HvJ EU 21 mei 2026, C-52/25, ECLI:EU:C:2026:428

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

21 mei 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Groepsvrijstelling voor bepaalde steunmaatregelen voor de landbouw- en bosbouwsector – Verordening (EU) nr. 702/2014 – Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld – Vermindering van het steunbedrag indien geen verzekering is afgesloten voor ten minste 50 % van de gemiddelde jaarlijkse productie of van het gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio – Artikel 25, lid 9 – Onmogelijkheid voor de begunstigde van de steun om de vereiste verzekering af te sluiten”

In de gevoegde zaken C‑52/25 [Binanrier] ( i ) en C‑53/25 [Beaudeluc] i,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) bij beslissingen van 21 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2025, in de procedures

RZ,

GT (C‑52/25),

AX,

UI (C‑53/25)

tegen

Waals Gewest,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Kumin, waarnemend voor de kamerpresident, S. Gervasoni en M. Bošnjak (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Biondi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door X. Drion, avocat,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouquet, C. Kovács en S. Verschraegen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2026,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 25, lid 9, van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 193, blz. 1).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen enerzijds de landbouwbedrijven RZ en GT (zaak C‑52/25) en AX en UI (zaak C‑53/25), en anderzijds het Waals Gewest (België), betreffende de vergoeding van de schade die deze landbouwbedrijven als gevolg van droogte hebben geleden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de overwegingen 10, 42 en 54 van verordening nr. 702/2014, die van toepassing was op het moment van de feiten en sindsdien is vervangen, stond te lezen: „(10) De algemene voorwaarden voor de toepassing van deze verordening moeten worden bepaald op basis van een reeks gemeenschappelijke beginselen die garanderen dat de steun een doelstelling van gemeenschappelijk belang dient, een duidelijk stimulerend effect heeft, passend en evenredig is, in volledige transparantie wordt toegekend, onder een controlemechanisme valt en geregeld wordt geëvalueerd, en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig beïnvloedt dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. […] (42) Tot deze categorieën steun moeten met name behoren: […] steun voor risico- en crisisbeheer zoals steun ter compensatie van verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, […]. Die steun moet in het bijzonder gericht zijn op de verbetering van het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van de hele landbouwsector. […] (54) Goed risico- en crisisbeheer is cruciaal voor een duurzame en concurrerende landbouwsector. De primaire landbouwproductie staat bloot aan specifieke natuur-, klimaat- en gezondheidsrisico’s en crisissen. Daarom moeten de steun voor risico- en crisisbeheer en de steun voor de sector dierlijke productie worden beperkt tot [kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s)] die actief zijn in de primaire landbouwproductie. Staatssteun voor de vergoeding van verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, voor de bestrijding van dierziekten en plantenplagen en voor de betaling van verzekeringspremies mag enkel worden toegekend om begunstigden te helpen die bijzondere moeilijkheden ondervinden hoewel zij redelijke inspanningen hebben geleverd om die risico’s zoveel mogelijk te beperken. Staatssteun mag er niet toe leiden dat de begunstigden onnodige risico’s nemen. Kmo’s die actief zijn in de primaire landbouwproductie, moeten zelf de gevolgen dragen van onvoorzichtige keuzes op het gebied van productiemethoden of producten.”

4 Artikel 3 („Vrijstellingsvoorwaarden”) van deze verordening bepaalde: „Steunregelingen, in het kader van steunregelingen toegekende individuele steun en ad-hocsteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2 of lid 3, [VWEU] en zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, [VWEU] mits die steun voldoet aan alle in hoofdstuk I van deze verordening vastgestelde voorwaarden en aan de in hoofdstuk III van deze verordening vastgestelde voorwaarden voor de betrokken steuncategorie.”

5 Artikel 25 („Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld”) van die verordening luidde als volgt: „1. Steun om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn, te vergoeden voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), [VWEU] en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, [VWEU] als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 10 van dit artikel en in hoofdstuk I. […] 9. Steun die op grond van dit artikel wordt toegekend, wordt met 50 % verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten. […]”

Belgisch recht

6 Artikel 6 van het besluit van de Waalse regering (België) van 23 augustus 2018, waarbij de droogte van augustus 2016 tot juni 2017 als een landbouwramp beschouwd wordt, waarbij de geografische uitgestrektheid van deze ramp afgebakend wordt en waarbij de schadeloosstelling bepaald wordt (Belgisch Staatsblad, 4 september 2018, blz. 68445; hierna: „besluit van 23 augustus 2018”), luidt als volgt: „Voor de schadeloosstelling worden de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van artikel [5] verminderd met vijftig percent als de schadelijder geen verzekering heeft genomen die minstens vijftig percent van zijn productie tegen klimaatrisico’s dekt.”

Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

7 Verzoekers in het hoofdgeding, wier landbouwbedrijven bestaan uit blijvend en tijdelijk grasland en grasgronden bestemd voor het voeren van vee, hebben schade geleden tijdens perioden van droogte die hebben plaatsgevonden tussen augustus 2016 en juni 2017. Bij besluit van 23 augustus 2018 heeft de Waalse regering deze droogte als landbouwramp erkend, waardoor krachtens het nationale recht aanspraak op schadevergoeding kon worden gemaakt. Verzoekers in het hoofdgeding hebben op die grond schadevorderingen ingediend.

8 Op 31 oktober 2018 heeft de gouverneur van de provincie Luxemburg (België) voorgesteld om verzoekers in het hoofdgeding een vergoeding toe te kennen die met de helft was verminderd, overeenkomstig artikel 6 van het besluit van 23 augustus 2018, omdat zij geen verzekering hadden afgesloten die ten minste 50 % van hun productie tegen klimaatrisico’s dekte.

9 Verzoekers in het hoofdgeding hebben de gegrondheid van dit voorstel betwist. Zij voerden aan dat de in België beschikbare verzekeringen niet de mogelijkheid boden om landbouwbedrijven te verzekeren tegen het risico van droogte. Bij twee besluiten van 10 december 2018 heeft de gouverneur van de provincie Luxemburg verzoekers in het hoofdgeding niettemin een vergoeding toegekend die met de helft was verminderd.

10 Bij twee arresten van 15 maart 2021 heeft de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België) het beroep van verzoekers in het hoofdgeding tegen deze twee besluiten verworpen op grond dat artikel 6 van het besluit van 23 augustus 2018 in overeenstemming is met artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014. Krachtens deze bepaling wordt steun immers met 50 % verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio. Aangezien hagel de weersomstandigheid is die het vaakst voorkomt in België en er in deze lidstaat verzekeringen bestaan die de risico’s in verband met deze weersomstandigheid dekken, heeft deze rechter geoordeeld dat verzoekers in het hoofdgeding een dergelijke verzekering hadden kunnen afsluiten.

11 Het Hof van Cassatie (België) heeft die twee arresten bij arresten van 19 januari 2023 vernietigd. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de cour d’appel de Liège geen rekening had gehouden met het betoog van verzoekers in het hoofdgeding dat het voor hen onmogelijk was om een verzekering tegen hagel af te sluiten, aangezien deze niet de schade dekt die wordt veroorzaakt aan blijvend en tijdelijk grasland.

12 De zaken zijn verwezen naar de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België), de verwijzende rechter. Bij deze rechter voeren verzoekers in het hoofdgeding ten eerste aan dat het in België ten tijde van de betrokken droogte niet mogelijk was om een landbouwbedrijf tegen dat risico te verzekeren. Ten tweede bestonden er weliswaar verzekeringen die het risico van hagel dekten, maar hadden verzoekers in het hoofdgeding daar echter geen toegang toe, aangezien hun landbouwgronden – gelet op de bijzondere kenmerken ervan – niet tegen een dergelijk risico konden worden verzekerd. Artikel 6 van het besluit van 23 augustus 2018 is discriminerend voor zover het landbouwers niet de mogelijkheid biedt om aan te tonen dat zij niet in staat waren om meer dan de helft van hun productie tegen het betrokken risico te verzekeren, en zelfs niet tegen het klimaatrisico dat statistisch het vaakst voorkomt in België.

13 De verwijzende rechter vraagt zich af wat de draagwijdte is van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 en of artikel 6 van het besluit van 23 augustus 2018 verenigbaar is met deze bepaling. In dit verband merkt hij op dat artikel 6 geen rekening houdt met de omstandigheid dat een schadelijder mogelijk niet in staat is geweest om zich te verzekeren tegen het specifieke klimaatrisico dat zijn schade heeft veroorzaakt, in casu de droogte, of om zijn landbouwbedrijf tegen andere klimaatrisico’s te verzekeren.

14 Tegen deze achtergrond heeft de cour d’appel de Mons de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Artikel 25, [lid] 9, van [verordening nr. 702/2014] bepaalt dat steun om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn te vergoeden voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, met 50 % wordt verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten. Is dit artikel van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België)? 2) Is de in [artikel 25] opgenomen vermindering van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s waartegen een in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België) verkrijgbare verzekering dekking verleent, ook al bestaan er verzekeringspolissen die andere klimaatrisico’s – die statistisch vaker voorkomen (in casu hagel) – dekken en die het landbouwbedrijf die de steun geniet, had kunnen afsluiten? 3) Staat die bepaling de betrokken lidstaat toe om steun die bestemd is om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die als een natuurramp wordt beschouwd, niet te verminderen, wanneer de begunstigde van de steun aantoont dat het soort productie van zijn bedrijf (in casu blijvend en tijdelijk grasland alsmede grasgronden bestemd voor het voederen van vee en [niet voor de teelt van] gewassen) in de betrokken lidstaat (in casu [het Koninkrijk] België) niet kan worden verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen, voor ten minste 50 % van de gemiddelde jaarlijkse productie of van het gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen van zijn bedrijf?”

15 Bij beslissing van de president van het Hof van 24 februari 2025 zijn de zaken C‑52/25 en C‑53/25 gevoegd voor de schriftelijke behandeling en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

16 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 aldus moet worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, met de helft moet worden verminderd indien deze kmo niet is verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio, in een situatie waarin de betrokken steun bedoeld is om schade te vergoeden als gevolg van een dergelijke weersomstandigheid die, ten eerste, niet onder die risico’s valt en, ten tweede, geen verzekerbaar risico vormt in die betrokken lidstaat of regio.

17 Volgens artikel 25, lid 1, van verordening nr. 702/2014 is steun om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn te vergoeden voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU als hij voldoet aan de voorwaarden die met name zijn vastgesteld in dat artikel 25, leden 2 tot en met 10.

18 Tot de aldus genoemde bepalingen behoort artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014, volgens hetwelk steun die op grond van dit artikel wordt toegekend, met 50 % wordt verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten.

19 Ter beantwoording van de gestelde vragen dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling, behalve met de bewoordingen ervan, rekening moet worden gehouden met de context ervan en in het bijzonder met de doelstelling ervan [zie in die zin arrest van 13 november 2025, JYSK, C‑117/24, EU:C:2025:872, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

20 Wat de bewoordingen van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 betreft, preciseert dit artikel dat steun die op grond van dit artikel wordt toegekend, in beginsel met de helft wordt verminderd, tenzij de begunstigde een verzekering heeft afgesloten „voor ten minste 50 % van [zijn] gemiddelde jaarlijkse productie of van [zijn] gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen” en, wat de definitie van de gedekte risico’s betreft, „voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio”.

21 Deze bepaling vermeldt dus de twee cumulatieve voorwaarden waaraan de door de begunstigde van de steun af te sluiten verzekering moet voldoen om te voorkomen dat het bedrag van die steun met de helft wordt verminderd. Daarin wordt nergens verwezen naar het klimaatrisico dat concreet aan de basis ligt van de schade die aanleiding geeft tot de toekenning van steun, noch naar het afsluiten van een verzekering die specifiek dit risico dekt. Uit een letterlijke uitlegging van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 volgt dan ook dat noch de vraag wat de aard is van het klimaatrisico dat concreet aan de basis ligt van de voor vergoeding in aanmerking komende schade, noch de vraag of dit specifieke risico, in casu droogte, daadwerkelijk verzekerbaar was, relevant is bij de toetsing of de betrokken steun al dan niet met de helft moet worden verminderd krachtens deze bepaling. De bevoegde nationale autoriteiten moeten in dit verband alleen nagaan of de potentiële begunstigde van de steun al dan niet een verzekering heeft afgesloten die aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, met name of hij zich heeft verzekerd tegen een risico dat behoort tot de risico’s die statistisch gezien het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio.

22 Een dergelijke uitlegging is volledig in overeenstemming met de doelstelling van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014.

23 Zoals blijkt uit overweging 54 van deze verordening, past steun ter vergoeding van schade die het gevolg is van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, in het kader van goed risico- en crisisbeheer en is hij bedoeld ter ondersteuning van kmo’s die, ondanks redelijke inspanningen om de risico’s waaraan de primaire landbouwproductie is blootgesteld – met name de klimaatrisico’s – zoveel mogelijk te beperken, bijzondere moeilijkheden ondervinden. Uit de overwegingen 10 en 42 van die verordening volgt ook dat dergelijke steun een duidelijk stimulerend effect moet hebben en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de levensvatbaarheid van de hele landbouwsector van de Unie moet verbeteren.

24 De in artikel 25, lid 9, van die verordening bedoelde vermindering heeft dus tot doel kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn ertoe aan te zetten verzekeringen af te sluiten die de klimaatrisico’s dekken waaraan zij statistisch het meest zijn blootgesteld. Door de toekenning van het volledige steunbedrag afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de potentiële begunstigden een verzekering hebben afgesloten die de financiële gevolgen van de voorzienbare klimaatrisico’s zoveel mogelijk kan beperken voor hun landbouwactiviteit, heeft de Uniewetgever getracht de economische afhankelijkheid van de betrokken kmo’s te verminderen ten aanzien van de landbouwsteun die wordt toegekend in het kader van regelingen voor de vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, en tegelijkertijd de totale omvang van die steun globaal te beperken.

25 Dat het steunbedrag dat voor schade als gevolg van een weersomstandigheid wordt toegekend, krachtens artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 met de helft wordt verminderd in een situatie waarin die weersomstandigheid, ten eerste, niet valt onder de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio en, ten tweede, in die lidstaat of regio niet verzekerbaar is, is niet in strijd met deze doelstelling. Indien daarentegen zou worden aangenomen dat het steunbedrag in een dergelijke situatie voor de begunstigde van de betrokken steun niet met de helft wordt verminderd, zou dit ertoe kunnen leiden dat het algemene stimulerende effect ten gunste van een zo volledig mogelijke verzekeringsdekking in de hele primaire landbouwsector wordt afgezwakt.

26 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 aldus moet worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, met de helft moet worden verminderd indien deze kmo niet is verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio, in een situatie waarin de betrokken steun bedoeld is om schade te vergoeden als gevolg van een dergelijke weersomstandigheid die, ten eerste, niet onder die risico’s valt en, ten tweede, geen verzekerbaar risico vormt in die betrokken lidstaat of regio.

Derde vraag

27 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 aldus moet worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, met de helft dient te worden verminderd indien deze kmo geen verzekering heeft kunnen afsluiten die voldoet aan de voorwaarden van die bepaling voor het soort productie van zijn bedrijf, gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt.

28 Uit punt 21 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 enkel de twee voorwaarden noemt waaraan de verzekering moet voldoen die de begunstigde van krachtens dit artikel 25 toegekende steun dient te hebben afgesloten opdat deze steun niet overeenkomstig deze bepaling met de helft wordt verminderd.

29 Op basis van de bewoordingen van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 alleen kan dus niet worden bepaald of de bevoegde nationale autoriteiten, alvorens de steun overeenkomstig deze bepaling te verminderen, dienen na te gaan of – gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt – de begunstigde van de steun daadwerkelijk in staat was om voor het soort productie van zijn bedrijf een verzekering af te sluiten die aan de voorwaarden van die bepaling voldoet. In het bijzonder kan uit die bewoordingen niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat de halvering van de steun, waarin is voorzien als algemene regel, niet van toepassing is wanneer de begunstigde geen toegang heeft tot een dergelijke verzekering. In die omstandigheden vereist het antwoord op de derde vraag een teleologische uitlegging van dat artikel 25, lid 9.

30 In dit verband blijkt uit punt 24 van het onderhavige arrest dat de in die bepaling bedoelde vermindering beoogt om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn, ertoe aan te zetten verzekeringen af te sluiten ter dekking van de klimaatrisico’s waaraan zij statistisch het meest zijn blootgesteld, zodat zij economisch minder afhankelijk zijn van landbouwsteun die wordt toegekend in het kader van regelingen voor de vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.

31 In het kader van goed risico- en crisisbeheer is het afsluiten van een verzekering die voldoet aan de voorwaarden van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 een redelijke inspanning die rechtmatig kan worden verlangd van in de primaire landbouwsector actieve kmo’s teneinde de financiële gevolgen van de voorzienbare klimaatrisico’s voor hun activiteiten zoveel mogelijk te beperken. Wanneer de begunstigde van de steun die inspanning niet heeft geleverd en zijn bedrijf niet naar behoren heeft verzekerd, is de aanzienlijke vermindering van de steun waarin artikel 25, lid 9, van die verordening voorziet, gerechtvaardigd als rechtstreeks gevolg van dat gedrag.

32 Zoals de advocaat-generaal in de punten 28 en 29 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan een dergelijk gevolg echter niet gelden in het uitzonderlijke geval dat op de betrokken markt geen verzekering beschikbaar is die voldoet aan de vereisten van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014. In dat geval kan de begunstigde van de steun niet worden verweten dat hij niet alle redelijke inspanningen heeft geleverd om de financiële gevolgen van de voorzienbare klimaatrisico’s voor zijn activiteiten zoveel mogelijk te beperken door een dergelijke verzekering af te sluiten. Die begunstigde was immers niet in staat om op eigen initiatief zijn economische afhankelijkheid van de schadevergoedingsregelingen te beperken, waardoor het stimulerende doel dat ten grondslag ligt aan de vermindering van de steun, zijn betekenis verliest. Deze vaststelling dringt zich des te meer op daar de begunstigde van de steun blootgesteld blijft aan alle financiële gevolgen van de geleden schade die de steun waarop hij aanspraak kan maken, beoogt te compenseren.

33 Hieruit volgt dat de krachtens artikel 25 van verordening nr. 702/2014 toegekende steun niet overeenkomstig lid 9 ervan dient te worden verminderd wanneer vaststaat dat de begunstigde van de steun, gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt, niet in staat was een verzekering af te sluiten die voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voor het soort productie van zijn bedrijf. Het staat in voorkomend geval aan de begunstigde van de steun om de feitelijke en juridische omstandigheden aan te tonen waaruit blijkt dat hij zich in een dergelijke situatie bevond.

34 In dit verband dient ten eerste te worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 niet in strijd is met het vereiste van een eenvormige uitlegging van deze bepaling. Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, garandeert deze uitlegging immers dat de vermindering van de steun op grond van die bepaling wordt toegepast op basis van een objectief criterium en in overeenstemming met het vereiste van goed risico- en crisisbeheer.

35 Ten tweede zijn er geen aanwijzingen dat een dergelijke uitlegging tot concurrentieverstoringen in de primaire landbouwsector van de Unie zou kunnen leiden. Integendeel, het feit dat krachtens artikel 25 van verordening nr. 702/2014 toegekende steun niet dient te worden verminderd overeenkomstig lid 9 ervan in een situatie waarin de begunstigde van die steun niet in staat was om een verzekering af te sluiten die aan de in dat lid gestelde voorwaarden voldoet, kan de nadelen verhelpen die voor in deze sector actieve kmo’s voortvloeien uit het ontbreken van een Europese verzekeringsmarkt die in elke lidstaat volledige en uniforme verzekeringsdiensten kan aanbieden.

36 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in België hagel het vaakst voorkomende klimaatrisico is en dat ten tijde van de feiten van het hoofdgeding dat risico wel degelijk kon worden gedekt op de Belgische verzekeringsmarkt. Verzoekers in het hoofdgeding betogen echter dat zij, gelet op de bijzondere kenmerken van hun bedrijven, die werden gekenmerkt door blijvend en tijdelijk grasland en grasgronden bestemd voor het voeren van vee, geen verzekering tegen hagel konden afsluiten die ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen dekte.

37 Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het licht van alle gegevens waarover hij beschikt, kan worden vastgesteld dat verzoekers in het hoofdgeding – gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt – daadwerkelijk niet in staat waren om een verzekering af te sluiten die voldeed aan de voorwaarden van artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014.

38 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 aldus moet worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, niet met de helft dient te worden verminderd indien deze kmo geen verzekering heeft kunnen afsluiten die voldoet aan de voorwaarden van die bepaling voor het soort productie van zijn bedrijf, gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt.

Kosten

39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 25, lid 9, van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 [VWEU] met de interne markt verenigbaar worden verklaard moet aldus worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kleine en middelgrote onderneming (kmo) te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, met de helft moet worden verminderd indien deze kmo niet is verzekerd tegen de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio, in een situatie waarin de betrokken steun bedoeld is om schade te vergoeden als gevolg van een dergelijke weersomstandigheid die, ten eerste, niet onder die risico’s valt en, ten tweede, geen verzekerbaar risico vormt in die betrokken lidstaat of regio.

2) Artikel 25, lid 9, van verordening nr. 702/2014 moet aldus worden uitgelegd dat steun om een in de primaire landbouwproductie actieve kmo te vergoeden voor schade als gevolg van een ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, niet met de helft dient te worden verminderd indien deze kmo geen verzekering heeft kunnen afsluiten die voldoet aan de voorwaarden van die bepaling voor het soort productie van zijn bedrijf, gelet op het beschikbare aanbod op de relevante verzekeringsmarkt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( i ) Dit zijn fictieve namen, die niet overeenkomen met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken