HvJ EU 20 maart 2025, C-763/22, ECLI:EU:C:2025:199

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

20 maart 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land – Artikel 16, lid 3 – Begrip ‚bevoegde autoriteit’ – Nationale regeling waarbij een orgaan van de uitvoerende macht de bevoegdheid wordt verleend om in geval van samenloop te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek – Recht op beroep”

In zaak C‑763/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk) bij beslissing van 14 december 2022, ingekomen bij het Hof op 16 december 2022, in de strafprocedure tegen

OP

in tegenwoordigheid van:

Procureur de la République,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Gavalec en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: M. Krausenböck, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 november 2023,

gelet op de opmerkingen van:

– OP, vertegenwoordigd door P. Ohayon, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, B. Dourthe, B. Fodda en E. Timmermans als gemachtigden,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. M. Hoogveld als gemachtigde,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en J. Sawicka als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en J. Hottiaux als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die in Frankrijk is ingesteld tegen OP, een Frans onderdaan, die ervan wordt beschuldigd tussen 2010 en 2012 materiaal voor het namaken van betaalkaarten te hebben verworven en in bezit te hebben, en te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie met het oog op het namaken van betaalkaarten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 5, 7 en 8 van kaderbesluit 2002/584 vermelden: „(5) De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechterlijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. […] (7) Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 [VEU] en in artikel 5 [EG] neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. (8) Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.”

4 Artikel 1 van dat kaderbesluit heeft als opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel” en luidt als volgt: „1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel. 2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. 3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

5 Artikel 16 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Beslissing in geval van samenloop van verzoeken” en bepaalt: „1. Indien twee of meer lidstaten ten aanzien van eenzelfde persoon een Europees aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, houdt de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het nemen van haar beslissing over welk van deze aanhoudingsbevelen ten uitvoer zal worden gelegd, rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar ze zijn gepleegd, met de data van de onderscheiden Europese aanhoudingsbevelen alsmede met het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. […] 3. In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, houdt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag. […]”

6 Artikel 28 van dat kaderbesluit heeft als opschrift „Verdere overlevering of uitlevering” en luidt als volgt: „1. Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat in zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht de toestemming voor de overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering begaan feit geacht wordt te zijn gegeven, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders beschikt. 2. Een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd kan hoe dan ook, zonder toestemming van de uitvoerende lidstaat, in de volgende gevallen aan een andere lidstaat dan de uitvoerende staat worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering gepleegd feit: a) indien de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd; b) indien de gezochte persoon instemt met overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat krachtens een Europees aanhoudingsbevel. De toestemming wordt door betrokkene gegeven ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en opgetekend in een proces-verbaal overeenkomstig het nationale recht van die staat. De toestemming wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan; c) indien de gezochte persoon, overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder a), e), f) en g), niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet. 3. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stemt overeenkomstig de volgende regels toe in de overlevering aan een andere lidstaat: a) het verzoek tot toestemming wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, vergezeld van de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2; b) de toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarvoor zij verzocht wordt op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt; c) de beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen; d) de toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven. 4. Onverminderd lid 1 wordt een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd, niet aan een derde staat uitgeleverd zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd. De toestemming wordt gegeven overeenkomstig de verdragen waardoor de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd gebonden is, en overeenkomstig zijn interne wetgeving.”

Spaans recht

7 Artikel 57, lid 2, van Ley 23/2014 de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la Unión Europea (wet 23/2014 betreffende de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken in de Europese Unie) van 20 november 2014 (BOE nr. 282 van 21 november 2014, blz. 1) bepaalt dat bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde staat, de Spaanse rechterlijke autoriteit de procedure schorst en alle documenten toezendt aan het ministerie van Justitie, dat op zijn beurt bij de ministerraad een voorstel indient voor een beslissing of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8 OP, een Frans staatsburger, wordt vervolgd omdat hij in Frankrijk, Roemenië en Thailand tussen mei 2010 en januari 2012 betrokken was bij een criminele organisatie met als doel strafbare feiten te plegen in verband met namaak of vervalsing van betaalkaarten, materiaal voor het namaken of vervalsen van betaalkaarten, alsmede valse administratieve documenten heeft verworven en in bezit heeft gehad. Het gaat om feiten die strafbare feiten vormen waarop een gevangenisstraf van vijf jaar of meer staat.

9 Voor deze feiten is OP opgeroepen voor de strafkamer van de tribunal judiciaire de Marseille (rechter in eerste aanleg Marseille, Frankrijk), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak. Toen hij in september 2021 zou worden berecht, heeft zijn advocaat deze rechter meegedeeld dat OP in Spanje was aangehouden en in bewaring was geplaatst in het kader van de uitvoering van een uitleveringsverzoek van de Zwitserse autoriteiten.

10 Naar aanleiding van het verzoek van OP om op zijn proces in Frankrijk te mogen verschijnen en van zijn verzet tegen uitlevering naar Zwitserland, heeft de verwijzende rechter op 3 juni 2022 besloten jegens hem een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen.

11 Bij beschikking van de Juzgado Central de Instrucción no 3 de Madrid (onderzoeksrechtbank nr. 3 Madrid, Spanje) van 2 september 2022 is de verwijzende rechter niettemin ervan in kennis gesteld dat de Spaanse ministerraad had besloten voorrang te geven aan het uitleveringsverzoek van de Zwitserse autoriteiten en dus geen gevolg te geven aan het Europees aanhoudingsbevel.

12 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat artikel 57 van Spaanse wet 23/2014 bepaalt dat bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde staat, de Spaanse rechterlijke autoriteit de procedure moet schorsen en alle documenten aan het ministerie van Justitie moet toezenden. De beslissing aan welke van deze handelingen voorrang moet worden gegeven, komt toe aan de ministerraad, zonder dat daartegen beroep kan worden ingesteld.

13 Ter terechtzitting van 2 december 2022 voor de verwijzende rechter heeft de advocaat van OP deze rechter verzocht het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van het Spaanse recht met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584. Het openbaar ministerie was van mening dat een dergelijke vraag niet kon worden gesteld, aangezien de verwijzende rechter in het kader van het hoofdgeding geen rechtmatig belang had om een dergelijke vraag te stellen.

14 De verwijzende rechter deelt dit standpunt niet en merkt op dat de Spaanse regeling niet aan een rechterlijke autoriteit, maar aan een regeringsinstantie, in casu de ministerraad, de bevoegdheid heeft toegekend te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan een Europees aanhoudingsbevel dan wel aan een uitleveringsverzoek van de autoriteiten van een derde land, in geval van samenloop van deze twee handelingen. Een dergelijke toekenning van bevoegdheid zou in strijd zijn met de artikelen 6 en 7 van kaderbesluit 2002/584, die uitsluitend verwijzen naar de rechterlijke autoriteiten.

15 De bevoegdheid van de verwijzende rechter om OP te laten verschijnen en de rechtsgang voort te zetten hangt evenwel rechtstreeks af van de beslissing die de Spaanse autoriteiten in casu hebben genomen. Deze rechter heeft er dus een rechtmatig belang bij dat het Hof een prejudiciële vraag beantwoordt over de verenigbaarheid van het Spaanse recht met kaderbesluit 2002/584.

16 In deze omstandigheden heeft de tribunal judiciaire de Marseille de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Staat [kaderbesluit 2002/584] eraan in de weg dat de bevoegdheid om te beslissen over de vraag of een Europees aanhoudingsbevel dan wel een daarmee samenlopend uitleveringsverzoek van een derde land ten uitvoer moet worden gelegd, door de wetgeving van een lidstaat wordt toegekend aan een regeringsorgaan, zonder dat in een beroepsmogelijkheid is voorzien?”

Ontvankelijkheid

17 De Spaanse regering voert aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Deze regering is van mening dat de verwijzende rechter, in strijd met de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, niet aangeeft op welke Spaanse rechterlijke beslissingen en regeringsbeslissingen een antwoord op de prejudiciële vraag van invloed kan zijn en ook niet aangeeft over welke bepalingen van kaderbesluit 2002/584 hij vragen stelt. Voorts is de prejudiciële vraag volgens die regering hypothetisch. Een antwoord op deze vraag kan namelijk niet bijdragen tot de beslechting van het hoofdgeding, aangezien die vraag betrekking heeft op de verenigbaarheid van een Spaans procedureel mechanisme met dat kaderbesluit.

18 Wat in de eerste plaats de stelling betreft dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, blijkt duidelijk uit dit verzoek dat de verwijzende rechter in wezen twijfels uit over de verenigbaarheid van artikel 57, lid 2, van Spaanse wet 23/2014 met artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584. Ook verwijst deze rechter naar een beslissing van de Spaanse ministerraad waarbij voorrang is gegeven aan het door de Zwitserse autoriteiten jegens OP uitgevaardigde uitleveringsverzoek, welke beslissing is vermeld in de beschikking die de Juzgado Central de Instrucción no 3 de Madrid aan de verwijzende rechter heeft toegezonden naar aanleiding van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel tegen OP.

19 Hieruit volgt dat de verwijzende rechter het juridische en feitelijke kader van zijn verzoek om uitlegging voldoende heeft omschreven om het Hof in staat te stellen de strekking van de gestelde vraag te begrijpen en hem een nuttig antwoord te geven, terwijl hij de regeringen van de lidstaten en de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden in staat heeft gesteld hun recht uit te oefenen om schriftelijke opmerkingen in te dienen, welk recht het Hof dient te waarborgen (zie in die zin arrest van 28 november 2023, Gemeente Ans, C‑148/22, EU:C:2023:924, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20 Wat in de tweede plaats de stelling betreft dat de aan het Hof voorgelegde vraag hypothetisch is, moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak, in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Zoals de advocaat-generaal in de punten 25 en 26 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de rechterlijke instantie van de uitvaardigende lidstaat in het kader van het bij kaderbesluit 2002/584 ingevoerde samenwerkingsstelsel behoefte hebben aan verduidelijking over de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat. Dit is met name het geval wanneer de gevraagde uitlegging van dit kaderbesluit de betrokken verwijzende rechter in staat stelt de juiste handelwijze te bepalen bij het uitvaardigen of intrekken van een bepaald Europees aanhoudingsbevel of het uitvaardigen van een nieuw Europees aanhoudingsbevel indien de tenuitvoerlegging van een eerder Europees aanhoudingsbevel was geweigerd (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a., C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 In casu moet een antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag de verwijzende rechter in staat stellen met kennis van zaken te handelen en, in voorkomend geval, het aan de Spaanse rechterlijke instanties toegezonden Europees aanhoudingsbevel in te trekken.

24 In die omstandigheden kan de prejudiciële vraag niet als hypothetisch worden beschouwd. Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet dus ontvankelijk worden verklaard.

Afdoening zonder beslissing

25 Ter terechtzitting voor het Hof heeft de advocaat van OP verklaard dat OP door het Koninkrijk Spanje aan Zwitserland was uitgeleverd en zich dus niet meer op het Spaanse grondgebied bevond. Volgens de Europese Commissie is het verzoek om een prejudiciële beslissing dus zonder voorwerp geraakt en moet de zaak zonder beslissing worden afgedaan.

26 Evenwel heeft de Spaanse regering de informatie over de uitlevering van OP niet bevestigd, hoewel zij ter terechtzitting voor het Hof specifiek op dit punt is ondervraagd. Voorts heeft de verwijzende rechter het Hof overeenkomstig punt 26 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1) niet in kennis gesteld van een wijziging van omstandigheden die een weerslag kan hebben op de aanhangigheid van de zaak bij deze nationale instantie, en heeft hij ook niet zijn verzoek om een prejudiciële beslissing ingetrokken. In die omstandigheden dient het geding niet zonder beslissing te worden afgedaan.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

27 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang, en dat tegen een dergelijke beslissing in voorkomend geval beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld.

28 Volgens artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 houdt, in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag.

29 In de eerste plaats moet worden bepaald of een orgaan van de uitvoerende macht onder het begrip „bevoegde autoriteit” in de zin van die bepaling kan vallen.

30 Om te beginnen blijkt uit de bewoordingen van die bepaling dat in geval van samenloop de beslissing of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek, wordt genomen door de „bevoegde autoriteit” van de uitvoerende lidstaat. Dit begrip kan in beginsel elke nationale autoriteit omvatten, met inbegrip van een orgaan van de uitvoerende macht.

31 Wat vervolgens de context van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 betreft, moet worden opgemerkt dat in geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen die door verschillende lidstaten tegen dezelfde persoon zijn uitgevaardigd, lid 1 van dat artikel 16 de „uitvoerende rechterlijke autoriteit” de bevoegdheid verleent om te beslissen welke van deze bevelen ten uitvoer moet worden gelegd. Daarentegen bepaalt artikel 16, lid 3, dat het aan de „bevoegde autoriteit” en niet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om, in geval van samenloop, te beslissen of voorrang moet worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het uitleveringsverzoek. Hieruit volgt dat de begrippen „rechterlijke autoriteit” en „bevoegde autoriteit” in het kader van dit artikel niet kunnen worden gelijkgesteld.

32 Tevens moet worden opgemerkt dat met dit onderscheid dezelfde logica wordt gevolgd als in artikel 28 van kaderbesluit 2002/584, dat betrekking heeft op gevallen van verdere overlevering of uitlevering, na de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. De leden 1 tot en met 3 van dit artikel bepalen immers onder welke voorwaarden de persoon die op grond van een dergelijk bevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd, aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat kan worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens een vóór de initiële overlevering begaan feit. In dat kader wordt de verdere overlevering in artikel 28, lid 3, in beginsel afhankelijk gesteld van de toestemming van de rechterlijke autoriteit die het eerste Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt.

33 Artikel 28, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, dat meer specifiek betrekking heeft op het geval van een verdere uitlevering, bepaalt daarentegen dat een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd, niet aan een derde staat kan worden uitgeleverd zonder toestemming van de „bevoegde autoriteit” van de uitvoerende lidstaat.

34 Net als artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 verleent artikel 28, lid 4, van dit kaderbesluit een beslissingsbevoegdheid aan een „bevoegde autoriteit” wanneer de beslissing in kwestie betrekking heeft op een uitleveringsverzoek, en niet aan de betrokken rechterlijke autoriteit, zoals in situaties waarin het louter gaat over een of meer Europese aanhoudingsbevelen. Dit begrip „bevoegde autoriteit” is de uitdrukking van de aan de lidstaten gelaten handelingsmarge om aan te geven welke autoriteit beslissingen over een uitleveringsverzoek moet nemen.

35 Ten slotte vindt een dergelijke uitlegging van artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 steun in de doelstellingen van dit kaderbesluit.

36 Het onderscheid dat in kaderbesluit 2002/584 wordt gemaakt tussen het begrip „rechterlijke autoriteit” en het begrip „bevoegde autoriteit” wordt verklaard door het feit dat dit kaderbesluit, zoals blijkt uit de overwegingen 5 en 8 ervan, met name beoogt een vereenvoudigde procedure in te voeren voor situaties die uitsluitend betrekking hebben op de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd in het kader van de bij dat kaderbesluit ingestelde justitiële samenwerking binnen de Unie, en niet om uitleveringsprocedures te harmoniseren.

37 Kaderbesluit 2002/584 vereist weliswaar dat de procedure van overlevering tussen de lidstaten door de rechterlijke autoriteiten van deze staten wordt uitgevoerd, maar uitleveringsverzoeken kunnen binnen de lidstaten onder de bevoegdheid vallen van andere autoriteiten, met name organen van de uitvoerende macht.

38 Door dit begrip te hanteren, heeft de Uniewetgever dus rekening willen houden met de specifieke kenmerken van uitleveringsprocedures, die fundamenteel verschillen van de bij kaderbesluit 2002/584 ingevoerde regeling van overlevering. Uitleveringsprocedures, die met name worden geregeld in internationale overeenkomsten, berusten namelijk op het beginsel van wederkerigheid tussen de betrokken staten en houden politieke en diplomatieke overwegingen in. Kaderbesluit 2002/584 heeft daarentegen tot doel, zoals met name blijkt uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan, het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

39 In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan de beslissing over de aan een van beide te geven voorrang, niet noodzakelijkerwijs uitsluitend binnen een stelsel van justitiële samenwerking worden genomen. Kaderbesluit 2002/584 biedt de lidstaten dus de mogelijkheid om aan de op het gebied van uitlevering bevoegde autoriteit de bevoegdheid toe te kennen om te beslissen over de in artikel 16, lid 3, van dit kaderbesluit bedoelde voorrang.

40 Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever, door de lidstaten een ruime handelingsmarge te laten bij de aanwijzing van de autoriteit die bij samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek moet beslissen over de aan een van beide te geven voorrang, rekening gehouden met het feit dat een dergelijke beslissing, afhankelijk van de specifieke kenmerken van de nationale stelsels, kan berusten op overwegingen die niet uitsluitend gerechtelijk van aard zijn.

41 In dit verband bepaalt artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 dat de bevoegde autoriteit bij haar beslissing over de voorrang rekening houdt met alle specifieke omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 van deze bepaling, te weten de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar zij zijn gepleegd, de respectieve datums van het Europees aanhoudingsbevel en het uitleveringsverzoek, alsmede de omstandigheden die zijn bedoeld in de verdragen die van toepassing zijn op het uitleveringsverzoek in kwestie. Met de verwijzing naar zowel de in lid 1 genoemde criteria voor het geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen als de criteria van de verdragen die van toepassing zijn op uitleveringsverzoeken, wordt in deze bepaling de keuze van de Uniewetgever bevestigd om rekening te houden met het feit dat de beslissing over de voorrang kan worden genomen door een orgaan van de uitvoerende macht, aangezien dit orgaan zich kan baseren op overwegingen waarvan de logica niet uitsluitend gerechtelijk van aard is.

42 Bijgevolg moet artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek bevoegd kan zijn om te beslissen over de aan een van beide handelingen te geven voorrang.

43 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of tegen de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde beslissing over de voorrang beroep in rechte moet kunnen worden ingesteld.

44 Benadrukt zij dat deze bepaling niet uitputtend regelt hoe moet worden omgegaan met gevallen van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek. Zij preciseert enkel bepaalde procedurele aspecten van de beslissing over de aan een van deze twee handelingen te geven voorrang, en laat de keuze van de vorm van die beslissing of het tijdstip waarop deze moet worden genomen, aan de lidstaten.

45 In dit verband geeft die bepaling aan dat de bevoegde autoriteit rekening moet houden met alle specifieke omstandigheden, waaronder die welke in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht. Hieruit volgt dat deze autoriteit weliswaar over een beoordelingsmarge beschikt wanneer zij beslist over de voorrang, maar dat dit niet wegneemt dat die autoriteit zich niet kan onttrekken aan de verplichting rekening te houden met de belangen van de betrokkene.

46 Gelet op het recht van de persoon op wie de beslissing over de voorrang betrekking heeft om niet te worden onderworpen aan een beslissing die met miskenning van deze beoordelingsmarge is genomen, volgt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) dat de lidstaten deze persoon de mogelijkheid moeten bieden van een doeltreffend beroep in rechte waarmee kan worden gewaarborgd dat de in het vorige punt van dit arrest genoemde vereisten worden nageleefd.

47 Bij gebreke van nadere gegevens over de procedureregels voor, ten eerste, de vaststelling van de beslissing over de voorrang en, ten tweede, een dergelijk beroep in rechte, is het krachtens het beginsel van de procedurele autonomie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor dat beroep in rechte en, meer in het algemeen, om de procedureregels vast te stellen die de situaties van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek moeten regelen.

48 Op grond van dit beginsel behouden de lidstaten weliswaar de mogelijkheid om in dat verband regels vast te stellen die per lidstaat kunnen verschillen, maar zij moeten er wel op letten dat deze regels de vereisten van kaderbesluit 2002/584 niet doorkruisen [zie in die zin arrest van 26 oktober 2021, Openbaar Ministerie (Recht om te worden gehoord door de uitvoerende rechterlijke autoriteit), C‑428/21 PPU en C‑429/21 PPU, EU:C:2021:876, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49 In dit verband zij eraan herinnerd dat dit kaderbesluit volgens artikel 1, lid 3, ervan niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.

50 In het bijzonder impliceert het door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffend beroep in rechte noodzakelijkerwijs dat deze toetsing plaatsvindt vóór de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of het uitleveringsverzoek, en dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is om kennis te nemen van dat beroep, kan toetsen of bij de beslissing over de voorrang rekening is gehouden met alle relevante criteria waarnaar artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 verwijst.

51 Voorts moet het beroep in rechte dat betrekking heeft op de beslissing over de voorrang als bedoeld in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, de betrokkene in staat stellen een eventuele schending van zijn in het Handvest verankerde fundamentele rechten en vrijheden aan te vechten.

52 Zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan een dergelijke beslissing over de voorrang immers aanzienlijke invloed hebben op de rechtspositie van de betrokkene. Indien bijvoorbeeld voorrang zou worden gegeven aan het uitleveringsverzoek zonder dat tegen de beslissing over de voorrang beroep kan worden ingesteld, zou dit ertoe leiden dat wordt voorbijgegaan aan een mogelijk risico van schending van de in het Handvest verankerde fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, aangezien de uitleveringsprocedure in de overgrote meerderheid van de situaties niet onder het Unierecht valt.

53 In casu zij opgemerkt dat de Spaanse regering ter terechtzitting voor het Hof heeft uiteengezet dat tegen de door de ministerraad genomen beslissingen over de voorrang wel degelijk beroep kon worden ingesteld binnen de grenzen van de aan de ministerraad toegekende discretionaire bevoegdheid, en daarmee de door de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing uiteengezette premissen heeft weersproken.

54 Wat dit laatste betreft, beschikt de in artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde bevoegde autoriteit, zoals blijkt uit punt 45 van het onderhavige arrest, weliswaar over een beoordelingsmarge wanneer zij haar beslissing over de voorrang neemt, maar deze beoordelingsmarge wordt begrensd door de verplichting om rekening te houden met alle in die bepaling genoemde omstandigheden, zodat de bevoegde autoriteit de genomen beslissing moet motiveren om de betrokkene in staat te stellen zijn recht op beroep uit te oefenen. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat de doeltreffendheid van het door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest gewaarborgde beroep in rechte vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop een jegens hem genomen besluit is gebaseerd [zie in die zin arrest van 25 april 2024, NW en PQ (Gerubriceerde informatie), C‑420/22 en C‑528/22, EU:C:2024:344, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang. Tegen een dergelijke beslissing moet een doeltreffend beroep in rechte openstaan onder de procedurele voorwaarden die de lidstaten moeten bepalen.

Kosten

56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 16, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,

moet aldus worden uitgelegd dat

een orgaan van de uitvoerende macht in geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek kan beslissen over de aan een van deze handelingen te geven voorrang. Tegen een dergelijke beslissing moet een doeltreffend beroep in rechte openstaan onder de procedurele voorwaarden die de lidstaten moeten bepalen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in