HvJ EU 24 november 2022, C-691/21, ECLI:EU:C:2022:926
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
24 november 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 85/374/EEG – Artikel 3 – Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Begrip ,producent’ – Elektriciteitsdistributiesysteembeheerder die de spanning van elektriciteit aanpast met het oog op de distributie ervan”
In zaak C‑691/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 10 november 2021, ingekomen bij het Hof op 18 november 2021, in de procedure
Cafpi SA,
Aviva assurances SA
tegen
Enedis SA,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis en Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Enedis SA, vertegenwoordigd door G. Thouvenin, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en W. Zemamta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en K. Talabér‑Ritz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB 1985, L 210, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999 (PB 1999, L 141, blz. 20).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, Cafpi SA en haar verzekeraar Aviva assurances SA, en, anderzijds, elektriciteitsdistributiesysteembeheerder Enedis SA, over de vergoeding van schade die is veroorzaakt door overspanning.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De vierde en de vijfde overweging van richtlijn 85/374 luiden: „Overwegende dat de bescherming van de consument vereist dat alle deelnemers aan het productieproces aansprakelijk zijn, indien het eindproduct, een onderdeel of de door hen geleverde grondstof gebreken vertoont; dat om dezelfde reden aansprakelijk moeten zijn diegenen die producten in de Gemeenschap invoeren, die zich als producent presenteren door op het product hun naam, hun merk of een ander onderscheidingsteken aan te brengen of die een product leveren waarvan niet kan worden vastgesteld wie de producent is; Overwegende dat, wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, de bescherming van de consument vereist dat de gelaedeerde zich op ongeacht wie van hen voor de volle omvang van de schade kan verhalen”.
4 Artikel 1 van die richtlijn luidt: „De producent is aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product.”
5 Artikel 2 van die richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚product’ verstaan een roerende zaak, ook nadat zij een bestanddeel van een andere roerende of onroerende zaak is gaan vormen. Onder ‚product’ wordt ook elektriciteit verstaan.”
6 Artikel 3 van dezelfde richtlijn luidt: „1. Onder ‚producent’ wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen. 2. Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt eenieder die een product in de Gemeenschap invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of anderszins te verstrekken, in het kader van zijn commerciële activiteiten, beschouwd als producent in de zin van deze richtlijn; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent. 3. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven.”
7 Artikel 5 van richtlijn 85/374 bepaalt het volgende: „Indien uit hoofde van deze richtlijn verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk hunner hoofdelijk aansprakelijk, onverminderd de bepalingen van het nationale recht inzake regres.”
8 Artikel 9 van die richtlijn luidt: „Onder ‚schade’ in de zin van artikel 1 wordt verstaan: […] b) beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise ten belope van 500 [EUR], indien deze zaak i) gewoonlijk [bestemd] is voor ge‑ of verbruik in de privésfeer en ii) door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge‑ of verbruik in de privésfeer. […]”
9 Artikel 11 van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de rechten die de gelaedeerde aan deze richtlijn ontleent, komen te vervallen na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure tegen hem heeft ingesteld.”
Frans recht
10 Richtlijn 85/374 is in de Franse rechtsorde omgezet bij loi no 98‑389, du 19 mai 1998, relative à la responsabilité du fait des produits défectueux (wet nr. 98‑389 van 19 mei 1998 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken) (JORF van 21 mei 1998, blz. 7744), waarbij in de code civil (Frans burgerlijk wetboek; hierna: „code civil”) de artikelen 1386‑1 tot en met 1386‑18, thans de artikelen 1245 tot en met 1245‑17, zijn ingevoegd.
11 Artikel 1386‑1, thans artikel 1245, van de code civil bepaalt: „De producent is aansprakelijk voor de schade die door een gebrek in zijn product wordt veroorzaakt, ongeacht of hij met de gelaedeerde een overeenkomst heeft gesloten.”
12 Artikel 1386‑2, thans artikel 1245‑1, van dit wetboek luidt: „De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de vergoeding van schade aan de persoon. Zij zijn eveneens van toepassing op de vergoeding van schade boven een bij decreet vastgesteld bedrag die aan een ander dan het gebrekkige goed zelf wordt veroorzaakt.”
13 Artikel 1386‑3, thans artikel 1245‑2, van de code civil bepaalt: „Onder ‚product’ wordt verstaan elk roerend goed, ook indien het een bestanddeel vormt van een onroerend goed, met inbegrip van producten van de bodem, de veefokkerij, de jacht en de visserij. Onder ‚product’ wordt ook elektriciteit verstaan.”
14 Artikel 1386‑6, eerste alinea, thans artikel 1245‑5, eerste alinea, van de code civil bepaalt: „Onder ‚producent’ wordt verstaan, voor zover hij beroepsmatig handelt, de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof, en de fabrikant van een onderdeel.”
15 Artikel 1386‑7, thans artikel 1245‑6, eerste alinea, van de code civil luidt als volgt: „Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent is, is de verkoper, de verhuurder, met uitzondering van de lessor of een daarmee gelijk te stellen verhuurder, en elke andere beroepsmatig handelende leverancier onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk voor veiligheidsgebreken van zijn product, tenzij hij zijn eigen leverancier of de producent aanwijst binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de vordering van de gelaedeerde hem is meegedeeld.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16 Op 28 juli 2010 zijn defecten vastgesteld aan een aantal elektrische apparaten waarmee een agentschap van Cafpi was uitgerust. Volgens een buitengerechtelijk deskundigenonderzoek zijn deze defecten veroorzaakt door overspanning als gevolg van een onderbreking van de nulgeleider van het elektriciteitsdistributienet dat door Enedis wordt beheerd.
17 Cafpi is gedeeltelijk vergoed door haar verzekeraar Aviva assurances. Samen hebben zij Enedis gedagvaard tot vergoeding van de geleden schade op grond van de algemene bepaling inzake contractuele aansprakelijkheid, te weten het oude artikel 1147 van de code civil. Enedis bracht daartegen in dat alleen de regels van de code civil inzake aansprakelijkheid voor producten met gebreken van toepassing waren en dat de door Cafpi en Aviva assurances ingestelde schadevordering verjaard was.
18 Bij vonnis van 6 juli 2018 heeft de rechter bij wie de vordering aanhangig was gemaakt de toepassing van laatstgenoemde regels afgewezen, maar ook de vorderingen van verzoeksters ongegrond verklaard.
19 Bij arrest van 6 februari 2020 heeft de cour d’appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk) dat vonnis vernietigd. Deze rechter was van oordeel dat de elektriciteit die door Électricité de France SA werd geproduceerd geen eindproduct was aangezien het daarbij ging om elektriciteit onder hoogspanning, die derhalve ongeschikt was voor gebruik, en dat Enedis die elektriciteit transformeerde teneinde deze aan de eindafnemer te kunnen distribueren. Bijgevolg was Enedis de fabrikant van het eindproduct dat bestemd was voor distributie aan de afnemer en was zij producent in de zin van de wetgeving inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken. Deze rechter heeft derhalve geoordeeld dat deze wetgeving van toepassing was en dat de vordering van Cafpi en Aviva assurances wegens verjaring niet-ontvankelijk was.
20 Cafpi en Aviva assurances hebben tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk).
21 De verwijzende rechter vraagt zich af of een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder die de spanning van de elektriciteit aanpast met het oog op de distributie daarvan aan de eindafnemer, dient te worden beschouwd als een „producent” van elektriciteit in de zin van richtlijn 85/374.
22 Om te beginnen wijst deze rechter erop dat de kwalificatie van een marktdeelnemer als Enedis als producent van elektriciteit volgens zijn advocaat-generaal „niet strookt met de reële contractuele en economische betrekkingen tussen de verschillende actoren uit de sector” aangezien de distributiesysteembeheerder geen elektriciteit kan opwekken uit een grondstof die hij niet heeft gekocht, en, ten tweede, deze beheerder geen elektriciteit verkoopt, aangezien deze door de afnemer wordt gekocht bij de leverancier.
23 Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) in een vergelijkbare zaak bij een arrest van 25 februari 2014 daarentegen heeft geoordeeld dat de elektriciteitsdistributiesysteembeheerder wél diende te worden beschouwd als een producent wanneer hij de elektriciteit duidelijk transformeert, dat wil zeggen de spanning ervan aanpast met het oog op gebruik door de eindafnemer.
24 Tot slot heeft de verwijzende rechter twijfels over een dergelijke beoordeling op grond dat zij mogelijkerwijs niet verenigbaar is met de richtlijnen betreffende de interne markt voor elektriciteit, te weten richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (PB 1997, L 27, blz. 20), richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB 2003, L 176, blz. 37), en richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55). Deze richtlijnen verlangen van de transmissie- en distributiesysteembeheerders namelijk dat zij onafhankelijk zijn ten opzichte van de productie of de levering van elektriciteit, welke activiteiten voor mededinging zijn opengesteld.
25 Daarop heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 2 en artikel 3, lid 1, van richtlijn [85/374] aldus worden uitgelegd dat een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder kan worden beschouwd als een ‚producent’, wanneer hij de spanning van de elektriciteit van de leverancier aanpast met het oog op de distributie ervan aan de eindafnemer?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
26 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, wijst de Europese Commissie op de mogelijkheid dat de gestelde vraag niet-ontvankelijk is omdat zij niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. De schade waarvan Cafpi vergoeding vordert, is immers schade aan elektrische apparaten die in het kader van de beroepsuitoefening van deze vennootschap worden gebruikt, terwijl richtlijn 85/374 op grond van artikel 9 ervan uitsluitend de aansprakelijkheid van een marktdeelnemer voor zijn gebrekkige producten jegens een consument regelt.
27 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 85/374 blijkens artikel 9, onder b), ervan van toepassing is op schade aan een zaak of de vernietiging van een zaak, mits deze zaak gewoonlijk bestemd is voor ge- of verbruik in de privésfeer en door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer.
28 Aangezien de door richtlijn 85/374 tot stand gebrachte harmonisatie zich niet uitstrekt tot de vergoeding van schade aan een voor beroepsmatig gebruik bestemde en voor dat doel gebruikte zaak, belet deze richtlijn volgens de rechtspraak van het Hof een lidstaat derhalve niet om dienaangaande een aansprakelijkheidsregeling in te voeren die overeenstemt met die van de richtlijn (arrest van 4 juni 2009, Moteurs Leroy Somer, C‑285/08, EU:C:2009:351, punt 31).
29 Zoals de verwijzende rechter in antwoord op een verzoek van het Hof om verduidelijkingen heeft aangegeven, blijkt in casu uit artikel 1386‑2, thans artikel 1245‑1, van de code civil dat de nationale wetgever bij de omzetting van richtlijn 85/374 in de Franse rechtsorde de werkingssfeer van de aansprakelijkheidsregeling voor producten met gebreken niet heeft beperkt tot de vergoeding van schade aan een zaak die bestemd is voor ge- of verbruik in de privésfeer en daartoe wordt gebruikt.
30 Volgens vaste rechtspraak is het Hof bevoegd om uitspraak te doen over verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van het Unierecht in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet rechtstreeks binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar waarin de bepalingen van dat recht toepasselijk zijn gemaakt doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwijst (arrest van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In dergelijke situaties heeft de Europese Unie er immers stellig belang bij dat de uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd, teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden (arrest van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Dat het Hof Unierechtelijke bepalingen uitlegt in situaties die niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, is dus gerechtvaardigd wanneer deze bepalingen door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties, teneinde een gelijke behandeling te verzekeren van deze situaties en situaties die binnen de werkingssfeer van die bepalingen vallen (arrest van 7 november 2018, K en B, C‑380/17, EU:C:2018:877, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Aangezien de Franse wetgever, zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is uiteengezet, bij de omzetting van richtlijn 85/374 in de Franse rechtsorde ervoor heeft gekozen om de door deze richtlijn ingestelde aansprakelijkheidsregeling voor gebrekkige producten ook toe te passen op schade die is veroorzaakt aan zaken die niet bestemd zijn voor ge- of verbruik in de privésfeer en niet daartoe worden gebruikt, moet in het licht van de in de punten 30 tot en met 32 van dit arrest aangehaalde rechtspraak worden geoordeeld dat de Unie er stellig belang bij heeft dat het Hof zich uitspreekt over het verzoek om een prejudiciële beslissing, zodat dit verzoek ontvankelijk is.
Ten gronde
34 Om te beginnen moet, voor zover de verwijzende rechter in zijn vraag verwijst naar artikel 2 van richtlijn 85/374, worden opgemerkt dat dit artikel de definitie van het begrip „product” bevat en in die context uitdrukkelijk bepaalt dat elektriciteit moet worden beschouwd als een product in de zin van deze richtlijn.
35 De kring van aansprakelijke personen jegens wie de gelaedeerde in het kader van de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 een vordering kan instellen, wordt afgebakend in de artikelen 1 en 3 daarvan. Aangezien de richtlijn voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie nastreeft, moet de vaststelling van de kring van aansprakelijke personen in die artikelen als uitputtend worden beschouwd, en mag zij niet afhankelijk worden gesteld van de vaststelling van aanvullende criteria die niet uit de bewoordingen van deze artikelen voortvloeien (arresten van 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, EU:C:2006:6, punten 32 en 33, en 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 29).
36 In die omstandigheden moet de gestelde vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter daarmee wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder moet worden beschouwd als een „producent” in de zin van die bepaling, wanneer hij de spanning van de elektriciteit aanpast met het oog op de distributie ervan aan de eindafnemer.
37 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 17 december 2020, CLCV e.a. (Manipulatie-instrument in dieselmotoren), C‑693/18, EU:C:2020:1040, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 In de eerste plaats zij erop gewezen dat volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 „[o]nder ‚producent’ wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen”.
39 In de tweede plaats moet aangaande de context van deze bepaling worden opgemerkt dat uit artikel 5 van richtlijn 85/374, gelezen in het licht van de vierde overweging ervan, volgt dat meerdere personen kunnen worden aangemerkt als „producent”, in de zin van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, van een en hetzelfde product en als zodanig hoofdelijk aansprakelijk kunnen zijn voor de schade die door dit product wordt veroorzaakt.
40 Wat betreft de rol van de verschillende marktdeelnemers in de productie- en verhandelingsketens van een product, heeft het Hof gepreciseerd dat ervoor is gekozen om de last van de aansprakelijkheid voor schade die door producten met gebreken wordt veroorzaakt in principe bij de producent te leggen, aangezien in het overgrote deel van de gevallen de leverancier het product slechts in onveranderde staat doorverkoopt en enkel de producent de mogelijkheid heeft om invloed uit te oefenen op de kwaliteit ervan (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, EU:C:2006:6, punten 28 en 29).
41 Met betrekking tot de afbakening tussen het productieproces en het verkoopproces van een product zij er ook aan herinnerd dat een product volgens de rechtspraak van het Hof moet worden geacht in het verkeer te zijn gebracht in de zin van artikel 11 van richtlijn 85/374 wanneer het het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verkoopproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie (zie in die zin arrest van 9 februari 2006, O’Byrne, C‑127/04, EU:C:2006:93, punt 27).
42 Wat in de derde plaats het doel van richtlijn 85/374 betreft, wordt in de vierde overweging verklaard dat de bescherming van de consument vereist dat alle deelnemers aan het productieproces aansprakelijk worden gesteld indien het eindproduct, een onderdeel of de door hen geleverde grondstof gebreken vertoont.
43 Het begrip „producent” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374, dat een autonoom Unierechtelijk begrip is, beantwoordt dus aan het doel van de bescherming van de consument, dat vereist dat, ten eerste, verschillende personen als producent kunnen worden beschouwd en, ten tweede, de consument zijn rechten tegen eenieder van hen kan doen gelden, zodat het niet relevant is om te zoeken naar één enkele aansprakelijke, „meest geschikte” persoon, tegenover wie de consument zijn rechten zou moeten doen gelden (zie in die zin arrest van 7 juli 2022, Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia, C‑264/21, EU:C:2022:536, punt 35).
44 In casu betreft de gestelde vraag het geval van een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder die de spanning van de elektriciteit aanpast met het oog op de distributie ervan aan de eindafnemer, waarbij zij aangetekend dat de verbruiker zonder handelen van deze beheerder de door Électricité de France geproduceerde hoogspanningselektriciteit niet kan gebruiken.
45 Bijgevolg beperkt een beheerder die aldus handelt zich er niet toe een product – te weten elektriciteit – te leveren, maar neemt hij deel aan het productieproces door een van de kenmerken van de elektriciteit, namelijk de spanning, aan te passen teneinde de elektriciteit aan het publiek te kunnen aanbieden voor ge- of verbruik.
46 Anders dan de Franse regering stelt, is de spanning een kenmerk van dit product, zulks los van de vraag of overspanning een gebrek is uit het oogpunt van de veiligheid die het grote publiek mag verwachten. In dit verband moet worden opgemerkt dat een kenmerk van een product kan worden gewijzigd zonder dat het product, vóór of na de wijziging in kwestie, gebrekkig is.
47 Hieruit volgt dat een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder die de spanning van elektriciteit aanpast, moet worden beschouwd als een „producent” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374.
48 Anders dan de verwijzende rechter heeft uiteengezet, is deze uitlegging van het begrip „producent” niet in strijd met de bepalingen van de in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde richtlijnen, met name de bepalingen die een scheiding tussen de taken van productie en die van distributie van elektriciteit opleggen.
49 Zoals blijkt uit de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, mag de kring van aansprakelijke personen waartegen de gelaedeerde een vordering kan instellen op grond van de aansprakelijkheidsregeling van richtlijn 85/374 immers enkel aan de hand van de artikelen 1 en 3 van die richtlijn worden vastgesteld, zonder dat het mogelijk is om aanvullende criteria te stellen waarin die artikelen niet voorzien. De in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde richtlijnen streven andere doelstellingen na.
50 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder moet worden beschouwd als een „producent” in de zin van die bepaling wanneer hij de spanning van de elektriciteit aanpast met het oog op de distributie ervan aan de eindafnemer.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999,
moet aldus worden uitgelegd dat:
een elektriciteitsdistributiesysteembeheerder moet worden beschouwd als een „producent” in de zin van die bepaling wanneer hij de spanning van de elektriciteit aanpast met het oog op de distributie ervan aan de eindafnemer.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 juli 2022, C-264/21, ECLI:EU:C:2022:536
- HvJ EU 17 december 2020, C-693/18, ECLI:EU:C:2020:1040
- HvJ EU 7 november 2018, C-380/17, ECLI:EU:C:2018:877
- HvJ EU 4 juni 2009, C-285/08, ECLI:EU:C:2009:351
- HvJ EU 9 februari 2006, C-127/04, ECLI:EU:C:2006:93
- HvJ EU 10 januari 2006, C-402/03, ECLI:EU:C:2006:6