HvJ EU 30 april 2025, C-630/23, ECLI:EU:C:2025:302

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

30 april 2025 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 8 juli 2025]

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Leaseovereenkomst in vreemde valuta – Artikelen 6 en 7 – Oneerlijk beding dat het wisselkoersrisico bij de consument legt – Gevolgen van de vaststelling dat een dergelijk beding oneerlijk is – Ongeldigheid van de overeenkomst – Gevolgen van de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel”

In zaak C‑630/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) bij beslissing van 26 september 2023, ingekomen bij het Hof op 17 oktober 2023, in de procedure

ZH,

KN

tegen

AxFina Hungary Zrt.,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, E. Regan en B. Smulders (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– ZH en KN, vertegenwoordigd door L. Marczingós, ügyvéd,

– AxFina Hungary Zrt., vertegenwoordigd door G. Stanka, ügyvéd,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en Zs. Teleki als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ZH en KN enerzijds (hierna samen: „beide consumenten”) en AxFina Hungary Zrt. (hierna: „AxFina”) over de rechtsgevolgen van de schrapping van een beding inzake het wisselkoersrisico in een tussen AxFina en ZH gesloten leaseovereenkomst in vreemde valuta (hierna: „beding inzake het wisselkoersrisico”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de eenentwintigste en vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen: „Overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te treffen om te voorkomen dat in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument oneerlijke bedingen worden opgenomen; dat, als toch dergelijke bedingen zijn opgenomen, deze de consument niet binden en de overeenkomst de partijen blijft binden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan; […] Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4 Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn luidt: „Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de [Europese] Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”

5 Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

6 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn is als volgt verwoord: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Hongaars recht

Oud burgerlijk wetboek

7 In § 209/A van Polgári Törvénykönyvről szóló 1959. évi IV. törvény (wet nr. IV van 1959 tot vaststelling van het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „oud burgerlijk wetboek”), was vastgesteld dat oneerlijke bedingen die als algemene contractvoorwaarden deel uitmaken van de consumentenovereenkomst en oneerlijke bedingen die door de partij die met de consument een overeenkomst sluit, van tevoren eenzijdig zijn vastgesteld zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, nietig zijn. Op grond van § 209/A kon nietigheid enkel worden ingeroepen in het belang van de consument.

8 Op grond van § 237, lid 1, van het oud burgerlijk wetboek moest, indien een overeenkomst ongeldig is, worden teruggekeerd naar de situatie van vóór de sluiting ervan.

9 § 237, lid 2, van dat wetboek bepaalde: „Indien niet kan worden teruggekeerd naar de situatie van vóór de sluiting van de ongeldige overeenkomst, kan de rechter de overeenkomst van toepassing verklaren voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis. Een ongeldige overeenkomst kan geldig worden verklaard indien de ongeldigheidsgrond kan worden weggenomen, in het bijzonder door het onevenredige voordeel ongedaan te maken wanneer de prestaties van de partijen niet gelijkwaardig zijn alsmede in geval van woekerovereenkomsten. In deze gevallen moet terugbetaling worden gelast van de verrichte prestaties waarvoor eventueel geen tegenprestatie is verricht.”

10 Uit § 361, lid 1, van dat wetboek volgde dat eenieder die ten koste van een ander een ongerechtvaardigd vermogensvoordeel geniet, verplicht is om dit voordeel te vergoeden.

11 Volgens § 363 van dat wetboek „[zijn de] regels inzake ongerechtvaardigde verrijking […] van toepassing op de terugbetaling van de vermogensvoordelen die verband houden met de verrijking; de persoon die tot vergoeding gehouden is, kan de vergoeding vorderen van de noodzakelijke uitgaven die aan de zaak zijn besteed.”

Wet DH1

12 § 3, leden 1 en 2, van Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvény [wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) heeft gegeven ter uniformisering van het burgerlijk recht met betrekking tot leningsovereenkomsten die kredietinstellingen met consumenten hebben gesloten], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet DH1”), bepaalt: „1. Bedingen in met consumenten gesloten leningsovereenkomsten op grond waarvan de kredietinstelling voor de vrijgave van de middelen voor de aankoop of leasing van het goed de aankoopkoers toepast, terwijl zij voor de aflossing de verkoopkoers of een andere soort wisselkoers toepast dan die welke voor de vrijgave van de middelen wordt gehanteerd, zijn nietig, met uitzondering van bedingen waarover afzonderlijk is onderhandeld. 2. In plaats van het krachtens lid 1 nietige beding wordt zowel voor de uitbetaling als voor de terugbetaling (van de maandelijkse aflossingen met inbegrip van de kosten en vergoedingen die in vreemde valuta zijn uitgedrukt) de officiële wisselkoers toegepast die door de Magyar Nemzeti Bank [(nationale bank van Hongarije)] voor de betrokken valuta is vastgesteld.”

Wet DH2

13 § 3, lid 1, van Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvényben rögzített elszámolás szabályairól és egyes egyéb rendelkezésekről szóló 2014. évi XL. törvény (wet nr. XL van 2014 betreffende de regels inzake afrekening die zijn vastgesteld in wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria ter uniformisering van het recht heeft gegeven met betrekking tot leningsovereenkomsten die kredietinstellingen met consumenten hebben gesloten, en betreffende verschillende andere bepalingen), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet DH2”), bepaalt: „Bij uitvoering van een krachtens § 3, lid 1, van [wet DH1] nietig beding, moet het verschil tussen het op grond van dit beding verleende krediet en het overeenkomstig lid 2 omgerekende bedrag, en het verschil tussen de bij de toepassing van dat beding terugbetaalde bedragen en de overeenkomstig lid 2 omgerekende terug te betalen bedragen, ten gunste van de consument worden afgerekend als een aan het wisselkoersverschil verbonden te veel ontvangen bedrag.”

14 § 37, lid 1, van wet DH2 luidt: „De partijen kunnen met betrekking tot overeenkomsten die binnen de werkingssfeer van deze wet vallen – ongeacht de ongeldigheidsgrond – slechts vorderen dat de rechter de overeenkomst of bepaalde bedingen ervan […] ongeldig verklaart indien zij tevens vorderen dat de rechter de rechtsgevolgen van de ongeldigheid toepast, namelijk dat hij de overeenkomst geldig verklaart of van toepassing verklaart tot de datum waarop de beslissing [tot ongeldigverklaring] wordt gegeven. […]”

Wet DH7

15 § 3 van Egyes fogyasztói kölcsönszerződésekből eredő követelések forintra átváltásával kapcsolatos kérdések rendezéséről szóló 2015. évi CXLV. törvény (wet nr. CXLV van 2015 tot regeling van kwesties in verband met de omzetting in forint van bepaalde uit leningsovereenkomsten met consumenten voortvloeiende schuldvorderingen), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet DH7”), bepaalt: „De kredietinstelling is verplicht om a) haar schuldvorderingen uit hoofde van onder deze wet vallende leningsovereenkomsten in vreemde valuta met toepassing van hoofdstuk 4 om te zetten in schuldvorderingen in forint (hierna: ‚omzetting in forint’), b) haar schuldvorderingen uit hoofde van met consumenten gesloten en reeds opgezegde onder deze wet vallende leningsovereenkomsten in vreemde valuta met toepassing van hoofdstuk 5 om te zetten in schuldvorderingen in forint.”

16 § 9, lid 1, van wet DH7 bepaalt: „Een wijziging overeenkomstig dit hoofdstuk van een leningsovereenkomst in vreemde valuta mag niet in het nadeel zijn van de consument wat betreft de hoogte van de aan de transactie verbonden rente, kosten en vergoedingen.”

17 In § 12, lid 1, van deze wet is bepaald: „Bij de omzetting in forint wordt de wisselkoers toegepast die de nationale bank van Hongarije op 19 augustus 2015 officieel voor de valuta heeft vastgesteld.”

18 § 15, lid 1, van deze wet bepaalt: „Schuldvorderingen uit reeds opgezegde leningsovereenkomsten in vreemde valuta worden door de kredietinstelling omgezet in schuldvorderingen in forint met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk en tegen de in § 12, lid 1, bedoelde wisselkoers.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19 Op 21 juni 2007 heeft ZH met AxFina met het oog op de aankoop van een motorvoertuig een leaseovereenkomst in vreemde valuta, te weten Zwitserse frank (CHF), gesloten. KN heeft zich bij deze overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de nakoming door ZH van diens contractuele verplichtingen. De partijen zijn overeengekomen dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde krediet zou worden terugbetaald in 120 vaste maandelijkse termijnen in Hongaarse forint (HUF). Die overeenkomst bevatte voorts een beding inzake het wisselkoersrisico, op grond waarvan de wisselkoersschommeling van de betrokken vreemde valuta aan het einde van die overeenkomst afgerekend zou worden en dat tot gevolg had dat het met de waardering van die vreemde valuta ten opzichte van de Hongaarse forint verbonden risico volledig bij beide consumenten werd gelegd.

20 Op 7 mei 2013 heeft AxFina de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd wegens aan beide consumenten toe te rekenen betalingsachterstanden, waardoor de volledige in Hongaarse forint berekende schuld die uit deze overeenkomst voortvloeide in één keer opeisbaar werd. AxFina heeft onder andere het bedrag dat voortvloeit uit de in § 3, lid 1, van wet DH2 bedoelde afrekening, als een te veel ontvangen bedrag als gevolg van het in § 3, lid 1, van wet DH1 bedoelde wisselkoersverschil, alsmede de verkoopopbrengst van het betrokken voertuig, in mindering gebracht op deze schuld.

21 AxFina heeft een vordering ingesteld die ertoe strekt om, in het geval dat wordt vastgesteld dat het beding inzake het wisselkoersrisico oneerlijk is en de overeenkomst als gevolg daarvan ongeldig is, dezelfde overeenkomst met terugwerkende kracht vanaf de datum van sluiting ervan geldig te verklaren, en beide consumenten hoofdelijk aansprakelijk te stellen tot betaling van een bedrag van 1637682 HUF (ongeveer 4000 EUR) uit hoofde van de hoofdsom en de vertragingsrente. Van dat bedrag is 972960 HUF (ongeveer 2250 EUR) verschuldigd wegens het wisselkoersrisico.

22 Hoewel de rechter in eerste aanleg in zijn uitspraak heeft vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst ongeldig was wegens het oneerlijke beding inzake het wisselkoersrisico, heeft hij geoordeeld dat beide consumenten dit risico niettemin in beperkte mate dienden te dragen. Daartoe heeft hij de op deze overeenkomst gebaseerde schuldvordering van AxFina, die hij geldig heeft verklaard, verminderd met het bedrag dat ZH had verloren ten opzichte van de situatie waarin die overeenkomst in Hongaarse forint zou zijn opgesteld.

23 De rechter die uitspraak deed op het door beide consumenten tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep, heeft dit vonnis bevestigd. Volgens deze rechter maakte de in dit vonnis gekozen oplossing het mogelijk om de door het beding inzake het wisselkoersrisico veroorzaakte aantasting van de belangen van deze consumenten weg te nemen. Bovendien was het niet mogelijk om de situatie te herstellen waarin de consumenten zich zouden hebben bevonden zonder het beding inzake het wisselkoersrisico, gelet op de onomkeerbaarheid van de op basis van die overeenkomst verrichte prestaties.

24 Deze consumenten hebben tegen de beslissing in hoger beroep cassatieberoep ingesteld bij de Kúria, de verwijzende rechter. In dat verband verzoeken zij onder meer dat de oorspronkelijk door AxFina ingestelde vordering wordt verworpen, waarbij zij aanvoeren dat het uitsluiten van de oplossing waarbij de situatie wordt hersteld waarin zij zich zonder het beding inzake het wisselkoersrisico zouden hebben bevonden, in strijd is met het Unierecht, en dat de rechter bovendien niet bevoegd is om de inhoud van dat oneerlijke beding te wijzigen.

25 De verwijzende rechter merkt op dat hij zich dus moet uitspreken over het lot dat moet worden toebedeeld aan een leaseovereenkomst in vreemde valuta wanneer een in die overeenkomst opgenomen beding, op grond waarvan het wisselkoersrisico volledig wordt gedragen door de betrokken consument, als oneerlijk wordt aangemerkt omdat die consument onvoldoende is geïnformeerd over de aard van dat risico, en de schrapping van dat beding, dat het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst bepaalt, tot gevolg heeft dat de overeenkomst in haar geheel ongeldig is.

26 De verwijzende rechter legt in dat verband in de eerste plaats uit dat in het Hongaars recht de rechtsgevolgen van de volledige ongeldigheid van een overeenkomst werden geregeld in § 237, leden 1 en 2, van het oud burgerlijk wetboek. Op grond van deze bepaling waren de belangrijkste – en „gelijkwaardige” – rechtsgevolgen van deze ongeldigheid het herstel van de oorspronkelijke situatie of, indien de ongeldigheidsgrond kan worden weggenomen, een verklaring dat de betrokken overeenkomst ex tunc geldig is, voor welke verklaring met name kan worden gekozen wanneer het onmogelijk is om de situatie van vóór de sluiting van de overeenkomst te herstellen. Indien een dergelijke geldigverklaring evenmin mogelijk is, verklaart de aangezochte rechter de overeenkomst van toepassing tot aan de uitspraak van zijn vonnis en gelast hij de terugbetaling van de tegenwaarde van de verrichte prestaties waarvoor eventueel geen tegenprestatie is verricht.

27 Wat in het bijzonder overeenkomsten betreft die binnen de werkingssfeer van wet DH1 en wet DH2 vallen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst, bepaalt § 37, lid 1, van wet DH2 dat de gevolgen van de ongeldigheid van een dergelijke overeenkomst erin bestaan dat de overeenkomst geldig wordt verklaard, of dat deze van toepassing wordt verklaard tot aan de uitspraak van de ongeldigverklaring, en sluit deze bepaling het herstel van de oorspronkelijke situatie dus uit. Evenzo wordt in de Hongaarse rechtsleer en rechtspraak geoordeeld dat het, gelet op de aard van leningsovereenkomsten en leaseovereenkomsten, in geval van ongeldigheid van dergelijke overeenkomsten niet mogelijk is om de oorspronkelijke situatie te herstellen.

28 In dat verband is de verwijzende rechter van oordeel dat, hoewel het Hof zich herhaaldelijk en met name in de arresten van 27 april 2023, AxFina Hungary (C‑705/21, EU:C:2023:352), en 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst) (C‑520/21, EU:C:2023:478), heeft uitgesproken over de rechtsgevolgen in het licht van richtlijn 93/13 van een oneerlijk beding waarvan de schrapping leidt tot ongeldigheid van de betrokken overeenkomst, de uit die arresten voortvloeiende rechtspraak niet op alle voor de Hongaarse regeling en praktijk relevante uitleggingsvragen betrekking heeft en daar niet in alle gevallen mee kan worden verenigd.

29 In het onderhavige geval heeft de toepassing van wet DH1 en wet DH2 tot gevolg dat de waarde van de prestatie die uit hoofde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst moet worden verricht, nog steeds kan worden berekend, ofwel in Zwitserse frank ofwel in Hongaarse forint, zelfs als het beding inzake het wisselkoersrisico „geen werking heeft”, waardoor de overeenkomst van toepassing kan blijven. Meer in het algemeen leidt in het Hongaars recht de ongeldigheid van een overeenkomst niet noodzakelijkerwijs tot de nietigheid ervan, zodat het logisch gezien onjuist is om „restitutio in integrum” als het enige mogelijke rechtsgevolg van een dergelijke nietigheid te beschouwen.

30 De verwijzende rechter benadrukt in dit verband dat richtlijn 93/13, die slechts een minimale harmonisatie tot stand heeft gebracht, niet regelt welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan de ongeldigheid van een overeenkomst. Derhalve valt de vaststelling van die gevolgen onder de procedurele autonomie van de lidstaten, onder voorbehoud van het feit dat de nationale rechter verplicht is om ervoor te zorgen dat de betrokken consument uiteindelijk in de situatie verkeert waarin hij zich zou hebben bevonden indien het als oneerlijk aangemerkte beding nooit had bestaan.

31 De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of niet moet worden vastgesteld dat een overeenkomst kan „voortbestaan” zonder de oneerlijke bedingen in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, wanneer een nationale rechter in het geval dat een overeenkomst in haar geheel ongeldig is geworden als gevolg van de schrapping van een als oneerlijk aangemerkt beding, op grond van zijn nationale wetgeving die overeenkomst met terugwerkende kracht vanaf de datum van sluiting ervan geldig kan verklaren, zodanig dat het daarin opgenomen oneerlijke beding voor de betrokken consument geen enkele verplichting inhoudt terwijl de andere, niet-oneerlijke bedingen van de overeenkomst de partijen op dezelfde wijze blijven binden.

32 Een dergelijke oplossing houdt geen volgens de rechtspraak verboden wijziging van de overeenkomst in, aangezien het beding inzake het wisselkoersrisico zou worden opgeheven en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst zonder dat beding kan voortbestaan. De aard van deze overeenkomst zou evenmin worden gewijzigd, omdat de afrekening op basis van de vreemde valuta waarin de lening is opgesteld zou blijven voortbestaan doordat de kredietinstelling voortaan het wisselkoersrisico zou dragen.

33 Bovendien zou de afschrikkende werking die uitgaat van het enkel schrappen van het oneerlijke beding verzekerd blijven, met inachtneming van het beginsel van evenredigheid van sancties, aangezien de betrokken lening zou worden gehandhaafd tegen een rentevoet die wordt aangepast aan de overeengekomen vreemde valuta en gunstig zou zijn voor de betrokken consument, maar zonder dat dit wordt gecompenseerd door de „vergoeding” voor het door de consument gedragen wisselkoersrisico, omdat de kredietinstelling dan verplicht is om de op grond van het beding inzake het wisselkoersrisico ontvangen bedragen aan de consument terug te betalen.

34 In het geval dat de door de verwijzende rechter voorgestelde uitlegging niet verenigbaar is met het Unierecht, verzoekt hij het Hof om aanwijzingen te geven over de vraag welke rechtsgevolgen hij in de situatie van een ongeldige overeenkomst rechtstreeks aan dat recht kan ontlenen, aangezien hij meent dat die situatie ertoe kan leiden dat hij zijn nationale recht contra legem zal moeten uitleggen.

35 De verwijzende rechter wijst er in de tweede plaats op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst ook binnen de werkingssfeer van wet DH7 valt. Op grond van deze wet moeten de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuldvorderingen voortaan worden omgezet in schuldvorderingen in Hongaarse forint tegen de op 19 augustus 2015 door de nationale bank van Hongarije voor de bedongen valuta vastgestelde wisselkoers. In dat verband blijkt niet uit de regels en de memorie van toelichting van wet DH7 dat deze beoogt om enige ongeldigheid ongedaan te maken. De wetgever heeft in tegendeel de betrokken consumenten op algemene wijze willen ontheffen van de verplichting om, voor een groot aantal geldige overeenkomsten, in de toekomst het wisselkoersrisico te dragen.

36 Deze rechter neigt evenwel naar het oordeel dat, hoewel contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke bepalingen zijn opgenomen, zoals die van wet DH7, niet onder richtlijn 93/13 vallen, deze wet niettemin in strijd is met deze richtlijn omdat zij tot gevolg heeft dat de betrokken consument in bepaalde mate een wisselkoersrisico draagt terwijl deze consument daar in het geheel van zou moeten zijn vrijgesteld, zodat die wet buiten toepassing moet worden gelaten.

37 In deze omstandigheden heeft de Kúria de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het juist om de zinsnede ‚de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan’ in artikel 6, lid 1, van richtlijn [93/13] aldus uit te leggen dat de overeenkomst kan voortbestaan zonder het – op het eigenlijke voorwerp van een in vreemde valuta luidende consumentenovereenkomst betrekking hebbende – beding waarbij het wisselkoersrisico volledig bij de consument is gelegd, gelet op het feit dat het nationale recht voorziet in dwingende wettelijke bepalingen voor het wisselkoersmechanisme? Is het verenigbaar met artikel 1, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 wanneer de rechtspraak van een lidstaat (op basis van de uitlegging van het nationale recht in het licht van richtlijn 93/13 en in navolging van de aanwijzingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie), rekening houdend met het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking, a) erin voorziet dat de bedragen die de kredietgever op grond van een oneerlijk bevonden beding heeft ontvangen, aan de consument worden terugbetaald (of ten gunste van hem worden verrekend), niet door herstel in de vorige toestand te bevelen, aangezien een specifieke bepaling van nationaal recht dit mogelijke rechtsgevolg van ongeldigheid uitsluit, en evenmin door de regels inzake ongerechtvaardigde verrijking zelfstandig toe te passen, aangezien een dergelijk rechtsgevolg volgens het nationale recht niet uit de ongeldigheid van de overeenkomst kan voortvloeien, maar door de consument te vrijwaren van de voor hem buitengewoon nadelige gevolgen en tegelijkertijd het evenwicht tussen de partijen te herstellen door de overeenkomst geldig te verklaren, hetgeen volgens het nationale recht in geval van nietigheid het primair toe te passen rechtsgevolg is, en te bepalen dat de oneerlijke bedingen de consument niet binden, maar dat de overige (niet oneerlijke) bedingen van de overeenkomst (met inbegrip van de bedingen inzake rente en overige kosten) voor de partijen bindend blijven[;] b) indien het niet mogelijk is om de overeenkomst geldig te verklaren, aan de ongeldigheid het rechtsgevolg verbindt dat de rechter de overeenkomst met het oog op de afrekening van toepassing verklaart voor de periode tot aan de uitspraak van zijn vonnis en bij de afrekening tussen partijen het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking toepast? 2) Mag bij het verbinden van rechtsgevolgen aan een overeenkomst die om de bovenvermelde reden ongeldig is de later in werking getreden nationale wettelijke bepaling die erin voorziet dat in vreemde valuta luidende overeenkomsten voortaan worden omgezet in Hongaarse forint, buiten toepassing worden gelaten op grond dat die bepaling als gevolg van de vaststelling van de wisselkoers het wisselkoersrisico voor een deel bij de consument legt, die vanwege het oneerlijke karakter van het beding volledig van het wisselkoersrisico zou moeten worden gevrijwaard? 3) Indien noch het geldig verklaren, noch het van toepassing verklaren van de overeenkomst als in geval van ongeldigheid toe te passen rechtsgevolg verenigbaar is met het Unierecht, welk rechtsgevolg – en op welke dogmatische grondslag – kan dan contra legem, los van de nationale regeling inzake de rechtsgevolgen en uitsluitend krachtens het Unierecht, worden verbonden aan de ongeldigheid, gelet op het feit dat richtlijn 93/13 de rechtsgevolgen van ongeldigheid niet regelt?

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en derde prejudiciële vraag

38 De eerste en de derde vraag betreffen de afbakening in artikel 1, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 van de wijze waarop moet worden beoordeeld of het mogelijk is om een leaseovereenkomst in vreemde valuta te laten voortbestaan wanneer het daarin opgenomen beding dat het aan die valuta verbonden wisselkoersrisico volledig bij de betrokken consument legt, buiten toepassing is gelaten omdat het oneerlijk is bevonden.

39 Vooraf moet worden verduidelijkt dat aangezien deze vragen zien op een overeenkomst met een beding dat uit hoofde van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 als oneerlijk is aangemerkt, zij noodzakelijkerwijs veronderstellen dat dit beding binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en daaraan dus niet is onttrokken op grond van artikel 1, lid 2, ervan, dat onder meer contractuele bedingen uitsluit waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen.

40 Hoewel de verwijzende rechter in het kader van zijn eerste vraag verwijst naar „dwingende wettelijke bepalingen voor het wisselkoersmechanisme”, wijst in dat verband niets in het dossier waarover het Hof beschikt erop dat dit beding, dat betrekking heeft op het wisselkoersrisico als zodanig en niet op de wijze waarop valuta moeten worden omgerekend, de inhoud van dergelijke bepalingen weerspiegelt, en zet deze rechter voorts niet uiteen waarom het Hof niettemin een uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 moet geven.

41 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerst en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in wezen vraagt of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan kan worden geoordeeld dat een leaseovereenkomst in vreemde valuta, die ongeldig is geworden na het buiten toepassing laten, als oneerlijk beding, van een beding dat het aan die valuta verbonden wisselkoersrisico bij de betrokken consument legt, „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van die eerste bepaling, wanneer deze overeenkomst onder een nationale wettelijke regeling valt die aan de ongeldigheid van dergelijke overeenkomsten het rechtsgevolg verbindt dat de consument volledig wordt gevrijwaard van de nadelige gevolgen van enkel dat oneerlijke beding, terwijl de andere elementen van de betrokken overeenkomst geldig en bindend blijven. In het geval dat deze vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst deze rechter voorts duidelijkheid te krijgen over de gevolgen die hij aan de ongeldigheid van die overeenkomst dient te verbinden, met dien verstande dat hij meent dat hij in dat geval zijn nationale recht mogelijk contra legem zal moeten uitleggen.

Mogelijkheid dat een overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan

42 Uit vaste rechtspraak volgt dat, gelet op de zwakke positie van de consument tegenover de verkoper, artikel 6, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 93/13 bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Dit is een dwingende bepaling die beoogt het door de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43 Voorts verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten, gezien de aard en het gewicht van het openbare belang van de bescherming van consumenten – zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan –, om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44 Daartoe dienen de nationale rechterlijke instanties oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet (arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Hieruit volgt dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is, in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument juridisch en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46 De verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, leidt in beginsel tot een terugbetalingsplicht die overeenkomt met deze bedragen. Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers afbreuk kunnen doen aan de afschrikkende werking die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

47 Bovendien moeten de lidstaten weliswaar volgens artikel 6, lid 1, eerste zinsdeel, van die richtlijn bepalen dat oneerlijke bedingen „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden, maar mag een nationaal regelingskader voor de door die richtlijn aan consumenten geboden bescherming niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen (arrest van 12 december 2024, Kutxabank, C‑300/23, EU:C:2024:1026, punt 160 en aangehaalde rechtspraak).

48 Derhalve staat het weliswaar aan de lidstaten om door middel van hun nationale recht de modaliteiten te bepalen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is en de concrete rechtsgevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, maar dit neemt niet weg dat een dergelijke vaststelling het mogelijk moet maken om de situatie waarin de consument zich juridisch en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, te herstellen, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen [arrest van 25 april 2024, Caixabank (Verjaringstermijn), C‑484/21, EU:C:2024:360, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49 In het onderhavige geval volgt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat het Hongaarse recht met betrekking tot leaseovereenkomsten in vreemde valuta met een oneerlijk beding inzake het wisselkoersrisico die ongeldig zijn geworden als gevolg van de schrapping van dat beding, zoals die in het hoofdgeding, voorziet in een oplossing die bestaat in een „geldigverklaring” of het „van toepassing verklaren van de overeenkomst tot aan de datum van de uitspraak [van de ongeldigverklaring]”, zoals geformuleerd in § 37, lid 1, van wet DH2. In dat verband voorziet § 3 van wet DH1 in een wisselkoersmechanisme dat kan waarborgen dat de waarde van de uit hoofde van de betrokken overeenkomst te verrichten prestaties nog steeds kan worden berekend na de schrapping van het oneerlijke beding inzake het wisselkoersrisico.

50 Zoals deze rechter uiteenzet, gaat hij uit van de premisse dat een dergelijke oplossing voldoet aan de vereisten van artikel 6, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 93/13, zoals uitgelegd in de in de punten 42 tot en met 48 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, aangezien deze oplossing de betrokken consumenten volledig kan vrijwaren van het in de door hen gesloten overeenkomst opgenomen oneerlijke beding inzake het wisselkoersrisico en tegelijkertijd de afschrikkende werking die uitgaat van de schrapping van dat oneerlijke beding kan verzekeren, terwijl alle andere bedingen van die overeenkomst van kracht blijven. Na de toepassing van die oplossing zouden immers niet langer deze consumenten, maar zou de betrokken kredietinstelling de financiële gevolgen van dat oneerlijke beding dragen, terwijl die consumenten blijven profiteren van de gunstige rentevoet voor de in die overeenkomst bedongen vreemde valuta zonder dat dit beding hoeft te worden gewijzigd.

51 Het dossier waarover het Hof beschikt bevat geen gegevens die twijfel doen rijzen of een dergelijk resultaat in beginsel kan waarborgen dat, overeenkomstig voornoemde bepaling, de bedragen die deze kredietinstelling op grond van het oneerlijke beding onverschuldigd heeft verkregen, aan de betrokken consumenten worden terugbetaald.

52 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt evenwel in het tweede zinsdeel dat de betrokken overeenkomst, zodra de oneerlijke bedingen buiten toepassing zijn gelaten, „voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan”.

53 In dat verband is het juist dat artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13 niet zelf de criteria bevat voor de mogelijkheid dat een overeenkomst „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van die bepaling, maar het aan het nationale recht overlaat om deze criteria in overeenstemming met het Unierecht vast te stellen. Om in een concrete situatie te onderzoeken of een overeenkomst waarvan bepaalde bedingen ongeldig zijn verklaard, kan worden gehandhaafd, moeten dus in beginsel de criteria van het nationale recht worden gebruikt (arrest van 3 oktober 2019, Dziubak, C‑260/18, EU:C:2019:819, punt 40).

54 Bovendien heeft artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 tot doel om het evenwicht tussen de partijen te herstellen, in principe met behoud van de geldigheid van een overeenkomst in haar geheel, en niet om alle overeenkomsten met oneerlijke bedingen nietig te verklaren (arrest van 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 Dat neemt niet weg dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de vaststelling van de criteria voor de mogelijkheid om een overeenkomst zonder oneerlijke bedingen te laten voortbestaan, beperkt is.

56 Zo volgt ten eerste uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13 dat de betrokken overeenkomst in beginsel moet voortbestaan zonder andere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen, voor zover een dergelijk voortbestaan van de overeenkomst naar nationaal recht juridisch mogelijk is, wat betekent dat de nationale rechter er enkel toe gehouden is om een oneerlijk beding buiten toepassing te laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument, maar hem niet de bevoegdheid is toegekend om de inhoud van een dergelijk beding te herzien (zie in die zin arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 65).

57 Het Hof heeft in dat verband geoordeeld dat indien de nationale rechter bevoegd zou zijn om de inhoud van oneerlijke bedingen te herzien, de verwezenlijking van het langetermijndoel van artikel 7 van richtlijn 93/13 in gevaar zou kunnen komen. Die bevoegdheid zou er immers toe bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van het feit dat dergelijke oneerlijke bedingen simpelweg buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, teniet wordt gedaan doordat verkopers nog steeds geneigd zouden zijn om die bedingen te gebruiken in de wetenschap dat, zelfs indien deze ongeldig zouden worden verklaard, de nationale rechter de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk zou kunnen aanvullen en het belang van die verkopers dus gewaarborgd zou zijn (zie arrest van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Ten tweede moet, mits is voldaan aan de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde voorwaarde, op objectieve wijze worden nagegaan of de betrokken overeenkomst naar nationaal recht kan worden gehandhaafd zonder de oneerlijke bedingen (arrest van 23 november 2023, Provident Polska, C‑321/22, EU:C:2023:911, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De situatie van een van de partijen bij de overeenkomst kan derhalve niet worden beschouwd als het doorslaggevende criterium voor het verdere lot van de overeenkomst (arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 32).

59 Aldus rijst de vraag of de in de punten 49 en 50 hierboven bedoelde oplossing in overeenstemming is met artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13, zoals uitgelegd in de in de punten 53 tot en met 58 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

60 De verwijzende rechter neigt naar de opvatting dat dit het geval is, aangezien in het onderhavige geval het oneerlijke beding inzake het wisselkoersrisico in de in het hoofgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst volgens hem eenvoudigweg buiten toepassing wordt gelaten, zodat dit beding voor beide consumenten geen enkele verplichting meer inhoudt. Deze overeenkomst kan dus als gevolg van het in wet DH1 en wet DH2 vastgestelde wisselkoersmechanisme „zonder de oneerlijke bedingen […] voortbestaan” in de zin van artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13 en derhalve „voor de partijen bindend [blijven]” in de zin van die bepaling.

61 Een dergelijke nationaalrechtelijke regeling kan op zichzelf echter niet volstaan om te kunnen vaststellen dat een overeenkomst „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel van richtlijn 93/13.

62 Zoals blijkt uit de in de punten 56 en 58 hierboven genoemde rechtspraak moet daartoe immers worden aangetoond dat een dergelijk voortbestaan van de betrokken overeenkomst juridisch mogelijk is en dat dit voortbestaan geen andere wijzigingen tot gevolg heeft dan de schrapping van de oneerlijke bedingen, omdat de handhaving van de overeenkomst anders in strijd zou zijn met die bepaling.

63 Wanneer de verwijzende rechter, zoals in het onderhavige geval, al heeft vastgesteld dat een beding inzake het wisselkoersrisico het eigenlijke voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst bepaalt en dat de schrapping hiervan zou leiden tot de ongeldigheid van die overeenkomst, lijkt het voortbestaan van de overeenkomst juridisch onmogelijk, hetgeen echter moet worden beoordeeld door deze rechter (zie in die zin arresten van 5 juni 2019, GT, C‑38/17, EU:C:2019:461, punt 43, en 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 52).

64 Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de nationale rechter de ongeldigheid van een overeenkomst als gevolg van een daarin opgenomen oneerlijk beding niet ongedaan mag maken door die overeenkomst geldig te verklaren en tegelijkertijd de valuta van die overeenkomst te wijzigen. Een dergelijke tussenkomst door de rechter zou uiteindelijk neerkomen op een inhoudelijke herziening van dat beding (arrest van 27 april 2023, AxFina Hungary, C‑705/21, EU:C:2023:352, punt 41).

65 Anders dan de verwijzende rechter suggereert, wordt aan deze beoordeling niet afgedaan door de in de punten 49 en 50 hierboven samengevatte aanvullende preciseringen die hij heeft verstrekt met betrekking tot de „geldigverklaring” die hij beoogt uit te voeren en die hij stelt in voorkomend geval te kunnen vervangen door het „van toepassing verklaren van de overeenkomst tot aan de datum van de uitspraak [van de ongeldigverklaring]”.

66 Aangezien een dergelijke oplossing volgens deze aanvullende preciseringen uiteindelijk tot gevolg heeft dat het wisselkoersrisico en de financiële gevolgen daarvan, die aanvankelijk op grond van het beding inzake het wisselkoersrisico op de betrokken consumenten rustten, voortaan door de kredietinstelling worden gedragen, houden deze gevolgen immers noodzakelijkerwijs een wijziging in van dat beding.

67 Hieruit volgt dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken overeenkomst „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13.

68 Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich er in een dergelijke situatie niet tegen verzet dat de nationale rechter het oneerlijke beding in een overeenkomst op grond van beginselen van het overeenkomstenrecht schrapt en vervangt door een nationale bepaling van aanvullend recht, of door een bij instemming van de partijen bij de overeenkomst toepasselijke nationale bepaling, in gevallen waarin de rechter ten gevolge van de ongeldigverklaring van dat oneerlijke beding verplicht zou zijn om de overeenkomst in haar geheel nietig te verklaren, waardoor de consument zou worden geconfronteerd met uiterst nadelige consequenties en in zijn belangen zou worden geschaad (zie in die zin arrest van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punten 56, 59 en 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 In dat verband moet worden benadrukt dat voor de beoordeling van de in deze rechtspraak bedoelde gevolgen van de ongeldigverklaring van een overeenkomst in haar geheel voor de situatie van de consument, doorslaggevend is welke wil de consument dienaangaande heeft uitgedrukt [arrest van 8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C‑80/21–C‑82/21, EU:C:2022:646, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

70 In het onderhavige geval hebben beide consumenten echter, nog los van de vraag of in het Hongaars recht een bepaling van aanvullend recht of een bij instemming van de partijen bij de overeenkomst toepasselijke bepaling bestaat in de zin van deze rechtspraak, zowel voor de verwijzende rechter als in hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen duidelijk hun wens te kennen gegeven dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst in haar geheel nietig wordt verklaard. In deze omstandigheden is in het onderhavige geval dus niet voldaan aan de voorwaarde dat de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel de betrokken consumenten blootstelt aan bijzonder nadelige gevolgen, hetgeen vereist is opdat de nationale rechter het nietig verklaarde oneerlijke beding kan vervangen door een nationale bepaling van aanvullend recht of een bij instemming van de partijen bij de overeenkomst toepasselijke bepaling [zie in die zin arrest van 8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C‑80/21–C‑82/21, EU:C:2022:646, punt 78].

71 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten niet belet om door middel van wetgeving een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in door een verkoper met consumenten gesloten overeenkomsten en tegelijkertijd de geldigheid van die leningsovereenkomsten te vrijwaren, op voorwaarde dat de nationale wetgever in die context de vereisten eerbiedigt die voortvloeien uit artikel 6, lid 1, van die richtlijn (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punten 40 en 42, en 29 april 2021, Bank BPH, C‑19/20, EU:C:2021:341, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Uit het dossier waarover het Hof beschikt lijkt niet te volgen dat er in het onderhavige geval een dergelijke wettelijke regeling bestaat met betrekking tot het beding inzake het wisselkoersrisico, aangezien de verwijzende rechter in dat kader uitsluitend verwijst naar nationale wettelijke regelingen betreffende bedingen inzake het wisselkoersverschil die ertoe strekken de betrokken consumenten „voortaan te ontheffen van de verplichting om voor een groot aantal geldige overeenkomsten het wisselkoersrisico te dragen”.

73 In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat het bestaan van een wettelijke regeling die beoogt om de problemen in verband met bedingen inzake het wisselkoersverschil te verhelpen, de te verrichten toetsing aan richtlijn 93/13 van de andere bedingen van de betrokken overeenkomsten, zoals de bedingen inzake het wisselkoersrisico, onverlet laat (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Dunai, C‑118/17, EU:C:2019:207, punt 46, en 2 september 2021, OTP Jelzálogbank e.a., C‑932/19, EU:C:2021:673, punt 45).

Gevolgen van het feit dat een overeenkomst niet zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan

74 Wat betreft de gevolgen die moeten worden verbonden aan de vaststelling dat een overeenkomst met een oneerlijk beding niet zonder dat beding kan voorbestaan in de zin van artikel 6, lid 1, tweede zinsdeel, van richtlijn 93/13, moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 93/13 inderdaad niet uitdrukkelijk de gevolgen regelt van de ongeldigheid van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen. Bijgevolg staat het aan de lidstaten om te bepalen welke gevolgen een dergelijke vaststelling heeft, met dien verstande dat de regels die zij dienaangaande vaststellen verenigbaar moeten zijn met het Unierecht en in het bijzonder met de doelstellingen van die richtlijn [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 64].

75 In die context heeft het Hof echter ook herinnerd aan de afschrikkende werking die moet uitgaan van het feit dat dergelijke oneerlijke bedingen simpelweg buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, waarbij deze niet-toepassing een recht in het leven roept op terugbetaling van de voordelen die de betrokken verkoper onverschuldigd heeft verkregen op grond van dergelijke bedingen. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat, aangezien het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht afbreuk zou kunnen doen aan die afschrikkende werking, een soortgelijk recht op terugbetaling moet worden erkend wanneer het oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper niet alleen leidt tot nietigheid van die bedingen, maar ook tot ongeldigheid van die overeenkomst in haar geheel [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punten 65 en 66].

76 Hieruit volgt dat de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale regels die de praktische gevolgen bepalen van de nietigheid van een hypothecaire kredietovereenkomst wegens het bestaan van oneerlijke bedingen, afhangt van de vraag of deze regels, ten eerste, het mogelijk maken om de situatie waarin de betrokken consument juridisch en feitelijk zonder die overeenkomst zou hebben verkeerd, te herstellen en, ten tweede, geen afbreuk doen aan de door richtlijn 93/13 beoogde afschrikkende werking [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 68].

77 Teneinde in het geval van een leaseovereenkomst als aan de orde in het hoofdgeding te zorgen voor een dergelijk juridisch en feitelijk herstel, moeten consumenten recht hebben op – op zijn minst – terugbetaling van de betaalde maandelijkse termijnen en van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde kosten, alsmede betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling [zie in die zin, ten aanzien van een hypothecaire kredietovereenkomst, arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 74].

78 In het onderhavige geval volstaat het dus niet dat aan beide consumenten enkel de bedragen worden terugbetaald die de betrokken kredietinstelling op grond van het beding inzake het wisselkoersrisico heeft verkregen, zoals de verwijzende rechter suggereert, aangezien deze consumenten daarentegen recht hebben op volledige terugbetaling van de ter uitvoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leaseovereenkomst betaalde maandelijkse termijnen en kosten.

79 [Zoals gerectificeerd bij beschikking van 8 juli 2025] Voorts kan aan de betrokken verkoper – in het onderhavige geval een kredietinstelling – niet het recht worden verleend om van de consument een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de teruggave van het ter uitvoering van die overeenkomst aan hen ter beschikking gestelde goed of de terugbetaling van de daarmee overeenstemmende waarde en, in voorkomend geval, van betaalde vertragingsrente. Indien aan een kredietinstelling een dergelijk recht wordt verleend en derhalve het recht om een vergoeding te ontvangen voor het gebruik van dat goed door de consument, zou dat er immers toe bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van de nietigverklaring van die overeenkomst wordt uitgeschakeld [zie in die zin, ten aanzien van een hypothecaire kredietovereenkomst, arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punten 76 en 78].

80 De door de verwijzende rechter genoemde noodzaak om te waarborgen dat de „opgelegde sanctie evenredig is”, doet aan deze uitlegging niet af. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de ongeldigheid van een overeenkomst waarvan is vastgesteld dat deze een oneerlijk beding bevat, geen in richtlijn 93/13 vastgestelde sanctie vormt (beschikking van 30 mei 2024, Deutsche Bank Polska, C‑325/23, EU:C:2024:453, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 Voorts moet de doelstelling om de situatie te herstellen waarin de betrokken consument zich juridisch en feitelijk zou hebben bevonden zonder het oneerlijke beding in de door hem gesloten overeenkomst weliswaar met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel worden nagestreefd, maar kan dit beginsel zich slechts verzetten tegen de slotsom dat deze overeenkomst in haar geheel ongeldig is indien de nationale rechter over een zekere beoordelingsmarge of enige ruimte voor uitleg beschikt bij het op objectieve wijze bepalen van de gevolgen die naar nationaal recht aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding moeten worden verbonden met betrekking tot het al dan niet voortbestaan van de overeenkomst waarvan het beding deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 23 november 2023, Provident Polska, C‑321/22, EU:C:2023:911, punten 85 en 86).

82 In omstandigheden als die van het hoofdgeding moet het bestaan van een dergelijke beoordelingsmarge echter worden uitgesloten, zoals blijkt uit punt 67 hierboven.

83 Voor zover de verwijzende rechter meent dat hij aan de hand van zijn nationale recht niet de situatie kan herstellen waarin de betrokken consumenten zich juridisch en feitelijk zouden hebben bevonden zonder de gesloten overeenkomst, tenzij hij dat recht contra legem uitlegt, moet in herinnering worden gebracht dat wanneer een vraag over de uitlegging van het Unierecht duidelijk is beantwoord in de rechtspraak van het Hof, de nationale rechter zelf al het nodige moet doen om ervoor te zorgen dat deze uitlegging wordt toegepast (arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C‑177/20, EU:C:2022:175, punt 42).

84 Aangezien het in het onderhavige geval om bepalingen van een richtlijn gaat, is het juist dat deze bepalingen op zich geen verplichtingen voor particulieren kunnen scheppen en zij dus niet als zodanig tegenover een particulier kunnen worden ingeroepen voor een nationale rechter (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C‑261/20, EU:C:2022:33, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85 Het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht is evenwel inherent aan het systeem van de Verdragen, aangezien het de nationale rechters in staat stelt om binnen het kader van hun bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 61].

86 In dat verband heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van de ter uitvoering van de verplichtingen van een richtlijn vastgestelde nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen, en die bepalingen zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C‑261/20, EU:C:2022:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87 Het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht kent zeker een aantal beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te verwijzen naar de inhoud van een richtlijn, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan zij niet dienen als grondslag voor een contra legem uitlegging van het nationale recht (arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat het vereiste van conforme uitlegging voor de nationale rechterlijke instanties de verplichting inhoudt om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van hun nationale recht en op eigen gezag iedere uitlegging van een hogere nationale rechterlijke instantie waaraan zij krachtens haar nationale recht is gebonden buiten toepassing te laten, indien deze uitlegging onverenigbaar is met deze richtlijn (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht (zie arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Indien een dergelijke onmogelijkheid wordt aangetoond, moeten beide consumenten echter, als partijen die zijn benadeeld doordat het nationale recht niet in overeenstemming is met het Unierecht, zich kunnen beroepen op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428), teneinde in voorkomend geval vergoeding van de geleden schade te verkrijgen (zie in die zin arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C‑261/20, EU:C:2022:33, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan niet kan worden geoordeeld dat een leaseovereenkomst in vreemde valuta, die ongeldig is geworden na het buiten toepassing laten, als oneerlijk beding, van een beding dat het aan die vreemde valuta verbonden wisselkoersrisico bij de betrokken consument legt, „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van die eerste bepaling, wanneer deze overeenkomst onder een nationale wettelijke regeling valt die aan de ongeldigheid van een dergelijke overeenkomst het rechtsgevolg verbindt dat de consument volledig wordt gevrijwaard van de nadelige gevolgen van enkel dat oneerlijke beding, terwijl de andere elementen van die overeenkomst geldig en bindend blijven. Aangezien de overeenkomst in een dergelijke situatie zonder dat beding niet kan voortbestaan, moet op grond van die bepalingen de situatie worden hersteld waarin de consument zich juridisch en feitelijk zou hebben bevonden zonder die overeenkomst.

Tweede vraag

92 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een nationale rechterlijke instantie op grond van richtlijn 93/13 een nationale wettelijke regeling buiten toepassing kan laten die met betrekking tot leaseovereenkomsten in vreemde valuta die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, bepaalt dat het betrokken krediet vanaf een in die wettelijke regeling vastgestelde datum in nationale valuta wordt omgezet, met het oogmerk om consumenten die dergelijke overeenkomsten hebben gesloten – ongeacht of deze overeenkomsten geldig zijn – voortaan te vrijwaren van de financiële gevolgen van het in die overeenkomsten opgenomen beding inzake het wisselkoersrisico, wanneer een dergelijke wettelijke regeling erop neerkomt dat deze consumenten in bepaalde mate een wisselkoersrisico dragen.

93 In dat verband volstaat het op te merken dat, gelet op het antwoord op de eerste en de derde vraag, de tweede vraag niet hoeft te worden beantwoord.

Kosten

94 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan,

moet aldus worden uitgelegd dat

op grond daarvan niet kan worden geoordeeld dat een leaseovereenkomst in vreemde valuta, die ongeldig is geworden na het buiten toepassing laten, als oneerlijk beding, van een beding dat het aan die valuta verbonden wisselkoersrisico bij de betrokken consument legt, „zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan” in de zin van die eerste bepaling, wanneer deze overeenkomst onder een nationale wettelijke regeling valt die aan de ongeldigheid van een dergelijke overeenkomst het rechtsgevolg verbindt dat de consument volledig wordt gevrijwaard van de nadelige gevolgen van enkel dat oneerlijke beding, terwijl de andere elementen van die overeenkomst geldig en bindend blijven. Aangezien de overeenkomst in een dergelijke situatie zonder dat beding niet kan voortbestaan, moet op grond van die bepalingen de situatie worden hersteld waarin de consument zich juridisch en feitelijk zou hebben bevonden zonder die overeenkomst.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in