HvJ EU 30 april 2026, C-246/25, ECLI:EU:C:2026:362
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
30 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Addendum bij een hypothecaire leningsovereenkomst – Gevolgen van de nietigheid van dit addendum voor de geldigheid van deze overeenkomst – Beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid – Afschrikkende werking – Voorwaarden voor het voortbestaan van de overeenkomst – Verplichtingen van de nationale rechter”
In zaak C‑246/25 [Hańczynek] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 31 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 1 april 2025, in de procedure
AS
tegen
BNP Paribas Bank Polska S.A.,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele (rapporteur), kamerpresident, S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– AS, vertegenwoordigd door K. Pilawska en A. Zorski, adwokaci,
– BNP Paribas Bank Polska S.A., vertegenwoordigd door T. Spyra, P. Węc, radcowie prawni, en D. Wróbel, adwokat,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en A. Szmytkowska als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AS en BNP Paribas Bank Polska S.A. (hierna: „BNP Paribas”) over de gevolgen van het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen van een addendum bij een tussen AS en de rechtsvoorganger van BNP Paribas gesloten hypothecaire leningsovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 93/13
3 De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt: „Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Pools recht
6 Artikel 58 van de ustawa – Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”) bepaalt in lid 1: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de nietige bedingen van die rechtshandeling moeten worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”
7 Artikel 3851 van het burgerlijk wetboek luidt: „1. Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een kennelijke schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd. 2. Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig § 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden aan de overige bedingen van de overeenkomst.”
8 Artikel 3852 van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Bij de beoordeling of een contractueel beding in overeenstemming is met wat in het maatschappelijke verkeer betaamt, moet worden uitgegaan van de situatie op het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de inhoud ervan, de omstandigheden waarin de overeenkomst is gesloten en de overige overeenkomsten die verband houden met de overeenkomst waarin het onderzochte beding is opgenomen.”
9 Krachtens artikel 506, lid 1, van het burgerlijk wetboek gaat, indien de schuldenaar zich ten behoeve van de beëindiging van een verbintenis met instemming van de schuldeiser verbindt tot het verrichten van een andere prestatie of zelfs tot dezelfde prestatie, zij het op een andere rechtsgrond, de bestaande verbintenis teniet.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Op 3 januari 2007 heeft AS met de rechtsvoorganger van BNP Paribas een hypothecaire leningsovereenkomst gesloten ten belope van 415144,09 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 97000 EUR), ter financiering van de bouw van een onroerend goed, met een looptijd tot en met 20 december 2021. De rentevoet was in deze overeenkomst vastgesteld op 4,7 %, op basis van de referentierentevoet WIBOR 3M (Warsaw Interbank Offered Rate 3-month, de interbancaire rentevoet die in Warschau op 3 maanden werd aangeboden), vermeerderd met de marge van de betrokken bank.
11 Op 20 februari 2008 hebben de partijen bij die overeenkomst een addendum ondertekend, op grond waarvan het bedrag van de terug te betalen lening werd verhoogd tot 465144,09 PLN (ongeveer 108700 EUR).
12 Op 20 maart 2008 hebben deze partijen een tweede addendum bij die overeenkomst ondertekend (hierna: „addendum nr. 2”). Overeenkomstig § 1, lid 1, van addendum nr. 2 werd het bedrag van de terug te betalen lening omgezet in Zwitserse frank (CHF). § 2 van addendum nr. 2 bepaalde dat de rentevoet van deze lening werd vastgesteld op basis van de Libor 6M-referentie-index (London Interbank Offered Rate 6-month, de interbancaire rentevoet die in Londen op 6 maanden werd aangeboden), vermeerderd met de marge van de betrokken bank. Krachtens § 3, lid 1, van addendum nr. 2 diende de lening te worden terugbetaald in PLN, waarbij de bedragen van de maandelijkse aflossingen werden berekend op basis van de verkoopkoers van deze valuta zoals die gold bij deze bank op het moment van de aflossing van de betrokken maandelijkse termijn. Bovendien bepaalde § 3, lid 2, van addendum nr. 2 dat de rente, vergoedingen en commissielonen werden opgebouwd in de kredietvaluta en moesten worden betaald in PLN onder toepassing van de verkoopkoers van de bank op het tijdstip van aflossing. § 3, lid 5, van addendum nr. 2 bepaalde dat de kredietnemer ervan in kennis was gesteld dat hij het wisselkoersrisico droeg. Ten slotte werd in § 5 van addendum nr. 2 de looptijd van de lening herzien en vastgesteld op 20 december 2026.
13 Op 13 februari 2015 hebben de partijen bij de hypothecaire leningsovereenkomst in het hoofdgeding addendum nr. 3 bij die overeenkomst gesloten, waarbij AS het recht werd toegekend om de maandelijkse aflossingen rechtstreeks in Zwitserse frank te betalen.
14 Na terugbetaling van 350088,07 PLN en 83920,95 CHF (in totaal ongeveer 171800 EUR) heeft AS op 25 november 2022 bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van de in addendum nr. 2 opgenomen indexeringsbedingen en subsidiair tot nietigverklaring van de hypothecaire leningsovereenkomst in het hoofdgeding in haar geheel.
15 De verwijzende rechter is van oordeel dat de bedingen in de §§ 1 en 3 van addendum nr. 2 oneerlijk zijn in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, voor zover zij het wisselkoersrisico volledig bij de kredietnemer leggen. Voor het overige wijst hij erop dat addendum nr. 2 zonder die bedingen niet kan voortbestaan.
16 Deze rechter merkt op dat volgens de rechtspraak van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) de nietigheid van een addendum bij een hypothecaire leningsovereenkomst tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst die bij dat addendum zijn gewijzigd, opnieuw van kracht worden, zonder dat de geldigheid van de overeenkomst zelf ter discussie wordt gesteld.
17 De nietigverklaring van alleen het addendum die voortvloeit uit het oneerlijke karakter van de daarin opgenomen bedingen, volstaat dus om de doelstelling van consumentenbescherming, zoals neergelegd in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, te verwezenlijken, aangezien de betrokken consument bijgevolg niet langer door die bedingen is gebonden. Hoe dan ook is de nietigheid van de overeenkomst in haar geheel als gevolg van deze vaststelling onevenredig aan de verwezenlijking van dat doel.
18 De verwijzende rechter wijst evenwel op de risico’s die het herstel van de bedingen van de oorspronkelijke overeenkomst met zich meebrengt voor de afschrikkende werking die de schrapping van oneerlijke bedingen zou moeten hebben op het gedrag van verkopers. Enerzijds wordt een verkoper niet benadeeld voor het gebruik van oneerlijke bedingen. In bepaalde omstandigheden kan hij zelfs voordeel halen uit de vervanging van de oneerlijke bedingen door de bedingen van de oorspronkelijke overeenkomst. Anderzijds heeft de nietigheid van de overeenkomst in haar geheel economische gevolgen die gunstig zijn voor de betrokken consument, met name wanneer de schuldvordering van de kredietgever is verjaard.
19 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of de vaststelling van de nietigheid van de overeenkomst gerechtvaardigd kan zijn wanneer deze louter voortvloeit uit een kwantitatieve economische beoordeling van de voordelen die de betrokken consument aan die nietigheid ontleent.
20 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] en de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van nationale bepalingen volgens welke, indien wordt vastgesteld dat een addendum bij een overeenkomst oneerlijke contractuele bedingen bevat die tot de nietigheid van dit addendum leiden, het addendum wordt geacht nooit te zijn overeengekomen en de overeenkomst wordt geacht van meet af aan ongewijzigd van kracht te zijn geweest?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale rechtspraak volgens welke de vaststelling van de nietigheid van een addendum bij een tussen een verkoper en een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst wegens de aanwezigheid van oneerlijke bedingen, tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst die door dat addendum werden vervangen, worden hersteld.
Ontvankelijkheid
22 BNP Paribas betoogt dat de gestelde vraag niet-ontvankelijk is, aangezien de beslechting van het hoofdgeding uitsluitend afhangt van de toepassing van de bepalingen van Pools recht.
23 In dit verband staat het niet aan het Hof om in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU het nationale recht uit te leggen en toe te passen, aangezien dit uitsluitend de taak van de verwijzende rechter is (arrest van 26 oktober 2023, EDP – Energias de Portugal e.a., C‑331/21, EU:C:2023:812, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 De bij dat artikel ingestelde procedure is evenwel een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in het bij hen aanhangige geding (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Verder moeten de lidstaten weliswaar volgens artikel 6, lid 1, eerste zinsnede, van richtlijn 93/13 bepalen dat oneerlijke bedingen „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden, maar mag een nationaal regelingskader voor de door die richtlijn aan consumenten geboden bescherming niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen [arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van een overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
26 In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of de toepassing van nationale rechtspraak in het kader van een bij hem aanhangig geding de verwezenlijking van de in richtlijn 93/13 neergelegde doelstelling van afschrikking en de doeltreffendheid van de door deze richtlijn gewaarborgde consumentenbescherming in de weg kan staan.
27 De beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding hangt derhalve af van de uitlegging door het Hof van de bepalingen van deze richtlijn en van het doeltreffendheidsbeginsel, zodat de gestelde vraag ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
28 Volgens artikel 6, lid 1, eerste zinsnede, van richtlijn 93/13 binden oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht van de lidstaten geldende voorwaarden de consument niet.
29 Wat dat betreft mag een nationaal regelingskader voor de door richtlijn 93/13 aan de consument geboden bescherming niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen [zie in die zin arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van een overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 In dit kader staat het aan de lidstaten om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers”, zoals artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt [zie in die zin arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van de overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31 Derhalve staat het weliswaar aan de lidstaten om door middel van hun nationale recht de modaliteiten te bepalen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en de concrete rechtsgevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, maar dit neemt niet weg dat een dergelijke vaststelling het mogelijk moet maken om de situatie te herstellen waarin de consument zich juridisch en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen [zie in die zin arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van een overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32 De nationale rechterlijke instanties dienen oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [zie in die zin arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van een overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33 Hieruit volgt dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is, in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument juridisch en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld [arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van een overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat volgens de rechtspraak van de Sąd Najwyższy de nietigheid van het tweede addendum tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke bedingen van de hypothecaire leningsovereenkomst in het hoofdgeding, die door dat addendum zijn vervangen, worden hersteld. Dit herstel maakt het mogelijk deze overeenkomst te laten voortbestaan, terwijl volgens de verwijzende rechter de nietigheid ervan in haar geheel onevenredig is in het licht van de verwezenlijking van de doelstelling van consumentenbescherming.
35 Uit de rechtspraak volgt dat, wanneer een nationale rechter overeenkomstig de relevante bepalingen van zijn nationale recht van oordeel is dat de handhaving van een overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen niet mogelijk is, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich er in beginsel niet tegen verzet dat deze overeenkomst nietig wordt verklaard, ongeacht de concrete gevolgen die de nietigheid van deze overeenkomst met zich meebrengt (arrest van 29 april 2021, Bank BPH, C‑19/20, EU:C:2021:341, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In dit verband zij eraan herinnerd dat de mogelijkheid om een overeenkomst overeenkomstig de regels van nationaal recht te handhaven zonder de oneerlijke bedingen, moet worden onderzocht aan de hand van een objectieve benadering. De situatie van een van de partijen bij de overeenkomst kan derhalve niet worden beschouwd als het doorslaggevende criterium voor het verdere lot van de overeenkomst [zie in die zin arrest van 30 april 2025, AxFina Hungary (Voortbestaan van de overeenkomst), C‑630/23, EU:C:2025:302, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Gelet hierop kan het voortbestaan van de overeenkomst niet afhangen van de eventueel onevenredige gevolgen van de nietigheid van de overeenkomst in het licht van de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstelling om de consument te beschermen.
38 Overeenkomstig de in punt 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moeten de gevolgen van de vaststelling dat een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen beding oneerlijk is, het in elk geval mogelijk maken om de situatie te herstellen waarin de consument zich juridisch en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden. In dit verband leidt nationale rechtspraak als bedoeld in de verwijzingsbeslissing – door te eisen dat wegens het oneerlijke karakter van de bedingen van een addendum bij een overeenkomst de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst die door dit addendum zijn vervangen worden hersteld – er in beginsel toe dat de juridische situatie wordt hersteld die voor de consument zou hebben gegolden indien die oneerlijke bedingen niet waren opgenomen.
39 Indien de nationale rechter evenwel bevoegd zou zijn om de inhoud van oneerlijke bedingen in een overeenkomst te herzien, zou mogelijkerwijs afbreuk worden gedaan aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van artikel 7 van richtlijn 93/13. Die bevoegdheid zou in feite ertoe bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van het feit dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, wordt tenietgedaan doordat verkopers nog steeds geneigd zouden zijn om deze bedingen te gebruiken, in de wetenschap dat de nationale rechter deze overeenkomst, zelfs indien die bedingen ongeldig zouden worden verklaard, niettemin – voor zover noodzakelijk – zou kunnen aanvullen, zodat het belang van die verkopers zou worden gevrijwaard (arrest van 29 april 2021, Bank BPH, C‑19/20, EU:C:2021:341, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Het herstel van de bedingen van de betrokken overeenkomst, waaraan de partijen niet langer gebonden wilden zijn, kan niet alleen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 gewaarborgde consumentenbescherming, maar ook de verwezenlijking in gevaar brengen van het met artikel 7 van richtlijn 93/13 nagestreefde doel om het gebruik van oneerlijke bedingen door de verkoper te ontmoedigen, dat wordt bereikt door de loutere schrapping van die oneerlijke bedingen.
41 Het herstel van de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst kan voor de consument immers negatieve gevolgen hebben die rechtstreeks voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen. In casu heeft de Poolse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangegeven dat het herstel van de index die van toepassing is op de rentevoet zoals overeengekomen in de oorspronkelijke overeenkomst, zou inhouden dat de kredietnemer de bedragen moet terugbetalen die overeenkomen met het verschil tussen de toepassing van de in addendum nr. 2 vastgestelde index en de index die in de oorspronkelijke overeenkomst was vastgelegd, voor de periode na de sluiting van dat addendum. Aangezien de partijen bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire leningsovereenkomst in addendum nr. 2 een wijziging van de looptijd van die lening ten gunste van de kredietnemer zijn overeengekomen, met name in de vorm van een verlenging van de aflossingstermijn, kan het herstel van de in de oorspronkelijke overeenkomst overeengekomen looptijd eveneens nadelig blijken voor de consument.
42 Ook bestaat het risico dat verkopers niet worden ontmoedigd om gebruik te maken van oneerlijke bedingen indien de oorspronkelijke bedingen van een overeenkomst die de partijen hebben willen vervangen door een addendum waarin bedingen voorkomen waarvan het oneerlijke karakter is vastgesteld, opnieuw zouden kunnen worden toegepast in plaats van de in dat addendum opgenomen oneerlijke bedingen. Met name wanneer een verkoper voordeel haalt uit een dergelijk herstel van de oorspronkelijke bedingen, dreigt de afschrikkende werking, die met name voortvloeit uit de terugbetaling aan de consument van de voordelen die de verkoper op grond van een oneerlijk beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen, gedeeltelijk te worden tenietgedaan.
43 Hoe dan ook staat het aan de nationale rechter om na te gaan wat de wil van de partijen bij de overeenkomst was toen zij de inhoud ervan hebben gewijzigd door het sluiten van een addendum.
44 Ten slotte zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen deze partijen herstelt (arrest van 18 december 2025, Soledil, C‑320/24, EU:C:2025:993, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Bijgevolg is het aan de nationale rechter om zich ervan te vergewissen dat het herstel van de oorspronkelijke bedingen, die zijn vervangen door een addendum waarvan de nietigheid is vastgesteld wegens de aanwezigheid van oneerlijke bedingen, het mogelijk maakt een dergelijk reëel evenwicht tot stand te brengen dat de daadwerkelijke bescherming van de consument waarborgt, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de door artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 nagestreefde doelstelling van afschrikking.
46 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale rechtspraak volgens welke de vaststelling van de nietigheid van een addendum bij een tussen een verkoper en een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst wegens de aanwezigheid van oneerlijke bedingen, tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst, die dat addendum had vervangen door deze oneerlijke bedingen, worden hersteld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met de negatieve gevolgen voor de consument en de voordelen voor de verkoper die uit een dergelijk herstel van die oorspronkelijke bedingen voortvloeien, zodat dit herstel gegarandeerd een reëel evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen tot stand brengt en aldus de daadwerkelijke bescherming van de consument waarborgt, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling van afschrikking.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen nationale rechtspraak volgens welke de vaststelling van de nietigheid van een addendum bij een tussen een verkoper en een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst wegens de aanwezigheid van oneerlijke bedingen, tot gevolg heeft dat de oorspronkelijke bedingen van die overeenkomst, die dat addendum had vervangen door deze oneerlijke bedingen, worden hersteld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met de negatieve gevolgen voor de consument en de voordelen voor de verkoper die uit een dergelijk herstel van die oorspronkelijke bedingen voortvloeien, zodat dit herstel gegarandeerd een reëel evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen tot stand brengt en aldus de daadwerkelijke bescherming van de consument waarborgt, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling van afschrikking.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.