HvJ EU 20 april 2023, C-291/21, ECLI:EU:C:2023:299

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

20 april 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 655/2014 – Procedure voor een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen – Voorwaarden voor de uitvaardiging van een dergelijk bevel – Artikel 4 – Begrip ‚rechterlijke beslissing’ – Artikel 7 – Begrip ‚rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen’ – Rechterlijke beslissing waarbij een schuldenaar wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving van een bevel tot staking – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 55 – Werkingssfeer”

In zaak C‑291/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de juge des saisies du tribunal de première instance de Liège (beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Luik, België) bij beslissing van 6 mei 2021, ingekomen bij het Hof op 7 mei 2021, in de procedure ingeleid door

Starkinvest SRL

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, M. L. Arastey Sahún, F. Biltgen (rapporteur), N. Wahl en J. Passer, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 juni 2022,

gelet op de opmerkingen van:

– Starkinvest SRL, vertegenwoordigd door V. Lamberts en A. Palmisano, advocaten,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 2022,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 en artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59), alsook van artikel 55 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een door Starkinvest SRL ingeleide procedure tot tenuitvoerlegging, door middel van een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (hierna: „bevel tot conservatoir beslag”), van een rechterlijke beslissing waarbij de betaling van een dwangsom wordt gelast in geval van schending van het tegen Soft Paris EURL en Soft Paris Parties LTD uitgesproken bevel tot staking.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1215/2012

3 Artikel 39 van verordening nr. 1215/2012 luidt: „Een in een lidstaat gegeven beslissing die in die lidstaat uitvoerbaar is, is in andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.”

4 Artikel 55 van deze verordening bepaalt: „De in een lidstaat gegeven beslissingen die een veroordeling tot betaling van een dwangsom inhouden, kunnen in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer worden gelegd wanneer het bedrag ervan door het gerecht van herkomst definitief is bepaald.”

Verordening nr. 655/2014

5 In de overwegingen 12 en 14 van verordening nr. 655/2014 staat te lezen: „(12) Het bevel tot conservatoir beslag dient beschikbaar te zijn voor het veiligstellen van vorderingen die reeds opeisbaar zijn. Het dient ook beschikbaar te zijn voor vorderingen die nog niet opeisbaar zijn, mits deze vorderingen hun oorsprong vinden in een transactie of een gebeurtenis die zich reeds heeft voorgedaan en het bedrag ervan kan worden vastgesteld, waaronder vorderingen wegens verbintenissen uit onrechtmatige daad en op strafbare feiten gegronde rechtsvorderingen tot schadevergoeding of tot teruggave. […] (14) Het bevel tot conservatoir beslag mag slechts worden uitgevaardigd onder voorwaarden die een juist evenwicht bewerkstelligen tussen het belang van de schuldeiser dat hij een bevel verkrijgt en het belang van de schuldenaar dat het bevel niet wordt misbruikt. Bijgevolg moet de schuldeiser, indien hij om een bevel tot conservatoir beslag verzoekt voordat hij een rechterlijke beslissing heeft verkregen, ten genoegen van het gerecht waar het verzoek is ingediend kunnen aantonen dat hij de procedure betreffende het bodemgeschil tegen de schuldenaar waarschijnlijk zal winnen. Verder moet de schuldeiser worden verplicht in alle gevallen, ook als hij reeds een rechterlijke beslissing heeft verkregen, het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering dringend gerechtelijk moet worden beschermd en dat de tenuitvoerlegging van de bestaande of toekomstige rechterlijke beslissing zonder het bevel waarschijnlijk verhinderd of ernstig bemoeilijkt zou worden wegens het reële risico dat de schuldenaar, tegen de tijd dat de schuldeiser de bestaande of een toekomstige rechterlijke beslissing ten uitvoer kan doen leggen, zijn tegoeden zal hebben verspild, verborgen of vernietigd, dan wel onder de waarde, in ongebruikelijke mate of door ongebruikelijke handelingen, zal hebben vervreemd. […]”

6 Artikel 4 („Definities”) van deze verordening bepaalt in de punten 5, 8 en 11: „In deze verordening wordt verstaan onder: […] 5. ‚vordering’, een vordering tot betaling van een bepaalde, opeisbare geldschuld, of tot betaling van een bepaalbare geldschuld die voortvloeit uit een transactie of een gebeurtenis welke reeds heeft plaatsgevonden, mits de vordering in rechte kan worden aangebracht; […] 8. ‚rechterlijke beslissing’, elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, alsmede de vaststelling van het bedrag van de proceskosten door de griffier; […] 11. ‚lidstaat van herkomst’, de lidstaat waar het bevel tot conservatoir beslag is uitgevaardigd”.

7 Artikel 5 („Beschikbaarheid”) van die verordening is verwoord als volgt: „De schuldeiser kan in de volgende gevallen een bevel tot conservatoir beslag verkrijgen: a) vóór of tijdens elke fase van een door hem in een lidstaat tegen de schuldenaar ingestelde procedure betreffende het bodemgeschil, zolang geen rechterlijke beslissing is gegeven of geen gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen; b) nadat hij in een lidstaat een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen.”

8 Artikel 6, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt: „Indien de schuldeiser reeds een rechterlijke beslissing of gerechtelijke schikking heeft verkregen, zijn de gerechten van de lidstaat waar de rechterlijke beslissing is gegeven of de gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen, bevoegd een bevel tot conservatoir beslag betreffende de in de rechterlijke beslissing of gerechtelijke schikking bedoelde vordering uit te vaardigen.”

9 Artikel 7 („Voorwaarden voor het uitvaardigen van een bevel tot conservatoir beslag”) van verordening nr. 655/2014 luidt: „1. Het gerecht vaardigt het bevel tot conservatoir beslag uit indien de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt om het gerecht ervan te overtuigen dat er dringend behoefte bestaat aan een bewarende maatregel in de vorm van een bevel tot conservatoir beslag, gelet op het reële risico dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt. 2. Indien de schuldeiser in een lidstaat nog geen rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen, verstrekt de schuldeiser tevens voldoende bewijsmateriaal om het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.”

10 Artikel 8, lid 2, onder g), ii), van deze verordening is geformuleerd als volgt: „Het verzoek [om een bevel tot conservatoir beslag] bevat de volgende elementen: […] g) het bedrag waarvoor om het bevel tot conservatoir beslag wordt verzocht: […] ii) indien de schuldeiser reeds een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen, het in de rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte bepaalde bedrag van de hoofdvordering of een onderdeel daarvan en alle rente en kosten die overeenkomstig artikel 15 kunnen worden geïnd”.

11 Artikel 17, lid 1, van die verordening bepaalt: „Het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, onderzoekt of aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en vereisten is voldaan.”

12 Diezelfde verordening doet volgens artikel 48, onder b), ervan geen afbreuk aan de toepassing van verordening nr. 1215/2012.

Belgisch recht

13 Bij wet van 31 januari 1980 (Belgisch Staatsblad van 20 februari 1980, blz. 2181) heeft de Belgische wetgever de op 26 november 1973 in Den Haag ondertekende Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom en de bijlage daarbij (Eenvormige wet betreffende de dwangsom) goedgekeurd. Sindsdien wordt de dwangsom beheerst door de artikelen 1385 bis tot en met 1385 nonies van het Gerechtelijk Wetboek.

14 Artikel 1385 bis van dit wetboek luidt: „De rechter kan op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. […]”

15 Artikel 1385 ter van dat wetboek bepaalt: „De rechter kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan de rechter eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.”

16 In artikel 1385 quater van dat wetboek is het volgende opgenomen: „De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.”

17 Artikel 1498 van het gerechtelijk wetboek luidt: „In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging kan iedere belanghebbende partij zich wenden tot de beslagrechter, evenwel zonder dat het instellen van deze vordering schorsende kracht heeft. De beslagrechter beveelt de opheffing van het beslag indien daartoe grond bestaat.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 Bij vonnis van de tribunal de commerce de Liège (rechtbank van koophandel Luik, België) van 3 september 2013, bevestigd bij arrest van de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) van 6 januari 2015, zijn Soft Paris en Soft Paris Parties onder andere ertoe veroordeeld het in de handel brengen van hun producten en diensten op het grondgebied van de Benelux onder het woordmerk SOFT PARIS op straffe van betaling van een dwangsom van 2500 EUR bij elke inbreuk te staken.

19 Op 27 april 2021 heeft Starkinvest verzocht om een betalingsbevel voor een bedrag van 86694,22 EUR, waarvan 85000 EUR als dwangsom voor het tijdvak van 24 maart 2021 tot en met 27 april 2021.

20 Bij een verzoekschrift dat op 3 mei 2021 ter griffie van de tribunal de première instance de Liège (rechtbank van eerste aanleg Luik, België) is neergelegd, heeft Starkinvest verzocht om machtiging tot het leggen van Europees conservatoir beslag op bankrekeningen voor een bedrag van 85000 EUR, ter zake van alle bedragen die zich mogelijk bevinden op de Franse bankrekeningen van de vennootschap Soft Paris Parties, waarvan de maatschappelijke zetel zich in Ierland bevindt.

21 Bij het onderzoek van de voorwaarden voor de uitvaardiging van een bevel tot conservatoir beslag op deze bankrekeningen heeft de verwijzende rechter – de juge des saisies du tribunal de première instance de Liège (beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Luik, België) – opgemerkt dat bij artikel 7 van verordening nr. 655/2014 een regeling is ingevoerd die onderscheid maakt tussen twee gevallen: een eerste geval, waarin de schuldeiser reeds over een uitvoerbare titel beschikt en dus is vrijgesteld van de verplichting om de gegrondheid van zijn vordering te rechtvaardigen, en een tweede geval, waarin de schuldeiser niet over een dergelijke titel beschikt, zodat hij het bewijs moet leveren dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

22 Hieruit volgt volgens de verwijzende rechter dat het onderzoek dat hij in de onderhavige zaak dient te verrichten afhangt van de vraag of Starkinvest zich kan beroepen op het arrest van de cour d’appel de Liège van 6 januari 2015 als uitvoerbare titel, dat wil zeggen een rechterlijke beslissing „op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014.

23 In dit verband benadrukt de verwijzende rechter dat dit arrest, waarbij Starkinvest wordt gelast dwangsommen te betalen in geval van niet-naleving van het bevel tot staking, niet het exacte bedrag van de dwangsommen omvat, aangezien dit bedrag per definitie nog niet bekend was op de dag van dat arrest. Evenwel is het naar Belgisch recht niet nodig om vóór het conservatoire beslag het bedrag van de dwangsommen te laten bepalen omdat de beslissing waarbij de betaling van dwangsommen wordt gelast, uitvoerbaar en betekend is. De bevoegde rechter beslist uitsluitend over deze kwestie in het kader van verzet tegen het beslag dat is gelegd.

24 Bij de verwijzende rechter rijst de vraag of een dwangsom waarvan het beginsel en het basisbedrag zijn vastgesteld in een rechterlijke beslissing maar waarvan het verschuldigde bedrag afhangt van de eventuele toekomstige inbreuken van de schuldenaar, als een „vordering” in de zin van artikel 4 van verordening nr. 655/2014 kan worden beschouwd, aangezien het begrip „vordering” in die bepaling wordt gedefinieerd als „een vordering tot betaling van een bepaalde, opeisbare geldschuld, of tot betaling van een bepaalbare geldschuld die voortvloeit uit een transactie of een gebeurtenis welke reeds heeft plaatsgevonden, mits de vordering in rechte kan worden aangebracht”.

25 Zo ja, dan zou dit volgens de verwijzende rechter in essentie betekenen dat een rechterlijke beslissing tot oplegging van een dwangsom kan worden beschouwd als een rechterlijke beslissing „op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014, en zou aan de rechter van de lidstaat van herkomst bij wie een verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, elke bevoegdheid worden ontnomen om na te gaan of de ingeroepen vordering geldig is. Door een controle van de schuldvordering zou de aangezochte rechter nochtans kunnen verifiëren of de dwangsom waarvoor om een bevel tot conservatoir beslag wordt verzocht, inderdaad waarschijnlijk verschuldigd is, of er geen verjaringstermijn van toepassing is en of alle procedureregels zijn nageleefd, ook die betreffende het informatieve karakter van de betekening van de opgelegde dwangsom, aldus de verwijzende rechter.

26 Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of bij de te geven uitlegging rekening moet worden gehouden met artikel 55 van verordening nr. 1215/2012, aangezien dit artikel bepaalt dat de in een lidstaat gegeven beslissingen die een veroordeling tot betaling van een dwangsom inhouden, in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer kunnen worden gelegd wanneer het bedrag ervan door het gerecht van herkomst definitief is bepaald.

27 Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of het bedrag van de dwangsom vooraf moet zijn bepaald, voor zover wordt aangenomen dat een rechterlijke beslissing tot oplegging van een dwangsom moet worden aangemerkt als een rechterlijke beslissing „op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014, en dat het voorhanden zijn van een dergelijke uitvoerbare titel tot gevolg heeft dat aan de rechter die belast is met het al dan niet toestaan van een Europees conservatoir derdenbeslag, zijn beoordelingsbevoegdheid wordt ontnomen met betrekking tot de toetsing van een schuldvordering.

28 In die omstandigheden heeft de juge des saisies du tribunal de première instance de Liège de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vormt een betekende rechterlijke beslissing waarbij een partij wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving van een bevel tot staking een rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen in de zin van artikel 7, lid 2, van [verordening nr. 655/2014]? 2) Valt een rechterlijke beslissing waarbij een partij wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom die uitvoerbaar is in het land van herkomst, onder het begrip ‚rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 4 van [verordening nr. 655/2014], ook al is het bedrag van deze dwangsom niet overeenkomstig artikel 55 van [verordening nr. 1215/2012] bepaald?”

Procedure bij het Hof

29 De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen volgens de versnelde procedure.

30 Tot staving van zijn verzoek heeft hij zich beroepen op de aard van het bij hem aanhangig gemaakte verzoek om een conservatoir derdenbeslag en op het feit dat het geding wordt geschorst in afwachting van de door het Hof te geven uitlegging.

31 Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dit Reglement.

32 In casu heeft de president van het Hof op 14 juni 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure afgewezen op grond dat de redenen die door de verwijzende rechter zijn aangevoerd niet de slotsom kunnen dragen dat de in artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering neergelegde voorwaarden in deze zaak zijn vervuld.

33 De versnelde procedure betreft namelijk een procedureel instrument dat is bedoeld om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het enkele belang van justitiabelen, hoe legitiem ook, dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld, dan wel louter economische belangen, hoe gewichtig en legitiem ook, kunnen op zich niet de toepassing van een versnelde procedure rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 11 november 2021, Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf, C‑938/19, EU:C:2021:908, punten 43 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Beantwoording van de prejudiciële vragen

34 Met zijn twee prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke beslissing waarbij een schuldenaar wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving in de toekomst van een bevel tot staking en waarin het bedrag van die dwangsom dus niet definitief wordt vastgesteld, een rechterlijke beslissing is op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen, zodat de schuldeiser die om een bevel tot conservatoir beslag verzoekt, vrijgesteld is van de verplichting om voldoende bewijs over te leggen teneinde de rechter ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

35 In dit verband volgt uit artikel 17, lid 1, van verordening nr. 655/2014 dat het gerecht waar het verzoek om een bevel tot conservatoir beslag is ingediend, moet onderzoeken of aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en vereisten is voldaan.

36 De voorwaarden voor de uitvaardiging van een bevel tot conservatoir beslag zijn opgenomen in artikel 7 van verordening nr. 655/2014. Lid 1 van dit artikel, gelezen in het licht van lid 2 ervan, bepaalt in wezen dat het aangezochte gerecht een bevel tot conservatoir beslag uitvaardigt indien een schuldeiser die een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar zijn vordering moet voldoen, voldoende bewijsmateriaal verstrekt om aan te tonen dat er dringend behoefte bestaat aan een bewarende maatregel. Indien de schuldeiser een dergelijke beslissing, schikking of akte nog niet heeft verkregen, moet hij volgens lid 2 van artikel 7 voldoende bewijsmateriaal verstrekken om aan te tonen dat de gevraagde maatregel dringend is en dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

37 Bovendien moet worden opgemerkt dat de in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 gebruikte termen „vordering” en „rechterlijke beslissing” zijn gedefinieerd in respectievelijk de punten 5 en 8 van artikel 4 van die verordening.

38 In artikel 4, punt 5, van verordening nr. 655/2014 wordt het begrip „vordering” gedefinieerd als „een vordering tot betaling van een bepaalde, opeisbare geldschuld, of tot betaling van een bepaalbare geldschuld die voortvloeit uit een transactie of een gebeurtenis welke reeds heeft plaatsgevonden, mits de vordering in rechte kan worden aangebracht”.

39 Hoewel een bevel tot conservatoir beslag beschikbaar is voor het veiligstellen van reeds opeisbare vorderingen, moet dit dus ook het geval zijn voor vorderingen die nog niet opeisbaar zijn, mits deze vorderingen hun oorsprong vinden in een transactie of gebeurtenis die zich reeds heeft voorgedaan en het bedrag ervan kan worden vastgesteld op het moment dat zij met het oog op de uitvaardiging van dat bevel in rechte worden aangebracht.

40 De in artikel 4, punt 5, van verordening nr. 655/2014 bedoelde nog niet opeisbare vorderingen omvatten de vorderingen wegens verbintenissen uit onrechtmatige daad en op strafbare feiten gegronde rechtsvorderingen tot schadevergoeding of tot teruggave, zoals in overweging 12 van die verordening wordt uiteengezet. De vordering die ten grondslag ligt aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijke beslissing tot oplegging van een dwangsom valt evenwel niet onder die categorieën.

41 Zoals de advocaat-generaal in de punten 65 en 66 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de in artikel 4, punt 5, van verordening nr. 655/2014 bedoelde transactie of gebeurtenis die aanleiding geeft tot de nog niet opeisbare schuldvordering namelijk voorafgaan aan de vaststelling van de in artikel 7, lid 2, van die verordening bedoelde rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen. Dit is hier kennelijk niet het geval, want de niet-naleving van het bevel tot staking die kan leiden tot betaling van een dwangsom kan pas na de rechterlijke beslissing tot oplegging van de dwangsom plaatsvinden.

42 De term „rechterlijke beslissing”, die in artikel 4, punt 8, van verordening nr. 655/2014 wordt gedefinieerd als „elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming”, moet aldus worden uitgelegd dat deze beslissing uitvoerbaar moet zijn [zie in die zin arrest van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen), C‑555/18, EU:C:2019:937, punt 44].

43 Gelet op het voorgaande moet de „rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in artikel 7 van verordening nr. 655/2014 worden opgevat als een uitvoerbare beslissing waarbij de schuldenaar wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag dat bepaald of bepaalbaar is op de datum waarop die beslissing wordt gegeven.

44 Zoals de advocaat-generaal in de punten 62, 63 en 73 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, bevat een rechterlijke beslissing waarbij een basisbedrag wordt vastgesteld voor de bij niet-naleving van een bevel tot staking op te leggen dwangsom – gesteld dat die beslissing uitvoerbaar is – weliswaar een veroordeling tot een theoretisch bepaalbaar bedrag, maar kan die beslissing niet het precieze bedrag van de te innen schuldvordering bevatten. Dit bedrag hangt namelijk af van toekomstige gebeurtenissen en is dus niet bekend op de datum van vaststelling van de rechterlijke beslissing waarbij die dwangsom wordt opgelegd.

45 De in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 gebruikte uitdrukking „rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” moet dan ook in haar context worden gelezen, rekening houdend met de bepalingen die voorafgaan aan en volgen op artikel 7, lid 2.

46 Zo bepaalt artikel 6, lid 3, van verordening nr. 655/2014 uitdrukkelijk dat wanneer de schuldeiser reeds een rechterlijke beslissing heeft verkregen, de gerechten van de lidstaat waar de rechterlijke beslissing is gegeven, bevoegd zijn om „een bevel tot conservatoir beslag betreffende de in de rechterlijke beslissing […] bedoelde vordering uit te vaardigen”.

47 Evenzo kan de schuldeiser overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder g), ii), van verordening nr. 655/2014 verzoeken dat een bevel tot conservatoir beslag wordt uitgevaardigd voor „het in de rechterlijke beslissing […] bepaalde bedrag van de hoofdvordering of een onderdeel daarvan”.

48 Aangezien een rechterlijke beslissing waarbij een partij wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving in de toekomst van een bevel tot staking niet het precieze bedrag van de te innen vordering bevat, kan zij dus geen „rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 zijn, die de schuldeiser vrijstelt van de verplichting om voldoende bewijs over te leggen teneinde de rechter bij wie een verzoek om een dergelijk bevel is ingediend ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

49 Deze uitlegging vindt steun in de doelstellingen van verordening nr. 655/2014, die een Unieprocedure moest instellen om, als alternatief voor de bewarende maatregelen waarin het nationale recht voorziet, met behulp van bindende en rechtstreeks toepasselijke bepalingen op efficiënte en prompte wijze conservatoir beslag te kunnen leggen op tegoeden op bankrekeningen [zie in die zin arrest van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen), C‑555/18, EU:C:2019:937, punten 31 en 32].

50 Artikel 7 van verordening nr. 655/2014, gelezen in samenhang met overweging 14 ervan, beoogt namelijk een juist evenwicht te bewerkstelligen tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar, in die zin dat dit artikel voorziet in verschillende voorwaarden voor het uitvaardigen van het bevel tot conservatoir beslag al naargelang de schuldeiser in de lidstaat reeds een titel heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen of niet. In het bijzonder hoeft de schuldeiser in het eerste geval alleen aan te tonen dat de maatregel urgent is wegens dreigend gevaar, terwijl hij het gerecht in het tweede geval tevens moet overtuigen van de fumus boni juris [zie in die zin arrest van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen), C‑555/18, EU:C:2019:937, punt 40].

51 Zoals de advocaat-generaal in de punten 75 en volgende van zijn conclusie heeft benadrukt, zou een uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 volgens welke een veroordeling tot een theoretisch bepaalbaar bedrag waarvan het precieze bedrag onzeker blijft, een „rechterlijke beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van die bepaling vormt, afbreuk kunnen doen aan het in punt 50 van het onderhavige arrest bedoelde evenwicht tussen het belang van de schuldeiser dat hij een bevel tot conservatoir beslag verkrijgt en het belang van de schuldenaar dat dat bevel niet wordt misbruikt, zoals blijkt uit overweging 14 van deze verordening.

52 Bijgevolg is het vereiste dat het precieze bedrag van de te innen vordering wordt vastgesteld en dat de dwangsom dus vóór de betekening van het bevel tot conservatoir beslag wordt bepaald, gerechtvaardigd op grond van het vereiste juiste evenwicht tussen de belangen van de schuldeiser en die van de schuldenaar.

53 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Belgische recht afwijkt van de in de andere lidstaten geldende regels omdat het op het gebied van de dwangsom bepalingen toepast die zijn vastgesteld na de goedkeuring van de op 26 november 1973 in Den Haag ondertekende Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom.

54 Om de moeilijkheden te ondervangen die zouden kunnen voortvloeien uit de verschillen die op dit punt tussen de wetgevingen van de lidstaten bestaan, is in artikel 43 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) de regel opgenomen dat in den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, in de aangezochte lidstaat slechts ten uitvoer kunnen worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de lidstaat van herkomst definitief is bepaald. Deze regel is in dezelfde bewoordingen overgenomen in artikel 49 van verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), en is thans grotendeels overgenomen in artikel 55 van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Bohez, C‑4/14, EU:C:2015:563, punt 56).

55 Verordening nr. 655/2014 bevat weliswaar geen gelijkwaardige regel inzake de dwangsom, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de Uniewetgever de tenuitvoerlegging van de dwangsom van het toepassingsgebied van deze verordening heeft willen uitsluiten. Artikel 48, onder b), van die verordening bepaalt immers dat deze verordening geen afbreuk doet aan de toepassing van verordening nr. 1215/2012. Bovendien strookt het vereiste dat het precieze bedrag van de te innen vordering wordt vastgesteld en dat de dwangsom vooraf wordt bepaald, niet alleen met het door verordening nr. 655/2014 nagestreefde doel van doelmatigheid, maar is het ook verenigbaar met de belangenafweging die volgens deze verordening moet worden gemaakt (zie naar analogie arrest van 9 september 2015, Bohez, C‑4/14, EU:C:2015:563, punten 46 en 57).

56 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke beslissing waarbij een schuldenaar wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving in de toekomst van een bevel tot staking en waarin het bedrag van die dwangsom dus niet definitief wordt vastgesteld, geen rechterlijke beslissing is op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen in de zin van die bepaling, zodat de schuldeiser die om een bevel tot conservatoir beslag verzoekt, niet is vrijgesteld van de verplichting om voldoende bewijs over te leggen teneinde de rechter bij wie het verzoek om dat bevel is ingediend ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

Kosten

57 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken

moet aldus worden uitgelegd dat

een rechterlijke beslissing waarbij een schuldenaar wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving in de toekomst van een bevel tot staking en waarin het bedrag van die dwangsom dus niet definitief wordt vastgesteld, geen rechterlijke beslissing is op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen in de zin van die bepaling, zodat de schuldeiser die om een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen verzoekt, niet is vrijgesteld van de verplichting om voldoende bewijs over te leggen teneinde de rechter bij wie het verzoek om dat bevel is ingediend ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in