HvJ EU 22 januari 2026, C-554/24, ECLI:EU:C:2026:28
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
22 januari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Artikelen 259, 260 en 279 VWEU – Tenuitvoerlegging door een lidstaat van een beschikking van de vicepresident van het Hof waarbij voorlopige maatregelen worden opgelegd – Veroordeling tot betaling van een dagelijkse dwangsom totdat de beschikking is uitgevoerd – Verzuim om de nodige maatregelen te treffen om de beschikking na te leven en de dwangsom te betalen – Doorhaling van de hoofdzaak – Invordering door verrekening van vorderingen die voortvloeien uit de niet-betaling van de dwangsom – Beroep tot nietigverklaring”
In zaak C‑554/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 augustus 2024,
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Estrada de Solà, K. Herrmann en O. Verheecke als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Republiek Polen ten eerste om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 mei 2024, Polen/Commissie (T‑200/22 en T‑314/22, EU:T:2024:329; hierna: „bestreden arrest”), waarbij de beroepen zijn verworpen die zij had ingesteld tegen de besluiten van de Europese Commissie van 7 en 8 februari 2022, 16 en 31 maart 2022 en 16 mei 2022 (hierna samen: „litigieuze besluiten”) tot invordering door verrekening van de bedragen die de Republiek Polen verschuldigd was op grond van de dagelijkse dwangsom die de vicepresident van het Hof haar had opgelegd bij beschikking van 20 september 2021, Tsjechië/Polen (C‑121/21 R, EU:C:2021:752; hierna: „beschikking van 20 september 2021”). Ten tweede verzoekt de Republiek Polen om nietigverklaring van de litigieuze besluiten.
Toepasselijke bepalingen
VWEU
2 Artikel 259 VWEU luidt: „Ieder van de lidstaten kan zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie, indien hij van mening is dat een andere lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Voordat een lidstaat tegen een andere lidstaat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens de Verdragen op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen. De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken staten de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken. Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan desniettemin de klacht bij het Hof worden ingediend.”
3 Artikel 260 VWEU bepaalt: „1. Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat een lidstaat een der krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze staat gehouden die maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. 2. Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, kan zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Indien het Hof vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen. Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 259. [...]”
4 Artikel 279 VWEU luidt: „Het Hof van Justitie van de Europese Unie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.”
Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
5 Artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt: „De arresten zijn met redenen omkleed. [...] ”
6 Artikel 39, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie luidt: „Het door de president of zijn plaatsvervanger gegeven besluit heeft slechts een voorlopig karakter en prejudicieert niet op de beslissing van het Hof ten principale.”
Reglement voor de procesvoering van het Hof
7 Artikel 147 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, met als opschrift „Minnelijke schikking”, bepaalt in lid 1: „Indien partijen, alvorens het Hof uitspraak heeft gedaan, het Hof mededelen dat zij overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de oplossing van het geschil en dat zij van hun vorderingen afzien, gelast de president de doorhaling van de zaak in het register en beslist hij over de kosten overeenkomstig artikel 141, in voorkomend geval na kennis te hebben genomen van de voorstellen dienaangaande van partijen.”
8 Artikel 160 van dit Reglement („Verzoek tot opschorting of tot verkrijging van voorlopige maatregelen”) luidt: „1. Een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling bedoeld in artikel 278 VWEU en artikel 157 VEGA, is slechts ontvankelijk indien de verzoeker tegen die handeling beroep heeft ingesteld bij het Hof. 2. Een verzoek tot verkrijging van enige andere voorlopige maatregel bedoeld in artikel 279 VWEU, is slechts ontvankelijk indien de verzoeker partij is in een voor het Hof aanhangige zaak en dit verzoek met die zaak verband houdt. 3. De verzoeken bedoeld in de voorgaande leden, bevatten een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geding en van de omstandigheden waaruit de spoedeisendheid van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. [...]”
9 Artikel 162 van dat Reglement bepaalt: „1. Op het verzoek wordt bij een met redenen omklede, niet voor hogere voorziening vatbare beschikking uitspraak gedaan. Zij wordt onmiddellijk aan partijen betekend. 2. De tenuitvoerlegging van de beschikking kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat de verzoeker zekerheid stelt tot een bedrag en op de wijze als op grond van de omstandigheden bepaald. 3. In de beschikking kan de datum worden bepaald met ingang waarvan de maatregel zijn kracht verliest. Bij gebreke van zodanige aanduiding verliest de maatregel zijn kracht terstond nadat het eindarrest is uitgesproken. 4. De beschikking is slechts van voorlopige aard en prejudicieert de door het Hof in de hoofdzaak te geven beslissing niet.”
10 Artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering luidt: „Op verzoek van een van de partijen kan de beschikking te allen tijde op grond van een wijziging in de omstandigheden worden ingetrokken of gewijzigd.”
Voorgeschiedenis van het geding
11 Op 26 februari 2021 heeft de Tsjechische Republiek krachtens artikel 259 VWEU beroep ingesteld tot vaststelling dat de Republiek Polen niet had voldaan aan de verplichtingen die krachtens het Unierecht op haar rusten door de activiteiten van bruinkoolwinning in de dagbouwmijn van Turów (Polen), nabij de Tsjechische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland, uit te breiden en te verlengen (zaak C‑121/21).
12 Tegelijkertijd heeft de Tsjechische Republiek krachtens artikel 279 VWEU een verzoek in kort geding ingediend om de Republiek Polen te doen gelasten de bruinkoolwinning in de mijn van Turów onmiddellijk te staken tot het Hof arrest in de hoofdzaak zou hebben gewezen.
13 Bij beschikking van 21 mei 2021, Tsjechië/Polen (C‑121/21 R, EU:C:2021:420; hierna: „beschikking van 21 mei 2021”), heeft de vicepresident van het Hof dat verzoek in kort geding ingewilligd en de Republiek Polen gelast om de winning in die mijn onmiddellijk te staken tot aan de eindbeslissing in zaak C‑121/21.
14 Aangezien de Tsjechische Republiek van mening was dat de Republiek Polen geen gevolg had gegeven aan de beschikking van 21 mei 2021, heeft die lidstaat op 7 juni 2021 op grond van artikel 279 VWEU een nieuw verzoek in kort geding ingediend om de Republiek Polen te doen veroordelen tot betaling van een dwangsom van 5 miljoen EUR per dag aan de begroting van de Unie tot deze lidstaat die beschikking zou naleven.
15 Op 29 juni 2021 heeft de Republiek Polen krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek tot intrekking van de beschikking van 21 mei 2021 ingediend.
16 Bij beschikking van 20 september 2021 heeft de vicepresident van het Hof, ten eerste, het verzoek van de Republiek Polen tot intrekking van de beschikking van 21 mei 2021 afgewezen, en, ten tweede, deze lidstaat veroordeeld om de Commissie een dwangsom van 500000 EUR per dag te betalen vanaf de datum waarop de beschikking van 20 september 2021 haar ter kennis werd gebracht totdat zij de beschikking van 21 mei 2021 zou nakomen.
17 Op 19 oktober 2021 heeft de Commissie de Poolse autoriteiten verzocht bewijs te leveren dat de bruinkoolwinning in de mijn van Turów was gestaakt. Aangezien de Republiek Polen dit bewijs niet heeft geleverd, heeft de Commissie deze lidstaat tussen 5 november 2021 en 8 maart 2022 na afloop van elke periode van 30 kalenderdagen verzoeken tot betaling van de dagelijkse dwangsom gezonden.
18 Op 3 februari 2022 hebben de Tsjechische Republiek en de Republiek Polen een overeenkomst gesloten die een einde maakte aan het geschil dat had geleid tot zaak C‑121/21 (hierna: „minnelijke schikking”).
19 Op 4 februari 2022 hebben de twee lidstaten het Hof ervan in kennis gesteld dat zij gelet op de minnelijke schikking die was getroffen afzagen van alle vorderingen in zaak C‑121/21, en hebben de Poolse autoriteiten de Commissie verzocht de procedure tot invordering van de bij beschikking van 20 september 2021 opgelegde dwangsommen te beëindigen.
20 Bij beschikking van 4 februari 2022, Tsjechië/Polen (Mijn van Turów) (C‑121/21, EU:C:2022:82; hierna: „beschikking van 4 februari 2022”), is zaak C‑121/21 doorgehaald in het register van het Hof.
21 Diezelfde dag heeft de Republiek Polen krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek tot intrekking van de beschikking van 20 september 2021 ingediend.
22 Op 11 februari 2022 hebben de Poolse autoriteiten de Commissie opnieuw verzocht om de procedure tot invordering van de door het Hof bij die beschikking opgelegde dwangsommen te beëindigen.
23 Op 22 februari 2022 heeft de Commissie de Republiek Polen in antwoord op de brieven van 4 en 11 februari 2022 meegedeeld dat zij, zolang de beschikking van 20 september 2021 niet was „vernietigd”, voornemens was de op 3 februari 2022 verschuldigde bedragen in te vorderen door verrekening.
24 Bij beschikking van 19 mei 2022, Tsjechië/Polen (Mijn van Turów) (C‑121/21 R-RAP, EU:C:2022:408; hierna: „beschikking van 19 mei 2022”), heeft de vicepresident van het Hof het verzoek van de Republiek Polen tot intrekking van de beschikking van 20 september 2021 afgewezen. Punt 26 van deze beschikking luidt als volgt: „[b]ijgevolg is de Republiek Polen in casu vanaf 4 februari 2022 – de datum van de beschikking van de president van het Hof, Tsjechië/Polen (Mijn van Turów) (C‑121/21, [...] EU:C:2022:82), waarbij de doorhaling van zaak C‑121/21 in het register van het Hof is gelast – niet langer verplicht om de bruinkoolwinning in de mijn van Turów onmiddellijk te staken. Evenzo moet de veroordeling van deze lidstaat om aan de Commissie een dwangsom van 500000 EUR per dag te betalen tot die activiteiten worden gestaakt, worden geacht met ingang van deze datum te zijn vervallen.”
25 De Commissie heeft de Republiek Polen aangemaand om de per 3 februari 2022 verschuldigde bedragen, vermeerderd met vertragingsrente, te betalen en heeft erop gewezen dat zij, indien betaling uitbleef, deze bedragen zou invorderen door middel van verrekening overeenkomstig artikel 101, lid 1, en artikel 102 van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”). Vervolgens heeft zij besloten om over te gaan tot verrekening van de bedragen die verschuldigd waren uit hoofde van de door het Hof bij beschikking van 20 september 2021 opgelegde dwangsom. Bij besluiten van 7 en 8 februari 2022 en van 16 en 31 maart 2022 zijn de bedragen verrekend die verschuldigd waren voor de periode van 20 september 2021 tot en met 17 januari 2022; die voor de periode van 18 januari 2022 tot en met 3 februari 2022 zijn verrekend bij besluit van 16 mei 2022. Het aldus door verrekening ingevorderde bedrag bedroeg in hoofdsom ongeveer 68500000 EUR.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
26 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 19 april en 25 mei 2022, heeft de Republiek Polen twee beroepen krachtens artikel 263 VWEU ingesteld tot nietigverklaring van, ten eerste, de besluiten van 7 en 8 februari 2022 en 16 en 31 maart 2022, en, ten tweede, het besluit van 16 mei 2022.
27 De Republiek Polen heeft twee identieke middelen aangevoerd ter ondersteuning van haar beroepen tot nietigverklaring: ten eerste, schending van artikel 101, lid 1, en artikel 102 van het Financieel Reglement, gelezen in samenhang met artikel 98 daarvan, en, ten tweede, schending van artikel 296 VWEU en van artikel 41, lid 2, onder c), en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
28 In het bestreden arrest heeft het Gerecht deze twee middelen ongegrond verklaard en bijgevolg de beroepen in hun geheel verworpen.
29 Wat meer in het bijzonder de gevolgen van de doorhaling van zaak C‑121/21 voor de aan de Republiek Polen opgelegde dagelijkse dwangsom betreft, heeft het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest in essentie opgemerkt dat, ten eerste, in de beschikking van 4 februari 2022 geen melding werd gemaakt van de bij de beschikking van 21 mei 2021 uitgevaardigde voorlopige maatregelen, noch van die krachtens artikel 279 VWEU opgelegde dwangsom, ten tweede, het verzoek van de Republiek Polen tot intrekking van de beschikking van 20 september 2021 was afgewezen bij beschikking van 19 mei 2022, en, ten derde, uit punt 26 van laatstgenoemde beschikking uitdrukkelijk bleek dat de veroordeling van de Republiek Polen om aan de Commissie een dwangsom van 500000 EUR per dag te betalen tot de bruinkoolwinning in de mijn van Turów werd gestaakt, moest worden geacht te zijn vervallen met ingang van 4 februari 2022, zodat die dwangsom vanaf deze datum niet langer effect sorteerde.
30 In punt 41 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat die dwangsom daadwerkelijk gold in de periode tussen de datum van betekening van de beschikking van 20 september 2021 en de datum van doorhaling van zaak C‑121/21 in het register van het Hof. In punt 42 van dat arrest heeft het in essentie geoordeeld dat de doorhaling van deze zaak weliswaar gevolgen had gehad voor de looptijd van de dwangsom, maar er daarentegen niet toe had geleid dat de verplichting van de Republiek Polen tot betaling van de verschuldigde dwangsom was vervallen, en dat elke andere conclusie ertoe leidt dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de dagelijkse dwangsom, namelijk de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat.
31 Het Gerecht heeft geoordeeld dat de door de Republiek Polen aangevoerde argumenten deze conclusie niet konden weerleggen.
32 In de eerste plaats heeft het Gerecht er in punt 44 van het bestreden arrest aan herinnerd dat de beschikking van 20 september 2021 niet vatbaar was voor hogere voorziening en dus niet met terugwerkende kracht kon worden vernietigd.
33 In de tweede plaats heeft het Gerecht in antwoord op het argument van de Republiek Polen dat in de meeste nationale rechtsstelsels bewarende maatregelen met terugwerkende kracht ophouden effect te sorteren wanneer het hoofdgeding zonder voorwerp raakt, geoordeeld dat de verwijzing naar de nationale procedureregels irrelevant is, aangezien de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten in casu uitsluitend moest worden onderzocht in het licht van het Unierecht. In dit verband heeft het Gerecht in punt 45 van dat arrest verduidelijkt dat deze lidstaat had erkend dat de procedureregels van de lidstaten niet bindend waren voor de rechterlijke instanties van de Unie, en in punt 46 ervan uiteengezet dat, gesteld al dat in bepaalde nationale rechtsstelsels de bewarende maatregelen die in afwachting van een definitieve beslissing zijn opgelegd met terugwerkende kracht ophouden effect te sorteren wanneer het hoofdgeding zonder voorwerp raakt, een dergelijke vaststelling hoe dan ook niet volstond als bewijs dat die procedureregels deel uitmaken van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en als zodanig als rechtsbron deel kunnen uitmaken van de rechtsorde van de Unie.
34 In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest het betoog verworpen dat de verdere tenuitvoerlegging van de dagelijkse dwangsom, terwijl zaak C‑121/21 is doorgehaald, het enige doel van deze dwangsom zou voorbijstreven, namelijk de doeltreffendheid van het eindarrest waarborgen. In dit verband heeft het Gerecht vastgesteld dat de krachtens artikel 279 VWEU opgelegde dagelijkse dwangsom in casu niet alleen tot doel had de doeltreffendheid van dat eindarrest te waarborgen, maar er ook op was gericht de bij de beschikking van 21 mei 2021 voorgeschreven voorlopige maatregelen te doen naleven en de Republiek Polen te ontmoedigen om de daadwerkelijke uitvoering van die beschikking te vertragen. In punt 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan in essentie toegevoegd dat haar betoog niet kon worden gevolgd, aangezien het mechanisme van de krachtens artikel 279 VWEU opgelegde dwangsom dan volledig zou worden uitgehold, omdat uiteindelijk zou worden aanvaard dat de verplichte partij haar verplichting om de gelaste voorlopige maatregelen na te leven tot de procedure ten gronde is beslecht, opzettelijk niet nakomt, waardoor de doeltreffendheid van het Unierecht wordt aangetast.
35 Aangezien het Gerecht de twee andere argumenten van de Republiek Polen met betrekking tot de gevolgen van de doorhaling van zaak C‑121/21 evenmin heeft aanvaard, heeft het in punt 51 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie de artikelen 101 en 102 van het Financieel Reglement, gelezen in samenhang met artikel 98 van dat reglement, niet had geschonden.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
36 Met haar hogere voorziening verzoekt de Republiek Polen het Hof: – het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen; – de litigieuze besluiten nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
37 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening kennelijk ongegrond te verklaren, en – de Republiek Polen te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
38 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Republiek Polen twee middelen aan: ten eerste, schending van artikel 279 VWEU en, ten tweede, schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Eerste middel: schending van artikel 279 VWEU
39 Het eerste middel van de Republiek Polen bestaat uit vier onderdelen. Aangezien de argumenten ter ondersteuning van de eerste drie onderdelen elkaar overlappen, moeten deze samen worden onderzocht.
Eerste tot en met derde onderdeel van het eerste middel
– Argumenten van partijen
40 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel verwijt de Republiek Polen het Gerecht dat het het beginsel van het ondergeschikte en voorlopige karakter van de procedure in kort geding ten opzichte van de procedure ten gronde onjuist heeft uitgelegd, en dat het voorrang heeft gegeven aan het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht boven het beginsel van bescherming van de belangen van de partij die om voorlopige maatregelen heeft verzocht. De benadering in de punten 42 en 47 van het bestreden arrest zou er namelijk op neerkomen dat aan de voorlopige maatregelen waarbij zij is veroordeeld tot betaling van een dagelijkse dwangsom, een autonoom karakter wordt toegekend, aangezien deze maatregelen andere belangen dienen dan die waarvoor de „gewone” voorlopige maatregelen worden opgelegd. Op grond van artikel 279 VWEU kunnen echter geen voorlopige maatregelen met een dergelijk autonoom karakter worden vastgesteld. Gelet op de aard ervan kan een voorlopige maatregel die bestaat in de oplegging van een dagelijkse dwangsom, alleen het doel hebben dat voortvloeit uit artikel 279 VWEU, te weten de doeltreffendheid van een toekomstig eindarrest waarborgen. Een voorlopige maatregel waarbij een dergelijke dwangsom wordt opgelegd, is ook ondergeschikt aan het doel de belangen te beschermen van de partij die om die voorlopige maatregel heeft verzocht.
41 Het Gerecht heeft in punt 47 van het bestreden arrest weliswaar geoordeeld dat het doel van de dwangsom om de voorlopige maatregelen te doen naleven, op één lijn moet worden gesteld met het doel om de doeltreffendheid van het eindarrest te waarborgen, maar de conclusie waartoe het Gerecht aan het einde van zijn redenering is gekomen, heeft een ander gevolg, aangezien het het eerste doel heeft laten prevaleren boven het tweede. Wanneer een beschikking waarbij de „voornaamste” voorlopige maatregelen worden opgelegd, wegens de doorhaling van de zaak waarmee de procedure in kort geding verband houdt, zonder voorwerp raakt, wordt volgens de Republiek Polen ook de „bijkomende” voorlopige maatregel, in casu de oplegging van een dagelijkse dwangsom, zonder voorwerp. Als de reden waarom de voorlopige maatregelen zijn gelast wegvalt, is er dus niets meer dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging ervan rechtvaardigt.
42 Het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, dat, gelet op het bestreden arrest, betrekking heeft op de beschikking van 20 september 2021, dat wil zeggen een beschikking die ondergeschikt is aan die van 21 mei 2021 waarbij de voornaamste voorlopige maatregelen zijn opgelegd, namelijk de onmiddellijke stopzetting van de bruinkoolwinning in de mijn van Turów, kan niet prevaleren boven het algemene beginsel dat ten grondslag ligt aan de krachtens artikel 279 VWEU genomen maatregelen, namelijk het beginsel dat deze maatregelen tijdelijk en ondergeschikt zijn ten opzichte van de beslechting van de zaak ten gronde. In punt 42 van het bestreden arrest is het Gerecht voorbijgegaan aan de essentiële functie van voorlopige maatregelen, die berust op het beginsel dat de procedure in kort geding ondergeschikt en voorlopig is ten opzichte van de procedure ten gronde.
43 Met het tweede onderdeel van haar eerste middel stelt de Republiek Polen dat het Gerecht het beginsel van het voorlopige en ondergeschikte karakter van de op grond van artikel 279 VWEU opgelegde maatregelen heeft geschonden door een uitlegging te geven die eraan in de weg staat dat een partij aan het einde van de procedure ten gronde in haar vermogensrechten wordt hersteld.
44 In dit verband betoogt de Republiek Polen dat volgens vaste rechtspraak financiële schade, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet als onherstelbaar of zelfs moeilijk herstelbaar kan worden aangemerkt, aangezien er normaliter later een financiële vergoeding voor kan worden geboden. Het staat aan de kortgedingrechter om te bepalen of een partij in haar vermogensrechten kan worden hersteld aan het einde van de procedure ten gronde, en overeenkomstig artikel 162, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan de tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij voorlopige maatregelen worden gelast, worden onderworpen aan de voorwaarde dat de verzoeker zekerheid stelt. Deze mogelijkheid waarborgt dat de verweerder in zijn vermogensrechten kan worden hersteld wanneer hij in de procedure ten gronde in het gelijk wordt gesteld. De benadering van het Gerecht in het bestreden arrest komt er echter op neer dat de opgelegde dagelijkse dwangsom onomkeerbaar is.
45 De Republiek Polen betoogt voorts dat de overweging in punt 42 van het bestreden arrest dat de doorhaling van de zaak in de procedure ten gronde niet tot gevolg heeft dat de voorlopige maatregelen waarbij de verplichting tot betaling van een dwangsom is opgelegd, ex tunc vervallen, geen steun vindt in artikel 279 VWEU. Indien deze verplichting verder zou worden uitgevoerd, zouden de gevolgen van de beëindiging van de procedure na de doorhaling van de zaak ten gronde in het register van het Hof worden geneutraliseerd. De uitlegging die het Gerecht in het bestreden arrest heeft gegeven, maakt het echter niet mogelijk de gevolgen van de voorlopige maatregelen ongedaan te maken en houdt de negatieve effecten ervan voor de verplichte partij in stand, ongeacht de uitkomst van de zaak ten gronde. Een dergelijke uitlegging heeft tot gevolg dat voor de schuldvorderingen die voortvloeien uit de verplichting tot betaling van de dagelijkse dwangsom die in casu aan de orde is, geen terugbetaling kan worden verkregen en met name geen beroep tot schadevergoeding kan worden ingesteld.
46 Met het derde onderdeel van haar eerste middel, dat is gericht tegen de punten 47 en 48 van het bestreden arrest, stelt de Republiek Polen dat het Gerecht artikel 279 VWEU aldus heeft uitgelegd dat een voorlopige maatregel waarbij de verplichting wordt opgelegd om een dagelijkse dwangsom te betalen, wordt omgezet in een autonome sanctiemaatregel. Artikel 279 VWEU verleent de kortgedingrechter echter niet de bevoegdheid om sancties op te leggen. Aangezien de nakoming van een verplichting die voortvloeit uit een beschikking in kort geding die zonder voorwerp is geraakt, kennelijk geen preventief doel meer kan dienen, heeft een dergelijke nakoming duidelijk het repressieve doel, de verplichte partij te straffen omdat zij zich aan deze verplichting heeft onttrokken.
47 Bovendien kan de in de punten 32 en 42 van het bestreden arrest vermelde doelstelling om de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan het in artikel 2 VEU vastgelegde beginsel van de rechtsstaat, de uitlegging die het Gerecht aan artikel 279 VWEU heeft gegeven niet rechtvaardigen, aangezien deze doelstelling efficiënt zou kunnen worden nagestreefd met een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 258 VWEU en uitgevoerd door middel van de sancties van artikel 260, lid 2, VWEU.
48 De Commissie is van mening dat deze drie onderdelen van het eerste middel ongegrond zijn en dus moeten worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
49 Er zij aan herinnerd dat de oplegging van een dwangsom aan een lidstaat die de door de kortgedingrechter opgelegde voorlopige maatregelen niet naleeft, ertoe strekt de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat, waarop de Unie is gegrondvest (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 102).
50 Hoewel de draagwijdte van de op grond van artikel 279 VWEU ingeleide kortgedingprocedure beperkt is, aangezien deze ondergeschikt is aan de procedure ten gronde en aan het einde ervan slechts voorlopige maatregelen kunnen worden vastgesteld, wordt de kortgedingprocedure niettemin gekenmerkt door de aanzienlijke bevoegdheden die aan de kortgedingrechter zijn toegekend om hem in staat te stellen de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing te waarborgen (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 103).
51 Indien de kortgedingrechter van oordeel is dat de omstandigheden van de zaak vereisen dat aanvullende maatregelen worden genomen om de doeltreffendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen te waarborgen, is hij bijgevolg op grond van artikel 279 VWEU met name bevoegd om aan een lidstaat een dwangsom op te leggen voor het geval dat deze de opgelegde voorlopige maatregelen niet zou eerbiedigen (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 104).
52 Aangezien het vooruitzicht om in dergelijke gevallen een dwangsom opgelegd te krijgen, ertoe bijdraagt dat de betrokken lidstaat ervan wordt weerhouden de voorlopige maatregelen niet na te leven, versterkt het immers de doeltreffendheid van de voorlopige maatregelen en waarborgt het aldus de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing, wat volkomen strookt met het doel van artikel 279 VWEU (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 105).
53 Uit de in de punten 49 tot en met 52 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat een dagelijkse dwangsom die door de kortgedingrechter wordt opgelegd voor het geval dat een lidstaat een uitgevaardigde voorlopige maatregel niet zou naleven, moet worden beschouwd als een bijkomende voorlopige maatregel die erop is gericht de volle werking te verzekeren van de beschikking waarbij de eerstbedoelde (voornaamste) voorlopige maatregel is opgelegd en van de te nemen eindbeslissing, en dus beoogt de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen.
54 Wat betreft het argument van de Republiek Polen dat in kort geding hetzelfde gewicht moet worden toegekend aan het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht als aan het beginsel van bescherming van de belangen van de partij die om de voorlopige maatregelen heeft verzocht, moet worden erkend dat het volgens artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering aan de verzoeker staat om de voorlopige maatregelen te vragen die hij noodzakelijk acht en aan te tonen dat aan de voorwaarden voor toekenning ervan is voldaan. Dit neemt echter niet weg dat in een zaak als die welke aan het onderhavige geding ten grondslag ligt, de dagelijkse dwangsom niet wordt betaald aan de partij die de oplegging ervan heeft gevorderd, en er niet toe strekt deze te vergoeden voor het feit dat de tegenpartij de voornaamste voorlopige maatregelen die de kortgedingrechter krachtens artikel 279 VWEU heeft opgelegd, niet nakomt. Deze dwangsom wordt betaald aan de begroting van de Unie, hetgeen aantoont dat zij ertoe strekt de doeltreffende toepassing van het Unierecht in het algemeen belang te waarborgen.
55 Bovendien moet de kortgedingrechter, zodra de zaak aan hem is voorgelegd, ervoor zorgen dat de maatregelen die hij voornemens is te gelasten, voldoende doeltreffend zijn om hun doel te bereiken, en dient hij, in het kader van de hem bij artikel 279 VWEU verleende ruime beoordelingsbevoegdheid, in voorkomend geval ambtshalve alle bijkomende maatregelen vast te stellen om de doeltreffendheid te waarborgen van de voorlopige maatregelen die hij gelast (zie in die zin beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punten 98 en 99). Zodra de kortgedingrechter een beslissing heeft genomen waarbij een voorlopige maatregel wordt opgelegd, ongeacht of het de voornaamste dan wel een bijkomende maatregel betreft, kan de partij die om deze voorlopige maatregel heeft verzocht, haar verzoek dus niet meer wijzigen voor het verleden, maar alleen voor de toekomst.
56 De uitlegging volgens welke de partijen in het geding enkel voor de toekomst en niet voor het verleden kunnen opkomen tegen een op grond van artikel 279 VWEU gevraagde en opgelegde voorlopige maatregel, vindt steun in zowel artikel 163 als artikel 162 van het Reglement voor de procesvoering.
57 Wat artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering betreft, zij er namelijk aan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof een krachtens deze bepaling ingediend verzoek er niet toe strekt van de kortgedingrechter te verkrijgen dat hij een beschikking waarbij een voorlopige maatregel is gelast, met terugwerkende kracht nietig verklaart, maar enkel dat die rechter een dergelijke beschikking wijzigt of intrekt, waarbij hij deze alleen voor de toekomst kan heroverwegen en hij in voorkomend geval ook de middelen, feitelijk en rechtens, die de toekenning van de betrokken voorlopige maatregel aanvankelijk rechtvaardigden, opnieuw moet beoordelen in het licht van de omstandigheden zoals die op de datum van zijn beslissing bestaan (beschikking van 19 mei 2022, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Als het zo is dat de kortgedingrechter een dergelijke beschikking enkel voor de toekomst kan heroverwegen, is het duidelijk dat de handelingen van de partijen in het geding, daaronder begrepen een minnelijke schikking, er evenmin toe kunnen leiden dat een beschikking waarbij dergelijke voorlopige maatregelen worden opgelegd of de gevolgen ervan met terugwerkende kracht worden gewijzigd dan wel ongeldig of nietig worden verklaard.
58 Wat artikel 162 van het Reglement voor de procesvoering betreft, moet worden vastgesteld dat dit voorschrift, aangezien het bepaalt dat beschikkingen waarbij voorlopige maatregelen worden opgelegd „niet voor hogere voorziening” vatbaar zijn, evenmin ruimte laat voor een mogelijke wijziging, ongeldigverklaring of nietigverklaring met terugwerkende kracht van de voorlopige maatregelen die door de kortgedingrechter zijn gelast.
59 Die uitlegging vindt bovendien steun in de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat een dagelijkse dwangsom die als bijkomende voorlopige maatregel wordt opgelegd met als enig doel de naleving van de voornaamste voorlopige maatregelen te waarborgen, weliswaar onomkeerbaar is, maar dat de oplegging ervan de beslissing ten gronde onverlet laat en dus binnen de werkingssfeer van artikel 279 VWEU valt (zie in die zin beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punten 106‑108).
60 Het feit dat de oplegging van een dergelijke dwangsom door de kortgedingrechter kan worden geacht de beslissing ten gronde onverlet te laten, is eraan te wijten dat deze bijkomende voorlopige maatregel, te weten de betrokken dagelijkse dwangsom, wordt vastgesteld om, ten eerste, de naleving van de betrokken voorlopige maatregelen te waarborgen en, ten tweede, de volle werking van de te nemen eindbeslissing te verzekeren en aldus de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat waarop de Unie is gegrondvest.
61 Aan de uitlegging in punt 54 van het onderhavige arrest wordt bovendien niet afgedaan door het argument dat de voorlopige maatregelen slechts ondergeschikt zijn aan de procedure ten gronde. Zoals blijkt uit de punten 51 en 52 van het onderhavige arrest, heeft het Hof namelijk weliswaar erkend dat de op grond van artikel 279 VWEU ingeleide kortgedingprocedure een beperkte draagwijdte heeft, aangezien zij ondergeschikt is aan de procedure ten gronde en de maatregelen die aan het einde van de kortgedingprocedure kunnen worden vastgesteld, van voorlopige aard zijn, maar heeft het niettemin geoordeeld dat de kortgedingrechter krachtens artikel 279 VWEU met name bevoegd is om een dwangsom op te leggen aan een lidstaat voor het geval dat deze de opgelegde voorlopige maatregelen niet zou eerbiedigen. Het feit dat de voorlopige maatregelen ondergeschikt zijn aan de procedure ten gronde, belet niet dat sommige daarvan, ook al worden zij slechts gedurende een bepaalde periode toegepast, onomkeerbare gevolgen teweegbrengen tijdens die periode, aangezien zij overeenkomstig artikel 162 van het Reglement voor de procesvoering en onverminderd artikel 163 daarvan, die gevolgen sorteren tot aan de datum die in de beschikking waarbij zij zijn opgelegd is vastgesteld of tot aan de uitspraak van de eindbeslissing.
62 Met betrekking tot het argument van de Republiek Polen dat na de minnelijke schikking die zij met de Tsjechische Republiek heeft getroffen, de beschikking van 21 mei 2021 waarbij de voornaamste voorlopige maatregelen zijn opgelegd, zonder voorwerp is geraakt, zodat er geen enkele noodzaak meer zou zijn om de doeltreffendheid ervan te verzekeren door middel van een dagelijkse dwangsom en de beschikking van 20 september 2021 waarbij deze dwangsom is opgelegd, dus ook zonder voorwerp is geraakt, volstaat het om vast te stellen dat, zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, de gevolgen van een bijkomende voorlopige maatregel slechts voor de toekomst kunnen worden opgeheven en niet met terugwerkende kracht nietig kunnen worden verklaard of kunnen worden gewijzigd.
63 Hieraan moet worden toegevoegd dat het Hof ook heeft geoordeeld dat de oplegging van een dwangsom door de kortgedingrechter om de naleving van voorlopige maatregelen te waarborgen, op generlei wijze vooruitloopt op de beslissing ten gronde, zodat een bijkomende maatregel die voorziet in de oplegging van een dagelijkse dwangsom voor het geval dat een lidstaat de tegen hem gelaste voorlopige maatregelen niet naleeft, binnen de werkingssfeer van artikel 279 VWEU valt (zie in die zin beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punten 107 en 108).
64 Anders dan de Republiek Polen betoogt, is het handhaven van de verplichting tot betaling van het bedrag dat verschuldigd is uit hoofde van de bij de beschikking van 20 september 2021 opgelegde dagelijkse dwangsom, ook al is er een minnelijke schikking getroffen, niet in strijd met het doel van deze dwangsom om de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen. In casu staat immers vast dat de Republiek Polen, tot de minnelijke schikking is getroffen, noch de bij de beschikking van 21 mei 2021 opgelegde voornaamste voorlopige maatregelen, noch de bij de beschikking van 20 september 2021 getroffen bijkomende voorlopige maatregel in acht heeft genomen, zodat dit doel niet was bereikt.
65 Wat het argument van de Republiek Polen betreft dat de benadering van het Gerecht in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest erop neerkomt dat de dagelijkse dwangsom het karakter van een sanctie krijgt, terwijl de kortgedingrechter overeenkomstig artikel 279 VWEU niet bevoegd is om sancties op te leggen, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een dagelijkse dwangsom die is opgelegd om de doeltreffendheid van een krachtens artikel 279 VWEU aan een partij gericht bevel te waarborgen, niet als een sanctie kan worden beschouwd (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 102).
66 Aangezien een dagelijkse dwangsom die door de kortgedingrechter wordt opgelegd om de daadwerkelijke toepassing te waarborgen van een beschikking waarbij de voornaamste voorlopige maatregelen worden gelast, de doeltreffendheid van die maatregelen versterkt door de betrokken lidstaat ertoe aan te zetten een einde te maken aan de niet-nakoming van de verplichtingen die op hem rusten krachtens die beschikking, waarborgt die dwangsom vanaf het moment waarop zij wordt opgelegd de volle werking van de te geven definitieve beslissing en de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat waarop de Unie is gegrondvest, en valt zij dus onbetwistbaar binnen het kader van de doelstelling van artikel 279 VWEU [zie in die zin beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 105, en arrest van 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra vires toetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 130]. Een dergelijke dagelijkse dwangsom heeft dus een preventief en geen repressief karakter.
67 Het enkele feit dat de betrokken lidstaat, zoals in casu, vóór de sluiting van de zaak ten gronde noch de beschikking heeft nageleefd waarbij de voornaamste voorlopige maatregelen zijn opgelegd, noch gevolg heeft gegeven aan die waarbij de bijkomende voorlopige maatregel is gelast, te weten de betaling van een dagelijkse dwangsom, kan niet afdoen aan het preventieve karakter van de dagelijkse dwangsom die door de kortgedingrechter krachtens artikel 279 VWEU is opgelegd. Elke andere uitlegging zou namelijk afbreuk doen aan het nuttig effect van een dergelijke bijkomende voorlopige maatregel, doordat de verplichte partij zich op haar eigen verzuim zou kunnen beroepen om de rechtmatigheid van de getroffen maatregel te betwisten.
68 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat het Gerecht artikel 279 VWEU heeft uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof en geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door in punt 47 van het bestreden arrest te oordelen dat de krachtens dat artikel opgelegde dagelijkse dwangsom in casu niet alleen tot doel had de doeltreffendheid van het eindarrest te waarborgen, maar er ook op was gericht de bij de beschikking van 21 mei 2021 voorgeschreven voorlopige maatregelen te doen naleven en de Republiek Polen te ontmoedigen om de uitvoering van die beschikking te vertragen, en in punt 48 van dat arrest te overwegen dat het betoog van deze lidstaat niet kan worden gevolgd omdat het mechanisme van de krachtens dat artikel opgelegde dwangsom dan volledig zou worden uitgehold.
69 Wat het argument van de Republiek Polen betreft dat het Gerecht artikel 279 VWEU aldus heeft uitgelegd dat de verwerende partij niet in haar vermogensrechten kan worden hersteld aan het einde van de procedure ten gronde, staat vast dat de Republiek Polen, nadat de zaak ten gronde wegens de minnelijke schikking tussen haar en de Tsjechische Republiek was doorgehaald, in die procedure niet in het gelijk kon worden gesteld.
70 Wat in de laatste plaats het argument van de Republiek Polen betreft dat de doelstelling om de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen efficiënt kan worden nagestreefd met een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 258 VWEU en uitgevoerd door middel van de sancties van artikel 260, lid 2, VWEU, zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijke uitlegging van het stelsel van rechtsbescherming in het Unierecht in het algemeen en de kortgedingprocedure in het bijzonder afbreuk zou doen aan het doel van die procedure om de naleving door de betrokken lidstaat van de tegen hem gelaste voorlopige maatregelen te verzekeren en de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat, waarop de Unie is gegrondvest (zie in die zin beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen,C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 102).
71 Hieruit volgt dat het Gerecht artikel 279 VWEU heeft uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof en geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 32, 42 en 48 van het bestreden arrest te oordelen dat indien de door de Republiek Polen voorgestane benadering werd gevolgd, volgens welke in casu de doorhaling van de zaak ten gronde tot gevolg zou hebben gehad dat haar verplichting kwam te vervallen om de uit hoofde van de beschikking van 20 september 2021 verschuldigde dagelijkse dwangsom te betalen, zou worden afgeweken van het doel van deze dwangsom, dat erin bestaat de daadwerkelijke toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat.
72 Het eerste tot en met het derde onderdeel van het eerste middel moeten dus ongegrond worden verklaard.
Vierde onderdeel van het eerste middel
– Argumenten van partijen
73 Met het vierde onderdeel van haar eerste middel, dat is gericht tegen de punten 40 en 42 van het bestreden arrest, verwijt de Republiek Polen het Gerecht dat het de beschikking van 19 mei 2022 onjuist heeft uitgelegd door op basis van die beschikking te oordelen dat de doorhaling van de zaak ten gronde niet tot gevolg had gehad dat haar verplichting tot betaling van de verschuldigde dwangsom was komen te vervallen. De beschikking van 19 mei 2022 had namelijk geen betrekking op de terugwerkende kracht van de beëindiging van de voorlopige maatregelen en is irrelevant voor de beantwoording van de vraag welke gevolgen de doorhaling van de zaak ten gronde in procedure C‑121/21 heeft gehad voor de verplichting van de Republiek Polen om het bedrag van de dagelijkse dwangsom te betalen in de periode vóór de doorhaling van die zaak in het register van het Hof. Deze lidstaat is derhalve van mening dat het Gerecht onmogelijk aanknopingspunten kon vinden in de beschikking van 19 mei 2022 om deze vraag te beoordelen.
74 De Commissie concludeert dat dit onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
75 Wat het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals de Republiek Polen terecht heeft opgemerkt, het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest uitdrukkelijk heeft verwezen naar punt 26 van de beschikking van 19 mei 2022 en daaruit heeft afgeleid dat de bij de beschikking van 20 september 2021 opgelegde dwangsom „met ingang van 4 februari 2022 [had] opgehouden effect te sorteren”. In datzelfde punt 40 van dat arrest heeft het Gerecht echter ook vastgesteld, ten eerste, dat in de beschikking van 4 februari 2022 geen melding werd gemaakt van de bij de beschikking van 21 mei 2021 uitgevaardigde voorlopige maatregelen, noch van de krachtens artikel 279 VWEU opgelegde dagelijkse dwangsom, en, ten tweede, dat het verzoek van de Republiek Polen tot intrekking van de beschikking van 20 september 2021 was afgewezen bij de beschikking van 19 mei 2022.
76 Zoals blijkt uit het gebruik van de term „dus” aan het begin van punt 41 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht op basis van de drie vaststellingen in punt 40 van dat arrest, die in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, geoordeeld dat „[d]e dwangsom per dag [...] dus daadwerkelijk [gold] in de periode tussen de datum van betekening van de beschikking van 20 september 2021 [...] en die van de doorhaling in het register van zaak C‑121/21”.
77 Aangezien punt 41 van het bestreden arrest, en dus de daarin vervatte tussenbeoordeling, door de Republiek Polen niet ter discussie wordt gesteld, moet worden geoordeeld dat de vaststellingen in de punten 40 en 41 van dat arrest volstaan ter motivering van de beoordeling van het Gerecht in punt 42 ervan dat de doorhaling van de zaak ten gronde niet tot gevolg had gehad dat de verplichting voor deze lidstaat tot betaling van de verschuldigde dwangsom was vervallen, aangezien deze beoordeling slechts gedeeltelijk berust op punt 26 van de beschikking van 19 mei 2022, dat het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest overigens als zodanig heeft overgenomen.
78 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het betoog van de Republiek Polen ter ondersteuning van het vierde onderdeel van het eerste middel berust op een onjuiste lezing van de punten 40 en 42 van het bestreden arrest.
79 Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
80 Gelet op een en ander moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: schending van artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Argumenten van partijen
81 Met haar tweede middel, dat in essentie is gericht tegen punt 46 van het bestreden arrest, verwijt de Republiek Polen het Gerecht dat het zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door niet naar behoren uiteen te zetten waarom het het argument heeft afgewezen dat nationale procedureregels op grond waarvan bewarende maatregelen die in afwachting van een definitieve beslissing zijn opgelegd met terugwerkende kracht ophouden effect te sorteren wanneer het hoofdgeding zonder voorwerp raakt, deel uitmaken van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en als zodanig als rechtsbron deel kunnen uitmaken van de rechtsorde van de Unie.
82 Na in punt 45 van het bestreden arrest het betoog van de Republiek Polen van de hand te hebben gewezen op grond dat de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten uitsluitend moest worden onderzocht in het licht van de regels van het Unierecht, heeft het Gerecht in punt 46 van dat arrest immers louter een bewering gedaan om het argument te verwerpen dat de door deze lidstaat aangevoerde nationale bepalingen konden worden geacht deel uit te maken van de rechtsorde van de Unie als rechtsbron in de zin van artikel 6, lid 3, VEU, zonder een bepaling van de Verdragen of een algemeen beginsel van het Unierecht te hebben aangewezen dat zich tegen een dergelijke kwalificatie verzet. Deze bewering stelt de Republiek Polen dus niet in staat de gronden van de beslissing van het Gerecht te kennen.
83 De Commissie is van mening dat dit middel moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
84 Het tweede middel betreft een ontoereikende motivering van punt 46 van het bestreden arrest.
85 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in de motivering van een arrest van het Gerecht zijn redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arrest van 23 januari 2025, Parlement/Axa Assurances Luxembourg e.a.,C‑766/21 P, EU:C:2025:31, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86 In punt 46 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat „[g]esteld al dat in bepaalde nationale rechtsstelsels de bewarende maatregelen die in afwachting van een definitieve beslissing zijn opgelegd met terugwerkende kracht ophouden effect te sorteren wanneer [procedure ten gronde] zonder voorwerp raakt, [...] deze vaststelling hoe dan ook niet [volstaat] als bewijs dat die procedureregels deel uitmaken van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en als zodanig als rechtsbron deel kunnen uitmaken van de rechtsorde van de Europese Unie”.
87 Uit deze motivering blijkt ondubbelzinnig dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de procedureregels waarop de Republiek Polen zich ter ondersteuning van haar betoog beroept, overeenkomstig de bewijsvereisten niet konden worden geacht deel uit te maken van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, wat punt 46 ervan betreft, geenszins doet blijken van een ontbrekende of ontoereikende motivering.
88 Hieruit volgt dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.
89 Derhalve dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
90 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
91 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
92 Aangezien de Republiek Polen in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Republiek Polen wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.