HvJ EU 13 november 2025, C-197/24, ECLI:EU:C:2025:876

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

13 november 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/7/EU – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Werkingssfeer – Artikel 2, punten 1 en 3 – Begrip onderneming – Begrip handelstransactie – Overeenkomst tot verstrekking van juridische diensten in het kader van de oprichting van een handelsvennootschap – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 2, onder b) – Begrip consument – Natuurlijke persoon die gebruik heeft gemaakt van de diensten van een advocaat ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap ”

In zaak C‑197/24 [Šiľarský] (i),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door Mestský súd Bratislava IV (rechter in eerste aanleg Bratislava, Slowakije) bij beslissing van 13 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 12 maart 2024, in de procedure

AK

tegen

RU,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi, N. Jääskinen, en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová en A. Lukáčik als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, R. Lindenthal en D. Milanowska als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, artikel 2, punten 1 en 3, en artikel 6 van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1), en van artikel 2, onder b), en artikel 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AK, een vennootschap die juridische diensten verstrekt, en RU, een natuurlijke persoon, over de betaling van een honorarium voor juridische diensten.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

Richtlijn 2011/7

3 In overweging 8 van richtlijn 2011/7 staat te lezen:

„Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden beperkt tot betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Deze richtlijn mag niet strekken tot regulering van transacties met consumenten [...]”

4 Artikel 1 („Voorwerp en toepassingsgebied”) van deze richtlijn bepaalt in lid 2:

„Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.”

5 Artikel 2 („Definities”) van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. ,handelstransacties’: transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding;

[...]

3. ,onderneming’: elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend;

[...]”

6 Artikel 6 („Vergoeding van invorderingskosten”) van richtlijn 2011/7 bepaalt in lid 1:

„De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeiser wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand overeenkomstig de artikelen 3 of 4 verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen.”

Richtlijn 93/13

7 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

8 Artikel 2, onder b), van deze richtlijn bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

b) consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen”.

9 Artikel 8 van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag.”

Slowaaks recht

Wetboek van koophandel

10 § 369c van zákon č. 513/1991 Zb. Občiansky zákonník (wet nr. 513/1991 houdende het wetboek van koophandel), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wetboek van koophandel”), bepaalt in de leden 1 en 2:

„(1) In het geval van vertraging van de zijde van de schuldenaar heeft de schuldeiser [...] recht op een forfaitaire vergoeding voor de gemaakte invorderingskosten, zonder dat daarvoor een afzonderlijke aanmaning hoeft te worden verzonden. Het bedrag van de forfaitaire vergoeding voor de invorderingskosten wordt vastgesteld bij besluit van de regering van de Slowaakse Republiek.

(2) De bepaling van lid 1 is niet van toepassing wanneer de vordering voortvloeit uit een consumentenovereenkomst en de schuldenaar een consument is.”

Burgerlijk wetboek

11 In § 52 van zákon č. 40/1964 Zb. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 houdende het burgerlijk wetboek) van 26 februari 1964, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), is bepaald:

„(1) Het begrip ‚consumentenovereenkomst’ heeft betrekking op iedere overeenkomst tussen een verkoper en een consument, ongeacht de rechtsvorm ervan.

(2) De bepalingen inzake consumentenovereenkomsten, evenals alle andere voorschriften die van toepassing zijn op rechtsbetrekkingen waarbij een consument betrokken is, zijn steeds van toepassing wanneer dit in het voordeel is van een contractpartij die een consument is. Andere contractuele regelingen of afspraken waarvan de inhoud of het doel erin bestaat om deze bepaling te omzeilen, zijn nietig. De bepalingen van het burgerlijk wetboek zijn steeds bij voorrang van toepassing op alle rechtsbetrekkingen waarbij een consument betrokken is, ook wanneer anders de bepalingen van het handelsrecht van toepassing zouden zijn.

(3) Een verkoper is een persoon die bij het sluiten of uitvoeren van een consumentenovereenkomst handelt in het kader van zijn handelsactiviteit of een andere economische activiteit.

(4) Een natuurlijke persoon die bij het sluiten of uitvoeren van een overeenkomst met een verkoper niet handelt in het kader van zijn handelsactiviteit of een andere economische activiteit, is een consument.”

Wet inzake de advocatuur

12 § 18, lid 4, van zákon č. 586/2003 Z. z. o advokácii a o zmene a doplnení zákona č. 455/1991 Zb. o živnostenskom podnikaní (živnostenský zákon) [wet nr. 586/2003 inzake de advocatuur en tot wijziging van en aanvulling op wet nr. 455/1991 inzake de uitoefening van economische activiteiten (wet op de economische activiteiten)], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet inzake de advocatuur”), bepaalt:

„Bij het verlenen van een juridische diensten is een advocaat gehouden om een cliënt die een consument van dergelijke diensten is nog voordat de juridische dienst wordt aangevat te informeren over het bedrag van de vergoeding voor deze dienst. Anders heeft hij geen recht op vergoeding. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 AK, een vennootschap die juridische diensten verricht, heeft bij de Mestský súd Bratislava IV (rechter in eerste aanleg Bratislava, Slowakije), de verwijzende rechter, overeenkomstig § 369c van het wetboek van koophandel, dat uitvoering geeft aan artikel 6 van richtlijn 2011/7, beroep ingesteld tot veroordeling van RU, een natuurlijke persoon, tot betaling van het honorarium voor juridische diensten en van een forfaitair bedrag van 40 EUR ter vergoeding van de invorderingskosten.

14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat RU, die een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Slowaaks recht wilde oprichten waarvan hij medeoprichter, vennoot en zaakvoerder zou zijn, in 2022 contact heeft opgenomen met een advocaat die vervolgens vennoot is geworden van verzoekster in het hoofdgeding. Er is mondeling een overeenkomst gesloten voor de verlening van juridische diensten tegen een forfaitaire vergoeding.

15 Volgens de verwijzende rechter zijn een ontwerpvennootschapsovereenkomst en andere documenten opgesteld en aan RU toegezonden, samen met een factuur, die op de vervaldatum van 17 januari 2023 niet was betaald.

16 In het hoofdgeding betwist RU dat hij een overeenkomst voor juridische dienstverlening heeft gesloten en dat er een overeenkomst is over een vergoeding voor die diensten, aangezien de vennootschapsovereenkomst en de andere documenten hem zijn toegezonden zonder dat hij daar vooraf om had verzocht. Voorts is hij van mening dat het geding wegens zijn hoedanigheid van consument onder de bepalingen van het burgerlijk recht valt, terwijl AK stelt dat het gaat om een handelsgeschil, dat onder de bepalingen van het handelsrecht valt.

17 In deze omstandigheden heeft Mestský súd Bratislava IV de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet artikel 1, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 3, en artikel 6, lid 1, van richtlijn [2011/7], aldus worden uitgelegd dat (i) het begrip ,onderneming’ ook betrekking heeft op een natuurlijke persoon die in een geval als dat van het hoofdgeding gebruikmaakt van de juridische diensten van een advocaat ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarin hij lid van het bestuur en een van de twee oprichters en vennoten zal zijn, en (ii) het begrip ,handelstransactie’ betrekking heeft op een handeling die er in een geval als dat van het hoofdgeding aanleiding toe geeft dat een advocaat diensten ten behoeve van de oprichting van een dergelijke vennootschap verleent aan een dergelijke persoon?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet het begrip ,consument’ zoals bedoeld in artikel 2, onder b), van [richtlijn 93/13], gelezen in samenhang met artikel 8 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het in een geval als dat van het hoofdgeding ook betrekking heeft op een natuurlijke persoon tegen wie een schuldvordering is ingesteld uit hoofde van een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, wanneer die overeenkomst betrekking had op de verrichting van diensten ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap en die natuurlijke persoon lid van het bestuur en een van de twee oprichters en vennoten in deze vennootschap zou zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

18 Opgemerkt dient te worden dat het door AK ingestelde beroep met name is gebaseerd op § 369c van het wetboek van koophandel, waarbij het in de eerste vraag genoemde artikel 6, lid 1, van richtlijn 2011/7 in Slowaaks recht is omgezet. Dit laatste artikel bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de schuldeiser, wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen.

19 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat de verwijzende rechter meer bepaald vragen heeft over de begrippen „handelstransactie” en „onderneming” in de zin van deze richtlijn.

20 Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/7, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 3, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een natuurlijke persoon gebruik heeft gemaakt van de diensten van een advocaat ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, als zodanig volstaat om deze persoon als „onderneming” en de met deze advocaat gesloten transactie derhalve als „handelstransactie” aan te merken.

21 Vooraf zij in herinnering gebracht dat richtlijn 2011/7 volgens artikel 1, lid 2, ervan van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Dit begrip wordt in artikel 2, punt 1, van die richtlijn gedefinieerd als „transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Deze laatste bepaling moet worden gelezen in het licht van overweging 8 van die richtlijn, waarin wordt verduidelijkt dat transacties met consumenten van het toepassingsgebied ervan zijn uitgesloten (zie in die zin arresten van 15 december 2016, Nemec, C‑256/15, EU:C:2016:954, punt 30, en 13 januari 2022, New Media Development & Hotel Services, C‑327/20, EU:C:2022:23, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Een „onderneming” in de zin van richtlijn 2011/7 is volgens artikel 2, punt 3, ervan elke organisatie, met uitsluiting van overheidsinstanties, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze activiteit door slechts één persoon wordt uitgeoefend.

23 Er zij tevens op gewezen dat bij richtlijn 2011/7, richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2000, L 200, blz. 35) is ingetrokken en vervangen. Aangaande de bepalingen van laatstgenoemde richtlijn, die gelijkwaardig zijn aan de in de punten 21 en 22 van dit arrest genoemde bepalingen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het vereiste dat een persoon handelt als organisatie in het kader van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, impliceert dat deze persoon, ongeacht zijn rechtsvorm en zijn statuut naar nationaal recht, die activiteit gestructureerd en duurzaam uitoefent. Daarbij mag het niet slechts gaan om één geïsoleerde verrichting, en moet de betrokken transactie in het kader van die activiteit worden gesloten (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C‑256/15, EU:C:2016:954, punten 33 en 34).

24 Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van de betrokken transactie in aanmerking worden genomen (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Nemec, C‑256/15, EU:C:2016:954, punt 41).

25 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat RU, een natuurlijke persoon, op een gestructureerde en duurzame manier een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende en dat de transactie waarbij hij een beroep heeft gedaan op de diensten van een advocaat in het kader van die activiteit had kunnen worden gesloten.

26 Deze vaststelling staat ook in de weg aan de door de verwijzende rechter genoemde hypothese dat RU als onderneming kan worden aangemerkt op grond van het feit dat hij een beroep heeft gedaan op juridische diensten met het oog op een toekomstige beroepsactiviteit. Bij de beoordeling van het vereiste dat de betrokken transactie moet plaatsvinden in het kader van de zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit van de betrokken persoon, moet namelijk worden gekeken naar het tijdstip waarop die transactie werd gesloten (zie in die zin arrest van 14 november 2024, Agenciart – Management Artístico, C‑643/23, EU:C:2024:959, punt 35). Wat dit betreft heeft de mogelijkheid dat de hoedanigheid van die persoon verandert, met name als gevolg van de gesloten transactie, geen invloed op de hoedanigheid die hij bezat op de datum van de sluiting van de transactie (zie in die zin, betreffende richtlijn 93/13, arrest van 20 maart 2025, Arce, C‑365/23, EU:C:2025:192, punt 51).

27 Bovendien volgt weliswaar uit de in punt 24 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat het verband tussen de betrokken transactie en het doel dat wordt nagestreefd door de persoon die deze transactie sluit een van de factoren kan zijn die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of richtlijn 2011/7 in een bepaald geval van toepassing is, maar dit kan op zichzelf niet volstaan om aan te nemen dat RU bij de sluiting van de transactie in het hoofdgeding heeft gehandeld als „onderneming” in de zin van artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7.

28 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit het arrest van 3 juli 1997, Benincasa (C‑269/95, EU:C:1997:337), en het arrest van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165), relevant kan zijn voor de onderhavige zaak, aangezien in de zaken die tot die arresten hebben geleid bepaalde feitelijke omstandigheden in aanmerking zijn genomen om te concluderen dat de betrokken persoon een handelsactiviteit uitoefende.

29 Er zij echter aan herinnerd dat die twee zaken betrekking hadden op de uitlegging van de regels voor de rechterlijke bevoegdheid inzake consumentenovereenkomsten en dat het Hof in die zaken het begrip „consument” heeft uitgelegd in de zin van deze regels voor de rechterlijke bevoegdheid. Ten eerste verduidelijkt overweging 8 van richtlijn 2011/7 dat transacties met consumenten niet binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, terwijl artikel 1 ervan dit toepassingsgebied positief definieert door te verwijzen naar „handelstransacties” tussen „ondernemingen”.

30 Ten tweede, zoals de advocaat-generaal in punten 40 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, beoogt richtlijn 2011/7 betalingsachterstanden te ontmoedigen en de schuldeiser doeltreffend tegen dergelijke achterstanden te beschermen (zie in die zin arrest van 12 december 2024, Tusnia, C‑725/23, EU:C:2024:1015, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat zijn dus andere doelstellingen dan die van de bevoegdheidsregels die zijn uitgelegd in de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde arresten.

31 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de overwegingen van het Hof in die arresten niet kunnen worden toegepast op de uitlegging van het begrip „onderneming” als bedoeld in richtlijn 2011/7.

32 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/7, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 3, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een natuurlijke persoon gebruik heeft gemaakt van de diensten van een advocaat ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, als zodanig niet kan volstaan om deze persoon als „onderneming” en de met deze advocaat gesloten transactie derhalve als „handelstransactie” aan te merken.

Tweede vraag

33 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 8 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon tegen wie een schuldvordering wordt ingesteld die voortvloeit uit een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, onder het begrip „consument” in de zin van die richtlijn valt.

Bevoegdheid van het Hof

34 De verwijzende rechter merkt op dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op de problematiek van oneerlijke bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument. Hij is evenwel van oordeel dat de gevraagde uitlegging van de bepalingen van richtlijn 93/13 noodzakelijk is ingeval de natuurlijke persoon die verweerder in het hoofdgeding is niet onder het begrip „onderneming” in de zin van artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7 valt, aangezien het begrip „consument” in § 52, lid 4, van het burgerlijk wetboek, waarbij artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 in Slowaaks recht is omgezet, is overgenomen in § 18, lid 4, van de wet inzake de advocatuur, die in het hoofdgeding aan de orde is.

35 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak bevoegd is om uitspraak te doen over verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van het Unierecht in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet rechtstreeks binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar waarin de bepalingen van dat recht toepasselijk zijn gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwijst (arresten van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2022, Cafpi en Aviva assurances, C‑691/21, EU:C:2022:926, punt 30).

36 In dergelijke situaties heeft de Europese Unie er immers stellig belang bij dat de uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd, teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden (arresten van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2022, Cafpi en Aviva assurances, C‑691/21, EU:C:2022:926, punt 31).

37 Dat het Hof Unierechtelijke bepalingen uitlegt in situaties die niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, is dus gerechtvaardigd wanneer deze bepalingen door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties, teneinde een gelijke behandeling te verzekeren van deze situaties en situaties die binnen de werkingssfeer van die bepalingen vallen (arresten van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2022, Cafpi en Aviva assurances, C‑691/21, EU:C:2022:926, punt 32).

38 In casu geeft de verwijzende rechter – die in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingestelde stelsel van rechterlijke samenwerking als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen – aan dat de Slowaakse wetgever bij § 18, lid 4, van de wet inzake de advocatuur heeft besloten om het begrip „consument” van § 52, lid 4, van het burgerlijk wetboek ook op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toe te passen op het gebied van aan advocaten verschuldigde honoraria. Daarom is de uitlegging van dit begrip noodzakelijk om hem in staat te stellen het bij hem aanhangige geding te beslechten.

39 Deze rechter wijst er tevens op dat § 52, lid 1, van het burgerlijk wetboek, net als richtlijn 93/13, van toepassing is op „iedere overeenkomst tussen een verkoper en een consument, ongeacht de rechtsvorm ervan” en dat § 52, lid 4, van het burgerlijk wetboek artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 in Slowaaks recht omzet door in essentie de bewoordingen van deze bepaling over te nemen.

40 In die omstandigheden heeft de Unie er stellig belang bij dat het Hof zich uitspreekt over de gevraagde uitlegging.

41 Bijgevolg is het Hof bevoegd om zich over de tweede vraag van de verwijzende rechter uit te spreken.

Ten gronde

42 Om te beginnen zij opgemerkt dat artikel 8 van richtlijn 93/13 ertoe strekt de lidstaten de mogelijkheid te geven, met inachtneming van het VWEU, in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van die richtlijn [zie in die zin arrest van 21 september 2023, mBank (Pools register van oneerlijk bevonden bedingen), C‑139/22, EU:C:2023:692, punt 39]. In casu heeft de tweede vraag van de verwijzende rechter echter betrekking op de definitie van het begrip „consument” en niet op de beoordeling of de betrokken nationale bepalingen strenger zijn.

43 Dat artikel 8 is bijgevolg niet relevant voor een nuttig antwoord op deze tweede vraag.

44 Artikel 2, onder b), van deze richtlijn bepaalt dat onder „consument” wordt verstaan iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.

45 Zo moet de hoedanigheid van „consument” van de betrokken persoon worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de betrokken contractuele verhouding deel uitmaakt van activiteiten die niets vandoen hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf. Het Hof heeft eveneens de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip „consument”), C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46 Richtlijn 93/13 definieert de overeenkomsten waarop zij van toepassing is dus aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in het kader van hun bedrijfs- of beroepsactiviteit handelen (zie arrest van 21 maart 2019, Pouvin en Dijoux, C‑590/17, EU:C:2019:232, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Zoals in punt 25 van het onderhavige arrest is opgemerkt, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, blijkt in casu uit geen van de door deze rechter verstrekte gegevens dat de natuurlijke persoon die verweerder in het hoofdgeding is op het tijdstip waarop de overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten werd gesloten een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende in het kader waarvan deze overeenkomst had kunnen worden gesloten.

48 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het doel van RU was om een handelsactiviteit te ondernemen.

49 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de hoedanigheid van „consument” van een persoon in de zin van richtlijn 93/13 moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten (zie in die zin arrest van 20 maart 2025, Arce, C‑365/23, EU:C:2025:192, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In dit verband heeft het feit dat de situatie van de natuurlijke persoon die verweerder in het hoofdgeding is, kon veranderen, geen invloed op de hoedanigheid die hij op de datum van sluiting van de betrokken overeenkomst bezat (zie in die zin arrest van 20 maart 2025, Arce, C‑365/23, EU:C:2025:192, punt 51).

51 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een overeenkomst heeft gesloten voor de verstrekking van juridische diensten ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, onder het begrip „consument” in de zin van deze bepaling valt, op voorwaarde dat deze persoon op het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten geen zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende in het kader waarvan deze overeenkomst had kunnen worden gesloten.

Kosten

52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 1 en 3, van deze richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

het feit dat een natuurlijke persoon gebruik heeft gemaakt van de diensten van een advocaat ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, als zodanig niet kan volstaan om deze persoon als „onderneming” en de met deze advocaat gesloten transactie derhalve als „handelstransactie” aan te merken.

2) Artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

moet aldus worden uitgelegd dat

een natuurlijke persoon die een overeenkomst heeft gesloten voor de verstrekking van juridische diensten ten behoeve van de oprichting van een handelsvennootschap waarvan hij medeoprichter, vennoot en bestuurder zou worden, onder het begrip „consument” in de zin van deze bepaling valt, op voorwaarde dat deze persoon op het tijdstip waarop de overeenkomst werd gesloten geen zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefende in het kader waarvan deze overeenkomst had kunnen worden gesloten.

ondertekeningen

* Procestaal: Slowaaks.

i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in