HvJ EU 19 december 2024, C-157/23, ECLI:EU:C:2024:1045

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

19 december 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Richtlijn 85/374/EEG – Artikel 3, lid 1 – Begrip ‚producent’ – Begrip ‚eenieder die zich als producent presenteert’ – Voorwaarden – Leverancier wiens naam deels overeenstemt met die van de producent en met het door de producent op het product aangebrachte merk”

In zaak C‑157/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 6 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 13 maart 2023, in de procedure

Ford Italia SpA

tegen

ZP,

Stracciari SpA,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 februari 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– Ford Italia SpA, vertegenwoordigd door M. Manfredonia, avvocato,

– Stracciari SpA, vertegenwoordigd door L. Landuzzi, avvocato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en F. Thiran als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 april 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, Ford Italia SpA en, anderzijds, ZP en Stracciari SpA over de aansprakelijkheid voor producten met gebreken van Ford Italia ten gevolge van een verkeersongeval dat ZP is overkomen toen hij een voertuig van het merk Ford bestuurde dat hij had gekocht bij Stracciari.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De vierde en de vijfde overweging van richtlijn 85/374 luiden: „Overwegende dat de bescherming van de consument vereist dat alle deelnemers aan het productieproces aansprakelijk zijn, indien het eindproduct, een onderdeel of de door hen geleverde grondstof gebreken vertoont; dat om dezelfde reden aansprakelijk moeten zijn diegenen die producten in de Unie invoeren, die zich als producent presenteren door op het product hun naam, hun merk of een ander onderscheidingsteken aan te brengen of die een product leveren waarvan niet kan worden vastgesteld wie de producent is; Overwegende dat, wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, de bescherming van de consument vereist dat de gelaedeerde zich op ongeacht wie van hen voor de volle omvang van de schade kan verhalen.”

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt dat de producent aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product.

5 Artikel 3 van die richtlijn luidt als volgt: „1. Onder ‚producent’ wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen. 2. Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt eenieder die een product in de Gemeenschap invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins te verstrekken, in het kader van zijn commerciële activiteiten, beschouwd als producent in de zin van deze richtlijn; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent. 3. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven.”

6 Artikel 5 van dezelfde richtlijn bepaalt: „Indien uit hoofde van deze richtlijn verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk, onverminderd de bepalingen van het nationale recht inzake regres.”

Italiaans recht

7 Richtlijn 85/374 is in Italiaans recht omgezet bij decreto del Presidente della Repubblica n. 224 – Attuazione della direttiva CEE n. 85/374 relativa al ravvicinamento delle disposizioni legislative, regolamentari e amministrative degli Stati membri in materia di responsabilità per danno da prodotti difettosi, ai sensi dell’art. 15 della legge 16 aprile 1987, n. 183 (presidentieel besluit nr. 224 tot omzetting van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, krachtens artikel 15 van wet nr. 183 van 16 april 1987) van 24 mei 1988 (GURI nr. 146 van 23 juni 1988; hierna: „besluit nr. 224/1988”).

8 In artikel 3 van dit besluit, met als opschrift „Producent”, wordt in lid 1 ervan bepaald dat de producent de fabrikant van een eindproduct of een onderdeel daarvan of de producent van de grondstof is. Bovendien wordt volgens lid 3 van dit artikel tevens eenieder als producent aangemerkt die zich als zodanig presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product of op de verpakking ervan aan te brengen.

9 In artikel 4 van dit besluit, betreffende de aansprakelijkheid van de leverancier, is in lid 1 ervan bepaald dat indien niet is vastgesteld wie de producent van het product is, de leverancier die het product in het kader van een commerciële activiteit heeft gedistribueerd dezelfde aansprakelijkheid heeft indien hij de gelaedeerde niet binnen drie maanden na het verzoek daartoe, de identiteit en het adres meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Lid 5 van dit artikel bepaalt dat de derde die als producent of als eerdere distributeur is aangewezen in het geding kan worden geroepen en dat de distributeur die verweerder is in het geding buiten het geding kan worden gesteld indien de aangeduide persoon verschijnt en de aanwijzing niet betwist.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10 Op 4 juli 2001 heeft ZP een motorvoertuig van het merk Ford (hierna: „betrokken voertuig”) gekocht bij Stracciari, een in Italië gevestigde concessiehouder van dat merk.

11 Het betrokken voertuig was geproduceerd door Ford WAG, een in Duitsland gevestigde vennootschap, en werd vervolgens aan Stracciari geleverd via Ford Italia, die de door Ford WAG geproduceerde voertuigen in Italië distribueert. Ford WAG en Ford Italia behoren tot dezelfde ondernemingsgroep.

12 Op 27 december 2001 was ZP betrokken bij een auto-ongeluk, waarbij de airbag van het betrokken voertuig niet heeft gewerkt.

13 Op 8 januari 2004 heeft ZP bij de Tribunale di Bologna (rechter in eerste aanleg Bologna, Italië) beroep ingesteld tegen Stracciari en Ford Italia met het oog op hun veroordeling tot vergoeding van de schade die hij meende te hebben geleden als gevolg van het gebrek aan dat voertuig.

14 Ford Italia heeft voor deze rechter betoogd dat zij het betrokken voertuig niet had geproduceerd. Zij heeft aangevoerd dat zij slechts de leverancier ervan was, en dat Ford WAG de producent was. Ford Italia stelde ook dat zij op de verkoopfactuur van het betrokken voertuig wel degelijk had vermeld dat Ford WAG de producent ervan was, zodat Ford Italia in casu niet zelf als producent kon worden beschouwd in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374, noch de aansprakelijkheid van een producent uit hoofde van deze richtlijn kon aanvaarden.

15 Bij beslissing van 5 november 2012 heeft de Tribunale di Bologna geoordeeld dat Ford Italia niet-contractueel aansprakelijk was wegens een fabricagefout in de airbag van het betrokken voertuig.

16 Ford Italia heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Corte d’Appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië).

17 Tot staving van haar beroep voerde Ford Italia aan dat de rechter in eerste aanleg ten onrechte had geoordeeld dat zij de producent via een gedwongen tussenkomst in het geding diende te roepen opdat haar eigen betrokkenheid daarbij kon worden beëindigd. Bovendien heeft de rechter in eerste aanleg ultra petita beslist, voor zover hij Ford Italia heeft veroordeeld als leverancier van het betrokken voertuig, terwijl ZP de veroordeling van Ford Italia als producent van dat voertuig heeft gevorderd.

18 Bij arrest van 21 december 2018 heeft de Corte d’Appello di Bologna het beroep van Ford Italia verworpen op grond dat aan laatstgenoemde als leverancier terecht dezelfde aansprakelijkheid was toegekend als aan de producent, aangezien haar positie „moest worden gelijkgesteld met die van de niet-aangesproken producent”. Aangezien Ford Italia heeft verzuimd Ford WAG in het geding te roepen, kon Ford Italia niet aanvoeren dat haar betrokkenheid daarbij op grond van artikel 3, lid 3, eerste zin, van richtlijn 85/374 moest worden beëindigd.

19 Ford Italia heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter.

20 Ter ondersteuning van dit beroep bekritiseert Ford Italia de oplossing die de verwijzende rechter heeft gekozen in een vergelijkbare zaak, waarin de aansprakelijkheid van Ford WAG, in haar hoedanigheid van producent, was uitgebreid tot Ford Italia. De verwijzende rechter had namelijk in wezen beslist dat krachtens artikel 3, lid 3, van besluit nr. 224/1988, waarbij artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 in Italiaans recht is omgezet, de leverancier van een dergelijk product met het oog op de aansprakelijkheid voor producten met gebreken als producent moet worden beschouwd wanneer zijn merk of handelsnaam en het merk of de handelsnaam van de producent geheel of grotendeels overeenstemmen, en het product onder dat merk in de handel wordt gebracht.

21 De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af wat de precieze draagwijdte is van de uitdrukking „door zijn naam […] aan te brengen” in artikel 3, lid 3, van besluit nr. 224/1988 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374.

22 Hij vraagt zich in wezen af of de uitbreiding van de aansprakelijkheid van de producent tot de leverancier zich aldus beperkt tot gevallen waarin het „aanbrengen” erin bestaat dat de leverancier zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken fysiek op het product aanbrengt, teneinde verwarring te creëren tussen de identiteit van de leverancier en die van de producent, dan wel of deze uitbreiding ook geldt wanneer zijn identificatiegegevens louter overeenstemmen met die van de producent, zoals in casu het geval is.

23 Daarop heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is een uitlegging volgens welke de aansprakelijkheid van de producent wordt uitgebreid tot de leverancier, zelfs indien de leverancier zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken fysiek niet op het goed heeft aangebracht, louter op grond dat de leverancier een naam, merk of ander onderscheidingsteken heeft die of dat geheel of gedeeltelijk overeenstemt met de naam, het merk of een onderscheidingsteken van de producent, verenigbaar met artikel 3[, lid 1] van [richtlijn 85/374], en zo niet, waarom?”

Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

24 Bij een op 29 april 2024 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft Ford Italia – naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal – verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

25 Ter ondersteuning van haar verzoek voert Ford Italia in wezen aan dat er sprake is van een feit dat „nieuw is in de procedure, maar niet nieuw in het dossier van de zaak”, en dat betrekking heeft op het tijdstip waarop de consument kennis heeft gekregen van de identiteit van de werkelijke producent van het betrokken voertuig. De advocaat-generaal heeft met deze omstandigheid geen rekening gehouden in zijn conclusie, die dus is gebaseerd op een onjuiste voorstelling van de feiten.

26 In dat verband zij er ten eerste aan herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid dat de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden opmerkingen indienen naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal. Ten tweede heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is in dit verband niet gebonden door deze conclusies of door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een betrokken partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27 Voorts kan het Hof op grond van artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering, de advocaat-generaal gehoord, te allen tijde de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit heeft aangebracht dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer de zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de betrokken partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

28 In casu is het Hof echter van oordeel dat het beschikt over alle gegevens die het nodig heeft om uitspraak te doen. Bovendien blijkt uit Ford Italia’s verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling niet dat de onderhavige zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen, en bevat het evenmin nieuwe feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslissing die het Hof in deze zaak moet geven. In die omstandigheden is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het niet nodig is om de mondelinge behandeling te heropenen.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat de leverancier van een gebrekkig product moet worden beschouwd als „eenieder die zich als producent [van dat product] presenteert” wanneer deze leverancier zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken niet fysiek op dat product heeft aangebracht, maar het merk dat de producent op het product heeft aangebracht overeenstemt met, ten eerste, de naam of een onderscheidingsteken van die leverancier en, ten tweede, de naam van de producent.

30 Vooraf moet worden benadrukt dat richtlijn 85/374 voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft en dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, bijgevolg volledig door deze richtlijn wordt bepaald en moet worden afgeleid uit de bewoordingen, doelstelling en opzet ervan (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, EU:C:2006:6, punten 22 en 23).

31 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de personen jegens wie de consument in het kader van de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 een vordering kan instellen, worden afgebakend in de artikelen 1 en 3 daarvan. Aangezien deze richtlijn – zoals blijkt uit het vorige punt – voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie nastreeft, moet de opsomming van de personen in de artikelen 1 en 3 ervan als uitputtend worden beschouwd (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, EU:C:2006:6, punten 32 en 33).

32 Wat de bewoordingen van deze bepalingen betreft, wordt in artikel 1 van richtlijn 85/374 de aansprakelijkheid voor producten met gebreken bij de producent gelegd, terwijl in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn het begrip „producent” wordt gedefinieerd als met name „de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel”.

33 Hoewel de Uniewetgever er krachtens artikel 1 van richtlijn 85/374 voor heeft gekozen om de aansprakelijkheid voor schade die door producten met gebreken werd veroorzaakt in principe op de producent ervan te leggen, bepaalt artikel 3 van deze richtlijn welke beroepsmatig handelende personen die hebben deelgenomen aan het productie‑ en verhandelingsproces van het betrokken product, de door deze richtlijn ingevoerde aansprakelijkheid mogelijk eveneens moeten dragen (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, EU:C:2006:6, punten 29 en 30).

34 In dit verband zij vastgesteld dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 in wezen voorziet in een alternatief, waarvan alleen het eerste onderdeel betrekking heeft op de persoon die ten minste gedeeltelijk betrokken is bij het productieproces van het product in kwestie. Het tweede alternatief duidt daarentegen een persoon aan die zich presenteert als producent door op dat product zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken aan te brengen (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 26).

35 Uit de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 blijkt dus dat de deelneming in het productieproces van de persoon die zich als producent van het product presenteert niet noodzakelijk is om hem als „producent” in de zin van die bepaling aan te merken (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 27).

36 Bijgevolg kan een persoon zoals in casu verzoekster in het hoofdgeding, die geen voertuigen produceert, maar zich ertoe beperkt deze te kopen bij de fabrikant ervan om ze in een andere lidstaat te distribueren, als „producent” in de zin van artikel 1 van richtlijn 85/374 worden aangemerkt indien zij zich overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze richtlijn als producent heeft gepresenteerd door haar naam, haar merk of een ander onderscheidingsteken op het betrokken voertuig te hebben aangebracht.

37 Door op het betrokken product zijn naam, zijn merk of ander onderscheidingsteken aan te brengen, wekt de persoon die zich als producent presenteert immers de indruk dat hij betrokken is bij het productieproces of daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Het gebruik van deze vermeldingen komt voor deze persoon dus neer op het gebruik van zijn bekendheid om dit product aantrekkelijker te maken in de ogen van de consument, hetgeen rechtvaardigt dat hij als tegenprestatie aansprakelijk kan worden gesteld voor dat gebruik (arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 34).

38 In het hoofdgeding rijst evenwel de vraag of de officiële distributeur van een gebrekkig product in Italië aansprakelijk is, in casu Ford Italia, die niet zelf haar naam, haar merk of een ander onderscheidingsteken fysiek op dit product heeft aangebracht, aangezien het daarop aangebrachte merk, te weten Ford, tijdens het productieproces van dit product werd aangebracht en overeenstemt met de naam van de fabrikant ervan. Derhalve moet worden nagegaan of het feit dat dit merk eveneens overeenkomt met een onderscheidingsteken van de naam van deze distributeur, volstaat om deze laatste te kunnen beschouwen als een „eenieder die zich als producent presenteert” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374.

39 In dit verband is het juist dat de bewoordingen van deze bepaling, door te verwijzen naar „eenieder die zich als producent presenteert”„door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen”, de indruk kunnen geven dat deze kwalificatie afhangt van een actieve handeling van die persoon, die erin bestaat zelf een dergelijke vermelding op het betrokken product aan te brengen.

40 Zoals in punt 37 van het onderhavige arrest is aangegeven, ziet deze verwijzing evenwel in wezen op het gedrag van een persoon die zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op een product aanbrengt om de indruk te wekken dat hij betrokken is bij het productieproces of daarvoor de verantwoordelijkheid draagt.

41 Wanneer deze persoon het betrokken product levert, is het in dit verband niet van belang of hij zelf fysiek een dergelijke vermelding op dat product heeft aangebracht dan wel of zijn naam de vermelding bevat die de fabrikant daarop heeft aangebracht en die overeenkomt met de naam van de fabrikant. In beide gevallen gebruikt de leverancier immers de overeenkomst tussen de betrokken vermelding en zijn eigen bedrijfsnaam om zich aan de consument te presenteren als verantwoordelijke voor de kwaliteit van het product en bij deze consument een vertrouwen te wekken dat vergelijkbaar is met het vertrouwen dat hij zou hebben bij de rechtstreekse verkoop van het product door zijn producent. In beide gevallen moet deze persoon dus worden beschouwd als „eenieder die zich als producent presenteert” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374.

42 Verder zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 24 november 2022, Cafpi en Aviva assurances, C‑691/21, EU:C:2022:926, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 In dit verband blijkt uit artikel 5 van richtlijn 85/374, gelezen in het licht van de vierde en de vijfde overweging ervan, dat de Uniewetgever het begrip „producent” ruim heeft willen uitleggen om de consument te beschermen (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 31).

44 Uit de vierde overweging van richtlijn 85/374 blijkt immers dat de Uniewetgever rekening heeft gehouden met het feit dat de bescherming van de consument vereist dat eenieder die zich als producent presenteert door op het product zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken aan te brengen, net als de werkelijke producent aansprakelijk is. Bovendien blijkt uit artikel 5 van deze richtlijn, gelezen in het licht van de vijfde overweging ervan, dat de aansprakelijkheid van degene die zich als producent presenteert, niet verschilt van die van de werkelijke producent en dat de consument vrij kan kiezen om van elk van hen integrale schadevergoeding te vorderen aangezien zij hoofdelijk aansprakelijk zijn (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 32).

45 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 heeft dus tot doel de last te verlichten die voortvloeit uit het feit dat moet worden bepaald wie de werkelijke producent van het betrokken gebrekkige product is. In dit verband blijkt uit de toelichting bij artikel 2 van het voorstel voor een richtlijn van de Commissie van 9 september 1976, dat de grondslag vormde voor richtlijn 85/374 en dat zonder inhoudelijke wijziging artikel 3 van deze richtlijn is geworden, dat de Uniewetgever van mening was dat de bescherming van de consument niet toereikend zou zijn indien de distributeur de consument zou kunnen „doorverwijzen” naar een voor de consument wellicht onbekende producent (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 33).

46 Bijgevolg moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus worden uitgelegd, in het licht van de context van deze bepaling en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, dat het begrip „eenieder die zich als producent presenteert” in de zin van die bepaling niet uitsluitend verwijst naar de persoon die zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken fysiek op het product heeft aangebracht. Een andere opvatting zou de draagwijdte van het begrip „producent” beperken en zodoende een bedreiging vormen voor de bescherming van de consument. In het bijzonder moet ervan worden uitgegaan dat de leverancier van een product „zich als producent presenteert” wanneer de naam van deze leverancier of een onderscheidingsteken ervan overeenstemt met ten eerste de naam van de fabrikant en ten tweede de naam, het merk of een ander onderscheidingsteken dat door de fabrikant op het product is aangebracht.

47 Aangezien echter overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 85/374 degene die zich als producent presenteert en de fabrikant van het gebrekkige product hoofdelijk aansprakelijk zijn, laat het feit dat de aansprakelijkheid van eerstgenoemde door de consument wordt ingeroepen de bepalingen van het nationale recht inzake regres onverlet, en met name de bepalingen op grond waarvan deze persoon op zijn beurt de fabrikant van het gebrekkige product aansprakelijk kan stellen.

48 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat de leverancier van een gebrekkig product moet worden beschouwd als „eenieder die zich als producent [van dat product] presenteert” in de zin van die bepaling, wanneer deze leverancier zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken niet fysiek op dat product heeft aangebracht, maar het merk dat de producent op het product heeft aangebracht overeenstemt met, ten eerste, de naam of een onderscheidingsteken van die leverancier en, ten tweede, de naam van de producent.

Kosten

49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken

moet aldus worden uitgelegd dat

de leverancier van een gebrekkig product moet worden beschouwd als „eenieder die zich als producent [van dat product] presenteert” in de zin van die bepaling, wanneer deze leverancier zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken niet fysiek op dat product heeft aangebracht, maar het merk dat de producent op het product heeft aangebracht overeenstemt met, ten eerste, de naam of een onderscheidingsteken van die leverancier en, ten tweede, de naam van de producent.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in