HvJ EU 20 november 2025, C-631/23, ECLI:EU:C:2025:906

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

20 november 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2658/87 – Tariefindeling – Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Indeling onder onderverdeling 90189084 – Stuwbanden – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 – Artikel 252, tweede volzin – Geldigheid”

In zaak C‑631/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 4 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 18 oktober 2023, in de procedure

Servoprax GmbH

tegen

Hauptzollamt Duisburg,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Servoprax GmbH, vertegenwoordigd door H. Bleier, Rechtsanwalt,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Eggers en M. Salyková als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft ten eerste de uitlegging van post 9018 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 254/2000 van de Raad van 31 januari 2000 (PB 2000, L 28, blz. 16) (hierna: „verordening nr. 2658/87”), in de versies ervan die achtereenvolgens voortvloeien uit uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 (PB 2016, L 294, blz. 1), uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 (PB 2017, L 282, blz. 1) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/1602 van de Commissie van 11 oktober 2018 (PB 2018, L 273, blz. 1) (hierna: „GN”), en ten tweede de geldigheid van artikel 252, tweede volzin, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Servoprax GmbH en het Hauptzollamt Duisburg (hoofddouanekantoor Duisburg, Duitsland) over de tariefindeling van stuwbanden (Venenstauer) van oorsprong uit China, omdat het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) heeft vastgesteld dat de stuwbanden onder postonderverdeling 90189084 van de GN en niet onder postonderverdeling 63079098 van de GN vielen.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

GS

3 Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”) is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WDO), die is opgericht bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten Verdrag houdende oprichting van een Internationale Douaneraad. Het GS is ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen [United Nations Treaty Series, deel 1503, blz. 4, nr. 25910 (1988)], dat samen met het daarbij behorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1) (hierna: „GS-verdrag”).

4 De WDO keurt de toelichtingen en de indelingsadviezen die door het bij artikel 6 van het GS-verdrag opgerichte comité voor het GS worden vastgesteld, goed onder de voorwaarden van artikel 8 van dit verdrag.

5 Volgens artikel 3, lid 1, onder a), van het GS-verdrag verbindt elke verdragsluitende partij zich ertoe haar tariefnomenclatuur en haar statistieknomenclaturen in overeenstemming te brengen met het GS, door ten eerste alle posten en onderverdelingen van het GS zonder enige toevoeging of wijziging, alsmede de daarop betrekking hebbende numerieke codes te gebruiken, ten tweede de algemene regels voor de interpretatie van het GS, alsmede alle aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken en de aanvullende aantekeningen op de onderverdelingen toe te passen en de draagwijdte daarvan niet te wijzigen, en ten derde de volgorde van nummering van het GS in acht te nemen.

GS-toelichtingen bij GS-post 9018

6 Op de datum van de indiening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aangiften ten invoer luidden de GS-toelichtingen op post 9018 ervan als volgt: „[…] De post omvat een grote groep instrumenten, apparaten en toestellen, van ongeacht welk materiaal (met inbegrip van edelmetaal), die het kenmerk dragen dat het normaal gebruik daarvan in de regel de tussenkomst vergt van een persoon met een medische opleiding (arts, chirurg, tandarts, dierenarts, vroedvrouw, enzovoort), bij het stellen van een diagnose, bij het voorkomen of behandelen van een ziekte, bij het opereren, enzovoort. […] […] Bovendien moet worden opgemerkt dat in de geneeskunde en vooral in de chirurgie (zowel de mens als de dierenarts) tal van instrumenten worden gebruikt, die in feite niet meer dan gereedschap zijn (hamers, kloppers, zagen, beitels, gutsen, tangen, spatels, enzovoort) of snijwerktuigen (scharen, messen, knipscharen, enzovoort). Deze artikelen worden slechts onder deze post ingedeeld indien zij kennelijk kunnen worden aangemerkt als zijnde bestemd voor medisch of chirurgisch gebruik, hetzij wegens hun bijzondere vorm, hun gemak om ze uit elkaar te halen met het oog op asepsis, het zorgvuldiger karakter van de vervaardiging ervan, de aard van het gebruikte metaal, hetzij wegens hun wijze van presentatie (zeer vaak in sets of dozen die een geheel van voor een bepaalde ingreep geschikte instrumenten bevatten: sets voor bevallingen, autopsie, gynaecologie, oog- of oorchirurgie, veterinaire sets voor de bevalling, enzovoort).”

Unierecht

GN

7 De douanetariefindeling van goederen die in de Europese Unie worden ingevoerd, wordt geregeld door de GN. De GN is gebaseerd op het GS. In de GN zijn de posten en onderverdelingen van het GS tot zes cijfers overgenomen. Enkel het zevende en het achtste cijfer vormen eigen onderverdelingen van de GN.

8 Artikel 2 van verordening nr. 2658/87 luidt als volgt: „De [Europese] Commissie stelt een geïntegreerd tarief van de Gemeenschappen, hierna ‚TARIC’ genoemd, vast dat zowel aan de vereisten van het gemeenschappelijk douanetarief als aan die van de statistieken van de buitenlandse handel, het handels- en landbouwbeleid en andere beleidsmaatregelen van de Gemeenschap in verband met de invoer en de uitvoer van goederen voldoet. Het geïntegreerd tarief is gebaseerd op de [GN] en omvat: […] d) de rechten van het douanetarief en andere in- en uitvoerheffingen, evenals de vrijstellingen van rechten en de preferentiële tarieven die bij de invoer of de uitvoer van bepaalde goederen van toepassing zijn; […]”

9 Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2658/87 bepaalt dat de Commissie jaarlijks bij verordening een volledige versie vaststelt van de GN, met het daarbij behorende tarief van de douanerechten, zoals die uit de door de Raad van de Europese Unie of de Commissie vastgestelde bepalingen voortvloeit. Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar.

10 De verschillende versies van de GN die van toepassing zijn op de feiten in het hoofdgeding, die plaatsvonden in de periode van 2017 tot en met 2019, zijn voor 2017 de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening 2016/1821, voor 2018 de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening 2017/1925 en voor 2019 de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening 2018/1602.

11 De bewoordingen van de algemene regels voor de interpretatie van de GN, die zijn opgenomen in het eerste deel, titel I, punt A, ervan (hierna: „algemene regels voor de interpretatie van de GN”), alsook de opschriften van afdeling XI van het tweede deel van de GN en van hoofdstuk 60 ervan, van afdeling XVIII van het tweede deel van de GN en van hoofdstuk 90 ervan, en van de tariefposten en onderverdelingen 6037, 60379098, 9018 en 90189084 van de GN, waarnaar de eerste prejudiciële vraag verwijst, verschillen in deze verschillende versies niet.

12 De algemene regels voor de interpretatie van de GN luiden als volgt: „Voor de indeling van goederen in de [GN] gelden de volgende bepalingen: 1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels. 2. a) De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat. b) Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen. 3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt: a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft; b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald; c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de gelijkelijk in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst. […]”

13 Het tweede deel van de GN bevat een afdeling XI, met als opschrift „Textielstoffen en textielwaren”, waartoe hoofdstuk 63 behoort, met als opschrift „Andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden”.

14 Tariefpost 6307 van hoofdstuk 63 van de GN luidt als volgt: „[…] GN-code Omschrijving Conventioneel douanerecht (%) […] […] […] 6307 Andere geconfectioneerde artikelen, patronen voor kleding daaronder begrepen: […] […] […] 6307 90 98 – – – – andere 6,3 […] […] […] […]”

15 Het tweede deel van de GN bevat bovendien een afdeling XVIII, met als opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”, waartoe hoofdstuk 90 behoort, met als opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”.

16 Tariefpost 9018 van hoofdstuk 90 van de GN luidt als volgt: „[…] GN-code Omschrijving Conventioneel douanerecht (%) […] […] […] 9018 Instrumenten, apparaten en toestellen voor de geneeskunde, voor de chirurgie, voor de tandheelkunde of voor de veeartsenijkunde, daaronder begrepen scintigrafische en andere elektromedische apparaten en toestellen, alsmede apparaten en toestellen voor onderzoek van het gezichtsvermogen: – apparaten en toestellen voor elektrodiagnose (die voor functioneel onderzoek of voor het onderzoek van fysiologische parameters daaronder begrepen): […] […] […] 9018 90 84 – – andere vrij […]” Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie

17 In de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie (PB 2019, C 119, blz. 1) staat te lezen: „[…] 9018 90 84 […] Deze onderverdeling omvat geen zogenaamde „tourniquets”. Deze bestaan doorgaans uit een riem en een gesp. Door het aanspannen van de riem kan de bloedtoevoer naar een lichaamsdeel gedurende korte tijd worden afgekneld. Bij andere soorten stuwbanden gebeurt het aanspannen door middel van bijvoorbeeld een stok („tourniquets”). Gelet op de eenvoudige constructie en de gebruikte materialen zijn tourniquets, ondanks hun medische toepassing, niet van dezelfde soort als de onder deze onderverdeling vallende instrumenten, apparaten en toestellen (de indeling gebeurt doorgaans naar het materiaal waaruit de riem is vervaardigd). Zie met name de vierde alinea van de GS-toelichting op post 9018. […]”

Douanewetboek

18 In casu is een bindende tariefinlichting (hierna: „BTI”) afgegeven overeenkomstig artikel 12 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan, dat bepaalde: „1. De douaneautoriteiten verstrekken, op schriftelijk verzoek en overeenkomstig de volgens de procedure van het Comité [van het douanewetboek] vastgestelde nadere regels, bindende tariefinlichtingen of bindende inlichtingen betreffende de oorsprong. 2. De [BTI] of de bindende inlichting betreffende de oorsprong binden de douaneautoriteiten tegenover de verkrijger van de inlichting slechts voor de tariefindeling, respectievelijk de vaststelling van de oorsprong van de goederen. De [BTI] of de bindende inlichting betreffende de oorsprong binden de douaneautoriteiten slechts ten aanzien van goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de inlichting door de autoriteiten is verstrekt. […]”

19 Verordening nr. 2913/92 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90; hierna: „douanewetboek”). Bij artikel 286, lid 2, en artikel 288, lid 2, van het douanewetboek is artikel 12 van verordening nr. 2913/92 ingetrokken met ingang van 1 mei 2016.

20 Artikel 36 van het douanewetboek, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen, bepaalt: „De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 284 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van: a) de specifieke gevallen bedoeld in artikel 34, lid 7, onder b), en lid 8, onder b), indien [beschikkingen betreffende] BTI en [betreffende bindende oorsprongsinlichtingen (BOI)] dienen te worden ingetrokken; b) de in artikel 35 bedoelde gevallen waarin beschikkingen betreffende bindende inlichtingen worden gegeven in verband met de overige factoren die ten grondslag liggen aan de toepassing van invoer- of uitvoerrechten en andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen.”

21 Artikel 284 van het douanewetboek bepaalt: „1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in [artikel 36] bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 30 oktober 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van 5 jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. […]”

Gedelegeerde verordening 2015/2446

22 Artikel 252 van gedelegeerde verordening 2015/2446 luidt als volgt: „Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen die op 1 mei 2016 reeds van kracht zijn, blijven geldig gedurende de in de beschikking vastgestelde termijn. Een dergelijke beschikking is vanaf 1 mei 2016 verbindend voor zowel de douaneautoriteiten als de houder van de beschikking.”

Duits recht

23 De verwijzende rechter wijst erop dat voor de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag twee bepalingen van de Abgabenordnung (belastingwetboek), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (BGBl. 2002 I, blz. 3866, en BGBl. 2022 I, blz. 2730; hierna: „AO”), van belang zijn, met name § 347, lid 1, eerste volzin, punt 1, en § 355, lid 1, eerste volzin, daarvan. Deze twee bepalingen betreffen respectievelijk de ontvankelijkheid van een bezwaar tegen een BTI en de termijn waarbinnen dat bezwaar moet worden ingesteld.

24 § 347, lid 1, eerste volzin, punt 1, AO voorziet in een bezwaar (Einspruch) tegen bestuursrechtelijke beslissingen (Verwaltungsakte) in belastingzaken. Dit bezwaar moet krachtens § 355 AO binnen een maand worden ingediend. Hoofdgeding en prejudiciële vragen

25 Op 11 maart 2016 heeft verzoekster in het hoofdgeding, een onderneming die handelt in medische hulpmiddelen, het Hauptzollamt Hannover (hoofddouanekantoor Hannover, Duitsland) (hierna: „douanekantoor Hannover”) verzocht haar een BTI af te geven voor stuwbanden in de vorm van elastische riemen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van een patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloed op te stuwen.

26 In zijn BTI van 15 april 2016 (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde BTI”) heeft het douanekantoor Hannover, anders dan verzoekster in het hoofdgeding had verzocht, deze stuwbanden niet ingedeeld onder postonderverdeling 90189084 van de GN, waarvoor een douanerecht van 0 % geldt, maar onder postonderverdeling 63079098 van de GN, waarvoor een douanerecht van 6,3 % geldt.

27 In de periode van augustus 2017 tot en met december 2019 heeft verzoekster in het hoofdgeding uit China ingevoerde stuwbanden onder postonderverdeling 63079098 van de GN aangegeven, met het oog op het in het vrije verkeer brengen ervan. Het hoofddouanekantoor te Duisburg legde verzoekster in het hoofdgeding op basis van haar aangiftes een douanerecht op van 6,3 %.

28 Op 8 juli 2020 heeft verzoekster in het hoofdgeding om terugbetaling van deze douanerechten verzocht. Zij heeft aangevoerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden hadden moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 90189084 van de GN, waarbij zij zich beriep op een bij het Finanzgericht Düsseldorf aanhangige beroepsprocedure, in het kader waarvan zij verzocht om terugbetaling van douanerechten wegens de indeling van hetzelfde type stuwbanden betreffende de door haar tot en met september 2015 ingediende douaneaangiftes. In deze beroepsprocedure heeft het Finanzgericht Düsseldorf deze stuwbanden ingedeeld onder postonderverdeling 90189084 van de GN en het douanekantoor te Duisburg bij vonnis van 11 maart 2022 verplicht de op verzoekster in het hoofdgeding toegepaste douanerechten terug te betalen.

29 Aangezien dit douanekantoor geen gevolg heeft gegeven aan het door verzoekster in het hoofdgeding op 8 juli 2020 ingediende verzoek om terugbetaling van de douanerechten, heeft verzoekster bezwaar gemaakt en uiteindelijk beroep ingesteld, waarin zij met name stelt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden hadden moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 90189084 van de GN, aangezien zij door artsen voor diagnosedoeleinden worden gebruikt.

30 Verzoekster in het hoofdgeding is van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde BTI er niet aan in de weg staat dat de betrokken stuwbanden onder deze GN-onderverdeling worden ingedeeld. Hoewel zij erkent dat de vóór 1 mei 2016 verstrekte BTI’s overeenkomstig artikel 252, tweede volzin, van gedelegeerde verordening 2015/2446 ook bindend waren voor de vergunninghouder, stelt zij dat de Commissie echter niet het recht had om een regeling van een dergelijke omvang met terugwerkende kracht en bindend vast te stellen, die dus ongeldig is. Nadat verzoekster in het hoofdgeding de in het hoofdgeding aan de orde zijnde BTI had ontvangen, heeft zij besloten deze niet te betwisten omdat zij, gelet op artikel 12 van verordening nr. 2913/92, niet bindend was voor haar. Op grond van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen dient te worden erkend dat zij aanspraak kan maken op deze stand van het oudere recht.

31 Het Finanzgericht Düsseldorf, de verwijzende rechter, is weliswaar van oordeel, zoals verzoekster in het hoofdgeding, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden hadden moeten worden ingedeeld onder post 9018 van de GN, aangezien vaststaat dat deze stuwbanden bestemd zijn voor medische doeleinden, maar heeft niettemin twijfels over de interpretatie van deze post.

32 Bovendien vraagt deze rechter zich af of gedelegeerde verordening 2015/2446 geldig is.

33 In dit verband herinnert de verwijzende rechter eraan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde BTI in casu was afgegeven overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 2913/92, die pas met ingang van 1 mei 2016 is ingetrokken krachtens artikel 286, lid 2, van het douanewetboek. Ingevolge artikel 12, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2913/92 waren de BTI’s enkel bindend voor de douaneautoriteiten ten aanzien van de houder ervan. In artikel 252, tweede volzin, van gedelegeerde verordening 2015/2446 is echter later, bij wijze van uitzondering, vastgesteld dat een vóór 1 mei 2016 verstrekte BTI niet alleen bindend was voor de douaneautoriteiten, maar ook voor de houder ervan.

34 De verwijzende rechter betwijfelt of de Commissie bevoegd was om laatstgenoemde bepaling vast te stellen. De vereisten van artikel 290, lid 1, tweede alinea, VWEU impliceren dat met de toekenning van een gedelegeerde bevoegdheid wordt beoogd regels vast te stellen die passen binnen het regelgevingskader zoals omschreven in de betrokken basiswetgevingshandeling. De verwijzende rechter ziet echter niet op welke bevoegdheidsregel de Commissie zich had kunnen baseren om artikel 252, tweede volzin, van gedelegeerde verordening 2015/2446 vast te stellen. In het bijzonder bevat artikel 36 van het douanewetboek geen enkele bepaling die de Commissie de bevoegdheid verleent om, in afwijking van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 2913/92, te bepalen dat de vóór 1 mei 2016 verstrekte BTI niettemin ook de houder ervan vanaf 1 mei 2016 bindt.

35 De verwijzende rechter is daarentegen van oordeel dat verzoekster in het hoofdgeding zich niet op de toepassing van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kon beroepen om aan te voeren dat het besluit van het douanekantoor Hannover voor haar niet bindend was.

36 Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet de [GN] aldus worden uitgelegd dat stuwbanden van de in deze [verwijzingsbeslissing] beschreven soort moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 90189084 van de [GN]? 2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: is artikel 252, tweede volzin, van gedelegeerde verordening [2015/2446] van toepassing?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

37 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of postonderverdeling 90189084 van de GN aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op stuwbanden in de vorm van elastische riemen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van een patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloed op te stuwen.

38 Vooraf zij er in dit verband aan herinnerd dat wanneer het Hof wordt verzocht om een prejudiciële beslissing over een vraag op het gebied van tariefindeling, het tot taak heeft om de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan hij de betrokken producten correct in de GN kan indelen, en niet zozeer om zelf deze producten in te delen. De indeling is gedeeltelijk het resultaat van een louter feitelijke beoordeling, en het staat niet aan het Hof om deze beoordeling te verrichten in het kader van een prejudiciële verwijzing (arrest van 12 december 2024, Golden Omega,C‑388/23, EU:C:2024:1022, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Het staat bijgevolg aan de verwijzende rechter om de betrokken goederen in te delen in het licht van het antwoord van het Hof op de door hem gestelde vragen (arrest van 12 december 2024, Golden Omega,C‑388/23, EU:C:2024:1022, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven kan het Hof hem evenwel, in een geest van samenwerking met de nationale rechterlijke instanties, alle aanwijzingen geven die het noodzakelijk acht (arrest van 16 november 2023, Viterra Hungary,C‑366/22, EU:C:2023:876, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Volgens punt 1 van de algemene regels voor de interpretatie van de GN wordt de tariefindeling van goederen in de GN bepaald op grond van de bewoordingen van de posten van de aantekeningen bij de afdelingen of bij de hoofdstukken, terwijl de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken slechts als aanwijzing geldt. Het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen moet in het belang van de rechtszekerheid en van gemakkelijke controle in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de bewoordingen van de GN-post en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven (arrest van 12 december 2024, Golden Omega,C‑388/23, EU:C:2024:1022, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Bovendien zijn de door de Commissie opgestelde GN-toelichtingen en de door de WDO vastgestelde GS-toelichtingen belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, maar zijn zij rechtens niet bindend. De GN-toelichtingen komen niet in de plaats van de GS-toelichtingen, maar moeten worden beschouwd als een aanvulling daarop en samen daarmee worden geraadpleegd (arrest van 25 mei 2023, Danish Fluid System Technologies,C‑368/22, EU:C:2023:427, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Volgens de bewoordingen van post 9018 van de GN omvat deze post „[i]nstrumenten, apparaten en toestellen voor de geneeskunde, voor de chirurgie, voor de tandheelkunde of voor de veeartsenijkunde, daaronder begrepen scintigrafische en andere elektromedische apparaten en toestellen, alsmede apparaten en toestellen voor onderzoek van het gezichtsvermogen”. Meer in het bijzonder vermeldt postonderverdeling 90189084 van de GN „andere”.

44 In dit verband moet worden vastgesteld dat noch de GN noch de toelichtingen daarop de termen „instrumenten, apparaten en toestellen” definiëren en dienaangaande evenmin verwijzen naar het nationale recht.

45 Uit vaste rechtspraak blijkt dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en waarvoor niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 12 december 2024, Golden Omega,C‑388/23, EU:C:2024:1022, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Wat de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de termen „instrumenten, apparaten en toestellen” betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het begrip „apparaat”, volgens de gebruikelijke betekenis van de in de verschillende taalversies gebruikte term, wordt opgevat als een samenvoeging van onderdelen die bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren of als een geheel van technische elementen die in een meer volledig geheel dan een werktuig zijn georganiseerd en een functie hebben (zie in die zin arrest van 5 september 2024, BIOR,C‑344/23, EU:C:2024:696, punt 41). Gelet op de verwijzingsbeslissing kan niet worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden een dergelijke samenvoeging van onderdelen of een dergelijk geheel van technische elementen vormen, zodat zij niet onder dit begrip kunnen vallen.

47 In de tweede plaats duidt het begrip „instrument” volgens de gebruikelijke betekenis van de term in verschillende taalversies, bijvoorbeeld in de Engelse en Franse taalversies, op een vervaardigd werktuig of voorwerp waarmee een handeling of werk kan worden verricht (arrest van 5 september 2024, BIOR,C‑344/23, EU:C:2024:696, punt 42). Deze betekenis lijkt voldoende ruim om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden te kunnen omvatten, die volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie riemen zijn die hoofdzakelijk bestaan uit elastisch weefsel van gesponnen stoffen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van de patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloedsomloop af te binden.

48 De in andere taalversies gebruikte term heeft echter gewoonlijk een engere betekenis. In de Duitse taalversie wordt de term „instrument” in de woordenboeken waarnaar de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen verwijst, bijvoorbeeld gedefinieerd als „een apparaat, meestal fijn bewerkt, vaak van complexe constructie; werktuig voor wetenschappelijke en technische werkzaamheden”. Een dergelijke betekenis omvat op het eerste gezicht echter geen zodanig eenvoudige ontwerpvoorwerpen als stuwbanden.

49 Bijgevolg kan uit de tekst van post 9018 van de GN op zich niet worden afgeleid of uitgesloten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden onder deze post vallen.

50 Wat de context van postonderverdeling 90189084 van de GN betreft, zij eraan herinnerd dat deze valt onder post 9018 van de GN, met als opschrift „Instrumenten, apparaten en toestellen voor de geneeskunde, voor de chirurgie, voor de tandheelkunde of voor de veeartsenijkunde, daaronder begrepen scintigrafische en andere elektromedische apparaten en toestellen, alsmede apparaten en toestellen voor onderzoek van het gezichtsvermogen”. Deze maakt deel uit van hoofdstuk 90 van de GN, met als opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”. Dit hoofdstuk is opgenomen in afdeling XVIII van het tweede deel van de GN, met als opschrift “Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”.

51 Uit een korte analyse van de artikelen die onder hoofdstuk 90 van de GN vallen, blijkt dat het bij deze artikelen in hun geheel bezien om zeer geavanceerde en nauwkeurige technische instrumenten, apparaten en toestellen gaat, dan wel om apparaten die zich onderscheiden van eenvoudige gebruiksvoorwerpen. De GS-toelichtingen op het algemene deel van hoofdstuk 90 bevestigen die draagwijdte van dit hoofdstuk voor zover daarin wordt verduidelijkt dat dit hoofdstuk „instrumenten, apparaten en toestellen van uiteenlopende aard [omvat], welke in de regel het kenmerk dragen dat zij met zorg zijn afgewerkt en uiterst nauwkeurig zijn, zodat de meeste onder meer gebruikt worden voor zuiver wetenschappelijke doeleinden (bijvoorbeeld laboratoriumonderzoek, analyse, astronomie), voor welbepaalde technische en industriële doeleinden (bijvoorbeeld meten, controleren, waarnemen) en voor medische en chirurgische doeleinden”.

52 Hieruit volgt dat niet alle instrumenten, apparaten en toestellen die in de medische sector worden gebruikt, onder hoofdstuk 90 van de GN vallen. Om daarin te kunnen worden ingedeeld, moeten zij specifieke kenmerken vertonen die bestaan in hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid, hetgeen ook is bevestigd in de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00-C‑263/00, EU:C:2002:637, punten 37 en 39). Het vereiste van fijne afwerking en uiterste nauwkeurigheid is dus van essentieel belang voor dit soort instrumenten, apparaten en toestellen.

53 Deze vaststelling wordt bevestigd door de GS-toelichtingen op post 9018, waarin wordt gepreciseerd dat „[b]ovendien moet worden opgemerkt dat in de geneeskunde en vooral in de chirurgie (zowel de mens als de dierenarts) tal van instrumenten worden gebruikt, die in feite niet meer dan gereedschap zijn (hamers, kloppers, zagen, beitels, gutsen, tangen, spatels, enzovoort) of snijwerktuigen (scharen, messen, knipscharen, enzovoort). Deze artikelen worden slechts onder deze post ingedeeld indien zij kennelijk kunnen worden aangemerkt als zijnde bestemd voor medisch of chirurgisch gebruik, hetzij wegens hun bijzondere vorm, hun gemak om ze uit elkaar te halen met het oog op asepsis, het zorgvuldiger karakter van de vervaardiging ervan, de aard van het gebruikte metaal, hetzij wegens hun wijze van presentatie (zeer vaak in sets of dozen die een geheel van voor een bepaalde ingreep geschikte instrumenten bevatten: sets voor bevallingen, autopsie, gynaecologie, oog- of oorchirurgie, veterinaire sets voor de bevalling, enzovoort)”.

54 Ook al hoeven de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden niet als louter gereedschap te worden beschouwd, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dit neemt niet weg dat de GS-toelichtingen op post 9018 het „zorgvuldiger karakter van de vervaardiging” van de in deze post bedoelde artikelen benadrukken.

55 De verwijzende rechter heeft zijnerzijds vastgesteld dat de stuwbanden die in het hoofdgeding aan de orde zijn, uitsluitend door medisch personeel voor medische doeleinden werden gebruikt. Maar zelfs als dat het geval zou zijn, volstaat dit niet om het product automatisch onder deze GN-post in te delen.

56 De verwijzende rechter en verzoekster in het hoofdgeding baseren zich op het arrest van 4 maart 2015, Oliver Medical (C‑547/13, EU:C:2015:139, punt 50). Het is juist dat het Hof in dat arrest heeft opgemerkt dat de betrokken producten een medische functie hadden. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, bestond er echter geen twijfel over de kwalificatie van de betrokken goederen als „instrumenten en/of apparaten”. De verwijzende rechter miskent dus de draagwijdte van dat arrest wanneer hij van oordeel is dat het voor indeling onder postonderverdeling 90189084 van de GN volstaat dat een goed voor medische doeleinden is bestemd en ten minste in beginsel of zelfs uitsluitend door medisch personeel wordt gebruikt. Zoals in de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest is vastgesteld, moeten de onder hoofdstuk 90 van de GN vallende producten om te beginnen worden gekenmerkt door hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid. Dit is echter niet het geval bij de stuwbanden die in het hoofdgeding aan de orde zijn, die simpel te vervaardigen zijn, aangezien het gaat om elastische riemen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van een patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloed op te stuwen.

57 Deze uitlegging wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof, waarin het Hof met betrekking tot eenvoudig vervaardigde producten heeft verduidelijkt dat het niet volstaat dat dergelijke producten bestemd zijn voor medische doeleinden om onder post 9018 van de GN te vallen. Zo heeft het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 juni 2011, Unomedical, (C‑152/10, EU:C:2011:402, punten 36‑39), geweigerd urineopvangzakken voor catheters en opvangzakken voor dialysemachines in te delen onder deze post 9018 [„deel” of „toebehoren” van een catheter (postonderverdeling 90183900) of een dialysemachine (kunstnier) (postonderverdeling 90189030)]. Het Hof was namelijk van oordeel dat geen van deze twee producten onmisbaar was voor de werking van de catheters of dialysemachines. Hieruit volgt dat niet alle artikelen die voor medische doeleinden worden gebruikt, automatisch onder deze tariefpost 9018 kunnen worden ingedeeld.

58 Bijgevolg kunnen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden, die de in punt 37 van het onderhavige arrest beschreven vorm hebben, overeenkomstig punt 1, onder b), van de toelichtingen op hoofdstuk 90 van de GN niet onder dit hoofdstuk worden ingedeeld, maar vallen zij veeleer onder afdeling XI van het tweede deel van de GN, met als opschrift „Textielstoffen en textielwaren”. In dit verband zij eraan herinnerd dat de uitsluiting van steungordels en andere banden van hoofdstuk 90 van de GN immers wordt gerechtvaardigd door het feit dat het gaat om zeer eenvoudige producten die ook op zeer eenvoudige en onnauwkeurige wijze werken, en dit louter door hun elasticiteit. Deze producten zijn dus niet vergelijkbaar met de andere onder hoofdstuk 90 vallende producten, die worden gekenmerkt door hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid. Daarom worden zij volgens punt 1, onder b), van de toelichtingen op hoofdstuk 90 van de GN ingedeeld onder afdeling XI van het tweede deel van de GN, met als opschrift „Textielstoffen en textielwaren”.

59 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuwbanden bovendien, net als dergelijke steungordels, zeer eenvoudige producten met een zeer eenvoudige werking, die niet erg nauwkeurig is. Terwijl steungordels werken via hun elasticiteit, oefenen stuwbanden druk uit op de arm. Bijgevolg moeten deze stuwbanden mutatis mutandis evenmin worden ingedeeld onder hoofdstuk 90 van de GN, maar dienen zij integendeel eveneens onder afdeling XI van het tweede deel van de GN te vallen, voor zover overeenkomstig punt 3, onder b), van de algemene regels voor de interpretatie van de GN hun textielgehalte het bestanddeel is waaraan deze stuwbanden hun wezenlijke karakter ontlenen.

60 Uit het voorgaande volgt dat de context van de GN en de GS-toelichtingen op post 9018 ervan in de weg staan aan een ruime interpretatie van deze post, volgens welke stuwbanden daarin kunnen worden ingedeeld op de enkele grond dat zij voor medische doeleinden worden gebruikt.

61 Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat het douanerecht voor de onder post 9018 van de GN vallende producten is vastgesteld op 0 %. Uit de rechtspraak volgt dat bepalingen die voorzien in een vrijstelling van douanerechten uitzonderingen zijn op het beginsel dat op in de Unie ingevoerde producten in het algemeen douanerechten worden geheven, en bijgevolg – als afwijkende bepalingen – strikt moeten worden uitgelegd (arresten van 17 februari 2011, Marishipping and Transport,C‑11/10, EU:C:2011:91, punt 16, en 12 december 2024, Malmö Motorrenovering,C‑781/23, EU:C:2024:1014, punt 21).

62 Ook al vormt de indeling van een product in hoofdstuk 90 van de GN strikt genomen geen vrijstelling van douanerechten, de vaststelling van het douanerecht op 0 % vormt niettemin een systematische uitzondering en staat dus in de weg aan een ruime uitlegging van dit hoofdstuk, hetgeen uiteindelijk wordt bevestigd door de in de punten 52 en 57 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

63 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat postonderverdeling 90189084 van de GN aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op stuwbanden in de vorm van elastische riemen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van een patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloed op te stuwen.

Tweede vraag

64 Gezien het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

65 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Postonderverdeling 90189084 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 254/2000 van de Raad van 31 januari 2000, in de versies die achtereenvolgens voortvloeien uit uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016, uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 en uitvoeringsverordening (EU) 2018/1602 van de Commissie van 11 oktober 2018,

moet aldus moet worden uitgelegd dat

zij niet van toepassing is op stuwbanden in de vorm van elastische riemen met een kliksluiting en een schuifgesp, die bestemd zijn om rond de arm van een patiënt te worden aangebracht om zijn aders samen te drukken teneinde zijn bloed op te stuwen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in