HvJ EU 23 januari 2025, C-766/21, ECLI:EU:C:2025:31
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
23 januari 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Meerdere verweerders in de procedure in eerste aanleg – Arrest dat ten aanzien van een van deze partijen bij verstek is gewezen en waartegen verzet is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie – Ontvankelijkheid van de tegen dat arrest ingestelde hogere voorziening – Voorwaarden – Artikel 41 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord op een hogere voorziening die door de in eerste aanleg bij verstek veroordeelde partij is ingediend – Artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Incidentele hogere voorziening van de bij verstek veroordeelde partij die bij het Gerecht verzet heeft ingesteld – Artikel 176, lid 1, en artikel 178 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Niet‑ontvankelijkheid – Arbitragebeding – Artikel 272 VWEU – Verzekeringsovereenkomst die is gesloten door het Europees Parlement – Uitsluitingsclausule voor schade die direct of indirect verband houdt met een overstroming – Draagwijdte”
In zaak C‑766/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 8 december 2021,
Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Paladini en B. Schäfer, vervolgens door A. Caiola en E. Paladini als gemachtigden,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Axa Assurances Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
Bâloise Assurances Luxembourg SA, gevestigd te Bertrange (Luxemburg),
La Luxembourgeoise SA, gevestigd te Leudelange (Luxemburg),
Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV, gevestigd te ’s‑Gravenhage (Nederland),
vertegenwoordigd door C. Collarini en S. Denu, avocats,
verweersters in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 januari 2024,
gezien de beschikking van 20 maart 2024 tot heropening van de mondelinge behandeling en na de terechtzitting op 17 april 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Europees Parlement om vernietiging van de punten 2 en 4 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 september 2021, Parlement/Axa Assurances Luxembourg e.a. (T‑384/19, EU:T:2021:630; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht zijn krachtens artikel 272 VWEU ingestelde beroep tegen Axa Assurances Luxembourg SA, Bâloise Assurances Luxembourg SA en La Luxembourgeoise SA (hierna samen: „Axa e.a.”) heeft verworpen. Dit beroep strekte ertoe Axa e.a. te veroordelen om aan het Parlement de schade te betalen die aan het gebouw Konrad Adenauer (hierna: „KAD-gebouw”) te Luxemburg is toegebracht door regenwater van de bouwplaats van dat gebouw, op grond van de verzekeringsovereenkomst „Alle bouwplaatsrisico’s” (hierna: „BPR-overeenkomst”) die op 3 april 2012 is gesloten tussen enerzijds Axa e.a. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV (hierna: „NN”) en anderzijds de Europese Unie, vertegenwoordigd door het Parlement.
2 Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt NN om vernietiging van de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest, waarin het Gerecht haar bij verstek heeft veroordeeld om het Parlement op grond van de BPR-overeenkomst 79653,89 EUR te betalen, vermeerderd met wettelijke rente voor betalingsachterstand.
Toepasselijke bepalingen
Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
3 Artikel 41 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt: „Wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijk conclusies in te dienen, wordt het arrest tegen haar bij verstek gewezen. Het arrest is vatbaar voor verzet binnen een maand na zijn betekening. […]”
4 Artikel 56 van dit Statuut luidt: „Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof van Justitie een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid. Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. […] […]”
Reglement voor de procesvoering van het Hof
5 Artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft als opschrift „Partijen die een memorie van antwoord mogen indienen” en bepaalt: „Elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening, kan binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening, een memorie van antwoord indienen. […]”
6 Artikel 176 van dit Reglement heeft als opschrift „Incidentele hogere voorziening” en luidt als volgt: „1. De partijen bedoeld in artikel 172 van dit Reglement kunnen een incidentele hogere voorziening instellen binnen dezelfde termijn als die welke voor de indiening van de memorie van antwoord is bepaald. 2. De incidentele hogere voorziening moet bij afzonderlijke, van de memorie van antwoord onderscheiden, akte worden ingesteld.”
7 Artikel 178 van dat Reglement heeft als opschrift „Conclusies, middelen en argumenten van de incidentele hogere voorziening” en bepaalt: „1. De conclusies van de incidentele hogere voorziening strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht. […] 3. De aangevoerde middelen en argumenten rechtens moeten nauwkeurig aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht. Zij dienen te verschillen van de middelen en argumenten die in de memorie van antwoord worden aangevoerd.”
Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
8 Artikel 1 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft als opschrift „Definities” en bepaalt in lid 2: „Voor de toepassing van dit Reglement: […] c) wordt onder ‚partij’ en ‚partijen’, zonder nadere aanduiding, verstaan: elke partij in het geding, met inbegrip van de interveniënten; […]”
9 Artikel 123 van dit Reglement heeft als opschrift „Bij verstek gewezen arresten” en is als volgt geformuleerd: „1. Wanneer het Gerecht vaststelt dat de verweerder, ofschoon regelmatig opgeroepen, nalaat om in de voorgeschreven vormen of, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 45, tweede alinea, van het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie], binnen de termijn vastgesteld in artikel 81 op het verzoekschrift te antwoorden, kan de verzoeker binnen een door de president bepaalde termijn vorderen dat het Gerecht zijn conclusies toewijst. 2. De niet-verschenen verweerder intervenieert niet in de verstekprocedure en hem wordt geen processtuk betekend, behoudens de beslissing waardoor een einde komt aan het geding. 3. In het bij verstek gewezen arrest wijst het Gerecht de conclusies van de verzoeker toe, behalve wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of wanneer het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is. 4. Het bij verstek gewezen arrest is uitvoerbaar. Het Gerecht kan de uitvoerbaarheid evenwel opschorten totdat op het ingevolge artikel 166 gedane verzet is beslist, dan wel de uitvoerbaarheid onderwerpen aan de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld tot een bedrag en op de wijze als op grond van de omstandigheden bepaald. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer het verzet achterwege blijft of wordt verworpen.”
10 Artikel 163 van dat Reglement heeft als opschrift „Schorsing van de behandeling” en luidt als volgt: „Wanneer een hogere voorziening bij het Hof van Justitie en een van de in dit hoofdstuk bedoelde verzoeken, met uitzondering van de verzoeken bedoeld in de artikelen 164 en 165, betrekking hebben op dezelfde beslissing van het Gerecht, kan de president beslissen, de partijen gehoord, de behandeling te schorsen totdat het Hof van Justitie op de hogere voorziening uitspraak doet.”
11 Artikel 166 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft als opschrift „Verzet tegen een bij verstek gewezen arrest” en bepaalt: „1. Overeenkomstig artikel 41 van het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie] staat tegen het bij verstek gewezen arrest verzet open. 2. Het verzet wordt door de niet-verschenen verweerder ingesteld binnen een maand te rekenen vanaf de betekening van het bij verstek gewezen arrest. […] 3. Nadat het verzet is betekend, bepaalt de president de termijn waarbinnen de andere partij schriftelijke opmerkingen kan indienen. […] 5. Het Gerecht doet uitspraak bij een arrest dat niet vatbaar is voor verzet. […]”
BPR‑overeenkomst
12 Overeenkomstig artikel I.12.3.1.1 van de BPR-overeenkomst zijn met name verliezen en schade als gevolg van niet-naleving van de regels van vakkundigheid uitgesloten van de door deze overeenkomst geboden dekking, voor zover deze schendingen worden getolereerd of niet konden worden genegeerd door een verzekerde of een persoon die leiding heeft over de verzekerde werkzaamheden, met name degenen die technisch verantwoordelijk waren voor de bouwplaats.
13 Volgens de artikelen I.13.2 en I.13.2.1 van deze overeenkomst worden de analyse van de oorsprong van, de aansprakelijkheid voor en de omvang van het schadegeval, alsmede de raming van het bedrag van de schade verricht door een deskundige die door de verzekeraar wordt aangesteld en betaald. In geval van onenigheid over de conclusies van het deskundigenonderzoek kan de verzekeringnemer een tegenexpertise laten uitvoeren.
14 Volgens artikel I.15.1.1 van deze overeenkomst biedt zij met name geen dekking voor de schade die direct of indirect verband houdt met een overstroming, stijgend oppervlaktewater of grondwater, ontoereikende afvoer van water via rioleringen en natuurrampen, tenzij anders is overeengekomen.
15 Krachtens artikel I.18.1 van de BPR-overeenkomst is „[h]et recht van de Europese Unie, aangevuld met het Luxemburgse recht, […] van toepassing op deze overeenkomst”.
16 Artikel I.19 van deze overeenkomst heeft als opschrift „Forumkeuzebeding” en bepaalt: „Elk geschil tussen het Europees Parlement en de contractant in verband met deze overeenkomst dat niet in der minne kan worden geregeld, wordt krachtens artikel 256, lid 1, [VWEU] voorgelegd aan het Gerecht, een rechterlijke instantie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.”
17 Volgens artikel II.1 van deze overeenkomst heeft het begrip „natuurrampen” betrekking op „stijgingen van de waterstand, overstromingen, vloedgolven, bodembewegingen en, tenzij anders is overeengekomen, aardbevingen”.
Voorgeschiedenis van het geding
18 De voorgeschiedenis van het geding wordt weergegeven in de punten 1 tot en met 23 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
19 In het kader van de werkzaamheden voor de uitbreiding en renovatie van het KAD-gebouw heeft het Parlement in de loop van 2011 een aanbestedingsprocedure uitgeschreven met het oog op de sluiting van een verzekeringsovereenkomst „Alle bouwplaatsrisico’s” en een verzekering ter dekking van de wettelijke aansprakelijkheid.
20 Na afloop van deze procedure is de offerte gekozen die was opgesteld op basis van de offerte van Axa e.a. en Delta Lloyd Schadeverzekering NV, welke onderneming later door NN is overgenomen (hierna samen: „verweersters in eerste aanleg”).
21 Op 3 april 2012 heeft de Europese Unie, vertegenwoordigd door het Parlement, de BPR-overeenkomst gesloten met verweersters in eerste aanleg. In deze overeenkomst wordt Axa Assurances Luxembourg als hoofdverzekeraar aangewezen.
22 Na de hevige regenval van 27 en 30 mei 2016 is het regenwater van de bouwplaats van het KAD-gebouw deels doorgesijpeld naar de kelder van het in aanbouw zijnde gebouw, wat heeft geleid tot wateroverlast en een vochtige atmosfeer in zones waar reeds technische apparatuur was geïnstalleerd, waardoor deze schade heeft geleden.
23 Op 30 mei 2016 heeft de onderneming die toezicht houdt op de ruwbouwwerkzaamheden op die bouwplaats, bij de verzekeringstussenpersoon een schadeaangifte ingediend met betrekking tot de in het vorige punt beschreven feiten. Axa Assurances Luxembourg heeft als hoofdverzekeraar een deskundige aangesteld en deze belast met de gebruikelijke onderzoeken.
24 Bij brief van 15 juli 2016 heeft Axa Assurances Luxembourg het Parlement laten weten dat zij, gelet op de informatie en de technische gegevens uit de voorlopige en aanvullende deskundigenrapporten die na twee deskundigenbezoeken waren opgesteld, van mening was dat het schadegeval in kwestie niet onder de BPR-overeenkomst viel.
25 In de eerste plaats heeft Axa Assurances Luxembourg aangevoerd dat artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst geen betrekking had op schade die direct of indirect verband hield met een overstroming of een ontoereikende afvoer van water via rioleringen. In de tweede plaats was het schadegeval voorzienbaar en het gevolg van een flagrante schending van de regels van vakkundigheid, zodat de daaruit voortvloeiende verliezen en schade overeenkomstig artikel I.12.3.1.1 van die overeenkomst eveneens van verzekeringsdekking waren uitgesloten.
26 Het Parlement heeft verweersters in eerste aanleg op 21 november 2017, na schriftelijke briefwisseling en een vergadering met de vertegenwoordigers van Axa Assurances Luxembourg, een ingebrekestelling gestuurd op basis van een voorlopige raming van de schade. Op 20 december 2017 heeft die onderneming gereageerd op de ingebrekestelling en de grond voor het weigeren van de claim herhaald.
27 Na ontvangst van het eindrapport van de technische deskundige van de keuringsinstantie Luxcontrol, die was gemachtigd om het technische materiaal te controleren dat was geïnstalleerd en opgeslagen in de lokalen waarop het schadegeval betrekking had, met inbegrip van de lijst van te vervangen apparatuur, heeft het Parlement bij brief van 28 november 2018 deze ingebrekestelling herhaald en aangegeven dat de geleden en aantoonbare schade werd geraamd op 800624,33 EUR exclusief belasting over de toegevoegde waarde.
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
28 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2019, heeft het Parlement krachtens artikel 272 VWEU beroep ingesteld, waarbij het het Gerecht heeft verzocht: – vast te stellen dat de waterschade die tijdens de hevige regenval van 27 en 30 mei 2016 op de bouwplaats van het KAD-gebouw is ontstaan, binnen de werkingssfeer van de BPR-overeenkomst valt; – verweersters in eerste aanleg derhalve te veroordelen tot betaling van de gevorderde kosten, te weten 779902,87 EUR, en in het bijzonder: – Axa Assurances Luxembourg te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van 50 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 389951,44 EUR; – Bâloise Assurances Luxembourg te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van 20 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 155980,57 EUR; – La Luxembourgeoise te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van 20 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 155980,57 EUR; – NN te veroordelen tot betaling van 10 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 77990,29 EUR; – verweersters in eerste aanleg te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente voor betalingsachterstand over deze bedragen, vanaf 22 december 2017, tegen een rentetarief dat gelijk is aan het tarief dat door de Europese Centrale bank (ECB) wordt gehanteerd voor haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met acht procentpunten; – subsidiair, voor het geval dat de eerste twee vorderingen niet worden toegewezen, verweersters in eerste aanleg hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade ten belope van 779902,87 EUR die is veroorzaakt doordat de verplichtingen die voortvloeien uit artikel I.13.2 van de BPR-overeenkomst niet zijn nagekomen; – verweersters in eerste aanleg te veroordelen tot betaling van de kosten van het deskundigenonderzoek, te weten 16636 EUR, en in het bijzonder: – Axa Assurances Luxembourg te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van 50 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 8318 EUR; – Bâloise Assurances Luxembourg te veroordelen tot betaling van een vergoeding ten belope van 20 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 3327,20 EUR; – La Luxembourgeoise te veroordelen tot betaling van 20 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 3327,20 EUR; – NN te veroordelen tot betaling van 10 % van het genoemde bedrag, dat wil zeggen 1663,60 EUR; – verweersters in eerste aanleg te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente voor betalingsachterstand over deze bedragen, vanaf 22 december 2017, tegen een rentetarief dat gelijk is aan het tarief dat door de ECB wordt gehanteerd voor haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met acht procentpunten, en – verweersters in eerste aanleg in de kosten te verwijzen.
29 Nadat de griffie van het Gerecht ervan in kennis was gesteld dat Delta Lloyd Schadeverzekering door NN was overgenomen, heeft de griffie het verzoekschrift van het Parlement aan NN betekend bij brief van 13 januari 2020 en de termijn voor indiening van haar verweerschrift vastgesteld. NN heeft niet binnen de gestelde termijn een verweerschrift ingediend.
30 Op 26 juni 2020 heeft het Parlement het Gerecht verzocht om vast te stellen dat NN naar behoren werd opgeroepen en om zijn vorderingen tegen deze onderneming toe te wijzen op grond van artikel 123, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De griffie heeft dit verzoek aan NN betekend en er haar op gewezen dat zij overeenkomstig lid 2 van dit artikel geen interveniënt is in de verstekprocedure en dat haar enkel de beslissing waardoor een einde komt aan het geding zou worden betekend.
31 Het Gerecht heeft het verzoek van het Parlement toegewezen en in de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest NN bij verstek veroordeeld tot betaling aan het Parlement van het bedrag van 79653,89 EUR en de bijbehorende wettelijke vertragingsrente vanaf 22 december 2017, alsmede tot betaling van de kosten van de verstekprocedure ten aanzien van deze onderneming.
32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 november 2021, heeft NN verzet aangetekend tegen de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest. Bij beslissing van 10 januari 2022 heeft het Gerecht deze verzetsprocedure geschorst in afwachting van de eindbeslissing van het Hof in de onderhavige hogere voorziening.
33 Wat de vorderingen van het Parlement tegen Axa e.a. betreft, heeft het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest echter geoordeeld dat de term „overstroming” niet restrictief mag worden opgevat gelet op artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst, gelezen in het licht van de andere bepalingen van deze overeenkomst en de context waarin zij is afgesloten. Het Gerecht is in punt 111 van het bestreden arrest dan ook tot de slotsom gekomen dat Axa e.a. terecht de in dat artikel opgenomen clausule van uitsluiting van dekking voor schade die direct of indirect verband houdt met een overstroming, hebben kunnen opwerpen tegen het Parlement.
34 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest het beroep verworpen voor zover het betrekking had op Axa e.a. en heeft het het Parlement verwezen in zijn eigen kosten en in twee derde van de kosten van Axa e.a.
Conclusies van de partijen in de principale hogere voorziening en in de incidentele hogere voorziening
35 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Parlement het Hof: – de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – de beslissing omtrent de kosten aan te houden, behalve omtrent de kosten bedoeld in punt 3 van het dictum van het bestreden arrest, en – subsidiair, – de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; – de vorderingen van het Parlement in eerste aanleg tegen Axa e.a. toe te wijzen.
36 Verweersters in eerste aanleg verzoeken het Hof: – primair: – het verzoek van het Parlement tot vernietiging van de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest af te wijzen; – bijgevolg zijn verzoek om de beslissing omtrent de in punt 4 van het dictum van het bestreden arrest bedoelde kosten aan te houden, af te wijzen; – subsidiair, voor het geval dat het Hof het verzoek van het Parlement zou toewijzen en de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest zou vernietigen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – meer subsidiair, de vorderingen van het Parlement tegen Axa e.a. af te wijzen op basis van de door hen in eerste aanleg aangevoerde argumenten en uitspraak te doen overeenkomstig de conclusies van het verweerschrift en de dupliek die zij in eerste aanleg hebben ingediend.
37 Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt NN het Hof: – de incidentele hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen, en – het Parlement te verwijzen in de kosten.
38 Het Parlement verzoekt het Hof: – de incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren; – subsidiair, de incidentele hogere voorziening ongegrond te verklaren, en – NN te verwijzen in de kosten van de incidentele hogere voorziening.
Heropening van de mondelinge behandeling
39 De advocaat-generaal is op 18 januari 2024 in zijn eerste conclusie gehoord. Op dezelfde dag heeft het Hof het arrest Eulex Kosovo/SC (C‑785/22 P, EU:C:2024:52) gewezen. In punt 31 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat aangezien het instellen van verzet tot gevolg heeft dat de behandeling van de zaak voor het Gerecht wordt heropend, het bij verstek gewezen arrest waartegen verzet is ingesteld, niet als een eindbeslissing in de zin van artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden beschouwd. In punt 32 van dat arrest heeft het Hof daaruit afgeleid dat een hogere voorziening tegen een bij verstek gewezen arrest waartegen verzet is ingesteld, niet-ontvankelijk is.
40 Bij beschikking van 20 maart 2024, Parlement/Axa Assurances Luxembourg e.a. (C‑766/21 P, EU:C:2024:321), heeft het Hof overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling en het houden van een pleitzitting gelast, zodat partijen hun standpunt kenbaar konden maken over de mogelijke gevolgen van het arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC (C‑785/22 P, EU:C:2024:52), voor de ontvankelijkheid van de door het Parlement ingestelde hogere voorziening.
41 Na deze pleitzitting, die op 17 april 2024 heeft plaatsgevonden, en na de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 2024 is de mondelinge behandeling gesloten.
Principale hogere voorziening
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
42 Volgens het Parlement heeft het arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC (C‑785/22 P, EU:C:2024:52), geen invloed op de ontvankelijkheid van de hogere voorziening waarbij het verzoekt om vernietiging van de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest. Terwijl in die zaak bij het Hof een verzoek was ingediend tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 oktober 2022, SC/Eulex Kosovo (T‑242/17 RENV, EU:T:2022:637), waarbij het Gerecht bij verstek uitspraak had gedaan ten aanzien van de enige verwerende partij, is het bestreden arrest immers slechts bij verstek gewezen ten aanzien van een van de vier verwerende partijen, te weten NN. Hieruit volgt, aldus het Parlement, dat deze hogere voorziening, die is gericht tegen die na een contradictoir debat uitgesproken punten van het dictum waartegen geen verzet kan worden aangetekend, ontvankelijk is.
43 Uit de punten 31, 33 en 35 van het arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC (C‑785/22 P, EU:C:2024:52), blijkt volgens het Parlement dat alleen de punten van het dictum van een arrest waartegen verzet is ingesteld, leiden tot niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening strekkende tot vernietiging ervan, aangezien die hogere voorziening door dat verzet geen betrekking heeft op een „beslissing waardoor een einde komt aan het geding” in de zin van artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gesteld wordt dat deze uitlegging steun vindt in artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat voorziet in de mogelijkheid voor de president van het Gerecht om, wanneer een hogere voorziening bij het Hof en verzet tegen een bij verstek gewezen arrest dezelfde beslissing van het Gerecht betreffen, de verzetsprocedure te schorsen totdat het Hof uitspraak doet op de hogere voorziening.
44 Verweersters in eerste aanleg betogen dat de door het Parlement ingestelde hogere voorziening niet-ontvankelijk is overeenkomstig de beginselen die voortvloeien uit het arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC (C‑785/22 P, EU:C:2024:52), waaruit volgt dat tegen een arrest van het Gerecht waartegen verzet is ingesteld en dat dus niet definitief is, pas een hogere voorziening kan worden ingesteld nadat de verzetsprocedure is beëindigd.
45 Deze beginselen, waarmee de eenheid van het geschil kan worden gewaarborgd en parallelle procedures en het risico van tegenstrijdige beslissingen worden voorkomen, zijn volgens verzoeksters in eerste aanleg van toepassing in de onderhavige zaak, waarin er slechts sprake is van één procedure en het geschil voortvloeit uit één enkele overeenkomst.
Beoordeling door het Hof
46 In de eerste plaats volgt uit artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat bij het Hof slechts hogere voorziening kan worden ingesteld tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die een geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid. De hogere voorziening moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing.
47 Uit deze bepaling volgt dat een hogere voorziening slechts ontvankelijk is indien zij is ingesteld tegen een definitieve beslissing, waartegen geen enkel ander rechtsmiddel openstaat (zie in die zin arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC, C‑785/22 P, EU:C:2024:52, punt 29).
48 In de tweede plaats bepaalt artikel 41 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat wanneer de verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijke conclusies in te dienen, het arrest „tegen haar” bij verstek wordt gewezen en dat deze partij verzet kan aantekenen tegen dat arrest.
49 Uit dit artikel volgt dat een arrest slechts bij verstek wordt gewezen ten aanzien van de partij of partijen die heeft of hebben nagelaten om in de voorgeschreven vorm en binnen de voorgeschreven termijn schriftelijke conclusies in te dienen. Het recht om tegen dat arrest verzet aan te tekenen, staat dus slechts open voor niet-verschenen partijen teneinde hen in staat te stellen overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor te worden gehoord.
50 In het geval van een geding waarbij slechts één verwerende partij betrokken was, heeft het Hof geoordeeld dat vanwege de tegen dat arrest ingeleide verzetsprocedure niet kan worden aangenomen dat het een eindbeslissing is in de zin van artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat de hogere voorziening tegen dat arrest bijgevolg niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC, C‑785/22 P, EU:C:2024:52, punten 31 en 32).
51 Wanneer het arrest van het Gerecht daarentegen wordt gewezen na een contradictoir debat tussen bepaalde partijen en bij verstek ten aanzien van een andere, niet-verschenen verweerder, kan alleen laatstgenoemde verzet aantekenen en wel alleen tegen de punten van het dictum van dat arrest die op hem betrekking hebben. De andere punten van het dictum van dat arrest die betrekking hebben op de andere verwerende partijen dan de niet-verschenen verweerder vormen een beslissing „waardoor een einde komt aan het geding” in de zin van artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat daartegen geen verzet kan worden ingesteld. Tegen die punten kan evenwel hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof.
52 In casu staat vast dat de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest uitsluitend betrekking hebben op Axa e.a., die bij het Gerecht schriftelijke conclusies hebben ingediend. Hieruit volgt dat tegen deze punten geen verzet kan worden ingesteld en dat de hogere voorziening van het Parlement ontvankelijk is voor zover zij tegen die punten is gericht.
Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord van NN
Argumenten van partijen
53 Het Parlement voert aan dat de memorie van antwoord op de principale hogere voorziening niet-ontvankelijk is voor zover deze uitgaat van NN, die in eerste aanleg niet is verschenen. Volgens het Parlement heeft NN geen „belang […] bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening” in de zin van artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het toewijzen van de principale hogere voorziening, die slechts de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest betreft, zou alleen gevolgen hebben voor Axa e.a., maar niet voor NN, op wie enkel de punten 1 en 3 van dat dictum betrekking hebben.
54 NN betoogt dat de analyse van het Gerecht, dat heeft geoordeeld dat Axa e.a. de uitsluitingsclausule van artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst terecht hadden opgeworpen tegen het Parlement, haar ten goede had moeten komen. Bijgevolg moet zij, net als Axa e.a., de hogere voorziening van het Parlement kunnen aanvechten voor zover met die hogere voorziening dit oordeel van het Gerecht wordt aangevochten.
Beoordeling door het Hof
55 Volgens artikel 172, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan „elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening […] binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de hogere voorziening, een memorie van antwoord indienen”.
56 Uit deze bewoordingen volgt dat voor de indiening van een memorie van antwoord op de hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht, naast de in die bepaling gestelde termijn van twee maanden, twee cumulatieve voorwaarden in acht moeten worden genomen. Ten eerste moet de memorie van antwoord worden ingediend door een „partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht”, en ten tweede moet deze partij een „belang [hebben] bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening”.
57 Bovendien wordt het begrip „partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht” weliswaar niet gedefinieerd in het Reglement voor de procesvoering van het Hof, maar blijkt uit artikel 1, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat onder de termen „partij” en „partijen” elke partij in het geding, met inbegrip van de interveniënten, wordt verstaan.
58 In casu moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de omstandigheid dat NN bij verstek is veroordeeld, geen invloed kan hebben op haar hoedanigheid van „partij in de desbetreffende zaak” voor het Gerecht, aangezien zij een „partij” was in de procedure voor het Gerecht in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Overeenkomstig artikel 171, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is de onderhavige hogere voorziening dus, net als aan de andere partijen in de procedure voor het Gerecht, ook aan NN betekend bij beslissing van de president van het Hof van 26 januari 2022.
59 Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft dat NN een „belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening”, staat vast dat de door het Parlement ingestelde hogere voorziening uitsluitend de punten 2 en 4 van het dictum van het bestreden arrest betreft. Deze punten hebben geen betrekking op NN.
60 Bij het onderzoek van deze hogere voorziening wordt het Hof evenwel verzocht te beoordelen of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de slotsom te komen dat de wateroverlast door overvloedig regenwater op de niveaus -4 en -5 van de kelder van het KAD-gebouw onder het begrip „overstroming” in de zin van artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst viel en dat Axa e.a. dus terecht de in dat artikel opgenomen clausule van uitsluiting van dekking konden opwerpen tegen de vordering tot schadevergoeding van het Parlement.
61 Zoals de advocaat-generaal in de punten 56 tot en met 58 van zijn conclusie van 18 januari 2024 heeft opgemerkt, kan het Hof zich dus genoodzaakt zien beoordelingen te verrichten die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van het verzet dat NN bij het Gerecht heeft ingesteld om de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest te betwisten, en waarvan de procedure thans is geschorst in afwachting van de uitspraak van het onderhavige arrest.
62 Hieruit volgt dat NN „belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening” in de zin van artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, zodat haar memorie van antwoord op de principale hogere voorziening ontvankelijk is.
Ten gronde
63 Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert het Parlement drie middelen aan. Het eerste middel betreft, primair, schending van de beginselen voor de uitlegging van het Unierecht met betrekking tot de term „overstroming” en, subsidiair, een onjuiste opvatting van het beding in de BPR-overeenkomst dat met name schade die direct of indirect verband houdt met een „overstroming” uitsluit van de werkingssfeer van die overeenkomst. Het tweede middel betreft een onjuiste rechtsopvatting inzake de motivering van het bestreden arrest. Het derde middel betreft een onjuiste opvatting van de feiten en het bewijs.
Eerste middel
– Argumenten van partijen
64 Met zijn eerste middel voert het Parlement primair aan dat het Gerecht, door zich te baseren op de gebruikelijke betekenis van de term „overstroming” in artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst, zonder rekening te houden met de context van die term en met de doelstellingen van deze overeenkomst, de beginselen voor de uitlegging van het Unierecht heeft geschonden, en meer in het bijzonder het beginsel dat de bewoordingen van een uitzonderingsbepaling restrictief moeten worden uitgelegd en het beginsel van systematische uitlegging. Subsidiair stelt het Parlement dat het Gerecht de in artikel I.15.1.1 opgenomen clausule van uitsluiting van dekking onjuist heeft opgevat door deze bepaling veel te ruim uit te leggen.
65 Verweersters in eerste aanleg betogen dat het eerste middel, onder het mom van een vermeende onjuiste rechtsopvatting, in werkelijkheid ertoe strekt de feitelijke beoordeling van deze clausule door het Gerecht ter discussie te stellen. Aangezien het Hof niet bevoegd is om in het kader van een hogere voorziening een dergelijke toetsing te verrichten, is dit middel niet-ontvankelijk.
– Beoordeling door het Hof
66 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de aan het Gerecht overgelegde processtukken, en om de aangevoerde bewijzen te beoordelen. De vaststelling van deze feiten en de beoordeling van de bewijzen levert – behoudens het geval van een onjuiste voorstelling ervan – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 29 oktober 2015, Commissie/ANKO, C‑78/14 P, EU:C:2015:732, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Tevens zij eraan herinnerd dat het onderzoek door het Gerecht van een contractueel beding niet kan worden aangemerkt als een uitlegging van het recht en dus niet door het Hof in het kader van een hogere voorziening kan worden getoetst zonder inbreuk te maken op de bevoegdheid van het Gerecht om de feiten vast te stellen. Een vermeende schending van het op een overeenkomst toepasselijke Unierecht is daarentegen aan die toetsing onderworpen (zie in die zin arrest van 14 januari 2021, ERCEA/Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis, C‑280/19 P, EU:C:2021:23, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Los van de vraag of het Gerecht verplicht was om de uitleggingsmethoden van het Unierecht toe te passen in het kader van een geding dat geen betrekking had op de uitlegging van dat recht, maar op de toepassing van een contractueel beding, moet dus worden vastgesteld dat het Parlement schending van die methoden aanvoert en zich daarbij beroept op de verwijzing naar het Unierecht in artikel I.18.1 van de BPR-overeenkomst. Het eerste middel dat het Parlement tot staving van zijn hogere voorziening aanvoert, is derhalve ontvankelijk.
69 In casu heeft het Gerecht zich bij de toepassing van die uitleggingsmethoden terecht afgevraagd welke betekenis en draagwijdte de partijen bij de overeenkomst aan de term „overstroming” hebben willen geven, waarbij het verwees naar de context en de bepalingen van de BPR-overeenkomst. Zo heeft het in de punten 77 tot en met 111 van het bestreden arrest uitvoerig onderzocht of in de omstandigheden van het onderhavige geding de in artikel I.15.1.1 opgenomen clausule van uitsluiting van dekking van de BPR-overeenkomst van toepassing is op schade die direct of indirect verband houdt met een overstroming.
70 In de punten 78 tot en met 82 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de term „overstroming” gedefinieerd in het licht van de gebruikelijke betekenis ervan, aangezien er in de BPR-overeenkomst geen definitie van deze term wordt gegeven waaruit blijkt dat de partijen bij deze overeenkomst aan die term een meer restrictieve betekenis hebben willen geven dan de gewone betekenis ervan. Om te beginnen heeft het Gerecht in punt 78 van dat arrest benadrukt dat de BPR-overeenkomst geen definitie van de term „overstroming” bevatte en dat derhalve moest worden uitgegaan van de gewone betekenis van die term en tegelijkertijd ook de context van de uitsluitingsclausule moest worden onderzocht om de gezamenlijke wil van de partijen bij de overeenkomst te bepalen. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 81 van dat arrest hieraan toegevoegd dat indien de partijen bij die overeenkomst de bedoeling hadden gehad om de draagwijdte en de betekenis van de term „overstroming” te beperken, er een duidelijke definitie van dit begrip in de overeenkomst zou zijn opgenomen. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 82 van dat arrest de term „overstroming” gedefinieerd door te verwijzen naar definities van deze term in twee verschillende woordenboeken.
71 Hiermee heeft het Gerecht geheel geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het Parlement stelt, vloeit de omvang van de door de BPR-overeenkomst geboden dekking van de risico’s niet voort uit een vooraf vastgesteld beginsel. De omvang wordt bepaald door de overeenstemmende wil van de partijen bij de overeenkomst, die in casu zijn overeengekomen om de werkingssfeer van de door deze overeenkomst geboden dekking af te bakenen door middel van uitsluitingsclausules. Deze bedingen kunnen niet worden aangemerkt als „uitzonderingen”, die om die reden restrictief zouden moeten worden uitgelegd, aangezien noch uit de BPR-overeenkomst, ondanks de benaming ervan, noch uit een – door het Parlement overigens niet aangevoerde – bepaling van Unierecht, een beginsel van volledige dekking van de risico’s kan worden afgeleid.
72 Het Gerecht heeft in de punten 83 tot en met 93 van het bestreden arrest terecht de betekenis onderzocht die de partijen bij de BPR-overeenkomst aan de daarin gebruikte term „overstroming” hebben willen geven. Het heeft daartoe alle relevante bedingen en de context van die overeenkomst onderzocht. Het Gerecht heeft er ten eerste met name op gewezen dat het Parlement in het kader van zijn aanbesteding zelf had voorgesteld om in de te sluiten overeenkomst een uitsluitingsclausule op te nemen met betrekking tot schade die direct of indirect verband hield met een overstroming, na te hebben bevestigd dat het gebied waar het KAD-gebouw zich bevond, „niet kan overstromen”. Ten tweede heeft het in punt 90 van het bestreden arrest vastgesteld dat het feit dat de term „overstroming” ook voorkomt in artikel II.1 van de BPR-overeenkomst, waarin de gevallen van natuurrampen worden gedefinieerd, nog niet betekent dat beide termen synoniem zijn en dat het begrip overstroming enkel slaat op natuurrampen.
73 Het Gerecht heeft dus de door het Parlement in het eerste middel van zijn hogere voorziening aangevoerde uitleggingsmethoden van het Unierecht niet geschonden door in punt 92 van dat arrest te oordelen dat een fenomeen van overvloedige neerslag dat heeft geleid tot wateroverlast door regenwater zoals die zich voordeed op de niveaus -4 en -5 van het KAD-gebouw, onder de term „overstroming” in artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst valt.
74 Bijgevolg treft het argument dat het Parlement in het kader van het eerste middel primair heeft aangevoerd geen doel.
75 Wat voorts het subsidiair door het Parlement aangevoerde argument betreft dat artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst onjuist is opgevat, zij eraan herinnerd dat een dergelijke onjuiste opvatting duidelijk uit de stukken van het dossier moet blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw behoeven te worden beoordeeld (arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 86).
76 Het volstaat vast te stellen dat het Parlement geen elementen aanvoert die het bestaan van een dergelijke onjuiste opvatting kunnen aantonen, maar er zich toe beperkt vraagtekens te plaatsen bij de uitlegging van het Gerecht, die het Parlement als „veel te ruim” aanmerkt. Bijgevolg is dit argument overeenkomstig de in de punten 66 en 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak niet-ontvankelijk.
77 Uit een en ander volgt dat het eerste middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Tweede middel
– Argumenten van partijen
78 Met zijn tweede middel betoogt het Parlement dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is, voor zover het Gerecht in de punten 78 tot en met 89 van dat arrest heeft geoordeeld dat de oorzaak van een overstroming geen geldig criterium is om de term „overstroming” in de context van de BPR-overeenkomst te definiëren. Het Gerecht heeft zich in de punten 91 tot en met 96 van dat arrest ten onrechte aangesloten bij het standpunt van Axa e.a. dat een overstroming haar oorsprong vindt in een natuurgebeurtenis buiten het verzekerde goed, in tegenstelling tot waterschade die in het algemeen door de verzekering wordt gedekt.
79 Verweersters in eerste aanleg betwisten de gegrondheid van dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
80 Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van een arrest van het Gerecht zijn redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arrest van 1 december 2016, Klement/EUIPO, C‑642/15 P, EU:C:2016:918, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig of ontoereikend is, is een rechtsvraag die in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd (arrest van 4 maart 2020, EUIPO/Equivalenza Manufactory, C‑328/18 P, EU:C:2020:156, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81 Zoals in punt 70 van het onderhavige arrest is aangegeven, heeft het Gerecht in de punten 78 tot en met 82 van het bestreden arrest de term „overstroming” gedefinieerd aan de hand van de gebruikelijke betekenis van die term, aangezien in de BPR-overeenkomst geen definitie is gevonden waaruit blijkt dat de partijen bij die overeenkomst aan die term een meer restrictieve betekenis hebben willen geven dan de gewone betekenis ervan.
82 In de punten 83 tot en met 89 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich gebogen over de context waarin de term „overstroming” in artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst werd opgenomen. In dit verband heeft het Gerecht er in punt 85 van dat arrest op gewezen dat een „overstroming verschillende oorzaken kan hebben” en in punt 86 dat „een overstroming haar oorsprong kan vinden in verschillende oorzaken, zoals het overlopen van een waterloop, zware neerslag, het overlopen van een oppervlakte- of ondergronds waterreservoir ten gevolge van de stijging van het grondwaterpeil, of het breken van een civieltechnische constructie zoals een dam of een dijk”. Het Gerecht heeft daaruit in punt 87 van dat arrest afgeleid dat er „geen enkele geldige reden [was] om aan te nemen dat [artikel I.15.1.1] in de BPR-overeenkomst slechts betrekking [had] op enkele van de verschillende oorzaken die aan een overstroming ten grondslag kunnen liggen zonder dat wordt aangegeven welke”. Volgens het Gerecht moest, bij gebreke van enige definitie van het begrip „overstroming” in die overeenkomst, worden geoordeeld dat dit begrip op geen enkele wijze was beperkt.
83 In de punten 91 tot en met 96 van dat arrest heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat op basis van de door het Gerecht gehanteerde uitlegging van het begrip „overstroming” een onderscheid kan worden gemaakt tussen een „overstroming” en „waterschade”, aangezien een „overstroming” haar oorsprong vindt in een natuurgebeurtenis die zich voordoet buiten het verzekerde goed, ongeacht of deze gebeurtenis al dan niet als natuurramp wordt aangemerkt, terwijl bij „waterschade”, zoals een breuk in pijpleidingen, dit externe element ontbreekt.
84 Anders dan het Parlement stelt, kan deze motivering niet als tegenstrijdig worden beschouwd. Terwijl het Gerecht in de punten 78 tot en met 89 van het bestreden arrest slechts in herinnering heeft gebracht dat een overstroming haar oorsprong kan vinden in andere oorzaken, zonder deze te beperken tot de door het Parlement genoemde oorzaken, heeft het in de punten 91 tot en met 96 van dat arrest namelijk een onderscheid gemaakt tussen het begrip „overstroming” en het begrip „waterschade” en zich daarbij gebaseerd op de vraag of de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, zich buiten het verzekerde goed heeft voorgedaan en niet op de vraag of die gebeurtenis al dan niet een „natuurlijke” oorzaak had.
85 Hieruit volgt dat het betoog van het Parlement dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is, moet worden afgewezen omdat het berust op een onjuiste lezing van dat arrest.
86 Uit een en ander volgt dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.
Derde middel
– Argumenten van partijen
87 Met zijn derde middel verwijt het Parlement het Gerecht dat het belangrijke feiten en bewijzen in het deskundigenverslag onjuist heeft opgevat waar het gaat om de redenering die ten grondslag ligt aan zijn vaststelling dat de schade aan het KAD-gebouw te wijten was aan een overstroming en niet aan een risico dat inherent was aan de bouwplaats.
88 Ten eerste wordt betoogd dat het Gerecht in de punten 86, 89 en 94 van het bestreden arrest het standpunt van het Parlement over de uitlegging van de term „overstroming” onjuist heeft opgevat. Deze instelling beweert dat zij, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, geenszins heeft gesteld dat deze term enkel betrekking had op overstromingen die het gevolg waren van het overlopen van een waterloop, en dus niet op overstromingen ten gevolge van zware regenval.
89 Ten tweede heeft het Gerecht de feiten onjuist opgevat door in punt 95 van het bestreden arrest te verklaren dat volgens de bevindingen van het deskundigenverslag de wateroverlast door regenwater in de kelder van het in aanbouw zijnde gebouw „samenhing met de onmogelijkheid voor het ondergrondse leidingstelsel om dit grote waterdebiet af te voeren”. Het Parlement stelt in dit verband dat in het deskundigenverslag is vastgesteld dat het water werd vastgehouden in een ruimte op de bouwplaats en zelfs niet naar het ondergrondse leidingstelsel kon worden geleid vanwege de aan de bouwplaats inherente technische problemen, met name het onjuist programmeren van de afvoerpompen.
90 Ten derde heeft het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest de bevinding in het deskundigenverslag dat het schadegeval zich heeft voorgedaan toen „de ruwbouw zich in een toestand bevond die als bijna voltooid [kon] worden aangemerkt (dragende structuur en dak)”, onjuist opgevat om het argument van het Parlement af te wijzen dat het KAD-gebouw schade zou hebben geleden als gevolg van een aan de bouwplaats inherent risico omdat het ging om een gebouw in aanbouw dat niet volledig was overdekt en niet was beschermd tegen regen. Volgens het Parlement wordt in het door het Gerecht genoemde deskundigenverslag geenszins gesteld dat de bouw van het gebouw zo ver was gevorderd dat het niet langer onderhevig was aan bouwrisico’s, zoals waterschade als gevolg van zware regenval.
91 Verweersters in eerste aanleg betwisten de gegrondheid van dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
92 Zoals in punt 75 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet een onjuiste opvatting duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw behoeven te worden beoordeeld.
93 Wat ten eerste de vermeende onjuiste opvatting van het standpunt van het Parlement over de draagwijdte van de term „overstroming” betreft, kan worden volstaan met op te merken dat, gesteld al dat deze onjuiste opvatting zou zijn aangetoond, zij niet kan afdoen aan de uitlegging die het Gerecht in de punten 86, 89 en 94 van het bestreden arrest aan deze term heeft gegeven. Derhalve is dit argument niet ter zake dienend en moet het worden afgewezen.
94 Wat ten tweede de vermeende onjuiste opvatting in punt 95 van het bestreden arrest betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat de omstandigheid dat het deskundigenverslag niet vermeldt dat het ondergrondse leidingstelsel niet in staat was het regenwater af te voeren, ook al wordt dit aangetoond, niet volstaat om af te doen aan de vaststelling van het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest dat wateroverlast door overvloedige neerslag een „overstroming” in de zin van artikel I.15.1.1 van de BPR-overeenkomst vormt.
95 Uit de punten 85 tot en met 87 van dat arrest blijkt immers met name dat de redenen waarom het water niet kon worden afgevoerd, geen invloed hebben op de uitlegging van de term „overstroming” door het Gerecht.
96 Het argument dat de bevindingen van het deskundigenverslag onjuist zijn opgevat, moet dus eveneens als niet ter zake dienend worden afgewezen.
97 Ten derde is het, voor zover het Parlement aanvoert dat het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest de bevindingen in het deskundigenverslag onjuist heeft opgevat in die zin dat het schadegeval zich heeft voorgedaan toen „de ruwbouw zich in een toestand bevond die als bijna voltooid [kon] worden aangemerkt (dragende structuur en dak)”, voldoende om op te merken dat het Parlement slechts opkomt tegen de conclusies en feitelijke beoordelingen waartoe het Gerecht op basis van die bevindingen is gekomen. Dit onderdeel van het derde middel moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
98 Uit het voorgaande volgt dat het derde middel ten dele niet ter zake dienend en ten dele niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
99 Gelet op een en ander moet de principale hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Incidentele hogere voorziening
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
100 Het Parlement voert aan dat de incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat NN niet voldoet aan de in artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde voorwaarde dat hogere voorziening openstaat „voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld”.
101 Voorts betoogt het Parlement dat, gelet op het in de Verdragen neergelegde stelsel van rechtsmiddelen, de instelling van een incidentele hogere voorziening bij het Hof niet verenigbaar is met het parallel instellen van verzet bij het Gerecht.
102 Ten overvloede voert het Parlement aan dat NN niet de hoedanigheid heeft van partij die een memorie van antwoord mag indienen in de zin van artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, zodat zij evenmin bevoegd is om een incidentele hogere voorziening in te stellen, die volgens artikel 176 van dat Reglement is voorbehouden aan de „partijen bedoeld in artikel 172 van dit Reglement”.
103 NN betwist dat artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie van toepassing is op de incidentele hogere voorziening, aangezien dit rechtsmiddel alleen voorkomt in het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Artikel 176 van dit Reglement verleent het recht om een incidentele hogere voorziening in te stellen aan „de in artikel 172 [van dat Reglement] bedoelde partijen”, te weten „[e]lke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die een belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening”.
104 In casu heeft NN er belang bij dat zij wordt ontheven van de veroordeling bij verstek die het Gerecht jegens haar heeft uitgesproken. Het feit dat haar incidentele hogere voorziening betrekking heeft op de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest, terwijl de principale hogere voorziening van het Parlement betrekking heeft op de punten 2 en 4 van dat dictum, heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van de incidentele hogere voorziening, aangezien deze betrekking kan hebben op een andere beslissing van het Gerecht dan die waartegen de principale hogere voorziening is gericht.
105 NN merkt bovendien op dat de middelen van haar verzet tegen het bestreden arrest en die van haar incidentele hogere voorziening verschillen, aangezien de middelen van haar verzet overeenkomen met die welke Axa e.a. in de procedure in eerste aanleg hebben aangevoerd, en de middelen van haar incidentele hogere voorziening betrekking hebben op de schending van artikel 45, lid 1, onder a), en artikel 123, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Beoordeling door het Hof
106 Volgens artikel 172 juncto artikel 176, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geldt voor de instelling van een incidentele hogere voorziening de dubbele voorwaarde dat degene die de hogere voorziening heeft ingesteld, „partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht” is geweest en „een belang heeft bij toewijzing of de afwijzing van de hogere voorziening”.
107 Overeenkomstig artikel 176, lid 2, en artikel 178, leden 1 en 3, van dit Reglement moet de incidentele hogere voorziening worden ingesteld bij een afzonderlijke, van de memorie van antwoord onderscheiden akte waarvan de conclusies strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht op grond van juridische middelen en argumenten die verschillen van de middelen en argumenten die in de memorie van antwoord worden aangevoerd (zie in die zin arrest van 14 september 2023, Land Rheinland-Pfalz/Deutsche Lufthansa, C‑466/21 P, EU:C:2023:666, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 In casu moet worden vastgesteld dat aan de in de punten 106 en 107 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden is voldaan. Ten eerste volgt uit de punten 58 en 59 van dit arrest dat NN een partij is die een memorie van antwoord mag indienen in de zin van artikel 172 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ten tweede heeft NN haar incidentele hogere voorziening ingesteld bij een afzonderlijke handeling en met inachtneming van de in artikel 176, lid 1, van dat Reglement gestelde termijnen. Deze incidentele hogere voorziening, die strekt tot vernietiging van de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest, is overeenkomstig artikel 178, lid 3, van dat Reglement gebaseerd op andere middelen en argumenten dan die welke zijn aangevoerd in de memorie van antwoord van NN op de principale hogere voorziening van het Parlement, die betrekking heeft op de punten 2 en 4 van dat dictum.
109 Vast staat echter dat NN krachtens artikel 166 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bij het Gerecht daarnaast ook verzet heeft ingesteld, welk verzet tevens strekte tot vernietiging van de punten 1 en 3 van het dictum van het bestreden arrest, dat bij verstek tegen haar is gewezen.
110 Zoals in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het instellen van verzet door de niet-verschenen partij bij het Gerecht, aangezien dit tot gevolg heeft dat de procedure voor het Gerecht wordt heropend, impliceert dat het bij verstek gewezen arrest waartegen dat verzet wordt ingesteld niet kan worden geacht een eindbeslissing te zijn in de zin van artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat de hogere voorziening tegen dat arrest bijgevolg niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest van 18 januari 2024, Eulex Kosovo/SC, C‑785/22 P, EU:C:2024:52, punten 31 en 32).
111 Om dezelfde redenen moet deze rechtspraak ook worden gehanteerd in gevallen waarin er voor het Gerecht meerdere verweerders zijn, onder wie een partij die geen schriftelijke conclusies heeft ingediend en verzet heeft aangetekend tegen het gewezen arrest. Het instellen van de verzetsprocedure heeft dan tot gevolg dat de procedure wordt heropend met betrekking tot de punten van het dictum van de beslissing van het Gerecht waarop deze procedure betrekking heeft, zodat die beslissing, zoals de advocaat-generaal in punt 116 van zijn conclusie van 18 januari 2024 heeft opgemerkt, niet kan worden geacht op die punten een einde te maken aan het geding in de zin van artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
112 Bijgevolg moet de door NN ingestelde incidentele hogere voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
113 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.
114 Aangezien NN in haar incidentele hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening. Aangezien Axa e.a. en NN niet hebben gevorderd dat het Parlement in de kosten wordt verwezen en het Parlement in zijn principale hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, dient daarentegen te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) De principale hogere voorziening en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen.
2) Het Europees Parlement, Axa Assurances Luxembourg SA, Bâloise Assurances Luxembourg SA, La Luxembourgeoise SA en Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV dragen hun eigen kosten in verband met de principale hogere voorziening.
3) Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV draagt de kosten in verband met de incidentele hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.