relevante nationale bepalingen mogelijk werd, niet langer aan de betrokken partij verschuldigd zouden zijn omdat er verrekening heeft plaatsgevonden.
53 In een dergelijk geval moet de schuldeiser beschikken over de in deze richtlijn bedoelde rechten en derhalve moet hij de interest voor betalingsachterstand over de verschuldigde hoofdsom ontvangen tot de datum waarop verrekening mogelijk is geworden, alsmede een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten die tot die datum zijn gemaakt.
54 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling krachtens welke de wettelijke interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten niet aan de schuldeiser verschuldigd zijn wanneer de schuldenaar het verschuldigde bedrag heeft voldaan door middel van een verrekeningsverklaring die nochtans is gedaan na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn, wegens de terugwerkende kracht van die verklaring tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden.
Kosten
55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1 en lid 3, onder a), en artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling krachtens welke de wettelijke interest voor betalingsachterstand en een vergoeding voor gemaakte invorderingskosten niet aan de schuldeiser verschuldigd zijn wanneer de schuldenaar het verschuldigde bedrag heeft voldaan door middel van een verrekeningsverklaring die nochtans is gedaan na het verstrijken van de contractueel overeengekomen betalingstermijn, wegens de terugwerkende kracht van die verklaring tot op het tijdstip waarop de verrekening mogelijk is geworden.
ondertekeningen
* Procestaal: Pools.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2025, C-246/24, ECLI:EU:C:2025:295
- HvJ EU 4 mei 2023, C-78/22, ECLI:EU:C:2023:379
- HvJ EU 1 december 2022, C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948
- HvJ EU 20 oktober 2022, C-585/20, ECLI:EU:C:2022:806
- HvJ EU 20 oktober 2022, C-406/21, ECLI:EU:C:2022:816
- HvJ EU 15 december 2016, C-256/15, ECLI:EU:C:2016:954