HvJ EU 12 december 2024, C-725/23, ECLI:EU:C:2024:1015

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

12 december 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2011/7/EU – Bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties – Transacties tussen ondernemingen – Handelshuurovereenkomst – Artikel 2, punt 8 – Begrip ,verschuldigd bedrag’ – Doorfacturering van huurlasten en met de huur verband houdende kosten”

In zaak C‑725/23 [Tusnia] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy Katowice – Wschód w Katowicach (rechter in eerste aanleg Oost-Katowice, Polen) bij beslissing van 9 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 27 november 2023, in de procedure

M. sp. z o.o. I. S.K.A.

tegen

R. W.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Jääskinen (rapporteur), kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– M. sp. z o.o. I. S.K.A., vertegenwoordigd door A. Kuleszyńska, radca prawny,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Ioan, D. Milanowska en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. sp. z o.o. I. S.K.A. (hierna: „M.”) en R. W. over de invordering door M. van facturen voor kosten in verband met het gebruik van een bedrijfsruimte die M. heeft gedragen, maar die volgens de overeenkomst ten laste van R. W. vielen.

Toepasselijke bepalingen

3 In de overwegingen 3, 8, 9 en 19 van richtlijn 2011/7 staat te lezen: „(3) Veel betalingen voor handelstransacties tussen marktdeelnemers of tussen marktdeelnemers en overheidsinstanties worden later verricht dan contractueel is overeengekomen of in de algemene handelsvoorwaarden is vastgelegd. Hoewel de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht, worden de desbetreffende facturen veelal ruim na het verstrijken van de betalingstermijn voldaan. Dergelijke betalingsachterstand heeft een negatieve uitwerking op de liquiditeit en bemoeilijkt het financiële beheer van ondernemingen. Bovendien heeft zij, wanneer de schuldeiser als gevolg van betalingsachterstanden externe financiering nodig heeft, gevolgen voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid. In tijden van economische neergang, wanneer de toegang tot financiering lastiger is, neemt het risico van negatieve gevolgen sterk toe. […] (8) Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden beperkt tot betalingen tot vergoeding van handelstransacties. […] (9) Deze richtlijn dient alle handelstransacties te bestrijken, ongeacht of deze tussen particuliere of openbare ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties plaatsvinden, […]. […] […] (19) Om betalingsachterstand te ontmoedigen, moeten schuldeisers een redelijke schadeloosstelling ontvangen voor de invorderingskosten die aan betalingsachterstand toe te schrijven zijn. De invorderingskosten moeten ook een vergoeding omvatten voor de administratiekosten en de interne kosten die als gevolg van de betalingsachterstand worden gemaakt; hiertoe moet deze richtlijn voorzien in een vast minimumbedrag, dat gecumuleerd kan worden met interest voor betalingsachterstand. De toekenning van een schadeloosstelling in de vorm van een vast bedrag moet ten doel hebben de aan invordering verbonden administratieve en interne kosten te beperken. Vergoeding van invorderingskosten moet worden bepaald zonder afbreuk te doen aan nationale bepalingen volgens welke een nationale rechter een schuldeiser een vergoeding kan toekennen voor extra schade in verband met de betalingsachterstand van een schuldenaar.”

4 In artikel 1, leden 1 en 2, van deze richtlijn is het volgende bepaald: „1. Deze richtlijn heeft ten doel betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van [kleine en middelgrote ondernemingen] te versterken. 2. Deze richtlijn is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.”

5 Artikel 2 van richtlijn 2011/7 is als volgt geformuleerd: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. ‚handelstransacties’: transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding; […] 8. ‚[verschuldigd] bedrag’: de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan, inclusief toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten als vermeld in de factuur of in een gelijkwaardig verzoek tot betaling; […]”

6 Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat bij handelstransacties tussen ondernemingen de schuldeiser zonder aanmaning recht heeft op interest voor betalingsachterstand, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) de schuldeiser heeft zijn contractuele en wettelijke verplichtingen vervuld, alsmede b) de schuldeiser heeft het verschuldigde bedrag niet op tijd ontvangen, tenzij de schuldenaar niet verantwoordelijk is voor de vertraging.”

7 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2011/7 bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeiser wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand overeenkomstig de artikelen 3 […] verschuldigd wordt, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8 Op 3 juli 2019 hebben de partijen in het hoofdgeding een overeenkomst voor onbepaalde duur gesloten voor de huur van een bedrijfsruimte gelegen in Polen. Volgens deze overeenkomst was R. W. gehouden tot betaling aan M. van: – de huur, vermeerderd met de belasting over de toegevoegde waarde; – de vergoedingen voor nutsvoorzieningen (verwarming, gas, elektriciteit, enz.), alsmede andere vergoedingen in verband met deze voorzieningen die door de verhuurster waren betaald, en – een maandelijkse forfaitaire vergoeding als bijdrage in de lasten, uitgaven en kosten in verband met het onroerend goed, waaronder de gemeenschappelijke kosten van het gebouw en de gemeentebelastingen.

9 Op 13 september 2019 hebben partijen een aanvullende overeenkomst gesloten, waarbij zij het voorwerp van de overeenkomst hebben uitgebreid met nog een bedrijfsruimte.

10 Bij brief van 28 mei 2020 heeft M. de met R. W. gesloten huurovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

11 M. vordert bij de Sąd Rejonowy Katowice-Wschód w Katowicach (rechter in eerste aanleg Oost-Katowice, Polen), de verwijzende rechter, van R. W. betaling van 26 onbetaald gebleven facturen waarvan er 8 betrekking hebben op de huur, 11 op de nutsvoorzieningen en 7 op de maandelijkse forfaitaire vergoeding als bijdrage in alle lasten, uitgaven en kosten in verband met het onroerend goed, alsmede van een vast bedrag van 40 EUR voor elke factuur die niet tijdig is betaald.

12 De verwijzende rechter wijst erop dat uit artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/7, gelezen in het licht van overweging 8 ervan, blijkt dat de werkingssfeer van deze richtlijn beperkt is tot betalingen „tot vergoeding van handelstransacties”, maar dat het begrip „vergoeding” zelf niet in die richtlijn wordt gedefinieerd.

13 Niettemin meent hij dat indien ervan moest worden uitgegaan dat de werkingssfeer van richtlijn 2011/7 zich slechts uitstrekt tot betalingen „tot vergoeding van handelstransacties”, daaruit zou moeten worden geconcludeerd dat het begrip „verschuldigd bedrag” van artikel 2, punt 8, daarvan slechts van toepassing is op het bedrag dat is bestemd voor de vergoeding van de eigen prestaties van de schuldeiser, met andere woorden de levering van een goed of een dienst, en niet op betalingen die met een ander doel worden verricht, zoals de vergoeding van uitgaven of andere kosten die de schuldeiser ter uitvoering van de overeenkomst heeft gedragen, wanneer die componenten overeenkomstig die overeenkomst worden afgescheiden.

14 De verwijzende rechter merkt evenwel op dat een dergelijke uitlegging, wanneer de overeenkomst bepaalt dat de schuldenaar dergelijke uitgaven of kosten aan de schuldeiser moet vergoeden, ertoe zou leiden dat de betalingsachterstand waardoor de schuldeiser die kosten, ten minste tijdelijk, zelf in de plaats van de schuldenaar moet dragen negatieve gevolgen kan hebben voor de financiële situatie van deze schuldeiser, wat zou indruisen tegen de doelstelling van richtlijn 2011/7, te weten het tegengaan van dit soort situaties, die schadelijk zijn voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid van ondernemingen op de interne markt.

15 In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy Katowice-Wschód w Katowicach de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 2, punt 8, van [richtlijn 2011/7] aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen definitie niet alleen betrekking heeft op de hoofdsom die verschuldigd is voor de kenmerkende prestatie in het kader van de contractuele verhouding die aanleiding geeft tot de levering van goederen of de verrichting van diensten, maar ook op de kosten die ontstaan zijn in verband met de uitvoering van de overeenkomst in kwestie en die krachtens deze overeenkomst moeten worden vergoed door de schuldenaar?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

16 Eerst en vooral dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2011/7 volgens artikel 1, lid 2, ervan van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van „handelstransacties” en dat dit begrip in artikel 2, punt 1, van die richtlijn wordt gedefinieerd als „transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Deze laatste bepaling moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 8 en 9 van die richtlijn, waaruit blijkt dat deze van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties, met inbegrip van betalingen tussen particuliere ondernemingen, en met uitsluiting van transacties met consumenten en andere soorten betalingen (arrest van 13 januari 2022, New Media Development & Hotel Services, C‑327/20, EU:C:2022:23, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarvan de kenmerkende prestatie bestaat in het onder bezwarende titel ter beschikking stellen van een onroerend goed voor tijdelijk gebruik, zoals een overeenkomst voor de huur van een bedrijfsruimte, een handelstransactie vormt die leidt tot het verrichten van diensten in de zin van deze bepaling, mits deze transactie wordt verricht tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties [arrest van 9 juli 2020, RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand), C‑199/19, EU:C:2020:548, punt 41].

18 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat M. en R. W. ondernemingen zijn en dat zij hebben gehandeld in het kader van hun beroepsactiviteit. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter is de in het hoofdgeding gesloten huurovereenkomst dan ook een handelstransactie als bedoeld in richtlijn 2011/7 en vallen de ter vergoeding van deze transactie verrichte betalingen dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.

19 De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in essentie te vernemen of artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7 aldus worden uitgelegd dat het begrip „verschuldigd bedrag” in deze bepaling, naast het bedrag dat de schuldenaar moet betalen voor de kenmerkende prestatie die de schuldeiser ter uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst voor hem heeft verricht, ook de bedragen omvat die de schuldenaar krachtens zijn verbintenis uit deze overeenkomst aan de schuldeiser moet vergoeden uit hoofde van de kosten in verband met de uitvoering van die overeenkomst die deze laatste heeft gedragen.

20 Voor het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht dient rekening te worden gehouden met zowel de bewoordingen en de context als de doelstellingen van deze bepaling (arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7 definieert het begrip „verschuldigd bedrag” als „de hoofdsom die binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn had moeten worden voldaan, inclusief toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten als vermeld in de factuur of in een gelijkwaardig verzoek tot betaling”.

22 Bij de letterlijke uitlegging van deze bepaling dient dus te worden vastgesteld dat de Uniewetgever door de gebruikte bewoordingen aan dit begrip „verschuldigd bedrag” een ruime strekking heeft gegeven.

23 Ten eerste wijst het gebruik van het woord „inclusief” erop dat de Uniewetgever een niet-limitatieve opsomming heeft willen geven van verschillende elementen die onder het begrip „verschuldigd bedrag” kunnen vallen. Ten tweede lijkt het feit dat in deze opsomming onder meer de „toepasselijke belastingen, rechten, heffingen of kosten” worden genoemd erop te wijzen dat de Uniewetgever ook heeft willen doelen op bedragen die losstaan van de hoofdsom die wordt betaald ter vergoeding van de kenmerkende prestatie van de contractuele verhouding, maar die daar niettemin verband mee houden, en welke de schuldenaar heeft toegezegd te zullen vergoeden.

24 Aldus blijkt uit de letterlijke uitlegging van het begrip „verschuldigd bedrag” van artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7 dat dit niet kan worden beperkt tot de hoofdsom die wordt betaald ter vergoeding van de kenmerkende prestatie van de contractuele verhouding.

25 Deze uitlegging vindt steun in de context van deze bepaling alsook in de doelstelling van richtlijn 2011/7.

26 Wat ten eerste die context betreft, bepaalt artikel 1, lid 2, van deze richtlijn dat zij van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen betalingen die worden verricht ter vergoeding van de kenmerkende prestatie in het kader van de overeenkomst en betalingen die met een ander doel worden verricht, zoals de vergoeding van kosten die de schuldeiser in het kader van de uitvoering van de overeenkomst heeft gedragen.

27 Wat ten tweede het doel van richtlijn 2011/7 betreft, zij eraan herinnerd dat dit er luidens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, ervan in bestaat betalingsachterstanden bij handelstransacties tegen te gaan teneinde de correcte werking van de interne markt te waarborgen, en daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen en met name van kleine en middelgrote ondernemingen te versterken.

28 Uit overweging 3 van die richtlijn volgt dat de Uniewetgever rekening heeft gehouden met het feit dat deze betalingsachterstanden een negatieve uitwerking hebben op de liquiditeit van deze ondernemingen, hun financieel beheer bemoeilijken en bovendien, wanneer zij als gevolg van deze betalingsachterstanden externe financiering nodig hebben, gevolgen hebben voor hun concurrentievermogen en hun winstgevendheid (zie in die zin arrest van 20 oktober 2022, BFF Finance Iberia, C‑585/20, EU:C:2022:806, punt 35).

29 Uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 2011/7, gelezen in het licht van overweging 3 ervan, volgt aldus dat de richtlijn niet alleen tot doel heeft betalingsachterstanden te ontmoedigen door te voorkomen dat zij financieel interessant zijn voor de schuldenaar doordat er in een dergelijke situatie weinig of geen interest in rekening wordt gebracht, maar ook om de schuldeiser doeltreffend te beschermen tegen dergelijke achterstanden door hem een zo volledig mogelijke schadeloosstelling te bieden voor zijn invorderingskosten. Dienaangaande staat in overweging 19 van deze richtlijn te lezen dat de invorderingskosten ook een vergoeding moeten omvatten voor de administratiekosten en de interne kosten die als gevolg van de betalingsachterstand worden gemaakt en dat de toekenning van een schadeloosstelling in de vorm van een vast bedrag ten doel moet hebben de aan invordering verbonden administratieve en interne kosten te beperken [arresten van 20 oktober 2022, BFF Finance Iberia, C‑585/20, EU:C:2022:806, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 1 december 2022, DOMUS-Software, C‑370/21, EU:C:2022:947, punt 27, en 1 december 2022, X (Levering van medisch materiaal), C‑419/21, EU:C:2022:948, punt 36].

30 In deze optiek zou een uitlegging van het begrip „verschuldigd bedrag” van artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7 volgens welke hiermee enkel het bedrag wordt bedoeld dat bestemd is tot vergoeding van de kenmerkende prestatie in het kader van de overeenkomst, erop neerkomen dat de werkingssfeer van deze richtlijn ten onrechte wordt beperkt en dat de schuldeiser blootstaat aan de nadelige gevolgen van betalingsachterstanden ten aanzien van de andere bedragen die krachtens deze overeenkomst door de schuldenaar moeten worden betaald. Dat zou indruisen tegen de doelstelling om schuldenaren te ontmoedigen om betalingen te laat te verrichten, zoals die blijkt uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 2011/7, gelezen in het licht van overweging 19 ervan.

31 Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „verschuldigd bedrag” in deze bepaling naast het bedrag dat de schuldenaar moet betalen voor de kenmerkende prestatie die de schuldeiser in het kader van de tussen hen gesloten overeenkomst voor hem heeft verricht, ook de bedragen omvat die de schuldenaar krachtens zijn verbintenis uit deze overeenkomst aan de schuldeiser moet vergoeden uit hoofde van kosten in verband met de uitvoering van die overeenkomst die deze laatste heeft gedragen.

Kosten

32 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, punt 8, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties

moet aldus worden uitgelegd dat

het begrip „verschuldigd bedrag” in deze bepaling naast het bedrag dat de schuldenaar moet betalen voor de kenmerkende prestatie die de schuldeiser in het kader van de tussen hen gesloten overeenkomst voor hem heeft verricht, ook de bedragen omvat die de schuldenaar krachtens zijn verbintenis uit deze overeenkomst aan de schuldeiser moet vergoeden uit hoofde van kosten in verband met de uitvoering van die overeenkomst die deze laatste heeft gedragen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in