HvJ EU 30 april 2026, C-544/24, ECLI:EU:C:2026:356

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

30 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 273 – Artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Verplichtingen die noodzakelijk worden geacht om de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen – Nationale regeling die voorziet in de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw – Inning van vertragingsrente – Evenredigheidsbeginsel”

In zaak C‑544/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterend onder de regering van de Republiek Litouwen) bij beslissing van 9 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 12 augustus 2024, in de procedure

„Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB

tegen

Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, en A. Kumin, rechter,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– „Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB, vertegenwoordigd door P. Gruodis, advokatas,

– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis, V. Kazlauskaitė-Švenčionienė en E. Kurelaitytė als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 november 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), gelezen in het licht van de artikelen 49 en 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Nekilnojamojo turto valdymas” BUAB, een vennootschap naar Litouws recht, (hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”) en de Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (nationale belastinginspectie bij het ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen) (hierna: „belastingdienst”) betreffende het besluit van deze dienst tot afwijzing van het door verzoekster in het hoofdgeding ingediende verzoek om vrijstelling van betaling van de haar in rekening gebrachte vertragingsrente over de belasting over de toegevoegde waarde (btw) alsook van de haar wegens belastingfraude opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

VWEU

3 Artikel 325, leden 1 en 2, VWEU bepaalt: „1. De [Europese] Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten, alsmede in de instellingen, organen en instanties van de Unie, een doeltreffende bescherming moeten bieden. 2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.”

Handvest

4 Artikel 49, lid 3, van het Handvest luidt: „De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.”

5 Artikel 50 van het Handvest is als volgt verwoord: „Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

Btw-richtlijn

6 In artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn is bepaald welke handelingen aan btw zijn onderworpen.

7 In artikel 273 van de btw-richtlijn is het volgende opgenomen: „De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding. De in de eerste alinea geboden mogelijkheid mag niet worden benut voor het opleggen van extra verplichtingen naast de in hoofdstuk 3 vastgestelde verplichtingen inzake facturering.”

Litouws recht

Wet op de btw

8 Artikel 123 van de Lietuvos Respublikos pridėtinės vertės mokesčio įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belasting over de toegevoegde waarde; hierna: „wet op de btw”) van 5 maart 2002 (Žin., 2002, nr. 35‑1271), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, draagt als opschrift „Niet-naleving van de regels voor betaling van de btw” en bepaalt in lid 1 dat personen die de bepalingen van deze wet hebben overtreden, vertragingsrente moeten voldoen overeenkomstig de bepalingen van de Lietuvos Respublikos mokesčių administravimo įstatymas (wet van de Republiek Litouwen op de belastingdienst) van 13 april 2004 (Žin., 2004, nr. 63‑2243), zoals gewijzigd met ingang van 1 mei 2023 bij wet nr. XIV–1658 van 13 december 2022 (hierna: „wet op de belastingdienst”).

Wet op de belastingdienst

9 Artikel 7 van de wet op de belastingdienst heeft als opschrift „Beginsel van gelijkheid van belastingplichtigen” en bepaalt in lid 1: „Bij de toepassing van de belastingwetten zijn alle belastingplichtigen gelijk ten aanzien van de in die wetten neergelegde voorwaarden.”

10 Artikel 8 van deze wet draagt als opschrift „Legaliteitsbeginsel en universele verplichting” en luidt: „1. Iedere belastingplichtige moet de belastingen betalen die in de belastingwetgeving zijn vastgesteld, volgens de in de belastingwetgeving voorgeschreven procedure voor de berekening en betaling van belastingen. […] 3. Bij de belastingheffing neemt de belastingdienst de criteria van redelijkheid en billijkheid in acht.”

11 Artikel 95 van deze wet heeft als opschrift „Wijze van handhaving van belastingverplichtingen” en bepaalt in lid 1, punt 1, dat vertragingsrente een methode is om belastingverplichtingen af te dwingen.

12 Artikel 96 van die wet draagt het opschrift „Vertragingsrente” en is geformuleerd als volgt: „1. Ten laste van de belastingplichtige wordt vertragingsrente berekend over: […] 2) een niet-aangegeven of niet-berekende belasting die niet of te laat is betaald zoals vastgesteld door de belastingdienst tijdens een belastingcontrole […]”.

13 Artikel 97 van de wet op de belastingdienst draagt als opschrift „Begin van de berekening van de vertragingsrente” en bepaalt in lid 2: „In het geval bedoeld in artikel 96, lid 1, punt 2, van deze wet wordt vertragingsrente berekend vanaf de dag volgend op de dag waarop, volgens de op dat ogenblik geldende belastingwetgeving, de belasting aan de begroting had moeten worden afgedragen tot de dag waarop het inspectieverslag werd opgesteld dat de resultaten van de controle bevestigt. In geval van niet-betaling van de belasting binnen de in artikel 81, lid 2, van deze wet vastgestelde termijn […], wordt de berekening van de vertragingsrente voortgezet vanaf de dag volgend op de dag waarop deze termijn is verstreken.”

14 Artikel 98 van deze wet, met als opschrift „Periode voor het berekenen van de vertragingsrente”, bepaalt in lid 2: „De vertragingsrente waarvan de berekening is begonnen op de wijze die is vastgesteld in artikel 97, leden 1 en 2, van deze wet, wordt berekend over een periode van ten hoogste 180 dagen vanaf de dag waarop het recht op invordering van achterstallige betalingen is ontstaan, en, wanneer de belastingplichtige de door hemzelf berekende en niet aan aangifte onderworpen belastingen (of, in de in de toepasselijke belastingwetgeving bepaalde gevallen, de door de belastingdienst berekende belastingen) niet betaalt, over een periode van ten hoogste 180 dagen vanaf de in de toepasselijke belastingwetgeving vastgestelde betalingstermijn.”

15 Artikel 99 van die wet, met als opschrift „Tarief van de vertragingsrente”, bepaalt in lid 1: „Het tarief van de vertragingsrente, dat in geen geval lager mag zijn dan nul, en de wijze van berekening ervan worden vastgesteld door de minister van Financiën, rekening houdend met het rendement op de laatste werkdag van het voorgaande kalenderkwartaal van het overheidspapier waarvan de looptijd het dichtst ligt bij een periode van 12 maanden op de secundaire effectenmarkt. Het tarief van de vertragingsrente wordt bepaald door het bovengenoemde tarief met 7 procentpunten te verhogen.”

16 Artikel 100 van de wet op de belastingdienst draagt als opschrift „Vrijstelling van betaling van vertragingsrente” en is geformuleerd als volgt: „1. De belastingplichtige kan geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van betaling van opgelopen (berekende) maar nog niet voldane (geïnde) vertragingsrente indien: […] 2) een bijzondere belastingwet in een dergelijke wettelijke mogelijkheid voorziet; 3) een van de in artikel 141, lid 1, van deze wet genoemde gronden aanwezig is; […]”

17 In artikel 141 van deze wet, met als opschrift „Vrijstelling van betaling van geldboeten”, is het volgende opgenomen: „1. Voor geldboeten die zijn opgelegd krachtens de artikelen 139 en 140 van deze wet geldt een vrijstelling van betaling wanneer: 1) de belastingplichtige bewijst dat hij niet schuldig is aan de overtreding; 2) de belastingwet is overtreden door omstandigheden die buiten de macht van de belastingplichtige liggen en die hij niet heeft voorzien of niet heeft kunnen voorzien. Het handelen of nalaten van de belastingplichtige of zijn werknemers en de insolventie van de belastingplichtige worden niet aangemerkt als zodanige omstandigheden; 3) de individuele handeling van de belastingplichtige, hoewel in strijd met de bepalingen van de belastingwet, geen nadeel oplevert voor de begroting; 4) de belastingplichtige de belastingwet heeft overtreden als gevolg van een door de belastingdienst schriftelijk of telefonisch gegeven onjuiste algemene uitlegging van de belastingwet of onjuist advies met betrekking tot de betaling van belastingen, op voorwaarde dat de raadpleging is geregistreerd volgens de door de nationale belastingdienst vastgestelde procedures en het mogelijk is de oproeper als de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) te identificeren.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 De belastingdienst heeft bij verzoekster een controle uitgevoerd van de juistheid van de berekening, aangifte en betaling van de door haar verschuldigde btw voor het tijdvak van 1 december 2012 tot en met 31 december 2016. Bij deze controle heeft deze dienst een controleverslag opgesteld waarin werd vastgesteld dat verzoekster in het hoofdgeding artikel 58, lid 1, en artikel 64, lid 2, van de wet op de btw had geschonden, aangezien zij in het btw-aftrekbedrag de btw van bepaalde btw-facturen had opgenomen die niet rechtsgeldig waren, en handelingen heeft verricht die gepaard gingen met btw-fraude.

19 Bij besluit van 4 september 2018 houdende bevestiging van dat verslag heeft de belastingdienst het bedrag van de door verzoekster in het hoofdgeding verschuldigde aanvullende btw vastgesteld op 6517901,36 EUR en dat van de door haar verschuldigde vertragingsrente op de btw op 2431505,31 EUR. Voorts is aan verzoekster in het hoofdgeding een fiscale boete van 1862257 EUR opgelegd.

20 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor belastinggeschillen, ressorterend onder de regering van de Republiek Litouwen), die dat besluit bij beslissing van 10 december 2018 heeft bevestigd.

21 Bij vonnis van 30 mei 2019 heeft de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) het beroep verworpen dat verzoekster in het hoofdgeding had ingesteld tegen de beslissing van de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės van 10 december 2018.

22 Verzoekster in het hoofdgeding heeft daarop bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) hoger beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van die beslissing en van het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018.

23 Bij arrest van 9 september 2020 heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas dit hoger beroep verworpen en het vonnis van de Vilniaus apygardos administracinis teismas bevestigd.

24 Op 18 januari 2021 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de belastingdienst verzocht om vrijstelling van de betaling van de vertragingsrente en van de aan haar opgelegde fiscale boete.

25 Bij besluit van 16 maart 2021 heeft de belastingdienst geweigerd om verzoekster in het hoofdgeding vrij te stellen van betaling van de vertragingsrente over de btw ten bedrage van 2835125,75 EUR en van de fiscale boete. In dat besluit heeft deze dienst vastgesteld dat verzoekster in het hoofdgeding aan geen van de voorwaarden van artikel 141, lid 1, van de wet op de belastingdienst voldeed en dat zij evenmin het bestaan had aangetoond van uitzonderlijke omstandigheden ter rechtvaardiging van de toepassing van de criteria van redelijkheid en billijkheid, bedoeld in artikel 8, lid 1, van die wet.

26 Aangezien verzoekster in het hoofdgeding niet had voldaan aan de aanvullende btw-verplichtingen te haren laste, is het totaalbedrag van de in het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 bedoelde vertragingsrente – die gedurende de gehele belastingcontrole alsook tijdens de gerechtelijke procedure, namelijk tussen 26 januari 2013 en 4 april 2021, was blijven oplopen – vastgesteld op 3150660,79 EUR en het bedrag van de fiscale boete op 1838812,44 EUR.

27 Op 11 april 2024 heeft verzoekster in het hoofdgeding een nieuw verzoek ingediend om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente en van de fiscale boete. In dit verband heeft zij verzocht om vrijstelling van betaling van het „punitieve bestanddeel” van deze rente, te weten het deel dat het bedrag overschrijdt dat strekt tot vergoeding van de schatkist en dat goed is voor twee derde van het totaalbedrag van die rente. Volgens verzoekster in het hoofdgeding is het onevenredige karakter van genoemde rente als sanctie duidelijk in een situatie als de hare, waarin de vertragingsrente met terugwerkende kracht is berekend voor de gehele periode vanaf het tijdstip waarop de belasting had moeten worden betaald tot en met 4 april 2021, dus ook tijdens de belastingcontrole en de gerechtelijke procedure. Bovendien vormt deze rente volgens haar, voor wat het opleggen van het punitieve bestanddeel ervan betreft, een strafrechtelijke sanctie, namelijk de opslag van zeven procentpunten die op de rentevoet wordt toegepast.

28 Bij besluit van 13 mei 2024 heeft de belastingdienst geweigerd om dit nieuwe verzoek in te willigen en daarbij in wezen aangevoerd dat de vertragingsrente werd aangerekend overeenkomstig de vereisten van de wet op de belastingdienst. Deze wet voorziet namelijk niet in de mogelijkheid om verzoekster in het hoofdgeding vrij te stellen van betaling van vertragingsrente op andere gronden dan die waarin artikel 100, lid 1, van diezelfde wet voorziet. De berekeningswijze van het tarief van de vertragingsrente is dwingend voorgeschreven in voornoemde wet en de belastingdienst dient binnen die grenzen te beslissen over de vertragingsrente. Bovendien is de vertragingsrente volgens de relevante nationale rechtspraak een middel tot handhaving van de belastingverplichtingen en mag zij niet worden beschouwd als een sanctie van strafrechtelijke aard. Voorts zou de belastingdienst, door het verzoek van verzoekster in het hoofdgeding in te willigen en voor haar een ander dan in de wet op de belastingdienst voorgeschreven rentetarief te hanteren, inbreuk maken op het beginsel van gelijkheid van belastingplichtigen voor de wet, zoals neergelegd in artikel 7 van de wet op de belastingdienst.

29 Op 4 juni 2024 heeft verzoekster bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės, de verwijzende rechter in deze zaak, een bezwaar ingediend tot nietigverklaring van het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024.

30 De verwijzende rechter merkt op dat volgens de door de belastingdienst verstrekte inlichtingen tijdens de belastingcontrole is vastgesteld dat er aanleiding was om een strafrechtelijke procedure in te leiden tegen verzoekster in het hoofdgeding als rechtspersoon. Deze strafprocedure is evenwel nog aanhangig en tot op heden is er geen veroordeling uitgesproken. In dit stadium van de procedure is derhalve nog geen straf opgelegd.

31 Op basis van de vaste rechtspraak van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas merkt de verwijzende rechter op dat vertragingsrente primair dient ter handhaving van belastingverplichtingen en dat zij in de eerste plaats gericht is op het bekostigen van de uitgaven van de staat en niet op het straffen van de belastingplichtige. Deze vertragingsrente bevat echter ook een punitief bestanddeel, aangezien bij de berekening van het tarief ervan een verhoging van zeven procentpunten wordt toegepast op het compenserende bestanddeel, dat aan de kosten van de staatsschuld is gekoppeld en dat wordt bepaald aan de hand van het rendement van overheidspapier op de secundaire effectenmarkt.

32 De verwijzende rechter betwijfelt derhalve met name of de artikelen 96 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst verenigbaar zijn met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van het Handvest, aangezien deze nationale bepalingen niet zorgen voor een onderlinge afstemming van de administratieve procedures voor het opleggen van vertragingsrente en de strafvervolgingsprocedures teneinde de uit de cumulatie van deze procedures voortvloeiende extra last tot het strikt noodzakelijke te beperken en te verzekeren dat de zwaarte van alle opgelegde sancties in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde inbreuk. In het bijzonder stellen die nationale bepalingen, met het oog op het opleggen van strafrechtelijke sancties, geen beperking aan de toepassing van het punitieve bestanddeel van deze vertragingsrente wanneer de aan die vertragingsrente ten grondslag liggende feiten tevens aanleiding geven tot strafvervolging.

33 Tegen deze achtergrond heeft de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die het mogelijk maakt rente wegens tardieve betaling van belasting op te leggen die deels een sanctie is voor dezelfde fiscale inbreuken als die welke strafrechtelijk worden vervolgd, zonder daarbij coördinatieregels vast te stellen die het bijkomende nadeel als gevolg van de cumulatie van procedures voor de betrokken personen tot het strikt noodzakelijke beperken of die waarborgen dat het geheel van de opgelegde sancties niet zwaarder is dan hetgeen strikt noodzakelijk is in verhouding tot de ernst van de betrokken inbreuk? 2) Moeten artikel 325 VWEU, artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een procedure van toepassing van rente wegens laattijdige betaling van belastingen waarbij, ongeacht de aard en de ernst van de inbreuken, een vast punitief bestanddeel van de rente wegens tardieve betaling van belastingen wordt vastgesteld, zonder dat dit punitieve bestanddeel kan worden verlaagd, dat wil zeggen dat een lager percentage aan vertragingsrente kan worden opgelegd dan het bij wet vastgestelde percentage of dat het punitieve bestanddeel van de vertragingsrente kan worden kwijtgescholden?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

34 Volgens de Litouwse regering is het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk, aangezien de door de verwijzende rechter gestelde vragen geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding.

35 Die regering merkt in dit verband op dat de verschuldigdheid van de vertragingsrente en de fiscale boete die bij het besluit van de belastingdienst van 4 september 2018 aan verzoekster in het hoofdgeding zijn opgelegd, is bevestigd bij een eindarrest van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas van 9 september 2020. De fiscale aansprakelijkheid van verzoekster in het hoofdgeding is dus vastgesteld bij een definitief geworden uitspraak waartegen geen beroep openstaat. Bijgevolg is het voorwerp van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding uitsluitend beperkt tot de voorwaarden voor toekenning van een vrijstelling van betaling van vertragingsrente overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.

36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 12 oktober 2023, KBC Verzekeringen,C‑286/22, EU:C:2023:767, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 In casu heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter een bezwaar aanhangig gemaakt tegen het besluit van de belastingdienst van 13 mei 2024, waarbij deze dienst haar verzoek om vrijstelling van betaling van de vertragingsrente over de btw en van de geldboete die haar waren opgelegd heeft afgewezen. Tegen die achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of het in de wet op de belastingdienst geregelde mechanisme voor de heffing van vertragingsrente verenigbaar is met artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, en artikel 50 van het Handvest.

38 Ten eerste moet worden opgemerkt op dat een mechanisme voor de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw, zoals dat is ingevoerd bij de artikelen 95 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst, een uitvoering vormt van de bepalingen van de btw-richtlijn, en meer in het bijzonder van artikel 273 daarvan, en derhalve beoogt de inning te waarborgen van btw-bedragen die niet overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn zijn voldaan.

39 Ten tweede blijkt niet duidelijk uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de gevraagde uitlegging van artikel 273 van voornoemde richtlijn geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, dan wel dat het vraagstuk van hypothetische aard is. Aangezien de tweede prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening door de belastingdienst van de vertragingsrente op achterstallige btw-bedragen, en gelet op de periode waarover die rente wordt berekend, lijkt zij relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.

40 Gelet op het voorgaande, en aangezien het Hof beschikt over alle gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen, moet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële vraag ontvankelijk is.

Eerste vraag

41 Volgens de Europese Commissie is de eerste vraag niet-ontvankelijk, omdat de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel, dat in artikel 50 van het Handvest wordt gewaarborgd, veronderstelt dat er sprake is van een situatie waarin voor hetzelfde strafbare feit een definitieve veroordeling of vrijspraak is uitgesproken. In casu is de strafprocedure in het kader waarvan verzoekster in het hoofdgeding wordt vervolgd, echter nog lopende en is er tegen haar nog geen veroordeling uitgesproken. In het hoofdgeding is dus niet voldaan aan de voorwaarde „bis”, zodat de verwijzende rechter voor de beslechting van het hoofdgeding geen antwoord op de eerste vraag nodig heeft.

42 Wat artikel 50 van het Handvest betreft, zij er om te beginnen aan herinnerd dat procedures betreffende strafbare feiten op het gebied van de btw waarmee de juiste heffing van deze belasting en de vermijding van fraude als in het hoofdgeding wordt beoogd, uitvoering geven aan de btw-richtlijn, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg vallen de nationaalrechtelijke bepalingen inzake dergelijke procedures binnen de werkingssfeer van het Handvest (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Orsi en Baldetti, C‑217/15 en C‑350/15, EU:C:2017:264, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Niettemin moet er ook aan worden herinnerd dat de toepasselijkheid van het ne-bis-in-idembeginsel veronderstelt dat er een definitieve beslissing is gewezen, waarbij veroordeling of vrijspraak voor hetzelfde strafbare feit is uitgesproken. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat het beginsel ne bis in idem beoogt te vermijden dat een onderneming„opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd”, hetgeen veronderstelt dat deze onderneming is veroordeeld of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing waartegen geen beroep meer openstaat. Artikel 50 van het Handvest ziet dus specifiek op de herhaling van een procedure met betrekking tot dezelfde feitelijke handeling, die is afgesloten door een onherroepelijke beslissing (zie in die zin arrest van 3 april 2019, Powszechny Zakład Ubezpieczeń na Życie,C‑617/17, EU:C:2019:283, punten 29 en 32, en beschikking van 20 mei 2021, ENR Grenelle Habitat e.a.,C‑88/20, EU:C:2021:407, punt 33).

44 In het onderhavige geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing echter enerzijds dat aan verzoekster in het hoofdgeding na afloop van een administratieve belastingcontrole een boete en vertragingsrente over achterstallige btw is opgelegd. Anderzijds is de strafrechtelijke vervolging die wegens dezelfde feiten tegen haar is ingesteld nog niet beëindigd en is er nog geen definitieve beslissing tot veroordeling of vrijspraak voor hetzelfde strafbare feit gegeven.

45 Wat dat betreft is het krachtens artikel 50 van het Handvest verboden om voor dezelfde feiten meerdere sancties van strafrechtelijke aard op te leggen die uit verschillende met het oog daarop gevoerde procedures voortvloeien (arrest van 20 maart 2018, Menci,C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 35). Dit artikel 50 regelt daarentegen niet de situatie van een persoon tegen wie voor dezelfde inbreuk op een belastingverplichting zowel een administratieve procedure als een strafprocedure loopt, zolang in het kader van de tweede procedure, die losstaat van en autonoom is ten opzichte van de eerste, zoals in het onderhavige geval, geen veroordeling of vrijspraak is uitgesproken voor dezelfde feiten. Gelet hierop is artikel 50 van het Handvest niet van toepassing op het hoofdgeding.

46 Wanneer de Unierechtelijke bepalingen waarop een prejudiciële vraag betrekking heeft niet van toepassing zijn op het hoofdgeding en dus irrelevant zijn voor de beslechting daarvan, moet worden vastgesteld dat de gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen uitspraak te doen, en dat die vraag in zoverre dus niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Swiftair,C‑701/23, EU:C:2025:237, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Derhalve is de eerste vraag van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk.

Tweede vraag

48 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de betaling van vertragingsrente over achterstallige btw en die, ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, het bedrag van de vertragingsrente vaststelt zonder dat die dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door een deel van dat bedrag kwijt te schelden.

49 In casu vloeien de twijfels van de verwijzende rechter over de uitlegging van het Unierecht voort uit het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling het mogelijk maakt om, cumulatief, zowel vertragingsrente op de btw, waarvan een deel tevens een punitief karakter heeft, als een fiscale boete op te leggen in geval van niet-betaling of te late betaling van een verschuldigde belasting.

50 In dit verband wenst de verwijzende rechter ten eerste te vernemen in hoeverre de vertragingsrente over achterstallige btw, die na afloop van een administratieve belastingcontrole aan verzoekster in het hoofdgeding is opgelegd, strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, en ten tweede of een dergelijke nationale regeling strookt met het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is uitgelegd in het kader van de toepassing van artikel 325 VWEU en van artikel 273 van de btw-richtlijn.

Uitlegging van artikel 49, lid 3, van het Handvest

51 Volgens de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 50 van het Handvest, welke rechtspraak ook voor artikel 49, lid 3, kan worden gehanteerd, zijn drie criteria relevant om te bepalen of een sanctie van strafrechtelijke aard is, namelijk: de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, de aard van de inbreuk, en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd (arresten van 20 maart 2018, Menci,C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 maart 2022, bpost,C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Bovendien kan, nog steeds volgens die rechtspraak, zelfs voor strafbare feiten die naar nationaal recht niet als „strafbare feiten” in strafrechtelijke zin worden gekwalificeerd, een dergelijk karakter niettemin voortvloeien uit de aard zelf van het strafbare feit in kwestie en uit de zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd [arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten),C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

53 Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om in het licht van deze criteria te beoordelen of de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, kan het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing niettemin preciseringen geven om die rechter bij zijn beoordeling te leiden (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci,C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Wat het eerste criterium betreft, namelijk de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, volgt uit zowel de bewoordingen van artikel 95, lid 1, van de wet op de belastingdienst als de relevante nationale rechtspraak, meer bepaald die van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas, dat de heffing van vertragingsrente over achterstallige belastingschulden in geval van niet-betaling of tardieve betaling van een verschuldigde belasting naar Litouws recht niet als een strafrechtelijke sanctie wordt beschouwd. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt overigens dat deze rente in het kader van een administratieve procedure wordt opgelegd. Hoewel het Litouwse recht eveneens voorziet in fiscale strafbare feiten die strafrechtelijk worden vervolgd, worden de daarvoor geldende sancties opgelegd in het kader van een afzonderlijke en onafhankelijke procedure.

55 Het tweede criterium, dat verband houdt met de aard zelf van de inbreuk, vereist dat wordt nagegaan of met de betreffende sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd. Daaruit volgt dat een sanctie met een repressief doel een strafrechtelijk karakter heeft en dat de loutere omstandigheid dat met die sanctie ook een preventief doel wordt nagestreefd haar niet de kwalificatie van strafrechtelijke sanctie kan ontnemen. Het ligt namelijk in de aard zelf van strafrechtelijke sancties besloten dat zij zowel strekken tot repressie als tot preventie van ongeoorloofde gedragingen. Daarentegen is een maatregel die beperkt blijft tot het herstel van de door de desbetreffende inbreuk veroorzaakte schade, niet strafrechtelijk van aard [zie in die zin arresten van 20 maart 2018, Menci,C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 31, en 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten),C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 89].

56 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de schriftelijke opmerkingen van partijen voor het Hof dat de heffing van vertragingsrente volgens de wet op de belastingdienst enerzijds een preventief karakter heeft doordat de betrokken personen ertoe worden aangezet om de btw binnen de gestelde termijn of zo snel mogelijk na het verstrijken van die termijn te voldoen, hetgeen ook bijdraagt tot de waarborging van de juiste inning van de btw, en anderzijds een compensatiekarakter heeft, aangezien dergelijke rente de financiële verliezen beoogt te vergoeden die de staat heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting.

57 In dit verband moet worden benadrukt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de heffing van vertragingsrente enerzijds een preventief karakter heeft door de belastingplichtige ertoe aan te zetten om zo snel mogelijk na het verstrijken van de gestelde termijnen aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen, en anderzijds een compensatiekarakter heeft door de financiële verliezen te vergoeden die de staat heeft geleden vanwege de niet-betaling of de tardieve betaling van een belasting (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika,C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 89‑91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt ook dat „vertragingsrente in essentie niet is bedoeld om belastingplichtigen te straffen teneinde herhaling van de verweten handelingen te voorkomen, maar hoofdzakelijk strekt tot financiële vergoeding van schade, meer bepaald de financiële schade voortvloeiend uit het tijdsverloop en de tardieve betaling van de belasting” [EHRM, 6 oktober 2009, Poniatowski tegen Frankrijk (beschikking), CE:ECHR:2009:1006DEC002949408]. Uit deze rechtspraak volgt dus dat noch naheffings- of navorderingsprocedures die uitsluitend een volledige inning van de belastingschuld beogen, zonder dat deze procedures gepaard gaan met enige verhoging daarvan, noch procedures met betrekking tot vertragingsrente, ongeacht het bedrag daarvan of de kwalificatie ervan in het nationale recht, een strafrechtelijke connotatie hebben [zie in die zin EHRM, 17 mei 2016, Société Oxigène Plus tegen Frankrijk (beschikking), CE:ECHR:2016:0517DEC007695911, §§ 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

59 Gelet op deze rechtspraak kan de heffing van vertragingsrente over achterstallige btw zoals in het hoofdgeding niet worden beschouwd als een repressieve maatregel.

60 Wat het derde criterium betreft, dat verband houdt met de zwaarte van de sanctie, lijkt niets in het aan het Hof voorgelegde dossier erop te wijzen dat de vertragingsrente zoals die in het hoofdgeding is opgelegd dermate hoog is dat haar een strafrechtelijk karakter moet worden verleend. Wat in het bijzonder het feit betreft dat, zoals verzoekster in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter heeft aangevoerd, de vertragingsrente deels een „punitief” karakter heeft gezien de verhoging van het basistarief van deze rente met zeven procentpunten, moet worden opgemerkt dat deze stellingen zijn gebaseerd op een lezing van de betreffende nationale regelgeving die verschilt van die van de verwijzende rechter. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertragingsrente een punitief karakter heeft (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Nidera,C‑387/16, EU:C:2018:121, punt 35).

61 Hoe dan ook is vertragingsrente volgens de rechtspraak van het Hof bedoeld om de gevolgen van de overschrijding van een betalingstermijn te verhelpen en om de voordelen te compenseren die de belastingplichtige ten onrechte haalt uit de vertraging bij de betaling van een fiscale schuld, en niet om die vertraging te bestraffen (zie in die zin arrest van 5 december 2024, Network One Distribution,C‑506/23, EU:C:2024:1003, punt 32).

62 Uit de in punt 58 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt ook dat soortgelijke maatregelen als die in het hoofdgeding, ongeacht het bedrag daarvan, niet voldoende zwaar werden geacht om als strafrechtelijk te kunnen worden beschouwd.

63 Gezien het voorgaande, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt aan geen van de drie criteria die in punt 51 van het onderhavige arrest zijn genoemd om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertragingsrente als een maatregel van strafrechtelijke aard aan te merken, te zijn voldaan. Aangezien deze vertragingsrente geen strafrechtelijk karakter heeft, kan zij niet worden getoetst aan artikel 49, lid 3, van het Handvest.

Toepassing van het algemene evenredigheidsbeginsel

64 Ook al valt een maatregel als in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van artikel 49, lid 3, van het Handvest, het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, waarbij het Hof bevoegd is om hem de ter zake nuttige uitleg te verschaffen. De eerbiediging van dit beginsel, dat een algemeen beginsel van het Unierecht is, is voor de lidstaten bindend wanneer zij dit recht ten uitvoer leggen, zelfs bij gebreke van harmonisatie van de wetgeving van de Unie op het gebied van toepasselijke sancties [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

65 Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag wenst te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.

66 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel dat een maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel op coherente en systematische wijze te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken, met dien verstande dat de door die maatregel veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen (zie in die zin arrest van 7 september 2022, Cilevičs e.a.,C‑391/20, EU:C:2022:638, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Met name mogen de administratieve of repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met die wettelijke regeling worden nagestreefd (arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 In casu zij er meteen aan herinnerd dat uit met name de artikelen 2 en 273 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 325, lid 1, VWEU, volgt dat de lidstaten alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dienen te treffen om te waarborgen dat de btw op hun respectieve grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci,C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 18).

69 Uit vaste rechtspraak volgt dat de bepalingen van artikel 273 van de btw-richtlijn, buiten de daarin gestelde beperkingen, noch de voorwaarden noch de verplichtingen preciseren waarin de lidstaten kunnen voorzien en de lidstaten derhalve een beoordelingsmarge verlenen ter zake van de middelen die zij kunnen inzetten om zich te verzekeren van de volledige inning van de op hun grondgebied verschuldigde btw en om fraude te bestrijden (arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika,C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 69).

70 Bovendien zijn de lidstaten volgens artikel 325, leden 1 en 2, VWEU verplicht om onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn, en zijn zij in het bijzonder verplicht, ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen te treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry,C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 De lidstaten moeten erop toezien dat overtredingen van het Unierecht, waaronder de geharmoniseerde regels van de btw-richtlijn, onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als soortgelijke en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, maar deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (arrest van 2 mei 2018, Scialdone,C‑574/15, EU:C:2018:295, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 In casu draagt de maatregel waarbij vertragingsrente wordt geheven over achterstallige btw, zoals bepaald in de artikelen 95 tot en met 99 van de wet op de belastingdienst, en waarbij die rente ingaat bij niet-betaling of niet-tijdige betaling van een verschuldigde belasting, bij tot de invordering van btw-bedragen die door een belastingplichtige niet binnen de dwingende termijnen van de btw-richtlijn zijn voldaan.

73 Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling ertoe strekt de juiste inning van de btw te waarborgen en/of fraude te voorkomen, streeft deze dus een door het Unierecht erkend legitiem doel na. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de heffing van vertragingsrente bijdraagt tot het bestrijden van niet-betaling binnen de gestelde termijn van aangegeven btw-bedragen, en dit overeenkomstig de verplichting die krachtens met name artikel 273 van de btw-richtlijn en artikel 325, lid 1, VWEU op de lidstaten rust om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die geschikt zijn om te garanderen dat de op hun grondgebied verschuldigde btw volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika,C‑1/21, EU:C:2022:788, punten 88, 89 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter – die als enige bevoegd is het nationale recht uit te leggen en toe te passen – om uiteindelijk te beoordelen of de maatregel tot heffing van vertragingsrente als in het hoofdgeding geschikt, noodzakelijk en evenredig is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, maar het Hof kan wel preciseringen geven om die rechter bij zijn beoordeling te leiden (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2022:111, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of een dergelijke maatregel geschikt is om op coherente en systematische wijze de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen te waarborgen, moet worden opgemerkt dat de heffing van vertragingsrente bijdraagt aan de bestrijding van het niet binnen de gestelde termijnen betalen van aangegeven btw-bedragen. Een dergelijke maatregel draagt dus bij tot de nakoming van de in punt 68 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichting van elke lidstaat om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, Direktor na Direktsia Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika,C‑1/21, EU:C:2022:788, punt 71).

76 Bijgevolg lijkt vertragingsrente een passende maatregel te zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling worden nagestreefd.

77 In de tweede plaats moet er, wat betreft de noodzakelijkheid van deze maatregel, worden gewezen op het belang van de bestrijding van fraude, overeenkomstig artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, en op de verplichting voor de lidstaten om doeltreffende maatregelen te nemen om de doelstelling te verwezenlijken die erin bestaat de juiste inning van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen, overeenkomstig dezelfde bepalingen.

78 In dit verband geeft de wet op de belastingdienst uitvoering aan de bepalingen van de btw-richtlijn, die bindend is voor de Republiek Litouwen en tot doel heeft doeltreffende maatregelen ter bestrijding van btw-fraude op te leggen, teneinde de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen tijdig na te komen en om de kosten te dekken die de belastingdienst moet maken doordat deze verplichtingen niet tijdig worden nagekomen, alsook de schade te compenseren die de schatkist lijdt doordat de verschuldigde belastingbedragen niet beschikbaar zijn.

79 In dit verband dient te worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft benadrukt, dat met het opleggen van vertragingsrente concreet wordt beoogd om belastingplichtigen ertoe aan te zetten voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, zodat zij niet het risico lopen dat het bedrag van hun belastingschuld stijgt naarmate hun betalingsachterstand groter wordt. Bij gebreke van een dergelijke maatregel zouden belastingplichtigen geen bijzondere prikkel hebben om hun belastingverplichtingen binnen de gestelde termijnen na te komen en zouden zij de voorkeur kunnen geven aan handelstransacties. Bovendien bevoordeelt het ontbreken van vertragingsrente personen die hun fiscale verplichtingen niet binnen de gestelde termijn nakomen, doordat zij beschikken over extra liquide middelen en een economisch voordeel genieten dat overeenkomt met de vermindering in de loop van de tijd van de reële waarde van hun belastingschuld.

80 Hieruit volgt dat, gelet op de context waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling past, deze regeling, voor zover zij voorziet in een maatregel tot heffing van vertragingsrente, noodzakelijk lijkt voor de verwezenlijking van het daarmee nagestreefde legitieme doel.

81 Wat in de derde plaats de evenredigheid in strikte zin van deze maatregel betreft, moet met name worden opgemerkt dat de Litouwse wetgever heeft voorzien in de heffing van vertragingsrente en het bedrag daarvan heeft vastgesteld ongeacht de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en dat het bedrag van deze rente is vastgesteld zonder dat die dienst een van de bestanddelen van dit bedrag kan verlagen door een lager rentetarief te hanteren dan dat waarin deze regeling voorziet of door een deel van dat bedrag kwijt te schelden. In dit verband moet worden onderzocht of de nadelen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met zich meebrengt, niet onevenredig zijn ten opzichte van de legitieme doelstellingen die met deze regeling worden nagestreefd, namelijk de doeltreffende inning van de btw en de bestrijding van fraude.

82 Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bepalingen van nationaal recht inzake de tariefberekening voor vertragingsrente gelden voor alle belastingplichtigen van wie tijdens een belastingcontrole is vastgesteld dat zij een belasting die had moeten worden aangegeven maar die niet is aangegeven, of een belasting waarvoor geen aangifte is gedaan en die niet is berekend, niet of te laat hebben voldaan. Het tarief is vooraf op duidelijke en transparante wijze vastgesteld aan de hand van objectieve criteria en volgens een berekeningsmethode die in de wet op de belastingdienst is vastgelegd. De beslissingsbevoegdheid van de belastingdienst met betrekking tot de vaststelling van de vertragingsrente wordt door die wet afgebakend.

83 Gezien met name het preventieve karakter van de betrokken maatregel, die erop gericht is om de belastingplichtige aan te zetten tot tijdige nakoming van zijn fiscale verplichtingen en om de kosten te dekken die de belastingdienst heeft moeten maken doordat de belastingplichtige zijn belastingverplichtingen niet tijdig is nagekomen, lijkt de vaststelling van een vooraf bepaald tarief voor de berekening van de vertragingsrente niet onevenredig aan de doelstellingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling om de doeltreffendheid daarvan te waarborgen.

84 Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volstaat de omstandigheid dat het bedrag aan vertragingsrente forfaitair wordt vastgesteld en op geen enkele wijze kan worden aangepast, op zich niet om te concluderen dat deze maatregel onevenredig is. Het feit dat het bedrag aan vertragingsrente is vastgelegd in de nationale regeling waarover het hier gaat en dat dit bedrag door de belastingdienst niet kan worden gewijzigd, behalve in sommige gevallen waarin de geldende belastingwetgeving uitdrukkelijk voorziet, beschermt de belastingplichtigen namelijk tegen willekeurige besluiten van deze dienst en waarborgt tegelijkertijd de gelijke behandeling van deze belastingplichtigen.

85 Bovendien maakt een aldus vastgestelde rente het zowel voor schuldeisers als voor schuldenaren mogelijk om precies te voorzien hoeveel hun toekomstige financiële rechten respectievelijk verplichtingen zullen bedragen, zodat ook de rechtszekerheid wordt gewaarborgd. Mocht de eventuele beoordelingsmarge van de belastingdienst niet zijn afgebakend, zou dat kunnen leiden tot een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die zich in een vergelijkbare fiscale situatie bevinden.

86 Ten tweede moet worden opgemerkt dat, aangezien vertragingsrente slechts loopt tot de nakoming of het tenietgaan van de belastingverplichting, de handelingen van de belastingplichtige bepalend zullen zijn voor het totale bedrag van de door hem uiteindelijk verschuldigde vertragingsrente. De toepassing van vertragingsrente legt namelijk aan degene die niet binnen de gestelde termijnen aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan, een financiële last op die in verhouding staat tot de duur van de betalingsachterstand van zijn schuld waarover vertragingsrente is beginnen te lopen. Bijgevolg is de toepassing van vertragingsrente als middel tot handhaving van belastingverplichtingen in beginsel geen oplossing die een buitensporige last oplegt aan de belastingplichtigen.

87 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat, zoals verzoekster in het hoofdgeding heeft aangevoerd, de betrokken vertragingsrente met terugwerkende kracht is berekend over de gehele periode die aanvangt vanaf het moment waarop de belasting had moeten worden betaald, dus ook gedurende de belastingcontrole en de gerechtelijke procedure. Indien aan het einde van de gerechtelijke procedure het bestaan van de belastingschuld definitief wordt bevestigd, zou het buiten beschouwing laten van de duur van die procedure bij de berekening van de vertragingsrente de betrokken belastingplichtige een liquiditeitsvoordeel verschaffen ten opzichte van andere belastingplichtigen die hun verplichtingen wel tijdig zijn nagekomen.

88 Wat betreft de stelling van verzoekster in het hoofdgeding dat zij heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het deel van de rente dat hoger is dan het bedrag ter vergoeding van de schade van de schatkist, moet worden opgemerkt dat de compenserende rente weliswaar in sommige gevallen hoger kan zijn dan de daadwerkelijk door de Schatkist geleden schade, doch dat is enkel het gevolg van een forfaitair stelsel van schadevergoeding, dat uit de aard der zaak geen weerspiegeling vormt van de daadwerkelijk geleden verliezen maar van de verliezen die de schatkist, volgens de nationale wetgever, zou kunnen lijden (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Nidera,C‑387/16, EU:C:2018:121, punt 36).

89 Ten derde kan overeenkomstig artikel 100, lid 1, van de wet op de belastingdienst gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de betaling van de vastgestelde (berekende) maar niet betaalde (niet geïnde) vertragingsrente worden verleend indien aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Een dergelijke vrijstelling kan met name worden verleend wanneer een van de in artikel 141, lid 1, van deze wet genoemde gronden is vastgesteld. Tot die gronden behoren met name de gevallen waarin de belastingplichtige bewijst dat hij niet schuldig is aan de overtreding of wanneer de belastingwet is overtreden door omstandigheden die buiten de macht van de belastingplichtige liggen en die hij niet heeft voorzien of niet heeft kunnen voorzien, of wanneer de individuele handeling van de belastingplichtige, hoewel in strijd met de bepalingen van de belastingwet, geen nadeel voor de begroting oplevert.

90 Ten vierde vereist de beoordeling van de evenredigheid van maatregelen met een repressief doel inderdaad dat rekening wordt gehouden met omstandigheden zoals de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde niet-nakoming van een belastingverplichting of andere omstandigheden zoals de bijzondere context waarin deze niet-nakoming plaatsvond en het eventuele verband ervan met andere lopende procedures. Dit neemt echter niet weg dat maatregelen zoals vertragingsrente op achterstallige btw een preventief karakter hebben en dat daarmee, zoals in punt 79 van het onderhavige arrest is benadrukt, wordt beoogd om belastingplichtigen ertoe aan te zetten voorrang te geven aan het nakomen van hun belastingverplichtingen, zodat zij niet het risico lopen dat het bedrag van hun belastingschuld stijgt naarmate hun betalingsachterstand groter wordt.

91 Bijgevolg lijkt een nationale regeling als in het hoofdgeding, die de wijze van berekening van het tarief van de vertragingsrente vaststelt en tegelijkertijd uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het daarin vastgestelde tarief of deze rente deels kwijtscheldt, niet buitensporig te zijn gelet op het doel dat met deze rente wordt nagestreefd. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat de belastingdienst een belastingplichtige niet kan vrijstellen van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.

92 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 325 VWEU en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van de vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.

Kosten

93 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 325 VWEU en artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,

moeten aldus worden uitgelegd dat

deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de wijze vaststelt waarop het tarief van de vertragingsrente op achterstallige btw wordt berekend, zonder rekening te houden met de aard en de ernst van de door de belastingdienst vastgestelde inbreuk, en die uitsluit dat de belastingdienst een lager rentetarief hanteert dan het in die regeling vastgestelde tarief, dan wel een deel van de vertragingsrente kwijtscheldt of een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van die rente, behoudens de in die regeling limitatief omschreven gevallen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Litouws.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken