HvJ EU 18 december 2025, C-325/24, ECLI:EU:C:2025:989
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
18 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2014/41/EU – Europees onderzoeksbevel in strafzaken – Artikel 3 – Materiële werkingssfeer – Begrip ,onderzoeksmaatregel’ – Doel – Vergaren van bewijsmiddelen – Artikel 10 – Toepassing van een andere soort onderzoeksmaatregel – Artikel 11 – Gronden voor weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging – Grondrechten – Artikel 22 – Tijdelijke overbrenging van de persoon in hechtenis naar de uitvaardigende lidstaat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel – Artikel 24 – Verhoor per videoconferentie van de beschuldigde persoon – Artikel 24, lid 2, onder b) – Fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat ”
In zaak C‑325/24 [Bissilli] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Firenze (rechter in eerste aanleg Firenze, Italië) bij beslissing van 5 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2024, in de strafrechtelijke procedure tegen
HG,
in tegenwoordigheid van:
Procura della Repubblica presso il Tribunale di Firenze
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: G. Chiapponi, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 april 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door S. Faraci en A. Trimboli, avvocati dello Stato,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en M. Van Regemorter als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, A. Hanje en P. P. Huurnink als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, P. Rossi en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1 Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 10, artikel 11, lid 1, onder f), artikel 22, lid 1, en artikel 24 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1) en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen HG wegens deelneming aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 5 tot en met 8, 25, 26 en 34 van richtlijn 2014/41 luiden als volgt:
„(5) Na de vaststelling van kaderbesluit 2003/577/JBZ [van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB 2003, L 196, blz. 45)] en kaderbesluit 2008/978/JBZ [van de Raad van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PB 2008, L 350, blz. 72)] is duidelijk geworden dat het bestaande kader voor de bewijsgaring te gefragmenteerd en te ingewikkeld is. Daarom is een nieuwe aanpak nodig.
(6) In het programma van Stockholm dat door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 is vastgesteld, heeft de Europese Raad besloten dat verder moet worden gewerkt aan de totstandkoming van een op wederzijdse erkenning gebaseerd alomvattend systeem voor de bewijsverkrijging in zaken met een grensoverschrijdende dimensie. De Europese Raad heeft erop gewezen dat de bestaande instrumenten op dit gebied een fragmentarisch geheel vormden en dat een nieuwe aanpak nodig was, die op het beginsel van wederzijdse erkenning is gestoeld, maar waarbij ook de flexibiliteit van het klassieke stelsel van wederzijdse rechtshulp wordt meegenomen. Daarom wilde de Europese Raad een alomvattend systeem – ter vervanging van alle bestaande instrumenten op dit gebied, waaronder kaderbesluit 2008/978/JBZ – dat zo veel mogelijk betrekking heeft op alle soorten bewijsmiddelen, tenuitvoerleggingstermijnen kent en zo weinig mogelijk weigeringsgronden bevat.
(7) Deze nieuwe aanpak is gebaseerd op één enkel instrument, dat de naam Europees onderzoeksbevel (EOB) zal dragen. […]
(8) Het EOB moet een horizontale werkingssfeer hebben en moet derhalve van toepassing zijn op alle onderzoeksmaatregelen die tot doel hebben bewijs te vergaren. Voor het opzetten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsvergaring door een dergelijk team zijn echter specifieke voorschriften vereist die beter apart kunnen worden behandeld. Bestaande instrumenten moeten derhalve op dit soort onderzoeksmaatregelen van toepassing blijven, onverminderd de toepassing van deze richtlijn.
[…]
(25) In deze richtlijn worden regels bepaald voor het ten uitvoer leggen van een onderzoeksmaatregel, in elke fase van de strafprocedure, dus ook op het proces zelf, indien nodig met deelname van de betrokkene, met als doel bewijsmateriaal te verzamelen. Er kan bijvoorbeeld een EOB worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene naar de uitvaardigende staat of met het oog op een verhoor per videoconferentie. Indien de betrokkene echter naar een andere lidstaat wordt overgebracht om er te worden vervolgd en ook te worden berecht, dient er een Europees aanhoudingsbevel (EAB) te worden uitgevaardigd overeenkomstig kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van [13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1)].
(26) De uitvaardigende autoriteit zou, met het oog op een proportionele toepassing van een EAB, moeten nagaan of een EOB een effectief en evenredig middel is voor het voeren van een strafprocedure. De uitvaardigende autoriteit zou met name moeten nagaan of het uitvaardigen van een EOB voor het horen van een verdachte of een beschuldigde persoon middels een videoconferentie een effectief alternatief kan zijn.
[…]
(34) Deze richtlijn heeft, gelet op het toepassingsgebied ervan, betrekking op voorlopige maatregelen uitsluitend met het oog op bewijsverkrijging. […]”
4 Artikel 1, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepaalt:
„1. Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat (,de uitvaardigende staat’) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat (,de uitvoerende staat’) één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn.
Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.
2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, een EOB ten uitvoer te leggen.”
5 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:
„Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de [door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag vastgestelde Overeenkomst betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB 2000, C 197, blz. 3)] en in kaderbesluit [2002/465/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (PB 2002, L 162, blz. 1)], behalve met het oog op de toepassing van artikel 13, lid 8, van [deze] overeenkomst en artikel 1, lid 8, van het kaderbesluit.”
6 Artikel 9, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.”
7 De leden 1, 2 en 5 van artikel 10 van richtlijn 2014/41 luiden als volgt:
„1. De uitvoerende autoriteit past, indien mogelijk, een andere dan de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel toe indien:
a) de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet bestaat in het recht van de uitvoerende staat, of
b) de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
2. Onverminderd artikel 11 is lid 1 niet van toepassing op de volgende onderzoeksmaatregelen, die altijd krachtens het nationale recht van de uitvoerende staat beschikbaar dienen te zijn:
[…]
c) het horen van een getuige, deskundige, slachtoffer, verdachte of beschuldigde persoon of derde op het grondgebied van de uitvoerende staat;
[…]
5. Indien de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel, overeenkomstig lid 1, in het nationale recht van de uitvoerende staat niet bestaat of in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast, en indien er geen andere onderzoeksmaatregel is die tot hetzelfde resultaat zou leiden als de gevraagde onderzoeksmaatregel, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis dat de gevraagde bijstand niet verleend is kunnen worden.”
8 Artikel 11, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:
„Onverminderd artikel 1, lid 4, kan de erkenning of tenuitvoerlegging van een EOB in de uitvoerende staat worden geweigerd indien:
[…]
f) er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten;
[…]
h) de toepassing van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel volgens het recht van de uitvoerende staat beperkt is tot een lijst of categorie strafbare feiten of tot feiten die tenminste strafbaar worden gesteld met een bepaalde straf, waartoe het strafbaar feit waarop het EOB betrekking heeft niet behoort.
[…]”
9 De artikelen 22 tot en met 29 van deze richtlijn vormen hoofdstuk IV, met als opschrift „Specifieke bepalingen voor bepaalde onderzoeksmaatregelen”.
10 Artikel 22 van de richtlijn heeft als opschrift „Tijdelijke overbrenging van personen in hechtenis naar de uitvaardigende staat ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel”, en bepaalt in de leden 1, 2 en 5:
„1. Een EOB kan worden uitgevaardigd met het oog op de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvoerende staat, ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebied van de uitvaardigende staat is vereist, mits de betrokkene binnen de door de uitvoerende staat bepaalde termijn wordt teruggezonden.
2. Behalve op de in artikel 11 genoemde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging kan de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd indien:
a) de persoon in hechtenis er niet in toestemt, of
b) de overbrenging de detentie van de persoon in hechtenis kan verlengen.
[…]
5. De praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder hij in de uitvaardigende staat zal worden gedetineerd en de termijnen waarbinnen hij uit de uitvoerende staat moet worden overgebracht en daarheen moet worden teruggebracht, worden door de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat overeengekomen, met inachtneming van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene en het in de uitvaardigende staat vereiste beveiligingsniveau.”
11 Artikel 23, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/41 bepaalt:
„1. Een EOB kan worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvaardigende staat, met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor zijn aanwezigheid op het grondgebied van de uitvoerende staat is vereist.
2. Lid 2, onder a), en artikel 22, leden 3 tot en met 9, zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke overbrenging volgens onderhavig artikel.”
12 Artikel 24 („Verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen”) van deze richtlijn bepaalt:
„1. Indien een persoon zich op het grondgebied van de uitvoerende staat bevindt en door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat als getuige of deskundige moet worden gehoord, kan de uitvaardigende autoriteit een EOB uitvaardigen om de getuige of deskundige per videoconferentie of andere audiovisuele transmissie te doen verhoren, overeenkomstig de leden 5 tot en met 7.
De uitvaardigende autoriteit kan tevens een EOB uitvaardigen voor het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
2. In aanvulling op de in artikel 11 genoemde gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging kan de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd indien:
a) de verdachte of beschuldigde persoon er niet in toestemt, of
b) de tenuitvoerlegging van een dergelijke onderzoeksmaatregel in een bepaalde zaak strijdig is met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat.
3. De praktische regeling wordt overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit. […]
[…]
5. Met betrekking tot verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen gelden de volgende regels:
a) de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat is aanwezig tijdens het verhoor, indien nodig bijgestaan door een tolk, en heeft tot taak de identiteit van de te verhoren persoon te laten vaststellen en erop toe te zien dat de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat in acht worden genomen.
Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat tijdens het verhoor worden geschonden, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor verder met inachtneming van deze beginselen verloopt;
b) de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat en die van de uitvoerende staat komen indien nodig maatregelen ter bescherming van de te verhoren persoon overeen;
c) het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat overeenkomstig het recht van die staat afgenomen;
d) op verzoek van de uitvaardigende staat of van de te verhoren persoon draagt de uitvoerende staat er zorg voor dat de persoon die wordt verhoord indien nodig door een tolk wordt bijgestaan;
e) de verdachte of beschuldigde persoon wordt voorafgaand aan het verhoor op de hoogte gesteld van de procedurele rechten, met name het verschoningsrecht, die hij volgens het recht van de uitvoerende staat en van de uitvaardigende staat geniet. Getuigen en deskundigen kunnen zich beroepen op het verschoningsrecht dat zij volgens het recht van de uitvoerende staat of de uitvaardigende staat genieten, en worden daarvan voorafgaand aan het verhoor op de hoogte gesteld.
6. Onverminderd de maatregelen die ter bescherming van personen zijn overeengekomen, stelt de uitvoerende autoriteit na afloop van het verhoor een proces-verbaal op, waarin wordt vermeld: de datum en de plaats van het verhoor; de identiteit van de verhoorde persoon; de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de uitvoerende staat aan het verhoor hebben deelgenomen; eventuele beëdigingen; en de technische omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden. De uitvoerende autoriteit stuurt dit document aan de uitvaardigende autoriteit.
[…]”
13 Artikel 26, lid 6, van deze richtlijn bepaalt:
„Voorts kan een EOB worden uitgevaardigd om te laten nagaan of een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie de strafprocedure in kwestie loopt, één of meer rekeningen heeft bij enige niet-bancaire financiële instelling op het grondgebied van de uitvoerende staat. De leden 3 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing. In dat geval kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 11, de tenuitvoerlegging van het EOB ook worden geweigerd als de uitvoering van de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.”
14 Artikel 27, lid 5 van deze richtlijn luidt als volgt:
„Voorts kan een EOB met betrekking tot de in lid 1 verstrekte inlichtingen worden uitgevaardigd betreffende de financiële operaties van niet-bancaire financiële instellingen. De leden 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing. In dit geval kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 11, de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd als de uitvoering van de onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.”
15 Artikel 28, lid 1, van richtlijn 2014/41 luidt:
„Indien het EOB wordt uitgevaardigd ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel waarbij rechtstreeks, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspanne bewijsmateriaal moet wordt verzameld, zoals:
a) toezicht op bancaire of andere financiële operaties via één of meer gespecificeerde rekeningen;
b) gecontroleerde aflevering op het grondgebied van de uitvoerende staat;
kan, behalve op de gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 11, de tenuitvoerlegging van het EOB worden geweigerd als de uitvoering van de betrokken onderzoeksmaatregel in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.
16 Artikel 29, leden 1 en 3, van deze richtlijn luidt als volgt:
„1. De uitvoerende staat kan in een EOB worden verzocht de uitvaardigende staat te helpen bij een strafrechtelijk onderzoek dat wordt verricht door functionarissen die infiltreren of met een fictieve identiteit werken (infiltratieoperaties).
[…]
3. Behalve op de in artikel 11 genoemde gronden voor weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging, kan de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van een in lid 1 bedoeld EOB weigeren indien:
a) de uitvoering van de infiltratieoperatie in een soortgelijke binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan, of
b) er geen regeling kon worden getroffen voor infiltratieoperaties in de zin van lid 4.
17 Deel C van het formulier in bijlage A bij die richtlijn biedt de uitvaardigende autoriteit de mogelijkheid om de gevraagde onderzoeksmaatregelen aan te geven.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18 In Italië is tegen HG strafvervolging ingesteld wegens deelneming aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen.
19 Wegens deze strafbare feiten is bij de Tribunale ordinario di Firenze (rechter in eerste aanleg Firenze, Italië), de verwijzende rechter, een strafprocedure tegen HG aanhangig.
20 Omdat HG niet in persoon voor deze rechter is verschenen, is hij afwezig verklaard, aangezien hij van het proces op de hoogte was en werd vertegenwoordigd door een door hemzelf aangewezen advocaat. Op verzoek van deze advocaat heeft de verwijzende rechter het verhoor van HG gelast.
21 Nadat het openbaar ministerie hem had meegedeeld dat HG sinds 15 februari 2022 in hechtenis zat in België, heeft deze rechter een EOB uitgevaardigd waarin de Belgische autoriteiten werd verzocht HG als beschuldigde persoon per videoconferentie te verhoren.
22 Bij brief van 17 februari 2023 heeft het openbaar ministerie van Brugge (België) de verwijzende rechter meegedeeld dat het EOB dat was uitgevaardigd met het oog op het verhoor van HG per videoconferentie, niet ten uitvoer zou worden gelegd. Dit openbaar ministerie heeft, zonder te verwijzen naar de specifieke weigeringsgronden van richtlijn 2014/41, ten eerste nader toegelicht dat het Belgische recht toestaat dat bepaalde getuigen en deskundigen tijdens het proces per videoconferentie worden gehoord, maar dat het niet mogelijk is om een beschuldigde persoon in het kader van zijn proces per videoconferentie te horen, aangezien die in persoon moet verschijnen voor de strafrechter. Ten tweede was genoemd openbaar ministerie van mening dat de Belgische regeling tot omzetting van deze richtlijn twee voorwaarden stelde voor het horen van een beschuldigde persoon per videoconferentie, namelijk de toestemming van de betrokkene en de eerbiediging van de fundamentele beginselen van het Belgische recht. Ten derde heeft het openbaar ministerie van Brugge (België), onder verwijzing naar een arrest van het Belgisch Grondwettelijk Hof van 21 juni 2018 en naar de door het Belgisch College van procureurs-generaal vastgestelde richtsnoeren, opgemerkt dat de verschijning van een beschuldigde persoon ter terechtzitting per videoconferentie in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
23 Vervolgens heeft de verwijzende rechter het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) om bijstand verzocht. De inspanningen van Eurojust zijn echter tevergeefs gebleken, aangezien de Belgische autoriteiten de door Eurojust voorgestelde tijdelijke overbrenging van HG naar Italië hebben uitgesloten.
24 In deze context geeft de verwijzende rechter aan dat hij moet bepalen of dergelijke weigeringen van tenuitvoerlegging in overeenstemming zijn met het Unierecht, om zich te kunnen uitspreken over de eventuele uitvaardiging van een nieuw EOB.
25 Hij zet in de eerste plaats uiteen dat de beschuldigde persoon naar Italiaans recht niet verplicht is om bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijgevolg kan het proces plaatsvinden in afwezigheid van de beschuldigde persoon, mits vaststaat dat deze persoon op de hoogte is van het proces en zijn afwezigheid vrijwillig is. Wanneer een beschuldigde persoon echter wegens een wettige verhindering, zoals detentie in het buitenland, niet kan verschijnen ter terechtzitting, moet zijn proces – aangezien een beschuldigde persoon het recht heeft om zijn proces bij te wonen – worden uitgesteld totdat zijn deelname opnieuw mogelijk is, tenzij hij uitdrukkelijk afstand doet van zijn recht om aanwezig te zijn. In een dergelijke situatie kunnen in het buitenland gedetineerde beschuldigde personen hun proces per videoconferentie bijwonen, wanneer internationale overeenkomsten die mogelijkheid bieden.
26 Bovendien worden bewijzen in het kader van de Italiaanse strafprocedure in beginsel enkel verzameld en in het dossier opgenomen tijdens de fase van het proces. Het horen van de beschuldigde persoon die daarom verzoekt of daarmee instemt tijdens het proces, waarborgt dus niet alleen zijn verschijning, maar dient ook de bewijsvoering.
27 De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of een EOB kan worden uitgevaardigd wanneer, zoals in casu, de organisatie van het verhoor van een persoon per videoconferentie in zijn hoedanigheid van beschuldigde ertoe strekt zowel bewijs te verkrijgen als zijn verschijning ter terechtzitting te waarborgen.
28 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter in verband met de gronden die het openbaar ministerie van Brugge heeft aangevoerd om te weigeren het in het kader van het hoofdgeding uitgevaardigde EOB ten uitvoer te leggen, op dat het een algemene en een specifieke weigeringsgrond heeft aangevoerd.
29 De eerste weigeringsgrond heeft ermee te maken dat het verhoor per videoconferentie in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast, aangezien het Belgische recht geen dergelijke maatregel bevat voor het horen van beschuldigde personen. Volgens de verwijzende rechter, die opmerkt dat het horen van een beschuldigde per videoconferentie één van de in hoofdstuk IV van richtlijn 2014/41 bedoelde specifieke onderzoeksmaatregelen is, voorziet artikel 24 van deze richtlijn, dat het verhoor per videoconferentie regelt, niet in een weigeringsgrond die erop is gebaseerd dat de onderzoeksmaatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast, in tegenstelling tot de regeling die in die richtlijn is vastgesteld voor een aantal van die maatregelen, zoals infiltraties.
30 De tweede weigeringsgrond betreft de onverenigbaarheid van het verhoor per videoconferentie met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende staat. De verwijzende rechter merkt dienaangaande op dat, hoewel de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat het gebruik van een videoconferentie om de beschuldigde persoon te horen in het kader van zijn proces, in strijd is met het recht op een eerlijk proces, en hebben verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof (België) van 21 juni 2018 dat de Belgische wet betreffende het gebruik van videoconferentie voor de verschijning van beschuldigde personen in voorlopige hechtenis heeft nietig verklaard, zij niet nader hebben toegelicht waarom zij van mening zijn dat de weigeringsgrond die is gebaseerd op de strijdigheid van de gevraagde maatregel met de fundamentele beginselen van het Belgische recht in casu in het licht van de concrete omstandigheden toepasselijk is.
31 De verwijzende rechter is in de derde plaats van oordeel dat de tenuitvoerlegging van het door hem in het kader van het hoofdgeding uitgevaardigde EOB niet kon worden geweigerd op grond van de onverenigbaarheid ervan met de fundamentele rechten van de Unie, op basis van artikel 11, lid 1, onder f), van richtlijn 2014/41, zonder dat voorafgaand was getoetst of de relevante bepalingen van het Italiaanse recht verenigbaar zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
32 De verwijzende rechter geeft in de vierde plaats aan dat hij ook overweegt een EOB uit te vaardigen voor de tijdelijke overbrenging van HG naar Italië met het oog op zijn verhoor voor hem. Volgens de verwijzende rechter wordt het beginsel van wederzijdse erkenning geschonden wanneer de uitvoerende lidstaat het bewijsdoeleinde van de gevraagde onderzoeksmaatregel op basis van zijn nationale recht in twijfel zou kunnen trekken en de tenuitvoerlegging van een EOB zou kunnen weigeren omdat hiermee geen bewijsdoeleinde wordt nagestreefd. Hij vraagt zich af of een dergelijk besluit kan worden gegeven wanneer, zoals in casu, de gevraagde maatregel niet alleen strekt tot bewijsverkrijging, maar tevens tot doel heeft te waarborgen dat de beschuldigde persoon op het proces verschijnt.
33 In deze omstandigheden heeft de Tribunale ordinario di Firenze de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Laat artikel 24 van [richtlijn 2014/41], gelezen in onderlinge samenhang met artikel 3 van [deze] richtlijn, toe dat een EOB wordt uitgevaardigd om een in de uitvoerende staat gedetineerde beschuldigde persoon ter terechtzitting per videoconferentie te verhoren, met het doel bewijs te verzamelen door middel van zijn verhoor en met het bijkomende doel zijn deelname aan het proces te verzekeren, in het licht van het bepaalde in artikel 24 en de overwegingen 25 en 26 [van deze richtlijn], indien in het bijzonder niet is voldaan aan de voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees arrestatiebevel (EAB) en het recht van de beschuldigde persoon om aan het proces deel te nemen en ook per videoconferentie te worden verhoord om verklaringen met bewijskracht af te leggen, in het nationale recht van de uitvaardigende staat is verankerd?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de bepaling van artikel 10 van [richtlijn 2014/41], op grond waarvan de uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van een EOB kan weigeren indien de onderzoeksmaatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan, aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende staat het recht heeft om de tenuitvoerlegging te weigeren van een EOB voor het verhoor ter terechtzitting van een in het buitenland gedetineerde beschuldigde persoon per videoconferentie, in het licht van artikel 24 van die richtlijn, dat de specifieke regeling voor terechtzittingen per videoconferentie bevat waarin de onderzochte weigeringsgrond niet is opgenomen?
3) Moet artikel 11, lid 1, onder f), van richtlijn [2014/41], in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat de tenuitvoerlegging van een EOB voor het verhoor ter terechtzitting van een in het buitenland gedetineerde beschuldigde persoon per videoconferentie niet kan worden geweigerd indien de procedurele waarborgen die volgens het recht van de uitvaardigende staat op die videoconferentie van toepassing zijn, in het specifieke geval kunnen garanderen dat de beschuldigde persoon zijn rechten van verdediging en het grondrecht op een eerlijk proces, bedoeld in artikel 47 van het Handvest, daadwerkelijk kan uitoefenen?
4) Kan het begrip ‚fundamentele beginselen [van het recht] van de uitvoerende staat’, dat overeenkomstig artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn [2014/41] een speciale weigeringsgrond kan vormen, een beperking stellen aan de uitvoering van elk verzoek om de beschuldigde persoon ter terechtzitting per videoconferentie te verhoren, op grond van een algemene nationale richtsnoeren die bindend zijn voor alle uitvoerende autoriteiten, waarbij de bijzonderheden van de specifieke zaak en de op die zaak toepasselijke voorschriften in het nationale recht van de uitvaardigende staat ter waarborging van de rechten van verdediging van de beschuldigde persoon niet worden beoordeeld, of moet de weigering van tenuitvoerlegging daarentegen worden opgevat als een uitzondering die strikt moet worden uitgelegd, met betrekking tot de specifieke procedurele aspecten van het nationale recht van de uitvaardigende staat of specifieke relevante elementen van de betreffende zaak?
5) Laat artikel 22, lid 1, van [richtlijn 2014/41], gelezen in samenhang met artikel 3 van [deze] richtlijn, toe dat een EOB wordt uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van de in het buitenland gedetineerde beschuldigde persoon om hem ter terechtzitting te kunnen verhoren, indien dat verhoor volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat geldt als een onderzoekshandeling?
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
34 De Belgische regering betoogt dat de tweede en de derde prejudiciële vraag hypothetisch van aard zijn.
35 Volgens deze regering berustte de weigering om het door de verwijzende rechter in het hoofdgeding uitgevaardigde EOB ten uitvoer te leggen op de in artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41 genoemde grond, namelijk dat de gevraagde onderzoeksmaatregel in strijd is met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat. De tweede en de derde vraag hebben echter betrekking op andere weigeringsgronden die in respectievelijk artikel 10 en artikel 11, lid 1, onder f), van deze richtlijn zijn neergelegd.
36 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om gelet op de bijzonderheden van het geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden (zie arresten van 21 april 1988, Pardini, 338/85, EU:C:1988:194, punt 8, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 61).
37 Derhalve geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met de feiten of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de voorgelegde vragen (zie arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C‑36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 62).
38 In casu preciseert de verwijzende rechter dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ertoe strekt hem in staat te stellen te bepalen of hij een nieuw EOB kan uitvaardigen om HG te horen, nadat de tenuitvoerlegging van een eerder EOB dat was uitgevaardigd om HG per videoconferentie te horen, is geweigerd.
39 Deze overwegingen rechtvaardigen dat die rechter, als uitvaardigende rechterlijke autoriteit, het Hof vragen kan stellen over de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een EOB (zie naar analogie arresten van 24 oktober 2019, Gavanozov, C‑324/17, EU:C:2019:892, punten 21 en 22, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 53).
40 Aangezien de prejudiciële vragen ertoe strekken om vast te stellen of de uitvaardiging van een nieuw EOB om HG te horen in de toekomst zou kunnen worden geweigerd en om aldus de bevoegdheden en verplichtingen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te verduidelijken, volstaat de omstandigheid dat de tweede en de derde vraag betrekking hebben op andere weigeringsgronden dan die welke als grondslag hebben gediend voor de weigering om een eerder door de verwijzende rechter in het kader van de procedure in het hoofdgeding uitgevaardigd EOB ten uitvoer te leggen, niet om aan te tonen dat deze vragen geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding [zie naar analogie arresten van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punten 52‑7, en 20 maart 2025, Procureur de la République (Samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek), C‑763/22, EU:C:2025:199, punt 22].
41 Mitsdien moeten alle gestelde vragen worden beantwoord.
Ten gronde
Eerste en vijfde vraag
42 Met zijn eerste en vijfde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 3, 22 en 24 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit van een lidstaat een EOB kan uitvaardigen met het oog op ofwel de tijdelijke overbrenging naar haar grondgebied van een persoon die in een andere lidstaat in hechtenis is genomen, teneinde hem tijdens zijn proces in zijn hoedanigheid van beschuldigde persoon te horen, ofwel de organisatie door de autoriteiten van die laatste lidstaat van een verhoor per videoconferentie van die persoon in diezelfde hoedanigheid, wanneer deze maatregelen zowel tot doel hebben bewijs te verkrijgen als die persoon in staat te stellen aanwezig te zijn bij dat proces.
43 Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C‑339/22, EU:C:2025:108, punt 27).
44 Wat betreft in de eerste plaats de bewoordingen van de relevante bepalingen, omvat een EOB volgens artikel 3 van richtlijn 2014/41 alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van, in beginsel, het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam.
45 Op grond van artikel 22, lid 1, van die richtlijn is het mogelijk om een EOB uit te vaardigen met het oog op de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvoerende staat, ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebied van de uitvaardigende staat is vereist, mits de betrokkene binnen de door de uitvoerende staat bepaalde termijn wordt teruggezonden.
46 Artikel 24, lid 1, tweede alinea, van die richtlijn preciseert dat een uitvaardigende autoriteit een EOB kan uitvaardigen voor het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
47 Uit deze bepalingen blijkt dat de werkingssfeer van deze richtlijn een grote verscheidenheid aan maatregelen omvat, waaronder de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvoerende lidstaat ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel en het verhoor van een verdachte of beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
48 Wat in de tweede plaats de context van de artikelen 3, 22 en 24 van richtlijn 2014/41 betreft, blijkt uit overweging 25 van deze richtlijn dat een EOB kan worden uitgevaardigd in elke fase van de strafprocedure, met inbegrip van de fase van het proces. De omstandigheid dat de gevraagde onderzoeksmaatregel tijdens de fase van het proces ten uitvoer moet worden gelegd, staat op zich dus geenszins in de weg aan de uitvaardiging van een EOB met het oog op de uitvoering van die maatregel.
49 Daarenboven is in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn bepaald dat het EOB een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing is die ertoe strekt één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren in een andere lidstaat met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal.
50 Uit deze bepaling, gelezen in het licht van de overwegingen 5 tot en met 8 van richtlijn 2014/41, blijkt dat een EOB tot doel moet hebben bewijsmateriaal te verkrijgen. Evenzo staat in overweging 34 van deze richtlijn dat zij, gelet op het toepassingsgebied ervan, betrekking heeft op voorlopige maatregelen uitsluitend met het oog op bewijsverkrijging.
51 De gevraagde onderzoeksmaatregel kan derhalve slechts binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen indien hij tot doel heeft bewijsmateriaal te verkrijgen. Omgekeerd kan niet via de uitvaardiging van een EOB worden verzocht om een maatregel die enkel een ander doel nastreeft dan het verkrijgen van bewijsmateriaal (zie in die zin arrest van 9 januari 2025, Delda, C‑583/23, EU:C:2025:6, punt 42).
52 Uit de in de punten 44 tot en met 50 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen blijkt daarentegen geenszins dat de Uniewetgever onderzoeksmaatregelen die ertoe strekken bewijsmateriaal te verkrijgen door middel van de tijdelijke overbrenging van de beschuldigde persoon of diens verhoor per videoconferentie, van de werkingssfeer van die richtlijn heeft uitgesloten, op de enkele grond dat die maatregelen worden genomen tijdens het tegen deze persoon gevoerde strafproces en zij dus incidenteel tot gevolg hebben dat ook wordt gewaarborgd dat die persoon in een deel van dat proces verschijnt.
53 In de derde plaats zou een dergelijke uitlegging in de weg staan aan de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 2014/41.
54 Deze richtlijn heeft, zoals uit de overwegingen 5 tot en met 8 ervan blijkt, namelijk tot doel om het bestaande gefragmenteerde en ingewikkelde kader voor de bewijsgaring in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie te vervangen en om, via een vereenvoudigde en efficiëntere regeling met één instrument genaamd „Europees onderzoeksbevel”, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [zie in die zin arresten van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 86, en 9 januari 2025, Delda, C‑583/23, EU:C:2025:6, punt 34].
55 Een uitlegging van die richtlijn volgens welke een rechterlijke autoriteit van een lidstaat geen EOB kan uitvaardigen met het oog op de uitvoering, door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat, van een onderzoeksmaatregel ter verkrijging van bewijsmateriaal op de enkele grond dat deze maatregel incidenteel de aanwezigheid van de beschuldigde persoon bij zijn proces waarborgt, zou afbreuk kunnen doen aan de doelstelling van die richtlijn om de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten te versnellen en te vereenvoudigen, aangezien deze uitlegging die samenwerking aanzienlijk kan vertragen en bemoeilijken.
56 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een EOB kan uitvaardigen met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel in een andere lidstaat, zoals de tijdelijke overbrenging van een in laatstgenoemde lidstaat gedetineerde persoon naar de eerste lidstaat of het verhoor per videoconferentie van die persoon in zijn hoedanigheid van beschuldigde persoon, wanneer die maatregel ertoe strekt bewijs te verkrijgen, ongeacht of hij ook impliceert dat die persoon op zijn proces verschijnt.
57 Een EOB kan daarentegen niet tot doel hebben te verzekeren dat die persoon verschijnt in een deel van zijn proces dat geen bewijsdoel heeft.
58 Overigens moet worden opgemerkt dat richtlijn 2014/41 twee waarborgen bevat waarmee kan worden voorkomen dat de uitvaardiging van een EOB betreffende de tijdelijke overbrenging van de beschuldigde persoon of zijn verhoor per videoconferentie, ertoe kan leiden dat de in de punten 50 en 51 van het onderhavige arrest genoemde reikwijdte van de werkingssfeer van deze richtlijn wordt omzeild.
59 Zo stelt artikel 22, lid 1, van die richtlijn voor de uitvaardiging van een EOB met het oog op de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in een lidstaat als voorwaarde dat deze persoon binnen de door die lidstaat bepaalde termijn wordt teruggezonden. Bovendien preciseert dit artikel in lid 5 dat de praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van een persoon, met inbegrip van de termijn waarbinnen hij naar de uitvoerende lidstaat moet worden teruggebracht, door de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat wordt overeengekomen. Deze bepalingen stellen laatstgenoemde lidstaat dus in staat ervoor te zorgen dat de betrokkene niet langer aanwezig is in de uitvaardigende lidstaat dan noodzakelijk is voor de bewijsverkrijging en dat een tijdelijke overbrenging voor bewijsdoelen niet kan worden gelijkgesteld met een overbrenging met het oog op vervolging, waarvoor een EAB moet worden vastgesteld, zoals in herinnering wordt gebracht in overweging 25 van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 9 januari 2025, Delda, C‑583/23, EU:C:2025:6, punt 31).
60 Evenzo blijkt uit artikel 24, lid 3, van richtlijn 2014/41 dat de praktische regeling voor het verhoor per videoconferentie wordt overeengekomen tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit. Hieruit volgt dat de uitvoerende autoriteit zich er ook van kan vergewissen dat de uitvoering van deze maatregel niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het verkrijgen van bewijsmateriaal.
61 Gelet op een en ander moet op de eerste en de vijfde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3, 22 en 24 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit van een lidstaat een EOB kan uitvaardigen met het oog op ofwel de tijdelijke overbrenging naar haar grondgebied van een in een andere lidstaat gedetineerde persoon, teneinde hem ter terechtzitting als beschuldigde persoon te horen, ofwel de organisatie door de autoriteiten van die laatste lidstaat van een verhoor per videoconferentie van die persoon in diezelfde hoedanigheid ter terechtzitting, zelfs indien de uitvoering van die maatregel ook de verschijning van die persoon ter terechtzitting impliceert, voor zover deze maatregel een bewijsdoel heeft en de uitvoering ervan niet verder gaat dan wat nodig is om bewijs te verkrijgen.
Tweede vraag
62 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 10 en 24 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat een autoriteit van een lidstaat kan weigeren om een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren op grond dat deze maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
63 Wat betreft in de eerste plaats de bewoordingen van de relevante bepalingen, moet om te beginnen worden opgemerkt, ten eerste, dat artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de uitvoerende autoriteit, indien mogelijk, een andere dan de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel toepast indien die maatregel niet bestaat in het recht van de uitvoerende lidstaat, of indien die maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
64 Ten tweede blijkt uit artikel 10, lid 2, van die richtlijn dat, onverminderd artikel 11, lid 1, van die richtlijn, lid 1 van dat artikel 10 niet van toepassing is op de in lid 2 ervan bedoelde onderzoeksmaatregelen, waaronder in dat lid 2, onder c), het horen, op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat, van een beschuldigde persoon, welke maatregel altijd beschikbaar moet zijn volgens het recht van de uitvoerende lidstaat.
65 Het horen in de zin van artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2014/41 mag echter niet worden verward met het in artikel 24 van deze richtlijn bedoelde verhoor per videoconferentie. Artikel 24, lid 5, onder c), van die richtlijn preciseert immers dat een verhoor per videoconferentie overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat wordt afgenomen, terwijl uit artikel 10, lid 2, onder c), van die richtlijn blijkt dat het daarin bedoelde verhoor wordt afgenomen overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Voorts heeft deel C van het formulier dat is opgenomen in bijlage A bij richtlijn 2014/41 als een van de daarin genoemde onderzoeksmaatregelen afzonderlijk betrekking op enerzijds het verhoor van een verdachte of beschuldigde persoon en anderzijds het verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen van een verdachte of beschuldigde persoon. Artikel 10, lid 2, onder c), is derhalve niet van toepassing op het verhoor per videoconferentie.
66 Ten derde stelt de uitvoerende autoriteit overeenkomstig artikel 10, lid 5, van deze richtlijn, in een situatie zoals bedoeld in lid 1 van dat artikel en wanneer er geen andere onderzoeksmaatregel is die tot hetzelfde resultaat zou leiden als de gevraagde onderzoeksmaatregel, de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis dat de gevraagde bijstand niet verleend is kunnen worden.
67 Artikel 10, lid 5, van die richtlijn bevat dus een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EOB die kan worden ingeroepen wanneer de gevraagde maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast, op voorwaarde dat het niet gaat om één van de in lid 2 van dat artikel bedoelde maatregelen en er geen andere onderzoeksmaatregelen zijn die tot hetzelfde resultaat zouden leiden als de gevraagde maatregel.
68 Vervolgens wordt in artikel 24, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2014/41 bepaald dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
69 Dat artikel 24, lid 2, bepaalt dat in aanvulling op de in artikel 11 van richtlijn 2014/41 genoemde gronden voor weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging, de tenuitvoerlegging van een EOB kan worden geweigerd indien de verdachte of beschuldigde persoon er niet in toestemt, of de tenuitvoerlegging van een dergelijke onderzoeksmaatregel in een bepaalde zaak strijdig is met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat.
70 De bewoordingen van artikel 24, lid 2, van richtlijn 2014/41 preciseren aldus de gronden die kunnen worden aangevoerd voor de weigering van de tenuitvoerlegging van een EOB dat betrekking heeft op de organisatie van een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon, zonder de in artikel 10, lid 5, van die richtlijn genoemde weigeringsgrond te vermelden.
71 Zoals in punt 69 van het onderhavige arrest is benadrukt, bepaalt artikel 24, lid 2, onder b), van deze richtlijn bovendien dat de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft een verhoor per videoconferentie te organiseren, kan weigeren wanneer de uitvoering van een dergelijke onderzoeksmaatregel in een bepaald geval in strijd zou zijn met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat.
72 De toepassing van deze specifieke grond voor weigering van de tenuitvoerlegging heeft echter noodzakelijkerwijs een beperktere draagwijdte dan de toepassing van de weigeringsgrond die voortvloeit uit artikel 10, lid 5, van richtlijn 2014/41. Deze laatste weigeringsgrond berust namelijk erop dat de gevraagde maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak in de uitvoerende lidstaat niet bestaat of niet zou kunnen worden toegepast, dat wil zeggen op een hypothese die noodzakelijkerwijs alle bijzondere gevallen omvat waarin een dergelijke maatregel in strijd zou blijken te zijn met de fundamentele beginselen van het recht van die staat zelf. Bijgevolg zou de in artikel 24, lid 2, onder b), genoemde grond in de praktijk geen enkel nut hebben indien zou worden geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft een verhoor per videoconferentie te organiseren, hoe dan ook kan worden geweigerd op grond van dat artikel 10, lid 5.
73 De toepassing van de weigeringsgrond van artikel 11, lid 1, onder h), van deze richtlijn op een onderzoeksmaatregel die het verhoor per videoconferentie tot doel heeft, heeft daarentegen niet tot gevolg dat de specifieke weigeringsgrond van artikel 24, lid 2, onder b), van die richtlijn elk nuttig effect verliest. Hoewel het juist is dat de uitvoerende lidstaat op grond van de eerste van die bepalingen kan weigeren om uitvoering te geven aan een onderzoeksmaatregel zoals een verzoek om iemand per videoconferentie te verhoren, wanneer op grond van het recht van die lidstaat een dergelijke maatregel slechts toegestaan is voor een beperkt aantal strafbare feiten – waartoe het strafbare feit waarop het EOB betrekking heeft niet behoort – moet namelijk worden vastgesteld dat een dergelijke weigeringsgrond, anders dan die welke is bedoeld in artikel 10, lid 5, van die richtlijn, niet noodzakelijkerwijze alle bijzondere gevallen omvat waarin deze onderzoeksmaatregel onverenigbaar zou blijken te zijn met de fundamentele beginselen van het recht van die lidstaat.
74 Uit de bewoordingen van artikel 24 van richtlijn 2014/41 volgt dus dat de leden 2 en 5 van artikel 10 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op onderzoeksmaatregelen zoals het verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
75 Wat in de tweede plaats de context van de artikelen 10 en 24 van richtlijn 2014/41 betreft, zij opgemerkt dat dit artikel is opgenomen in hoofdstuk IV van deze richtlijn, met als opschrift „Specifieke bepalingen voor bepaalde onderzoeksmaatregelen”, dat de artikelen 22 tot en met 29 van deze richtlijn bevat.
76 Artikel 26, lid 6, artikel 27, lid 5, artikel 28, lid 1, en artikel 29, lid 3, onder a), van deze richtlijn bevatten uitdrukkelijk een weigeringsgrond die is gebaseerd op de omstandigheid dat de uitvoering van de betrokken maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou zijn toegestaan.
77 Uit de algemene opzet van hoofdstuk IV van richtlijn 2014/41 volgt dus dat wanneer de Uniewetgever een uitvoerende lidstaat de mogelijkheid heeft willen laten om de uitvoering van één van de in dit hoofdstuk bedoelde bijzondere onderzoeksmaatregelen te weigeren om reden dat deze in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet kan worden bevolen, hij deze mogelijkheid uitdrukkelijk heeft toegekend in de bepalingen die specifiek betrekking hebben op deze onderzoeksmaatregel. Dat is echter niet het geval voor artikel 24 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de specifieke onderzoeksmaatregel van het verhoor per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.
78 In de derde plaats vindt deze uitlegging bevestiging in de doelstellingen die worden nagestreefd met deze richtlijn, die – zoals in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – tot doel heeft om via een vereenvoudigde en efficiëntere regeling met één instrument voor de bewijsgaring, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan.
79 In dit verband volgt uit deze richtlijn, en in het bijzonder uit artikel 1, lid 2, ervan, dat het EOB een instrument is dat is berust op het beginsel van wederzijdse erkenning, en dat de tenuitvoerlegging ervan de regel is en de weigering van tenuitvoerlegging de uitzondering, die restrictief moet worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C‑584/19, EU:C:2020:1002, punt 64].
80 De verplichting om de gronden voor een weigering van de tenuitvoerlegging van een EOB strikt uit te leggen pleit voor een uitlegging van artikel 24 van richtlijn 2014/41 in die zin dat de uitvoerende lidstaat de tenuitvoerlegging van een verzoek om een verhoor per videoconferentie in het kader van een strafprocedure niet kan weigeren op de enkele grond dat deze maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet kan worden bevolen.
81 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 10, artikel 11, lid 1, onder h), en artikel 24 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat een autoriteit van een lidstaat niet kan weigeren om een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van de beschuldigde persoon te organiseren, op de enkele grond dat deze maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
Derde vraag
82 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, lid 1, onder f), van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de in deze bepaling genoemde weigeringsgrond geen belemmering vormt voor de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft tijdens een strafproces een verhoor van de beschuldigde persoon per videoconferentie te organiseren, belet dat de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging ervan weigert op grond van een andere in deze richtlijn neergelegde grond.
83 Uit artikel 9, lid 1, van richtlijn 2014/41 volgt dat een uitvoerende autoriteit kan besluiten een EOB niet ten uitvoer te leggen door zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel waarin deze richtlijn voorziet.
84 Artikel 11 van deze richtlijn draagt het opschrift „Gronden voor weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging” en noemt in lid 1 de gronden voor de weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB.
85 Een van deze gronden is volgens artikel 11, lid 1, onder f), van deze richtlijn het bestaan van gegronde redenen om aan te nemen dat de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten.
86 In casu lijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing te volgen dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de Belgische autoriteiten zich niet op een dergelijke grond konden beroepen om de uitvoering te weigeren van het verzoek om HG per videoconferentie te horen.
87 Deze grond is echter slechts één van de in artikel 11, lid 1, van richtlijn 2014/41 genoemde gronden tot weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging.
88 De in deze bepaling genoemde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging staan echter los van elkaar.
89 Bovendien wordt in artikel 11, lid 1, van die richtlijn geen rangorde vastgesteld tussen deze gronden voor de weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging en worden evenmin gevolgen verbonden aan de niet-toepassing van een van deze gronden voor de mogelijkheid van de uitvoerende autoriteit om een andere grond in te roepen om de tenuitvoerlegging van een EOB te weigeren.
90 Zoals in de punten 68 tot en met 70 van het onderhavige arrest is opgemerkt, stelt artikel 24, lid 2, van richtlijn 2014/41 bovendien specifieke gronden vast om de tenuitvoerlegging te weigeren van een EOB dat ertoe strekt een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren, naast de in artikel 11 van die richtlijn genoemde gronden.
91 Uit deze bepalingen volgt dat de tenuitvoerlegging van een EOB dat ertoe strekt om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren, kan worden geweigerd op grond van om het even welke van de in artikel 11, lid 1, of artikel 24, lid 2, van richtlijn 2014/41 genoemde weigeringsgronden, zodat de vaststelling van een uitvoerende autoriteit dat één van deze gronden niet kan worden ingeroepen om de tenuitvoerlegging van een dergelijk EOB te weigeren, haar geenszins belet de tenuitvoerlegging ervan te weigeren op basis van een andere van die gronden.
92 Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 1, onder f), van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de in deze bepaling genoemde weigeringsgrond geen belemmering vormt voor de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft tijdens een strafproces een verhoor van de beschuldigde persoon per videoconferentie te organiseren, de uitvoerende autoriteit niet belet de tenuitvoerlegging ervan te weigeren op grond van een andere in deze richtlijn neergelegde weigeringsgrond.
Vierde vraag
93 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een autoriteit van een lidstaat weigert een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren, uitsluitend op grond van algemene richtsnoeren die deze lidstaat heeft uitgevaardigd, zonder een onderzoek in te stellen waarbij met alle relevante omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden.
94 Artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41 bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft een persoon per videoconferentie te horen, kan worden geweigerd indien de uitvoering van een dergelijke onderzoeksmaatregel in een bepaalde zaak strijdig zou zijn met de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat.
95 Uit de bewoordingen van deze bepaling, en met name uit de woorden „in een bepaalde zaak”, blijkt dat de toepassing van de daarin geregelde weigeringsgrond vereist dat er een onderzoek wordt ingesteld waarbij met alle relevante omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden.
96 Een dergelijke uitlegging vindt steun in het in punt 79 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereiste dat de in deze richtlijn vastgestelde gronden om de tenuitvoerlegging te weigeren strikt moeten worden uitgelegd.
97 Niettemin moet worden gepreciseerd dat de noodzaak om een onderzoek in te stellen waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval met het oog op de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 24, lid 2, onder b), van deze richtlijn, op zichzelf niet eraan in de weg staat dat de lidstaten algemene richtsnoeren vaststellen om de toepassing van de fundamentele beginselen van hun nationale recht door de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.
98 Indien de fundamentele beginselen van het recht van de uitvoerende lidstaat zich ertegen zouden verzetten dat een beschuldigde persoon tijdens een strafproces per videoconferentie wordt gehoord, verzet artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41 zich er derhalve niet tegen dat deze lidstaat algemene richtsnoeren vaststelt om de inhoud van die fundamentele beginselen in herinnering te brengen en te preciseren welke gevolgen die beginselen meebrengen voor de autoriteiten van die lidstaat die bevoegd zijn in het kader van de tenuitvoerlegging van een EOB, voor zover die autoriteiten die richtsnoeren in het licht van alle concrete relevante omstandigheden kunnen toepassen in het kader van een individueel onderzoek.
99 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een autoriteit van een lidstaat weigert een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren, uitsluitend op grond van algemene richtsnoeren die deze lidstaat heeft uitgevaardigd, zonder een onderzoek in te stellen waarbij met alle relevante omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden.
Kosten
100 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 3, 22 en 24 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken
moeten aldus worden uitgelegd dat
de rechterlijke autoriteit van een lidstaat een EOB kan uitvaardigen met het oog op ofwel de tijdelijke overbrenging naar haar grondgebied van een persoon die in een andere lidstaat in hechtenis is genomen, teneinde hem tijdens zijn proces als beschuldigde persoon te horen, ofwel de organisatie door de autoriteiten van die laatste lidstaat van een verhoor per videoconferentie van die persoon in diezelfde hoedanigheid tijdens zijn proces, zelfs indien de uitvoering van die maatregel ook de verschijning van die persoon ter terechtzitting impliceert, voor zover deze maatregel een bewijsdoel heeft en de uitvoering ervan niet verder gaat dan wat nodig is om bewijs te verkrijgen.
2) Artikel 10, Artikel 11, lid 1, onder h), en artikel 24 van richtlijn 2014/41
moeten aldus worden uitgelegd dat
een autoriteit van een lidstaat niet kan weigeren om een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van de beschuldigde persoon te organiseren, op de enkele grond dat deze maatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast.
3) Artikel 11, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat de in deze bepaling genoemde weigeringsgrond geen belemmering vormt voor de tenuitvoerlegging van een EOB dat tot doel heeft tijdens een strafproces een verhoor van de beschuldigde persoon per videoconferentie te organiseren, de uitvoerende autoriteit niet belet de tenuitvoerlegging ervan te weigeren op grond van een andere in deze richtlijn neergelegde weigeringsgrond.
4) Artikel 24, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/41
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat een autoriteit van een lidstaat weigert een EOB ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft om tijdens een strafproces een verhoor per videoconferentie van een beschuldigde persoon te organiseren, uitsluitend op grond van algemene richtsnoeren die deze lidstaat heeft uitgevaardigd, zonder een onderzoek in te stellen waarbij met alle relevante omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 maart 2025, C-763/22, ECLI:EU:C:2025:199
- HvJ EU 25 februari 2025, C-339/22, ECLI:EU:C:2025:108
- HvJ EU 9 januari 2025, C-583/23, ECLI:EU:C:2025:6
- HvJ EU 30 april 2024, C-670/22, ECLI:EU:C:2024:372
- HvJ EU 24 juli 2023, C-107/23, ECLI:EU:C:2023:606
- HvJ EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57
- HvJ EU 8 december 2020, C-584/19, ECLI:EU:C:2020:1002
- HvJ EU 24 oktober 2019, C-324/17, ECLI:EU:C:2019:892
- HvJ EU 13 juli 2000, C-36/99, ECLI:EU:C:2000:405