HvJ EU 9 januari 2025, C-583/23, ECLI:EU:C:2025:6
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
9 januari 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2014/41/EU – Europees onderzoeksbevel in strafzaken – Materiële werkingssfeer – Begrip ‚onderzoeksmaatregel’ – Kennisgeving van een tenlastelegging met bevel tot plaatsing in voorlopige hechtenis en bevel tot betaling van een borgsom – Verhoor van de beschuldigde”
In zaak C‑583/23 [Delda] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 19 september 2023, ingekomen bij het Hof op 22 september 2023, in de procedure inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel jegens
AK,
in tegenwoordigheid van:
Ministère public,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– AK, vertegenwoordigd door I. Zribi, avocate,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, B. Dourthe en B. Fodda als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc, H. Leupold en J. Vondung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een verzoek tot tenuitvoerlegging in Frankrijk van een onderzoeksbevel dat door de Spaanse rechterlijke autoriteiten is uitgevaardigd jegens AK.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Overeenkomst van 29 mei 2000
3 Artikel 5 van de Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB 2000, C 197, blz. 3; hierna: „overeenkomst van 29 mei 2000”), met als opschrift „Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken”, bepaalt in lid 1: „Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.”
Richtlijn 2014/41
4 Overweging 25 van richtlijn 2014/41 preciseert het volgende: „In deze richtlijn worden regels bepaald voor het ten uitvoer leggen van een onderzoeksmaatregel, in elke fase van de strafprocedure, dus ook op het proces zelf, indien nodig met deelname van de betrokkene, met als doel bewijsmateriaal te verzamelen. Er kan bijvoorbeeld een [Europees onderzoeksbevel] worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene naar de uitvaardigende staat of met het oog op een verhoor per videoconferentie. Indien de betrokkene echter naar een andere lidstaat wordt overgebracht om er te worden vervolgd en ook te worden berecht, dient er een Europees aanhoudingsbevel (EAB) te worden uitgevaardigd overeenkomstig kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad [van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1)].”
5 Artikel 1, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat (‚de uitvaardigende staat’) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat (‚de uitvoerende staat’) een of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn. Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.”
6 Artikel 3 van deze richtlijn is als volgt verwoord: „Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van de [overeenkomst van 29 mei 2000] en in kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad [van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams (PB 2002, L 162, blz. 1)], behalve met het oog op de toepassing van artikel 13, lid 8, van [die] overeenkomst en artikel 1, lid 8, van [dat] kaderbesluit.”
7 Artikel 9 van richtlijn 2014/41 luidt als volgt: „1. De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn. 2. Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat. […] 6. De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit kunnen op iedere gepaste wijze met elkaar in overleg treden, teneinde de efficiënte toepassing van dit artikel te bevorderen.”
8 Artikel 10 van deze richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De uitvoerende autoriteit past, indien mogelijk, een andere dan de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel toe indien: a) de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet bestaat in het recht van de uitvoerende staat, of b) de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou kunnen worden toegepast. 2. Onverminderd artikel 11 is lid 1 niet van toepassing op de volgende onderzoeksmaatregelen, die altijd krachtens het nationale recht van de uitvoerende staat beschikbaar dienen te zijn: […] c) het horen van een getuige, deskundige, slachtoffer, verdachte of beschuldigde persoon of derde op het grondgebied van de uitvoerende staat; […]”
9 Artikel 13 van deze richtlijn bepaalt: „1. De uitvoerende autoriteit draagt het bij de tenuitvoerlegging van het EOB verkregen bewijsmateriaal of het bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde instanties van de uitvoerende staat, zonder onnodige vertraging over aan de uitvaardigende staat. Indien zulks in het EOB wordt gevraagd en het recht van de uitvoerende staat in die mogelijkheid voorziet, wordt het bewijsmateriaal onmiddellijk overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat die overeenkomstig artikel 9, lid 4, bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van het EOB. […] 4. Indien de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens reeds van belang zijn voor andere procedures, kan de uitvoerende autoriteit, op uitdrukkelijk verzoek van en na overleg met de uitvaardigende autoriteit, het bewijsmateriaal tijdelijk overdragen op voorwaarde dat het aan de uitvoerende staat wordt teruggegeven zodra de uitvaardigende staat het niet meer nodig heeft, dan wel op een ander tijdstip of bij een andere gelegenheid, zoals overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten.”
10 In artikel 15, lid 1, van die richtlijn is bepaald: „De erkenning of tenuitvoerlegging van het EOB in de uitvoerende staat kan in elk van de volgende gevallen worden uitgesteld: […] b) de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens worden reeds in een andere procedure gebruikt, in welk geval de erkenning of tenuitvoerlegging wordt uitgesteld voor de tijd dat zij daarvoor benodigd zijn[.]”
11 Artikel 22, lid 1, van richtlijn 2014/41 luidt: „Een EOB kan worden uitgevaardigd met het oog op de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvoerende staat, ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebied van de uitvaardigende staat is vereist, mits de betrokkene binnen de door de uitvoerende staat bepaalde termijn wordt teruggezonden.”
12 Artikel 23, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Een EOB kan worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van een persoon in hechtenis in de uitvaardigende staat, met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het verzamelen van bewijs, waarvoor zijn aanwezigheid op het grondgebied van de uitvoerende staat is vereist.”
13 Artikel 24, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Indien een persoon zich op het grondgebied van de uitvoerende staat bevindt en door de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat als getuige of deskundige moet worden gehoord, kan de uitvaardigende autoriteit een EOB uitvaardigen om de getuige of deskundige per videoconferentie of andere audiovisuele transmissie te doen verhoren, overeenkomstig de leden 5 tot en met 7. De uitvaardigende autoriteit kan tevens een EOB uitvaardigen voor het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen.”
14 Het formulier voor het EOB, dat is opgenomen in bijlage A bij die richtlijn, bevat onder meer een rubriek met als opschrift „Uit te voeren onderzoeksmaatregel(en)”, die verschillende aan te kruisen vakjes bevat, waaronder het vakje „Verhoor verdachte of beschuldigde persoon”, alsook een rubriek met als opschrift „Gronden voor de uitvaardiging van het EOB”, waarin de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende staat wordt verzocht de redenen uiteen te zetten waarom een dergelijk bevel wordt uitgevaardigd.
Frans recht
15 Artikel 694‑16 van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) luidt als volgt: „Een Europees onderzoeksbevel is een rechterlijke beslissing van een lidstaat, de uitvaardigende staat genoemd, waarbij met gebruikmaking van voor alle lidstaten gemeenschappelijke formulieren aan een andere lidstaat, de uitvoerende staat genoemd, wordt gevraagd om binnen een bepaalde termijn op zijn grondgebied een onderzoek te voeren dat ertoe strekt bewijsmateriaal in verband met een strafbaar feit te verkrijgen of bewijsmateriaal dat reeds in zijn bezit is, mee te delen. Het onderzoeksbevel kan ook worden uitgevaardigd ter voorlopige voorkoming, op het grondgebied van de uitvoerende staat, van de vernietiging, omzetting, verplaatsing, overdracht of vervreemding van materiaal dat als bewijsstuk kan worden gebruikt. Het onderzoeksbevel kan tevens worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging naar de uitvaardigende staat van een persoon in hechtenis in de uitvoerende staat, met het oog op de verrichting van proceshandelingen in de uitvaardigende staat waarbij de aanwezigheid van deze persoon is vereist, of voor de tijdelijke overbrenging naar de uitvoerende staat van een persoon in hechtenis in de uitvaardigende staat, met het oog op medewerking aan de gevraagde onderzoeksmaatregelen op het grondgebied van de uitvoerende staat. Het in de eerste twee alinea’s bedoelde bewijsmateriaal kan ook betrekking hebben op de schending door een persoon van uit een strafrechtelijke veroordeling voortvloeiende verplichtingen, zelfs als die schending geen strafbaar feit vormt.”
16 In artikel 696‑44 van dit wetboek is bepaald: „In het geval van in het buitenland ingestelde strafvervolgingen, waarbij een buitenlandse regering het noodzakelijk acht een processtuk of een vonnis in kennis te stellen van een persoon die op het Franse grondgebied verblijft, wordt het stuk toegezonden volgens de procedure als vastgesteld in de artikelen 696‑8 en 696‑9, in voorkomend geval vergezeld van een Franse vertaling. De kennisgeving geschiedt aan de persoon op verzoek van het openbaar ministerie. Het origineel van de kennisgeving wordt langs dezelfde weg aan de verzoekende regering teruggezonden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
17 Op 1 maart 2021 hebben de Spaanse rechterlijke autoriteiten een EOB tot de Franse autoriteiten gericht waarbij zij deze verzochten om AK, die op dat moment een gevangenisstraf in Frankrijk uitzat, in kennis te stellen van de tenlasteleggingsbeslissing die op 30 september 2009 was genomen door de Juzgado Central de Instrucción no 4 de la Audiencia Nacional (centrale rechtbank van instructie nr. 4, Spanje), en tevens om haar in aanwezigheid van haar advocaat in de gelegenheid te stellen „haar standpunt over de betrokken feiten kenbaar te maken”. De tenlastelegging bevatte ook een bevel tot plaatsing in voorlopige hechtenis en een bevel tot betaling van een borgsom van 30000 EUR.
18 Op 19 juli 2021 heeft een onderzoeksrechter van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) AK, in aanwezigheid van haar advocaat, bij proces-verbaal in kennis gesteld van die tenlastelegging, haar en haar advocaat een afschrift daarvan in het Spaans overhandigd en haar verklaringen genoteerd. Op 20 juli 2021 heeft AK bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) een verzoek tot nietigverklaring van dit verhoor ingediend, met als motivering dat het verzoek van de Spaanse autoriteiten geen EOB in de zin van artikel 694-16 van het wetboek van strafvordering vormde.
19 Op 20 april 2022 heeft de cour d’appel de Paris dit beroep verworpen en met name geoordeeld dat de Spaanse autoriteiten niet alleen hadden verzocht om AK in kennis te stellen van de tenlastelegging, maar ook om haar in staat te stellen „haar standpunt over de betrokken feiten kenbaar te maken”. Deze rechter merkte verder op dat, ten eerste, in de rubriek „Gronden voor de uitvaardiging van het EOB” van de beslissing van de Spaanse rechterlijke autoriteiten is gespecificeerd dat de gevraagde handelingen passen „in het kader van de verificatie van het plegen van de feiten met alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de kwalificatie ervan en de schuld van de delinquenten”, en, ten tweede, de Spaanse autoriteiten, hoewel zij het vak „Verhoor verdachte of beschuldigde persoon” in de rubriek „Uit te voeren onderzoeksmaatregel(en)” niet hadden aangekruist, duidelijk hadden gevraagd dat de verklaringen van AK over de feiten waarvan zij werd verdacht, in een proces-verbaal zouden worden opgenomen. Daaruit heeft de cour d’appel afgeleid dat de Spaanse autoriteiten, door te verzoeken dat de betrokkene haar standpunt over de feiten kenbaar zou maken, in aanwezigheid van haar advocaat en met inachtneming van de rechten van verdediging, hebben verzocht om onderzoeksmaatregelen uit te voeren die ertoe strekken bewijs voor een strafbaar feit te verzamelen.
20 AK heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. Zij heeft daarbij aangevoerd dat het uitvaardigen van een EOB niet tot doel kan hebben de tenlastelegging tegen een persoon mee te delen en deze de aanhangigmaking van de zaak bij een rechtbank ter kennis te brengen, aangezien een dergelijke kennisgeving door andere justitiële samenwerkingsinstrumenten wordt geregeld, in het bijzonder door artikel 696‑44 van het wetboek van strafvordering.
21 In het kader van de procedure bij de Cour de cassation heeft de advocaat-generaal bij deze rechterlijke instantie echter geoordeeld dat de beslissing van de Spaanse rechterlijke autoriteiten onderzoeksmaatregelen bevatte die onlosmakelijk verbonden waren met de kennisgeving van de tenlastelegging en het horen van AK door een rechter in aanwezigheid van een advocaat teneinde de rechten van de verdediging te eerbiedigen, en dat die beslissing dus tot doel had onderzoeksmaatregelen uit te voeren die ertoe strekken bewijs voor een strafbaar feit te verzamelen.
22 De verwijzende rechter, die benadrukt dat richtlijn 2014/41 in het Franse recht is omgezet bij de artikelen 694‑15 en volgende van het wetboek van strafvordering, merkt op dat het Hof zich tot op heden niet heeft uitgesproken over de materiële werkingssfeer van het EOB en, in het bijzonder, over de vraag of de kennisgeving van een tenlastelegging die ook een bevel tot hechtenis en een bevel tot betaling van een borgsom omvat, daaronder valt.
23 In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41 aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit van een lidstaat een [EOB] mag uitvaardigen of erkennen dat er toe strekt om, ten eerste, de persoon in kennis te stellen van een jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging, die tevens een bevel tot hechtenis en een bevel tot het betalen van een borgsom omvat, en, ten tweede, de persoon te horen zodat hij, in aanwezigheid van zijn advocaat, alle relevante opmerkingen kan maken over de in de tenlastelegging vermelde feiten?”
Procedure bij het Hof
24 In antwoord op een verzoek om inlichtingen van het Hof van 27 oktober 2023 heeft de verwijzende rechter op 23 november 2023 aangegeven dat AK op 9 september 2022 aan de Spaanse rechterlijke autoriteiten is overgeleverd ter uitvoering van drie arresten van de cour d’appel de Paris van 26 september 2018 en 9 oktober 2019, alsook dat het proces-verbaal van het verhoor van AK op 19 juli 2021 aan die autoriteiten was toegezonden.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om, ten eerste, de betrokken persoon in kennis te stellen van een jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging, die tevens een bevel tot plaatsing in voorlopige hechtenis en een bevel tot betaling van een borgsom omvat, en, ten tweede, die persoon in de gelegenheid te stellen zijn opmerkingen over de in dat bevel vermelde feiten kenbaar te maken, een onderzoeksmaatregel vormt waarvoor een EOB in de zin van die richtlijn kan worden uitgevaardigd.
26 Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41 is een EOB een door een rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in de uitvoerende lidstaat een of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal. Artikel 3 van de richtlijn bepaalt dat het EOB alle onderzoeksmaatregelen omvat, met uitzondering van, in beginsel, het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam.
27 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat richtlijn 2014/41 niet nader definieert van wat moet worden verstaan onder „onderzoeksmaatregel” in de zin van de artikelen 1 en 3 ervan, noch naar het recht van de lidstaten verwijst voor een definitie van dat begrip. Dit begrip moet dus een autonome uitlegging in het Unierecht krijgen, waarbij niet enkel rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die bepalingen, maar ook met hun context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken [zie in die zin arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 109].
28 Wat ten eerste de bewoordingen van de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41 betreft, verwijst het begrip „onderzoeksmaatregel” voor repressieve doeleinden in de gebruikelijke betekenis ervan naar elke onderzoekshandeling die ertoe strekt het bestaan van een laakbaar feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de identiteit van de dader vast te stellen. Deze uitlegging wordt bevestigd door de met name in artikel 1 vervatte precisering dat de onderzoeksmaatregel ertoe moet strekken dat de uitvaardigende lidstaat „bewijsmateriaal” verkrijgt.
29 Ten tweede wordt deze uitlegging bevestigd, zoals de advocaat-generaal in de punten 28 tot en met 30 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, door de context van de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41.
30 Om te beginnen worden in artikel 10, lid 2, net als in de artikelen 24 tot en met 31, van richtlijn 2014/41 een reeks onderzoeksmaatregelen opgesomd die er alle op gericht zijn materiaal te vergaren ten bewijze van de feiten of de identiteit van de dader.
31 Vervolgens volgt uit de artikelen 22 en 23 van deze richtlijn dat een EOB tevens kan worden uitgevaardigd met het oog op de overbrenging van een persoon in hechtenis. Deze artikelen verduidelijken echter dat een dergelijke overbrenging enkel mag plaatsvinden ter uitvoering van een onderzoeksmaatregel voor het vergaren van bewijs, waarvoor de aanwezigheid van die persoon is vereist op het grondgebied van de staat waarnaar om zijn overbrenging is verzocht. Daarentegen volgt uit overweging 25 van die richtlijn dat wanneer de betrokkene naar een andere lidstaat moet worden overgebracht om daar te worden vervolgd en ook te worden berecht, een EAB dient te worden uitgevaardigd, en dat een EOB niet in de plaats daarvan kan komen.
32 Ten slotte blijkt uit de artikelen 13 en 15 van richtlijn 2014/41 dat de doelstelling van het uitvaardigen van een EOB erin bestaat dat het bewijsmateriaal dat is verkregen of reeds in het bezit is van de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat, wordt overgedragen aan de uitvaardigende lidstaat (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung Münster, C‑66/20, EU:C:2021:670, punt 41). De onderzoeksmaatregel moet er dus uiteindelijk toe strekken dat de uitvoerende lidstaat bepaalde bewijzen aan de uitvaardigende lidstaat doet toekomen, waarbij dit bewijsmateriaal in artikel 13, lid 4, en artikel 15, lid 1, onder b), wordt omschreven als voorwerpen, documenten of gegevens.
33 Ten derde wordt een dergelijke uitlegging van het begrip „onderzoeksmaatregelen” ook bevestigd door het doel dat met richtlijn 2014/41 wordt nagestreefd.
34 Deze richtlijn heeft allereerst namelijk tot doel om het bestaande gefragmenteerde en ingewikkelde kader voor de bewijsgaring in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie te vervangen en om, via een vereenvoudigde en efficiëntere regeling met een juridisch instrument genaamd „Europees onderzoeksbevel”, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen [arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 86]. De Uniewetgever heeft dus via de vaststelling van die richtlijn de justitiële samenwerking op het gebied van bewijsgaring in grensoverschrijdende strafzaken willen verbeteren.
35 Daarnaast vereist de door richtlijn 2014/41 nagestreefde doelstelling van vereenvoudiging en doeltreffendheid van de justitiële samenwerking dat de essentiële elementen van het mechanisme van het EOB eenvoudig en ondubbelzinnig worden vastgesteld [zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Staatsanwaltschaft Graz (Dienst voor strafzaken in belastingzaken Düsseldorf), C‑16/22, EU:C:2023:148, punt 43]. Het begrip „onderzoeksmaatregel” is zelf ook een van die essentiële elementen, zodat die doelstelling eveneens pleit voor een eenvoudige en gebruikelijke definitie van dit begrip, zoals in de in punt 28 van het onderhavige arrest aangegeven definitie.
36 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de maatregelen waarom bij een beslissing als die in het hoofdgeding wordt verzocht, onderzoeksmaatregelen in de zin van richtlijn 2014/41 vormen.
37 Aangaande ten eerste het verzoek van de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat aan de rechterlijke autoriteiten van een andere lidstaat om de betrokkene in kennis te stellen van de jegens hem vastgestelde beslissing houdende een tenlastelegging, moet worden opgemerkt dat een dergelijke kennisgeving als zodanig geen onderzoeksmaatregel in de zin van die richtlijn kan vormen. Een dergelijke kennisgeving heeft immers niet tot doel bewijzen te vergaren, maar vormt een procedurele verplichting om de reeds tegen de betrokkene ingeleide strafprocedure te kunnen voortzetten. Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt de kennisgeving van een dergelijk stuk in een andere lidstaat dus in beginsel niet geregeld door deze richtlijn, maar door artikel 5 van de overeenkomst van 29 mei 2000.
38 Ten tweede laat de omstandigheid dat de tenlastelegging, zoals in casu het geval is, gepaard gaat met een bevel tot betaling van een borgsom, die vaststelling onverlet, aangezien de verplichting om een dergelijke borgsom te betalen evenmin een onderzoeksmaatregel in de zin van richtlijn 2014/41 vormt, zoals uit de punten 27 tot en met 35 van het onderhavige arrest blijkt.
39 Wat betreft ten derde het bevel tot plaatsing in voorlopige hechtenis waarvan de tenlastelegging mogelijkerwijs eveneens vergezeld gaat, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat buiten het geval waarin personen die reeds in hechtenis zijn worden overgebracht om een onderzoeksmaatregel te kunnen uitvoeren, waarnaar wordt verwezen in de artikelen 22 en 23 van deze richtlijn, het EOB niet van dien aard is dat daardoor het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van de betrokkene wordt aangetast [arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten), C‑584/19, EU:C:2020:1002, punt 73].
40 Hieruit volgt dat, afgezien van de in de artikelen 22 en 23 bedoelde gevallen die in casu niet relevant lijken, een EOB geen verzoek kan bevatten om de persoon tegen wie dat verzoek is gericht, in hechtenis te nemen of zijn hechtenis te handhaven.
41 Wat ten vierde het verzoek tot verhoor van de persoon tegen wie de tenlastelegging is uitgevaardigd betreft, is het juist dat artikel 10, lid 2, onder c), en artikel 24, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2014/41 het verhoor van een verdachte of beschuldigde persoon uitdrukkelijk vermelden als een van de maatregelen waarvoor een EOB in de zin van die richtlijn kan worden uitgevaardigd.
42 Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt, kan een dergelijk verzoek om verhoor echter slechts binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/41 vallen indien het tot doel heeft bewijsmateriaal te verkrijgen in de zin van deze richtlijn. Omgekeerd kan een verhoor dat er louter toe strekt de beklaagde in staat te stellen zijn opmerkingen te maken over de tegen hem ingeleide procedure van tenlastelegging, niet worden aangemerkt als een onderzoeksmaatregel in de zin van die richtlijn. In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan wat nu juist wordt beoogd met het verzoek van de Spaanse rechterlijke autoriteiten om AK te horen.
43 Teneinde de verwijzende rechter een volledig antwoord te geven, moet er allereerst ook op worden gewezen dat, indien dit verzoek om verhoor niet tot doel had bewijsmateriaal te vergaren, de Franse autoriteiten de beslissing van de Spaanse rechterlijke autoriteiten niet rechtmatig hadden kunnen uitvoeren op grond van richtlijn 2014/41.
44 Indien dat verzoek om verhoor daarentegen betrekking had op het vergaren van bewijsmateriaal en indien de Spaanse rechterlijke autoriteiten in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing hadden vermeld dat AK volgens hun nationale recht pas na de kennisgeving van de tenlastelegging kon worden gehoord, zou moet worden geoordeeld dat, in afwijking van hetgeen in punt 37 van het onderhavige arrest is uiteengezet, om een dergelijke kennisgeving kon worden verzocht door middel van een EOB. Uit artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/41 volgt namelijk dat de uitvoerende autoriteit in beginsel gehouden is de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht te nemen.
45 In dit laatste geval zouden de Franse rechterlijke autoriteiten dus in beginsel verplicht zijn geweest om – onverminderd de in richtlijn 2014/41 neergelegde gronden tot weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel – de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing ten uitvoer te leggen voor zover deze betrekking had op zowel de kennisgeving van de tenlastelegging tegen AK als op het verhoor van AK, met uitsluiting van het bevel tot plaatsing in voorlopige hechtenis en het bevel tot betaling van een borgsom die bij die beslissing waren gevoegd.
46 Een dergelijke gedeeltelijke uitvoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing had echter pas kunnen plaatsvinden nadat de Franse autoriteiten krachtens artikel 9, lid 6, van richtlijn 2014/41 bij de Spaanse autoriteiten hadden geverifieerd dat deze zich er niet tegen verzetten dat dit verzoek slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd.
47 Uit de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking volgt immers dat, teneinde een doeltreffende samenwerking op strafrechtelijk gebied te waarborgen, de autoriteiten die een EOB uitvaardigen en de autoriteiten die het bevel uitvoeren ten volle gebruik moeten maken van de instrumenten waarin richtlijn 2014/41 voorziet, om zo het aan die samenwerking ten grondslag liggende wederzijdse vertrouwen te bevorderen [zie naar analogie arrest van 18 april 2023, E. D. L. (Afwijzingsgrond op grond van ziekte), C‑699/21, EU:C:2023:295, punten 45 en 46].
48 Ten slotte, indien het verzoek om verhoor van AK ertoe strekte bewijzen te verzamelen en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing van de Spaanse autoriteiten geen enkele vermelding bevatte als bedoeld in punt 44 van het onderhavige arrest, zou moeten worden geoordeeld dat de Franse autoriteiten – onverminderd de in richtlijn 2014/41 neergelegde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging, of een van de gronden voor uitstel – in beginsel verplicht zouden zijn geweest om alleen dit verzoek om verhoor in te willigen, na bij de Spaanse rechterlijke autoriteiten te hebben geverifieerd dat deze zich er niet tegen verzetten dat dit verzoek slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd.
49 Uit een en ander volgt dat de artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat: – een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om een persoon in kennis te stellen van een jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging als zodanig geen EOB in de zin van die richtlijn vormt; – een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt een persoon in voorlopige hechtenis te nemen voor andere doeleinden dan die bedoeld in de artikelen 22 en 23 van die richtlijn, of hem betaling van een borgsom op te leggen, geen EOB in de zin van die richtlijn vormt; – een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om een persoon in staat te stellen zijn opmerkingen te maken over de feiten die in de jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging zijn vermeld, een EOB in de zin van richtlijn 2014/41 vormt, voor zover dit verzoek tot verhoor ertoe strekt bewijsmateriaal te vergaren.
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 1 en 3 van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken
moeten aldus worden uitgelegd dat
– een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om een persoon in kennis te stellen van een jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging als zodanig geen Europees onderzoeksbevel in de zin van die richtlijn vormt;
– een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt een persoon in voorlopige hechtenis te nemen voor andere doeleinden dan die bedoeld in de artikelen 22 en 23 van die richtlijn, of hem betaling van een borgsom op te leggen, geen Europees onderzoeksbevel in de zin van die richtlijn vormt;
– een beslissing waarbij een rechterlijke autoriteit van een lidstaat een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat verzoekt om een persoon in staat te stellen zijn opmerkingen te maken over de feiten die in de jegens hem uitgevaardigde tenlastelegging zijn vermeld, een Europees onderzoeksbevel in de zin van richtlijn 2014/41 vormt, voor zover dit verzoek tot verhoor ertoe strekt bewijsmateriaal te vergaren.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.