HvJ EU 26 maart 2026, C-338/24, ECLI:EU:C:2026:248

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

26 maart 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Richtlijn 85/374/EEG – Artikel 13 – Verhouding tot de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling – Schuld van de producent die verband houdt met de gebrekkigheid van het product – Artikel 10 – Aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van drie jaar in geval van schade bestaande in een progressieve ziekte – Begrip ‚kennis van de schade’ – Artikel 11 – Vervallen van de rechten van de gelaedeerde – Geldigheid – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op toegang tot de rechter”

In zaak C‑338/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Rouen (rechter in tweede aanleg Rouen, Frankrijk) bij beslissing van 25 april 2024, ingekomen bij het Hof op 7 mei 2024, in de procedure

LF

tegen

Sanofi Pasteur SA,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede Kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: G. Chiapponi, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 maart 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– LF, vertegenwoordigd door M. Leroux, avocate,

– Sanofi Pasteur SA, vertegenwoordigd door A. Aviges, D. Lapillonne, F. Molinié en F. Monteret-Amar, avocats,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door M. de Lisi en B. Fodda en B. Travard als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,

– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door D. Bringuier en N. Brzezinski als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Owsiany-Hornung en C. Valero als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 en 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29), alsmede de geldigheid van artikel 11 van deze richtlijn in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LF, een natuurlijk persoon, en Sanofi Pasteur SA over een vordering tot vergoeding van de schade die verzoekster meent te hebben geleden als gevolg van een vaccinatie.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De eerste, de negende tot en met de elfde en de dertiende overweging van richtlijn 85/374 luiden als volgt: „Overwegende dat de wetgevingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid van de producent voor schade die door een gebrek van diens producten is veroorzaakt, onderling moeten worden aangepast; dat namelijk onderlinge verschillen op dat gebied de mededinging kunnen vervalsen, het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt kunnen aantasten en tot verschillen kunnen leiden in het niveau van de bescherming van de consument tegen schade die door een product met gebreken wordt toegebracht aan diens gezondheid en goederen; […] Overwegende dat de bescherming van de consument vereist dat schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel en materiële schade worden vergoed; […] Overwegende dat een uniforme verjaringstermijn voor de vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade in het belang van zowel de gelaedeerde als de producent is; Overwegende dat de producten in de loop der tijd aan slijtage onderhevig zijn, dat er strengere veiligheidsnormen worden ontwikkeld en dat de wetenschappelijke en technische kennis vooruitgaat; dat het derhalve onbillijk zou zijn de producent aansprakelijk te stellen voor gebreken van zijn product zonder tijdsbeperking; dat zijn aansprakelijkheid derhalve na een redelijke termijn moet ophouden, met dien verstande evenwel dat een aanhangige rechtsvordering onverlet blijft; […] Overwegende dat de gelaedeerde volgens de rechtsstelsels van de lidstaten een recht op schadevergoeding kan hebben uit hoofde van een contractuele aansprakelijkheid of uit hoofde van een andere buitencontractuele aansprakelijkheid dan die waarin deze richtlijn voorziet; dat wanneer dergelijke bepalingen ook een doeltreffende bescherming van de consument tot doel hebben, ze door deze richtlijn onverlet moeten worden gelaten; dat, wanneer een doeltreffende bescherming van de consument in de sector farmaceutische producten in een lidstaat ook reeds wordt gewaarborgd door een speciale aansprakelijkheidsregeling, maatregelen uit hoofde van die regeling eveneens mogelijk moeten blijven”.

4 Artikel 1 van richtlijn 85/374 bepaalt: „De producent is aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product.”

5 Artikel 4 van deze richtlijn luidt: „De gelaedeerde moet de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade bewijzen.”

6 Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt: „1. Een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name: a) de presentatie van het product; b) het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product; c) het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht. 2. Een product mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend omdat er nadien een beter product in het verkeer is gebracht.”

7 Artikel 10 van diezelfde richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de schadevordering uit hoofde van deze richtlijn na drie jaar verjaart. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. 2. De bepalingen van de lidstaten inzake schorsing en stuiting van de verjaring blijven onverlet door deze richtlijn.”

8 Artikel 11 van richtlijn 85/374 luidt: „De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de rechten die de gelaedeerde aan deze richtlijn ontleent, komen te vervallen na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure tegen hem heeft ingesteld.”

9 Artikel 13 van deze richtlijn luidt: „Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet.”

Frans recht

10 Artikel 1240 van de code civil (burgerlijk wetboek) bepaalt: „Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.”

11 Artikel 1245 van dat wetboek luidt als volgt: „De producent is aansprakelijk voor de schade die door een gebrek in zijn product wordt veroorzaakt, ongeacht of hij met de gelaedeerde een overeenkomst heeft gesloten.”

12 Artikel 1245‑15 van dit wetboek bepaalt: „Bij gebreke van schuld van de producent vervalt zijn aansprakelijkheid uit hoofde van de bepalingen van dit hoofdstuk tien jaar nadat het product dat de schade heeft veroorzaakt, in het verkeer is gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure heeft ingesteld.”

13 Artikel 1245‑16 van dat wetboek luidt: „De op de bepalingen van dit hoofdstuk gebaseerde vordering tot schadevergoeding verjaart binnen een termijn van drie jaar die begint te lopen op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent.”

14 Artikel 1245-17 van het burgerlijk wetboek bepaalt: „De bepalingen van dit hoofdstuk laten de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet. De producent blijft aansprakelijk voor de gevolgen van zijn onrechtmatige daad en van die van de personen voor wie hij verantwoordelijk is.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Na op 20 maart 2003 te zijn gevaccineerd met Revaxis, een vaccin tegen difterie, tetanus en poliomyelitis dat wordt geproduceerd door het laboratiorium Sanofi Pasteur, heeft LF verklaard dat zij vanaf 2004 diverse symptomen, infecties en pijn heeft gehad (spijsverteringsproblemen, keelpijn, pijn in de schouders, armen en handen, nekpijn, urinewegeninfecties, pijn in de onderrug en haaruitval). Zij moest zich vanaf 3 december 2005 herhaaldelijk ziekmelden op haar werk.

16 Nadat verschillende onderzoeken in 2008 een macrofagische myofasciitis hadden aangetoond, die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van aluminiumhydroxide, een adjuvans dat in bepaalde vaccins wordt gebruikt, heeft LF op 2 juni 2015 de zaak voorgelegd aan de commission de conciliation et indemisation médicaux (Commissie voor bemiddeling en schadeloosstelling bij medische incidenten), die een deskundigenonderzoek heeft gelast. In het deskundigenrapport werd vastgesteld dat de gezondheidstoestand van LF op 20 september 2016 was geconsolideerd en dat er geen aanwijzingen waren dat de vaccinatie met Revaxis de ziekte waaraan LF leed, had veroorzaakt. Bijgevolg heeft die commissie het verzoek van LF afgewezen.

17 In juni 2020 heeft LF, die het niet eens was met de conclusie van het deskundigenrapport, onder meer Sanofi Pasteur gedaagd voor de tribunal judiciaire d’Alençon (rechter in eerste aanleg Alençon, Frankrijk), teneinde op grond van aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en schuldaansprakelijkheid vergoeding te verkrijgen van de schade die zij meent te hebben geleden als gevolg van die vaccinatie.

18 De vorderingen van LF zijn afgewezen bij beschikking van 10 juni 2021 van de rolrechter van de Tribunal judiciaire d’Alençon, die met name heeft vastgesteld dat de vordering tegen Sanofi Pasteur, voor zover deze was gebaseerd op de aansprakelijkheid van de producent voor producten met gebreken, was verjaard volgens artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek.

19 Bij arrest van 31 mei 2022 heeft de Cour d’appel de Caen (rechter in tweede aanleg Caen, Frankrijk) deze beschikking grotendeels bevestigd op grond dat de op zowel de artikelen 1245‑1 en volgende van het burgerlijk wetboek als de artikelen 1240 en 1241 van dat wetboek gebaseerde vorderingen van LF niet ontvankelijk waren.

20 Op 5 juli 2023 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) dit arrest vernietigd, in het bijzonder op grond dat „[i]n geval van een progressieve ziekte, die het onmogelijk maakt om een consolidatiedatum vast te stellen, de verjaringstermijn van [artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek] niet kan beginnen te lopen.” De Cour de cassation heeft de zaak verwezen naar de cour d’appel de Rouen (rechter in tweede aanleg Rouen, Frankrijk), de verwijzende rechter, bij wie LF betoogt dat zij zowel op grond van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken als op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling een vordering tegen Sanofi Pasteur kan instellen.

21 Wat ten eerste de schuldaansprakelijkheid betreft, stelt LF ten eerste dat Sanofi Pasteur een afzonderlijke fout heeft begaan, die losstaat van het veiligheidsgebrek van het Revaxis-vaccin, aangezien Sanofi Pasteur, ondanks talrijke waarschuwingen over de schadelijke gevolgen van dit vaccin, niet heeft gereageerd en geen enkel onderzoek of controle heeft verricht nadat Revaxis op de markt was gebracht.

22 Wat ten tweede de ontvankelijkheid van haar vordering op grond van de aansprakelijkheid voor producten met gebreken betreft, is LF van mening dat de verjaringstermijn van tien jaar van artikel 1245‑15 van het burgerlijk wetboek, die vanaf het tijdstip van het in het verkeer brengen van het haar toegediende vaccin begint te lopen, haar het recht op toegang tot de rechter ontneemt, aangezien haar ziekte complex en progressief is. Bovendien kan de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek, die begint te lopen vanaf het tijdstip waarop kennis is verkregen van de schade, het gebrek van het product en de identiteit van de producent, slechts beginnen te lopen vanaf de consolidatie van de schade. In zoverre moet dus rekening worden gehouden met haar specifieke situatie, die verband houdt met het feit dat haar gezondheidsschade het gevolg is van een progressieve ziekte.

23 Sanofi Pasteur betwist alle argumenten van LF. Deze onderneming betoogt allereerst dat de vordering wegens schuldaansprakelijkheid in casu niet-ontvankelijk is, aangezien de door LF aangevoerde fout, te weten een gebrek aan zorgvuldigheid of toezicht op het product nadat het op de markt was gebracht, niet verschilt van het in het kader van de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten aangevoerde veiligheidsgebrek. Sanofi Pasteur geeft vervolgens aan dat de verjaringstermijn van artikel 1245‑15 van het burgerlijk wetboek is ingetreden, aangezien er meer dan tien jaar zijn verstreken sinds het Revaxis-vaccin in de handel is gebracht. Ten slotte is de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek, die begint te lopen vanaf de datum waarop LF kennis heeft gekregen van de schade, eveneens verjaard.

24 De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af wat de draagwijdte is van artikel 13 van richtlijn 85/374, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 25 april 2002, González Sánchez (C‑183/00, EU:C:2002:255). In dit arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat dit artikel 13 aldus moet worden uitgelegd dat de rechten die de wetgeving van een lidstaat aan slachtoffers van door een gebrekkig product veroorzaakte schade verleent krachtens een algemene aansprakelijkheidsregeling die op dezelfde grondslag berust als de door deze richtlijn ingevoerde regeling, beperkt of geringer kunnen zijn ingevolge de omzetting van de richtlijn in het interne recht van de betrokken staat. De Cour de cassation heeft evenwel geoordeeld dat het slachtoffer van schade die het gevolg is van een gebrekkig product op grond van de schuldaansprakelijkheidsregeling een aansprakelijkheidsvordering kan instellen tegen de producent van dit product, indien hij aantoont dat zijn schade het gevolg is van een onrechtmatige daad van de producent, zoals het in het verkeer houden van het product waarvan hij weet dat het een gebrek vertoont, of het niet nakomen van zijn zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product. In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of deze rechtspraak van de Cour de cassation verenigbaar is met de uitlegging die het Hof aan dat artikel 13 heeft gegeven.

25 In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter twijfels betreffende de geldigheid van artikel 11 van richtlijn 85/374. Aangezien deze bepaling erin voorziet dat de door deze richtlijn aan een gelaedeerde verleende rechten vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop het schadelijke product in het verkeer is gebracht, vraagt deze rechter zich af of de toepassing van deze regeling er niet toe leidt dat de gelaedeerde die als gevolg van een gebrekkig product progressieve schade heeft geleden, het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen.

26 Wat in de derde plaats de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 85/374 betreft, vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af hoe het aanvangstijdstip van de in die bepaling neergelegde verjaringstermijn van drie jaar wordt vastgesteld. Volgens de rechtspraak van de Cour de cassation moet artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek, waarbij dit artikel 10 in Frans recht is omgezet, immers aldus worden uitgelegd dat, wat letselschade betreft, de verjaringstermijn moet ingaan op de datum waarop de schade is geconsolideerd. Een dergelijke uitlegging lijkt echter af te wijken van de tekst van dat artikel 10, dat zich beperkt tot het vastleggen van dit aanvangstijdstip op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent.

27 Daarop heeft de cour d’appel de Rouen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 13 van richtlijn [85/374], zoals uitgelegd in het arrest van 25 april 2002[, González Sánchez (C‑183/00, EU:C:2002:255)], volgens hetwelk de gelaedeerde zich kan beroepen op andere contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen die op een andere grondslag berusten dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld, aldus worden uitgelegd dat de gelaedeerde van een gebrekkig product op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling vergoeding van zijn schade kan vorderen van de producent door zich met name te beroepen op het feit dat het product in het verkeer is gehouden, dat de zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet in acht is genomen of, meer in het algemeen, dat er sprake is van een veiligheidsgebrek van het product? 2) Is artikel 11 van richtlijn [85/374], volgens hetwelk de rechten die de gelaedeerde aan de richtlijn ontleent, komen te vervallen na het verstrijken van een termijn van tien jaar, die begint te lopen op de dag waarop het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer is gebracht, in strijd met artikel 47 van het [Handvest], aangezien hierdoor een gelaedeerde die progressieve schade heeft geleden als gevolg van een gebrekkig product, het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen? 3) Kan artikel 10 van richtlijn [85/374], waarin is bepaald dat de verjaringstermijn van drie jaar ingaat op ‚de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade’, aldus worden uitgelegd dat deze termijn pas kan beginnen te lopen vanaf de dag waarop de volledige omvang van de schade bekend is, in het bijzonder door een consolidatiedatum vast te stellen die wordt gedefinieerd als het moment waarop de toestand van het slachtoffer van het lichamelijk letsel niet langer progressief is, zodat in het geval van een progressieve ziekte de verjaringstermijn niet begint te lopen, en niet op de dag waarop de schade zich duidelijk heeft geopenbaard en met het gebrekkige product in verband kan worden gebracht, ongeacht de verdere ontwikkeling ervan?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling vordert door zich te beroepen op het feit dat het product waarvan de producent wist dat het gebrekkig was, door deze in het verkeer is gehouden of hij zijn zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet is nagekomen, dan wel zich op enige andere wijze schuldig heeft gedragen in verband met een veiligheidsgebrek van dat product.

29 Terwijl artikel 1 van richtlijn 85/374 bepaalt dat de producent aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product, preciseert artikel 4 van deze richtlijn dat de gelaedeerde de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen. Deze bepalingen, gelezen in het licht van de eerste overweging van die richtlijn, leggen de principiële risicoaansprakelijkheid van de producent vast wegens de gebrekkigheid van het product, waarbij deze volgens artikel 6 van deze richtlijn wordt gedefinieerd als een gebrek aan veiligheid van dit product die de consument, rekening houdend met alle omstandigheden, gerechtigd is te verwachten.

30 In dit verband bepaalt artikel 13 van richtlijn 85/374 dat deze richtlijn de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn in het nationale recht bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet laat.

31 In het arrest van 25 april 2002, González Sánchez (C‑183/00, EU:C:2002:255), heeft het Hof verduidelijkt dat dit artikel 13 niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake gebrekkige producten te handhaven dat verschilt van het stelsel van richtlijn 85/374. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat de richtlijn voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft (arrest van 21 december 2011, Dutrueux, C‑495/10, EU:C:2011:869, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een nationale regeling voor producentenaansprakelijkheid die op dezelfde grondslag berust als de door de richtlijn ingevoerde regeling en niet tot een bepaalde productiesector is beperkt, niet kan worden gehandhaafd. (zie in die zin arrest van 25 april 2002, González Sánchez, C‑183/00, EU:C:2002:255, punt 33).

32 Dit geldt evenwel niet voor de in artikel 13 bedoelde regelingen van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid, die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad. Deze bepaling sluit immers niet uit dat de gelaedeerde schadevergoeding kan vorderen uit hoofde van die andere aansprakelijkheidsregelingen (zie in die zin arrest van 25 april 2002, González Sánchez, C‑183/00, EU:C:2002:255, punt 31).

33 In casu heeft LF een beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen Sanofi Pasteur, zowel op grond van artikel 1245 van het burgerlijk wetboek, waarbij de in richtlijn 85/374 bedoelde aansprakelijkheidsregeling voor producten met gebreken in Frans recht is omgezet, als op grond van artikel 1240 van dit wetboek, dat voorziet in een algemene schuldaansprakelijkheidsregeling. Wat meer in het bijzonder haar schuldaansprakelijkheidsvordering betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat LF stelt dat Sanofi Pasteur onrechtmatig heeft gehandeld door het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vaccin in het verkeer te houden ondanks het feit dat deze onderneming op de hoogte was van het veiligheidsgebrek van het vaccin. Deze onderneming heeft ook haar zorgvuldigheidsplicht niet in acht genomen met betrekking tot de risico’s waarvan bekend was dat het betrokken product deze vertoonde.

34 In dit verband moet worden opgemerkt dat het onrechtmatig gedrag dat in het kader van een nationale schuldaansprakelijkheidsregeling vereist is, een andere grondslag vormt dan de gebrekkigheid van het product zoals deze is gedefinieerd in artikel 6 van richtlijn 85/374. Dit verschil in grondslag vormt juist het criterium om overeenkomstig artikel 13 van deze richtlijn vast te stellen of een nationale aansprakelijkheidsregeling naast de aansprakelijkheidsregeling van deze richtlijn kan worden ingeroepen.

35 In die omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van richtlijn 85/374 er niet aan in de weg staat dat de gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling vordert door zich te beroepen op het feit dat het product waarvan de producent wist dat het gebrekkig was, door deze in het verkeer is gehouden of hij zijn zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet is nagekomen, dan wel zich op enige andere wijze schuldig heeft gedragen in verband met een veiligheidsgebrek van dat product.

Derde vraag

36 Met zijn derde vraag, die vóór de tweede vraag moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde verjaringstermijn van drie jaar ingaat op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van zowel de schade toen die duidelijk zichtbaar is geworden in verband met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling van de schade, als het gebrek van het product en de identiteit van de producent, en dat het zich ertegen verzet dat enkel het tijdstip van de consolidatie van de schade als dit beginpunt kan gelden.

37 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punt 20, en 19 december 2024, Ford Italia, C‑157/23, EU:C:2024:1045, punt 42).

38 Wat de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 betreft, bepaalt dit artikel dat de vordering tegen de producent verjaart na drie jaar. Deze termijn „begint te lopen op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent”. Deze bepaling kan dus niet aldus worden uitgelegd als betrekking hebbende op het tijdstip van de consolidatie van de toestand van de gelaedeerde, dat wil zeggen het tijdstip waarop de schade zich niet verder ontwikkelde, als aanvangstijdstip van de verjaringstermijn. Die bepaling knoopt het ingaan van deze termijn enkel aan met de dag waarop kennis wordt verkregen van de drie elementen, waaronder de kennis van de schade, zonder dat er wordt verwezen naar de consolidatie of het tijdstip van consolidatie van de schade.

39 Wat de context van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de gelaedeerde volgens artikel 4 van die richtlijn de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet bewijzen. Voorts moet worden benadrukt dat artikel 9 van deze richtlijn het begrip schade definieert als met name schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel, terwijl in de negende overweging van deze richtlijn wordt verklaard dat de bescherming van de consument vereist dat de schade, met name de schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel, wordt vergoed. Uit deze bepalingen of deze overweging kan echter niet worden afgeleid dat de schadevergoeding moet voldoen aan een bijzondere regeling en afhankelijk is van de consolidatie van de toestand van de gelaedeerde of van het feit dat de gelaedeerde kennis heeft van de volledige omvang van zijn schade.

40 Aangezien artikel 11 van deze richtlijn bovendien bepaalt dat de rechten die de gelaedeerde aan de richtlijn ontleent komen te vervallen na een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product in het verkeer heeft gebracht, zou de vaststelling van het tijdstip van de consolidatie van de schade als het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn afbreuk kunnen doen aan de doeltreffendheid van de in richtlijn 85/374 vastgestelde bescherming. Het kan immers niet worden uitgesloten dat de consolidatie van de schade na het verstrijken van deze termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het product in het verkeer is gebracht, plaatsvindt, zodat de gelaedeerde de producent niet aansprakelijk kan stellen.

41 Wat de doelstellingen van richtlijn 85/374 betreft, beoogt deze richtlijn, zoals blijkt uit de eerste overweging ervan, een einde te maken aan de onderlinge verschillen tussen de nationale rechtstelsels die tot verschillen in het niveau van de bescherming van de consumenten in de Unie kunnen leiden. De harmonisering van de regels die deze richtlijn tot stand brengt, heeft volgens de elfde overweging ervan ook ten doel de aansprakelijkheid van de producent op Unieniveau tot een redelijke termijn te beperken. Ten slotte blijkt uit de tiende overweging van deze richtlijn dat zowel de gelaedeerde als de producent er belang bij hebben dat voor de schadevordering een uniforme verjaringstermijn van drie jaar geldt. In dat verband heeft artikel 10 van richtlijn 85/374 onder meer tot doel tegemoet te komen aan de eisen van de rechtszekerheid in het belang van de betrokken partijen (zie in die zin arrest van 9 februari 2006, O’Byrne, C‑127/04, EU:C:2006:93, punt 26).

42 De vaststelling van het tijdstip van de consolidatie van de schade als het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van drie jaar zou afbreuk kunnen doen aan deze verschillende doelstellingen. Zoals blijkt uit punt 40 van het onderhavige arrest, waarborgt een dergelijke uitlegging van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 immers niet noodzakelijkerwijs de bescherming van de consument en het verkrijgen van vergoeding van de schade die de consument heeft geleden ten gevolge van de gebrekkige producten. Bovendien zou die benadering indruisen tegen het behoud van de rechtszekerheid doordat de toepassing van de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 zou afhangen van een willekeurige voorwaarde. In dit verband moet worden opgemerkt dat het tijdstip van de consolidatie van de schade in geval van een progressieve ziekte naar zijn aard onzeker is en het daarbij overigens om het tijdstip van het overlijden van de gelaedeerde kan gaan.

43 Omgekeerd kan, zelfs in het geval van schade bestaande in een progressieve ziekte, de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel zowel in het belang van de gelaedeerde als van de producent worden gewaarborgd door het tijdstip waarop de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vast te stellen op het tijdstip waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade in die zin dat deze schade zich duidelijk heeft vertoond in verband met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling ervan, en hij tevens kennis kreeg van het gebrek of de identiteit van de producent. Hierdoor kan met name een vaste en uniforme datum worden vastgesteld vanaf wanneer de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen.

44 Ten slotte moet worden benadrukt dat een dergelijke uitlegging van artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 geen afbreuk doet aan het recht van de gelaedeerde op de volledige vergoeding van zijn schade.

45 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat een billijke en volledige schadeloosstelling van de gelaedeerden van een gebrekkig product moet worden gewaarborgd voor de schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel als gevolg van de gebrekkigheid van producten, binnen de door deze richtlijn gestelde grenzen (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Boston Scientific Medizintechnik, C‑503/13 en C‑504/13, EU:C:2015:148, punten 45 en 46).

46 In dit verband moet echter worden vastgesteld dat hoewel een dergelijke schadeloosstelling moet worden gewaarborgd, richtlijn 85/374 niet alle aspecten van een dergelijke schadeloosstelling regelt.

47 Aldus zijn overeenkomstig artikel 10, lid 2, van richtlijn 85/374 de bepalingen inzake schorsing en stuiting van de verjaring, die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, van toepassing op de in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bedoelde termijn. Evenzo bepaalt artikel 11 van deze richtlijn dat de rechten van de gelaedeerde komen te vervallen na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure tegen hem heeft ingesteld. Bijgevolg staat deze richtlijn er niet aan de weg dat, zodra de schadevordering binnen die termijnen is ingesteld, deze termijnen krachtens het nationale recht worden gestuit of geschorst, in afwachting van de verdere ontwikkeling van de ziekte, zodat de eiser een volledige vergoeding van de schade kan verkrijgen. Deze richtlijn verduidelijkt echter niet onder welke voorwaarden deze termijnen kunnen worden gestuit of geschorst.

48 In die omstandigheden staat het krachtens het beginsel van procedurele autonomie, en onder voorbehoud van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aan de interne rechtsorde van de lidstaten om de regels vast te stellen op grond waarvan een billijke en volledige schadeloosstelling van de door een gebrekkig product veroorzaakte schade kan worden verkregen (zie in die zin arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punt 25).

49 Wat meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel betreft, vereist dit beginsel dat de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de aldus door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punt 26).

50 Gelet op het voorgaande moet op de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde verjaringstermijn van drie jaar ingaat op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van zowel de schade toen die zich duidelijk heeft geopenbaard in verband met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling van de schade, als het gebrek van het product en de identiteit van de producent, en dat het zich ertegen verzet dat enkel het tijdstip van de consolidatie van de schade als dit beginpunt kan gelden.

Tweede vraag

51 Vooraf moet allereerst worden opgemerkt dat de tweede vraag van de verwijzende rechter rijst in een specifieke nationale context. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze rechter zich in wezen afvraagt of artikel 11 van richtlijn 85/374 geldig is, uitgaande van de premisse dat de daarin vastgestelde termijn van tien jaar vanaf het in het verkeer brengen van het product, na afloop waarvan de rechten die de gelaedeerde aan deze richtlijn ontleent komen te vervallen, niet volstaat om een gelaedeerde die als gevolg van een gebrekkig product aan een progressieve ziekte lijdt, de mogelijkheid te bieden om een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

52 Volgens de in punt 26 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van de Cour de cassation moet de verjaringstermijn van drie jaar voor de schadevordering waarvan sprake is in artikel 10 van deze richtlijn, dat in Frans recht is omgezet bij artikel 1245‑16 van het burgerlijk wetboek, immers ingaan op de datum waarop de schade is geconsolideerd. In het geval van progressieve ziekten vindt deze datum van consolidatie van de schade mogelijkerwijs echter plaats na deze termijn van tien jaar, dat wil zeggen nadat de rechten die de gelaedeerde krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 aan deze richtlijn ontleent, zijn vervallen. Indien artikel 10 van deze richtlijn aldus wordt uitgelegd, zou dit kunnen betekenen dat de schadevordering, die pas kan worden ingesteld nadat de schade is geconsolideerd, zonder voorwerp is geraakt voor gelaedeerden die lijden aan een progressieve ziekte, waarvoor de consolidatie van de toestand van de ziekte pas na tien jaar geschiedt.

53 Uit het in punt 50 van het onderhavige arrest vermelde antwoord van het Hof op de derde vraag blijkt evenwel dat deze uitlegging niet kan worden aanvaard. Artikel 10, van richtlijn 85/374 moet immers aldus worden uitgelegd dat de verjaringstermijn van drie jaar waarin deze bepaling voorziet, ingaat op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van zowel de schade, die zich dan duidelijk heeft geopenbaard in verband met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling ervan, als het gebrek van het product en de identiteit van de producent, en dat het zich ertegen verzet dat pas het tijdstip van de consolidatie van de schade als dit aanvangstijdstip word gehanteerd.

54 Aldus gedefinieerd kan de in artikel 10 bedoelde verjaringstermijn beginnen lopen voordat de in artikel 11 van richtlijn 85/374 bedoelde termijn van tien jaar verstrijkt, zelfs wanneer het gaat om slachtoffers die lijden aan progressieve ziekten, zodat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van dergelijke gelaedeerden kan worden gewaarborgd.

55 Vervolgens dient te worden benadrukt dat de nationale rechter bij de toepassing van het interne recht dit recht zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus te voldoen aan artikel 288, derde alinea, VWEU (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Evenzo moet worden onderstreept dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 Zoals het Hof heeft geoordeeld, houdt met name het vereiste van Unierechtconforme uitlegging voor de nationale rechterlijke instanties de verplichting in om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechterlijke instantie niet op goede gronden oordelen dat zij de betrokken nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met het Unierecht (arrest van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Het staat met betrekking tot de onderhavige zaak aan de verwijzende rechter om zich zoveel mogelijk van de hem door het recht van de Unie opgelegde taak te kwijten om tegen de achtergrond van de beginselen die in de drie vorige punten van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, na te gaan of een dergelijke conforme uitlegging mogelijk is.

59 Tegen die achtergrond wenst de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen te vernemen of artikel 11 van richtlijn 85/374, dat voorziet in een verjaringstermijn van tien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het product in het verkeer is gebracht, geldig is in het licht van artikel 47 van het Handvest, voor zover een gelaedeerde die als gevolg van een gebrekkig product aan een progressieve ziekte lijdt, het recht op toegang tot de rechter zou kunnen worden ontnomen, gelet op de specifieke kenmerken van een dergelijke ziekte.

60 Volgens vaste rechtspraak heeft het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte geen absolute gelding en kunnen er overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest onder bepaalde voorwaarden beperkingen aan worden gesteld. In dat verband moet worden opgemerkt dat deze beperkingen, ten eerste, bij wet moeten worden gesteld, ten tweede, de wezenlijke inhoud van de betrokken rechten en vrijheden moeten eerbiedigen en, ten derde, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk moeten zijn en daadwerkelijk moeten beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen [arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens), C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

61 Wat om te beginnen de eerste in het vorig punt bedoelde voorwaarde betreft, wordt de verjaringstermijn van tien jaar uitdrukkelijk vermeld in artikel 11 van richtlijn 85/374. In het arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur (C‑358/08, EU:C:2009:744), heeft het Hof opgemerkt dat artikel 11 uitgaat van het streven naar volledige harmonisatie op communautair niveau, aangezien het voorziet in een uniforme termijn van tien jaar na afloop waarvan de rechten die de gelaedeerde aan richtlijn 85/374 ontleent, komen te vervallen. Ook bepaalt dit artikel 11 op dwingende wijze dat deze termijn aanvangt op de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, en vermeldt het de inleiding van een gerechtelijke procedure tegen deze producent als enige grond voor een onderbreking van deze termijn (zie in die zin arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punten 37 en 38).

62 Wat vervolgens de tweede voorwaarde betreft, namelijk de eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het recht van de gelaedeerde op toegang tot de rechter, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte er onder andere in bestaat dat de houder van dit recht toegang moet hebben tot een gerecht dat bevoegd is om de eerbiediging van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten te waarborgen. Daartoe moet die rechter in staat zijn om alle voor het bij hem aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

63 In casu kan op basis van het antwoord op de derde vraag worden vastgesteld dat de kern van dit recht niet wordt aangetast door de bij richtlijn 85/374 ingevoerde regeling.

64 Wanneer de schade bestaat in een progressieve ziekte, blijkt immers uit punt 47 van het onderhavige arrest dat richtlijn 85/374 het slachtoffer van een progressieve ziekte hoe dan ook toegang verleent tot een bevoegde rechter om zijn schade op grond van deze richtlijn te doen vaststellen binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de schade die verband houdt met de gebrekkigheid van het product zich duidelijk heeft geopenbaard, zodat de gelaedeerde kennis had dan wel had moeten hebben van de schade, ongeacht de verdere ontwikkeling ervan.

65 Ook blijkt uit de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest dat het feit dat deze verjaringstermijn van drie jaar wordt beperkt door de termijn van tien jaar van artikel 11 van deze richtlijn, evenmin afbreuk doet aan dit recht. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat dit artikel 11 voorziet in de stuiting van deze tweede termijn wanneer de betrokken gelaedeerde gedurende deze periode van tien jaar een gerechtelijke procedure instelt tegen de producent.

66 Bovendien laat de invoering van een dergelijke regeling, zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste vraag, de eventuele toepassing van de nationale regeling inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of van een op het ogenblik van de kennisgeving van richtlijn 85/374 bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling onverlet. Zoals naar voren komt uit artikel 13 en de dertiende overweging van deze richtlijn, doet de richtlijn geen afbreuk aan een dergelijke toepassing (zie in die zin arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punt 43).

67 Bovendien blijkt uit punt 47 van dat arrest dat richtlijn 85/374 er evenmin aan in de weg staat dat de gelaedeerde, nadat zijn schade op grond van deze richtlijn is erkend en hij een aanvankelijke schadevergoeding heeft verkregen, vervolgens – indien nodig in verschillende stappen – een aanvullende vergoeding kan vorderen indien die schade zich verder heeft ontwikkeld, hetgeen evenwel moet worden geregeld door de lidstaten.

68 Wat de derde voorwaarde betreft, heeft het Hof opgemerkt dat, zoals blijkt uit de tiende overweging van richtlijn 85/374, de Uniewetgever heeft gewild dat de door deze richtlijn nagestreefde harmonisatie van de verjaringsregels in het belang van zowel de gelaedeerde als de producent is (arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punt 39).

69 De uniformisering van de verjaringsregels draagt enerzijds bij tot de in de eerste overweging van richtlijn 85/374 vervatte algemene doelstelling om een einde te maken aan onderlinge verschillen tussen de nationale rechtsstelsels die tot verschillen in het niveau van de bescherming van de consumenten in de Unie kunnen leiden. Volgens de elfde overweging van richtlijn 85/374 heeft deze uniformisering anderzijds ten doel de aansprakelijkheid van de producent op Unieschaal tot een redelijke termijn te beperken, gezien het feit dat producten slijten, veiligheidsnormen steeds strenger worden en de wetenschappelijke en technische kennis voortdurend verbetert (arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punten 40 en 41).

70 Het Hof heeft er tevens op gewezen dat de Uniewetgever de bij richtlijn 85/374 ingevoerde risicoaansprakelijkheid heeft willen beperken in de tijd. Er moet immers rekening worden gehouden met feit dat deze regeling voor de producent een grotere last vormt dan die volgens een traditioneel aansprakelijkheidsstelsel, en wel om de technische vooruitgang niet te belemmeren en de verzekerbaarheid van de risico’s die voortvloeien uit die specifieke aansprakelijkheid te bewaren (zie in die zin arrest van 2 december 2009, Aventis Pasteur, C‑358/08, EU:C:2009:744, punt 42).

71 Er zij overigens aan herinnerd dat het Hof heeft erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is en dat het met het Unierecht verenigbaar is dat, in het belang van de rechtszekerheid, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia, C‑485/19, EU:C:2021:313, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Bovendien moet erop worden gewezen dat de situatie van een slachtoffer dat aan een progressieve ziekte lijdt, verschilt van die van een slachtoffer dat aan een latente ziekte lijdt.

73 Het is juist dat met betrekking tot laatstgenoemd geval het Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 11 maart 2014, Howald Moor e.a. tegen Zwitserland (CE:ECHR:2014:0311JUD005206710, §§ 78 en 79), heeft geoordeeld dat „de onmogelijkheid [voor een gelaedeerde] om te weten dat hij aan een bepaalde ziekte lijdt, een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de verjaringstermijn”. Gelet op deze uitzonderlijke omstandigheid kon deze rechter oordelen dat de toepassing van dergelijke termijnen het recht van een gelaedeerde tot toegang tot de rechter in wezen had beperkt.

74 Indien het slachtoffer van een progressieve ziekte zich mogelijk in een situatie van onzekerheid over de ontwikkeling van zijn toestand bevindt, wordt hem de toegang tot de rechter evenwel niet ontnomen, aangezien mag worden aangenomen dat de schade die verband houdt met de gebrekkigheid van het product zich duidelijk zal manifesteren binnen de termijn waarin artikel 11 van richtlijn 85/374 voorziet, zodat zijn rechten niet worden geschonden.

75 Bijgevolg kunnen de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 11 maart 2014, Howald Moor e.a. tegen Zwitserland (CE:ECHR:2014:0311JUD005206710), ontwikkelde beginselen niet worden aangevoerd om de geldigheid van artikel 11 van richtlijn 85/374 te betwisten in het geval van een gelaedeerde die lijdt aan een progressieve ziekte als gevolg van een gebrekkig product.

76 Uit het voorgaande volgt dat bij het onderzoek van de tweede vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 11 van richtlijn 85/374 kunnen aantasten.

Kosten

77 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de gelaedeerde van een gebrekkig product van de producent vergoeding van zijn schade op grond van de algemene schuldaansprakelijkheidsregeling vordert door zich te beroepen op het feit dat het product waarvan de producent wist dat het gebrekkig was door deze in het verkeer is gehouden of hij zijn zorgvuldigheidsplicht met betrekking tot de risico’s van het product niet is nagekomen, dan wel zich op enige andere wijze schuldig heeft gedragen in verband met een veiligheidsgebrek van dat product.

2) Artikel 10, lid 1, van richtlijn 85/374 moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde verjaringstermijn van drie jaar ingaat op de dag waarop de eiser kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van zowel de schade toen die zich duidelijk heeft geopenbaard in verband met het gebrekkige product, ongeacht de verdere ontwikkeling van de schade, als het gebrek van het product en de identiteit van de producent, en dat het zich ertegen verzet dat enkel het tijdstip van de consolidatie van de schade als dit beginpunt kan gelden.

3) Bij onderzoek van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 11 van richtlijn 85/374 kunnen aantasten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken