Gerecht EU 13 mei 2026, T-150/25, ECLI:EU:T:2026:345
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
13 mei 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Douanewetboek van de Unie – Recht op beroep – Artikel 44, lid 4, van verordening (EU) nr. 952/2013 – Beschikking inzake bindende tariefinlichtingen – Beroep in rechte – Correctie – Terugwerkende kracht”
In zaak T‑150/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 30 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 21 februari 2025, in de procedure
Zollamt Österreich
tegen
G GmbH,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull (rapporteur), president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu en W. Valasidis, rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 7 maart 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder c), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 10 december 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– G GmbH, vertegenwoordigd door W. Gappmayer, Rechtsanwalt,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door F. Meloncelli, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en B. Eggers als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 33, 34, 44 en 45 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 317, blz. 41) (hierna: „douanewetboek van de Unie”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G GmbH en het Zollamt Österreich (douanekantoor Oostenrijk; hierna: „douanekantoor”) betreffende de tariefindeling van stuwbanden voor eenmalig gebruik bij een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen (hierna: „BTI‑beschikking”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 26 en 27 van het douanewetboek van de Unie luiden: „(26) Teneinde een evenwicht te bereiken tussen enerzijds de noodzaak dat douaneautoriteiten de correcte toepassing van de douanewetgeving verzekeren en anderzijds het recht van marktdeelnemers op een billijke behandeling, dienen de douaneautoriteiten uitgebreide controlebevoegdheden en de marktdeelnemers een recht op beroep te verkrijgen. (27) Overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: „Handvest”)] dient eenieder niet alleen het recht te hebben om beroep in te stellen tegen een beschikking van de douaneautoriteiten, maar ook het recht te hebben om te worden gehoord voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt getroffen. […]”
4 Afdeling 3, „Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving”, van hoofdstuk 2 onder titel I van het douanewetboek van de Unie bevat de artikelen 22 tot en met 37.
5 Artikel 33, „[BTI‑beschikkingen]”, van dat wetboek bepaalt in lid 1: „De douaneautoriteiten geven op aanvraag [BTI‑beschikkingen] […] af. […]”
6 Artikel 34, „Beheer van [BTI‑beschikkingen]”, van het douanewetboek van de Unie bepaalt in de leden 1 en 3 tot en met 6: „1. Een BTI‑beschikking verliest haar geldigheid voor het einde van de in artikel 33, lid 3, bedoelde periode indien zij niet langer in overeenstemming is met het geldende recht, ten gevolge van één van de volgende gevallen: a) de wijziging van de nomenclaturen, als bedoeld in artikel 56, lid 2, onder a) en b); b) de vaststelling van maatregelen als bedoeld in artikel 57, lid 4; met ingang van de datum waarop de wijziging of de maatregelen van toepassing wordt of worden. […] 3. [BTI‑beschikkingen] verliezen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht. 4. In afwijking van artikel 23, lid 3, en artikel 27 worden [BTI‑beschikkingen] nietig verklaard indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager zijn gegeven. 5. [BTI‑beschikkingen] worden ingetrokken overeenkomstig artikel 23, lid 3, en artikel 28. Dergelijke beschikkingen worden echter niet ingetrokken als de houder van de beschikking daarom verzoekt. 6. [BTI‑beschikkingen] kunnen niet worden gewijzigd.”
7 Afdeling 6, „Beroep”, van hoofdstuk 2 onder titel I van het douanewetboek van de Unie bevat de artikelen 43 tot en met 45.
8 Artikel 44, „Recht op beroep”, van dat wetboek luidt als volgt: „1. Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. […] 2. Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend: a) eerst bij de douaneautoriteiten of een rechterlijke instantie dan wel een andere instantie die daartoe door de lidstaten is aangewezen; b) vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen een rechterlijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn. […] 4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.”
9 Artikel 45, „Schorsing van de tenuitvoerlegging”, van het douanewetboek van de Unie bepaalt: „1. Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking. 2. De douaneautoriteiten schorsen evenwel de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden. […]”
Oostenrijks recht
10 In § 279 van de Bundesabgabenordnung (federaal belastingwetboek) is bepaald: „(1) Behalve in de in § 278 bedoelde gevallen moet het Verwaltungsgericht [(bestuursrechter in eerste aanleg)] altijd bij wijze van vonnis over de zaak ten gronde beslissen. Het heeft het recht om zowel in het dictum als in de motivering zijn opvatting in de plaats te stellen van die van de belastingautoriteit en dienovereenkomstig de bestreden beschikking in elk opzicht te wijzigen, nietig te verklaren of het beroep tegen de beschikking als ongegrond te verwerpen. (2) Door de nietigverklaring van de bestreden beschikking bevindt de procedure zich weer in de situatie waarin zij zich bevond voordat die beschikking werd vastgesteld. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Op 27 oktober 2022 heeft het douanekantoor op aanvraag van G een BTI‑beschikking afgegeven voor een als „stuwband voor eenmalig gebruik” omschreven goed dat het heeft ingedeeld onder code 4008 219000 van het geïntegreerd tarief van de Europese Unie, met een geldigheidsduur van 27 oktober 2022 tot en met 26 oktober 2025.
12 Op 22 november 2022 heeft G bezwaar gemaakt tegen de beschikking van het douanekantoor en aangevoerd dat de tariefindeling inhoudelijk onjuist was. Het douanekantoor heeft het bezwaar afgewezen.
13 Op 5 mei 2023 heeft G tegen de beschikking van het douanekantoor beroep ingesteld bij het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk). Bij beslissing van 12 maart 2024 heeft het Bundesfinanzgericht het beroep toegewezen en die beschikking gewijzigd door het betrokken goed in te delen onder code 4014 900000 van het geïntegreerd tarief van de Unie, met ingang van de datum waarop het douanekantoor die beschikking had afgegeven.
14 Het douanekantoor heeft tegen de beslissing van het Bundesfinanzgericht beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter. Het douanekantoor stelt dat het Bundesfinanzgericht op grond van § 279 van de Bundesabgabenordnung de in punt 11 hierboven genoemde BTI‑beschikking met terugwerkende kracht heeft willen wijzigen, hetgeen volgens het douanewetboek van de Unie, in het bijzonder artikel 34, leden 3 en 6, niet is toegestaan.
15 Volgens de verwijzende rechter was het Bundesfinanzgericht overeenkomstig § 279, lid 1, van de Bundesabgabenordnung bevoegd om zijn opvatting in de plaats te stellen van die van het douanekantoor en dienovereenkomstig de betrokken beschikking met terugwerkende kracht te wijzigen tot de datum waarop die door het douanekantoor was afgegeven.
16 De verwijzende rechter merkt evenwel op dat artikel 34, lid 4, van het douanewetboek van de Unie uitdrukkelijk bepaalt dat BTI‑beschikkingen alleen met terugwerkende kracht nietig kunnen worden verklaard indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager zijn gegeven. Bovendien stelt de verwijzende rechter vast dat, krachtens artikel 34, lid 3, van dat wetboek, BTI‑beschikkingen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht verliezen. Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat artikel 34, lid 6, van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat BTI‑beschikkingen niet kunnen worden gewijzigd.
17 De verwijzende rechter heeft evenwel twijfels over de vraag of artikel 34 van het douanewetboek van de Unie gevolgen heeft voor de beroepen die op grond van artikel 44 van dat wetboek worden ingesteld.
18 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van […] het douanewetboek van de Unie, gelet op het feit dat de lidstaten er overeenkomstig artikel 44, lid 4, van [dit wetboek] zorg voor dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt, aldus worden uitgelegd dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [het douanewetboek van de Unie] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI‑beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI‑beschikking] heeft gegeven? 2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van […] het douanewetboek van de Unie aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in hun nationale procesrecht kunnen bepalen dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [dit wetboek] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI‑beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI‑beschikking] heeft gegeven?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
19 Met zijn twee prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI‑beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
20 Overeenkomstig artikel 44, lid 1, van het douanewetboek van de Unie heeft de adressaat van een door de douaneautoriteiten vastgestelde beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving het recht om tegen die beschikking beroep in te stellen.
21 Bovendien dragen de lidstaten er overeenkomstig artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.
22 Hieruit volgt dat de beslissingen van de rechterlijke instanties tot gevolg hebben dat de bij hen bestreden BTI‑beschikkingen hetzij worden bevestigd, in geval van verwerping van het beroep, hetzij worden gecorrigeerd, in geval van toewijzing van het beroep.
23 Vastgesteld dient echter te worden dat artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie niet preciseert op welke wijze de correctie van BTI‑beschikkingen moet plaatsvinden, aangezien het begrip „correctie” niet wordt gedefinieerd en evenmin naar het nationale recht wordt verwezen.
24 Uit vaste rechtspraak blijkt dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en waarvoor niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken [zie arrest van 20 november 2025, Servoprax (Medische stuwbanden),C‑631/23, EU:C:2025:906, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
25 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat in de omgangstaal het werkwoord „corrigeren” wordt gedefinieerd als de handeling waarbij iets wordt verbeterd of gewijzigd om het juist of passend te maken.
26 Hoewel uit de bewoordingen van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie niet ondubbelzinnig kan worden opgemaakt of de daarin bedoelde correctie terugwerkende kracht heeft, moet echter worden opgemerkt dat een snelle correctie van een onrechtmatige BTI‑beschikking kan leiden tot een wijziging met terugwerkende kracht van die beschikking. Op die manier verkrijgt de adressaat van de onjuiste BTI‑beschikking immers een volledige correctie die er met name op gericht is dat de passende indeling wordt ingevoerd, aangezien de onjuiste BTI‑beschikking wordt geacht nooit geldig te zijn geweest.
27 Bij gebreke van een andersluidende vermelding in de bewoordingen van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie, kan het begrip „correctie” dan ook zo worden opgevat dat het een correctie met terugwerkende kracht niet uitsluit waarmee wordt beoogd om de BTI‑beschikking de inhoud te geven die zij bij de vaststelling ervan had moeten hebben.
28 Wat in de tweede plaats de contextuele analyse betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat noch artikel 33 van het douanewetboek van de Unie noch artikel 34 van dit wetboek relevant kan zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dat wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI‑beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
29 De artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie, enerzijds, en artikel 44 van dit wetboek, anderzijds, zijn immers opgenomen in verschillende afdelingen van het douanewetboek van de Unie. Eerstgenoemde bepalingen zijn namelijk opgenomen in afdeling 3 („Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving”) van hoofdstuk 2 onder titel I van dat wetboek, en laatstgenoemde bepaling in afdeling 6 („Beroep”) van hoofdstuk 2 onder titel I ervan.
30 Bovendien verleent artikel 33 van het douanewetboek van de Unie de bevoegdheid om BTI‑beschikkingen af te geven aan de douaneautoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de toepassing van de douanewetgeving. Voorts regelt artikel 34 van het douanewetboek van de Unie het beheer van BTI‑beschikkingen, en meer in het bijzonder het verlies van de geldigheid, de intrekking, de wijziging of de nietigverklaring van de BTI‑beschikkingen door de douaneautoriteiten. De rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 44 van het douanewetboek van de Unie bevoegd zijn om uitspraak te doen over beroepen tegen beschikkingen die door de douaneautoriteiten worden gegeven, moeten echter van deze laatste autoriteiten worden onderscheiden (zie in die zin arrest van 21 september 2023, OGL-Food Trade Lebensmittelvertrieb, C‑770/21, EU:C:2023:690, punt 69).
31 Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de werking in de tijd van beschikkingen van de douaneautoriteiten dus noch bepalend zijn voor noch enige invloed uitoefenen op de werking in de tijd van beslissingen van de rechterlijke instanties, aangezien de Uniewetgever de behandeling van de beslissingen van rechterlijke instanties niet heeft afgestemd op die van de beschikkingen van douaneautoriteiten.
32 Bijgevolg wordt de vraag of beslissingen die zijn genomen naar aanleiding van een overeenkomstig artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie ingesteld beroep al dan niet terugwerkende kracht hebben, niet geregeld door de artikelen 33 en 34 van dat wetboek.
33 Ten tweede volgt uit artikel 45 van het douanewetboek van de Unie, dat is opgenomen in dezelfde afdeling als artikel 44 van dit wetboek, dat de douaneautoriteiten de tenuitvoerlegging van een BTI‑beschikking waartegen beroep is ingesteld geheel of gedeeltelijk schorsen indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat die beschikking niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.
34 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid moet hebben om voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan. Artikel 45 van het douanewetboek van de Unie doet dus niet af aan de bevoegdheid van de rechterlijke instanties waarbij krachtens artikel 44, lid 2, van dit wetboek een beroep is ingesteld, om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen teneinde te voldoen aan de op hen rustende verplichting om de volle werking van het Unierecht te verzekeren (zie in die zin arrest van 11 januari 2001, Kofisa Italia, C‑1/99, EU:C:2001:10, punten 48 en 49).
35 Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat de toekenning van de schorsing van de tenuitvoerlegging noodzakelijkerwijs gepaard met de mogelijkheid om de rechtspositie van de marktdeelnemers met terugwerkende kracht te herstellen teneinde te voorkomen dat zij onrechtmatige financiële schade lijden wanneer een oorspronkelijke beschikking onjuist blijkt te zijn.
36 Bijgevolg stelt artikel 45 van het douanewetboek van de Unie geen beperking aan de mogelijkheid van de rechtelijke instanties waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI‑beschikking, om terugwerkende kracht toe te kennen aan de beslissing op dat beroep teneinde te voldoen aan hun verplichting om de volle werking van dat beroep te verzekeren.
37 In de derde plaats dient te worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging ook steun vindt in het doel van artikel 44 van het douanewetboek van de Unie, dat beoogt het recht van marktdeelnemers te waarborgen om beroep in te stellen tegen een beschikking van een douaneautoriteit.
38 Zoals blijkt uit de overwegingen 26 en 27 van het douanewetboek van de Unie, staat het immers aan de lidstaten om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen waarmee de eerbiediging van het grondrecht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, kan worden verzekerd.
39 Welnu, een beroep kan niet als doeltreffend worden beschouwd indien het de situatie die uit een onrechtmatige BTI‑beschikking voortvloeit niet ongedaan maakt en de marktdeelnemer die adressaat van deze beschikking is niet in de situatie plaatst waarin hij zich zou hebben bevonden indien de betrokken onrechtmatigheid niet had plaatsgevonden.
40 Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan het laten voortbestaan van de gevolgen van een als onrechtmatig beschouwde BTI‑beschikking bovendien in strijd zijn met het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, aangezien deze gevolgen worden gehandhaafd jegens een marktdeelnemer die nochtans binnen de gestelde termijnen beroep tegen die beschikking heeft ingesteld.
41 Zoals blijkt uit de punten 26 en 27 hierboven kan artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie overigens niet eraan in de weg staan dat de rechterlijke instanties waarbij krachtens artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld, gelasten dat de beslissing op een beroep tegen een BTI‑beschikking terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop die beschikking door de douaneautoriteit is afgegeven, teneinde te voldoen aan hun verplichting om de volle werking van het Unierecht te verzekeren.
42 Voorts zij aan herinnerd dat de rechtszekerheid tot de in het Unierecht erkende algemene beginselen behoort. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij tot die zekerheid. Bijgevolg vereist het Unierecht niet dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een besluit dat aldus definitief is geworden (arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz, C‑453/00, EU:C:2004:17, punt 24).
43 Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 en 61 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, eist het rechtszekerheidsbeginsel echter alleen dat de werking van een BTI‑beschikking waartegen beroep is ingesteld pas definitief wordt wanneer het beroep definitief is verworpen of, indien geen beroep is ingesteld, bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijnen. Het rechtszekerheidsbeginsel kan dus niet worden ingeroepen om te rechtvaardigen dat de gevolgen van een BTI‑beschikking gehandhaafd blijven in de periode tussen de inwerkingtreding ervan en de toewijzing van het daartegen ingestelde beroep in rechte.
44 In tegenstelling tot hetgeen de Italiaanse regering stelt, te weten dat het moeilijk is om ervoor te zorgen dat alle andere lidstaten daadwerkelijk kennis hebben van een nationale rechterlijke beslissing tot nietigverklaring of correctie met terugwerkende kracht, dient voorts te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 21, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558) voor de uitwisseling en opslag van informatie in het kader van aanvragen en BTI‑beschikkingen en elke daaropvolgende gebeurtenis die invloed kan hebben op de oorspronkelijke aanvraag of beschikking, een elektronisch systeem wordt gebruikt dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het douanewetboek van de Unie voor deze doeleinden is opgezet. Derhalve wordt, zoals de Europese Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, bij nietigverklaring of wijziging van een BTI‑beschikking als gevolg van een beslissing van een rechterlijke instantie de informatie door de betrokken douaneautoriteit in dit elektronisch systeem ingevoerd door middel van een met de BTI‑beschikking verbonden ongeldigheidscode, samen met de desbetreffende datum, en wordt zij dus voor alle andere douaneautoriteiten zichtbaar.
45 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI‑beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters), rechtdoende, verklaart:
Artikel 44, lid 4, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van die verordening beroep is ingesteld tegen een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
Sampol Pucurull Pynnä Laitenberger Stancu Valasidis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 mei 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.